De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 18
»Gij ziet dus, mijnheer,” zeide doña Luz min of meer schalkachtig, »dat het zoeken van kruiden toch nog ergens goed voor is. De goede doctor heeft u naar alle waarschijnlijkheid een groote dienst bewezen.”
»Zonder het te willen,” antwoordde Edelhart lachend.
»Dat spreek ik niet tegen,” hernam het meisje schertsend, »maar hij heeft het toch niettemin gedaan; en dat hebt gij aan zijne liefhebberij voor de planten te danken.”
»Het zoeken van planten heeft iets goeds, dat stem ik u toe; maar alles moet zijn tijd hebben, en de doctor, zonder dat ik hem iets verwijten wil, heeft den zijne niet altijd even goed gekozen.”
Ondanks de ernstige feiten, waarop deze woorden zinspeelden, konden de omstanders zich niet weêrhouden, om ten koste van den ongelukkigen geleerde even te glimlachen.
»Kom, kom,” zeide doña Luz, »ik wil niet dat men mijnen armen doctor aanvalt; hij is voor zijne achteloosheid zwaar genoeg gestraft door het verdriet, dat hem sedert dien noodlottigen dag verteert.”
»Gij hebt gelijk, mevrouw; ik zal er niet meer van spreken; maar nu vraag ik uwe toestemming om u te verlaten; mijne kameraden sterven letterlijk van honger, en de brave lieden wachten op mij, om te gaan eten.”
»Maar,” vroeg nô Eusébio, »dien man, dien gij aangehouden hebt, wat wilt gij daarmede doen?”
»Dat weet ik nog niet; zoodra ik gegeten heb, zal ik hem ondervragen; zijne antwoorden zullen waarschijnlijk mijn gedrag ten zijnen opzichte besturen.”
De ketels werden van het vuur genomen en de stukken wildbraad klein gesneden; de jagers en de Indianen zetten zich broederlijk naast elkander en aten met veel smaak.
De dames werden afzonderlijk in haar vertrek bediend door nô Eusébio, die de plichten van hofmeester waarnam met eene zorgvuldigheid en een ernst, eene betere plaats waardig.
De man, die bij den ingang der grot aangehouden was, was onder bewaking gesteld van twee sterke, van top tot teen gewapende jagers, die hem niet uit het oog verloren; maar hij scheen er volstrekt niet aan te denken om te ontvluchten; integendeel, hij deed de spijzen, die men beleefd genoeg geweest was voor hem neder te zetten, zeer veel eer aan.
Zoodra de maaltijd afgeloopen was, vereenigden de opperhoofden zich, en voerden eenige minuten lang te zamen een fluisterend gesprek. Daarna werd op bevel van Edelhart de gevangene voorgebracht, en maakte men zich gereed om hem te ondervragen. Deze man, dien men nog nauwelijks een blik waardig gekeurd had, werd dadelijk herkend, zoodra hij voor de opperhoofden stond, die een gebaar van verrassing niet konden weerhouden.
»Kapitein Ouaktehno!” prevelde Edelhart verbaasd.
»Ja, ik zelf, mijne heeren,” antwoordde de roover met spottende hooghartigheid; »wat hebt gij mij te vragen? Ik ben bereid u op alles te antwoorden.”
IX.
STAATKUNDE.
Na al wat er gebeurd was, scheen het van den kapitein eene ongehoorde vermetelheid, om zich zelven aldus weerloos in handen te stellen van menschen, die niet zouden aarzelen eene schitterende wraak op hem te nemen. De jagers waren dan ook niet weinig verschrikt over dezen stap van den roover, en zij vermoedden, niet zonder reden, dat er een list onder verscholen lag. Zij begrepen zeer goed, dat, zoo de kapitein gevangen genomen was, hij zich had laten gevangen nemen, en dat hij waarschijnlijk eene dringende beweegreden had om aldus te handelen, vooral na de zorg die hij besteed had, om zijn spoor voor aller oog te verbergen, en zulk eene ondoordringbare schuilplaats te zoeken, dat de Indianen zelven, aan wier scherpen blik niets ontgaat, de hoop van die ooit te zullen vinden, hadden opgegeven. Wat kwam hij doen, te midden zijner onverzoenlijke vijanden? Welke reden had hem kunnen bewegen om de onvoorzichtigheid te begaan van zich zelven over te geven? Dit vroegen de jagers zich af, terwijl zij hem aanstaarden met die nieuwsgierigheid en belangstelling, welke men onwillekeurig zich genoopt gevoelt te wijden aan den man, die onverschrokken een moedige daad volbrengt, welk karakter hij overigens ook moge bezitten.
»Mijnheer,” zeide Edelhart na een korte pauze tot hem, »daar gij u in onze handen gesteld hebt, zult gij zonder twijfel niet weigeren te antwoorden op de vragen, die wij noodig achten tot u te richten.”
Een onbeschrijfelijke lach plooide de bleeke en dunne lippen van den roover.
»Niet alleen,” antwoordde hij kalm en met nadruk, »zal ik niet weigeren u antwoord te geven, mijne heeren, maar zelfs zoo gij het vergunt, zal ik uwe vragen vooruitloopen, door u uit eigen beweging al wat er is voorgevallen te melden, hetgeen, ik ben er zeker van, u vele feiten duidelijk zal maken, die tot nu toe duister zijn gebleven, en die gij te vergeefs gepoogd hebt te verklaren.”
Een gemompel van verbazing doorliep de rijen der jagers, die allen naderbij kwamen en aandachtig luisterden.
Dit tooneel nam vreemde verhoudingen aan, en beloofde belangrijk te zullen worden. Edelhart dacht even na, vervolgens zich tot den roover wendende, zeide hij:
»Ga uw gang, mijnheer, wij luisteren.”
De kapitein boog, en begon op schertsenden toon zijn verhaal; toen hij bij de overmeestering van het kamp gekomen was, vervolgde hij aldus:
»Dat was een fijne zet van ons, niet waar, mijne heeren? inderdaad, gij moogt mij wel een compliment daarover maken, gij, die in dergelijke zaken voor meesters doorgaat, maar er is iets dat gij niet weet, en dat ik u zeggen moet: de rijkdommen van den Mexicaanschen generaal waren voor mij slechts eene bijzaak, ik had een ander doel, en dat doel zal ik u te kennen geven; ik wilde mij meester maken van doña Luz. Van Mexico af ben ik de karavaan stap voor stap gevolgd; den oppersten gids, den Babbelaar, een ander vertrouwde van mij, had ik omgekocht; het goud en de kostbaarheden voor mijne kameraden overlatende, begeerde ik slechts het meisje.”
»Nu, dan hebt gij uw doel gemist, of ik weet het niet,” viel Goedsmoeds hem, met een tartenden glimlach, in de rede.
»Zoudt gij dat denken?” antwoordde de ander met onverstoorbare kalmte; »inderdaad, hebt gij in zoover gelijk, dat ik voor ditmaal mijn doel heb gemist; maar ik heb nog niet alles gezegd, en misschien zal ik niet altijd mijn doel missen.”
»Gij spreekt hier, omringd door honderdvijftig der beste karabijnen der prairie, over dat afschuwelijk plan, met even veel vertrouwen, alsof gij u in veiligheid onder uwe bandieten bevondt, kapitein; dat is een groote onvoorzichtigheid, of wel een zeldzame vermetelheid,” zeide Edelhart op gestrengen toon.
»Bah! het gevaar is voor mij niet zoo groot, als gij mij wilt doen gelooven; gij weet dat ik de man niet ben, om mij bang te laten maken, staak dus uwe bedreigingen, en laat ons, als het u belieft, ernstig praten.”
»Wij allen, jagers, bevervangers en Indiaansche krijgslieden, in deze grot vereenigd, wij zijn in ons recht, en handelen in het belang onzer gemeenschappelijke veiligheid, als wij de wet der prairiën, dat is: oog om oog, tand om tand, op u toepassen, op u, die gegrepen, en volgens uw eigen bekentenis schuldig zijt aan diefstal, moord, en poging tot maagdenroof; die wet zullen wij onmiddellijk ten uitvoer leggen. Wat hebt gij tot uwe verdediging aan te voeren?”
»Alles op zijn tijd, Edelhart; aanstonds zullen wij ons daarmede bezig houden, maar laat ons nu, bid ik u, een einde maken aan hetgeen ik te zeggen had; wees gerust, het zal slechts eenige minuten oponthoud geven; ik zelf zal op die andere zaak terugkomen, waarin gij zooveel belang schijnt te stellen, daar gij u op eigen gezag tot rechter in de woestijn opwerpt.”
»Die wet is zoo oud als de wereld, zij is door God zelf gegeven: het is de plicht van alle eerlijke lieden, om een wild dier te vervolgen, als men het op zijn weg tegenkomt.”
»Die vergelijking is niet vleiend,” antwoordde de roover onbewogen, »maar ik ben niet lichtgeraakt, ik zal er mij niet boos om maken; wilt gij mij nu nog voor het laatst het woord gunnen?”
»Spreek, en laat het dan uit zijn.”
»Dat is juist wat ik verlang; luister dan. In deze wereld vat ieder het leven naar zijne wijze op, de een wat ruimer, de ander wat meer bekrompen; wat mij betreft, het is mijn ideaal, mij binnen eenige jaren met een aardig fortuintje van hier te verplaatsen naar een dier schoone Mexicaansche provinciën, die er zoo recht prettig uitzien; gij bemerkt dus, dat ik niet eerzuchtig ben. Eenige maanden geleden was ik ten gevolge van verscheidene winstgevende zaken in de prairiën, die ik gelukkig had ten einde gebracht, in het bezit van een ronde som gelds, die ik volgens gewoonte besloot op interest te zetten, ten einde mij later dat fortuintje te bezorgen, waarvan ik reeds gesproken heb. Ik ging daarom naar Mexico, om mijn kapitaal in bewaring te geven aan een aldaar wonenden eerlijken Franschen bankier, die er goed voor zorgt, en dien ik u bij gelegenheid aanbeveel.”
»Waartoe al die praatjes?” viel Edelhart hem driftig in de rede; »houdt gij ons voor den gek, kapitein?”
»In het minst niet: ik ga voort. Te Mexico vergunde het toeval mij, om aan doña Luz een vrij belangrijke dienst te bewijzen.”
»Gij!” riep Edelhart woedend uit.
»Waarom niet?” hernam de andere; »de zaak droeg zich overigens vrij eenvoudig toe; ik verloste haar uit de handen van mijne bandieten, die juist bezig waren haar met alle zorgvuldigheid te plunderen; ik zag haar en werd wanhopig op haar verliefd.”
»Mijnheer!” zeide de jager, terwijl het bloed hem naar het hoofd steeg, »dat gaat alle perken te buiten. Doña Luz is eene dame, waarvan men met eerbied spreken moet; ik zal niet dulden dat men haar in mijne tegenwoordigheid beleedigt.”
»Wij zijn volkomen van hetzelfde gevoelen,” hernam de bandiet, »maar het is daarom niet minder waar, dat ik verliefd op haar werd; ik deed onderzoek naar haar, hoorde wie zij was, welke reis zij ging maken, en tot op het oogenblik van haar vertrek was ik zeer gelukkig, gelijk gij ziet; maar toen was mijn plan gemaakt, een plan, dat gelijk zoo even zeer te recht door u is opgemerkt, geheel schipbreuk geleden heeft, maar dat ik nog niet denk op te geven.”
»Wij zullen er wel een eind aan weten te maken.”
»En gij zult wel doen, zoo gij maar kunt.”
»Nu hebt gij gedaan met spreken, geloof ik.”
»Nog niet als het u belieft, maar voor wat ik nu ga zeggen is de tegenwoordigheid van doña Luz onmisbaar; van haar alleen hangt de goede uitslag mijner zending bij u af.”
»Ik begrijp u niet.”
»Gij behoeft mij ook nu nog niet te begrijpen, maar stel u gerust, Edelhart, het raadsel zal weldra worden opgelost.”
Gedurende dit lange onderhoud had de roover geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest verloren, noch dien spottenden toon en die losse manier van handelen opgegeven die den jager wanhopig maakten. Hij geleek veel meer op een landedelman, die bij zijne buren een bezoek aflegt, dan op een gevangene, die op het punt was van doodgeschoten te worden; hij scheen zich over het gevaar, dat hij liep, geen oogenblik te verontrusten; zoodra hij met spreken gedaan had, en terwijl de jagers fluisterend met elkander beraadslaagden, hield hij zich bezig met op een maïs-cigaar te kauwen die hij opstak en bedaard ging zitten rooken.
»Doña Luz,” hernam Edelhart met kwalijk verborgen ongeduld, »heeft niets met de onderhandelingen te maken, hare tegenwoordigheid is niet noodzakelijk.”
»Gij vergist u zeer, mijn beste,” antwoordde de onverstoorbare roover, terwijl hij een groote rookwolk uitblies, »zij is onmisbaar, en zie hier waarom: gij begrijpt heel goed, niet waar? dat ik een veel te slimme vogel ben om mij zoo maar voetstoots aan u uit te leveren, zonder bij mij iemand te hebben achtergelaten, die met zijn leven voor het mijne instaat; die iemand is de oom van het meisje; zoo ik niet te middernacht ben teruggekeerd in mijne woning, zoo als gij het gelieft te noemen, en te midden mijner dappere kameraden, en dat wel om tien minuten over twaalven, precies, dan zal die achtenswaardige heer zonder uitstel dood geschoten worden.”
Eene rilling van gramschap liep door de rijen der jagers.
»Ik weet heel goed,” ging de roover voort: »dat gij persoonlijk u zeer weinig om het leven van den waardigen generaal bekommert, en dat gij het edelmoedig zult opofferen, in ruil voor het mijne; maar gelukkig voor mij is doña Luz, daar ben ik zeker van, van een ander gevoelen; wees dus zoo goed, en verzoek haar om hier te komen, opdat zij hoore wat ik haar heb voor te stellen; de tijd gaat voort, de weg van hier naar mijn kamp is lang; als ik te laat kwam, zoudt gij alleen verantwoordelijk zijn voor de ongelukken, die mijn oponthoud zou tengevolge hebben.”
»Hier ben ik, mijnheer,” zeide doña Luz, eensklaps te voorschijn tredende, daar zij onder de menigte verborgen, alles gehoord had wat er gezegd was.
De roover wierp zijn half uitgerookte cigaar weg, maakte eene beleefde buiging voor het meisje en groette haar eerbiedig.
»Ik ben gelukkig, mevrouw,” zeide hij, »van wege de eer, waarmede gij mij verwaardigt.”
»Houd op met uw beleedigende complimenten, mijnheer; ik luister, wat hebt gij mij te zeggen?”
»Gij beoordeelt mij verkeerd,” antwoordde de roover, »maar ik hoop, dat ik later genade zal vinden in uwe oogen. Herkent gij mij dan niet, ik meende eene betere herinnering bij u te hebben achtergelaten.”
»Het is mogelijk, mijnheer, dat ik een tijdlang een goeden dunk van u bewaard heb,” antwoordde het meisje bewogen, »maar na al wat er in deze laatste dagen gebeurd is, zie ik in u niets anders als een misdadiger.”
»Dat woord is hard, mevrouw!”
»Vergeef mij bid ik u, mijnheer, zoo het u mocht beleedigd hebben, maar ik ben nog niet geheel hersteld van de schrikken die gij mij hebt aangejaagd, schrikken, die uw gedrag van heden veeleer verdubbelt dan uitwischt; wil mij dus zonder uitstel met uwe bedoelingen bekend maken.”
»Ik zou bijna wanhopen, daar ik zoo slecht door u begrepen word, mevrouw; ik smeek u, schrijf al het gebeurde alleen toe aan de hevigheid van den hartstocht, die mij bezielt, en geloof....”
»Mijnheer, gij beleedigt mij!” viel het jonge meisje, zich trotsch oprichtende, hem in de rede; »welke gemeenschap kan er bestaan tusschen mij en een bandietenhoofdman?”
Bij deze geweldige beleediging overdekte een koortsachtige gloed het gelaat van den roover; hij beet zich op de lippen, maar een sterke poging doende om zichzelven te beheerschen, smoorde hij de gevoelens, die hem bezielden, in het diepst van zijn hart, en antwoordde hij op kalmen en eerbiedigen toon:
»Het zij zoo, mevrouw; verpletter mij, ik heb het verdiend.”
»Is het alleen om zulke alledaagsche gezegden uit te kramen, dat gij mijne tegenwoordigheid hebt verlangd, mijnheer? in dat geval zult gij mij niet kwalijk nemen, als ik mij verwijder; een meisje van mijn rang is aan zulke manieren niet gewoon, en verwaardigt zich niet zulke gesprekken aan te hooren.” Zij maakte eene beweging, om zich wederom naar de moeder van Edelhart te begeven, die op zijne beurt naar haar toekwam.
»Een oogenblik, mevrouw!” riep de roover toornig uit; »gij veracht mijne gebeden, welnu, hoor dan mijne bevelen.”
»Uwe bevelen!” brulde de jager, op hem toespringende; »vergeet gij dan waar gij zijt, ellendeling?”
»Kom, geen bedreigingen, mijn waarde vrienden!” hernam de roover met luider stem, terwijl hij de armen kruiselings over de borst sloeg, het hoofd oprichtte en een verachtelijken blik op de omstanders wierp; »gij weet wel, dat gij tegen mij niets vermoogt, dat er geen haar van mijn hoofd vallen zal.”
»Dat is te veel!” riep de jager uit.
»Halt, Edelhart!” zeide doña Luz, zich voor hem plaatsende, »die man is uw toorn onwaardig; ik zie hem liever zoo, hij speelt zijn rol als bandiet goed, hij heeft ten minste het masker afgeworpen!”
»Ja, ik heb het masker afgeworpen!” riep de roover woedend uit; »luister dan, dwaas kind: binnen drie dagen kom ik terug; gij ziet, ik ben goed,” vervolgde hij met een spotachtigen lach, »ik geef u den tijd om na te denken; zoo gij er dan niet in toestemt om mij te volgen, zal uw oom de vreeselijkste folteringen te verduren hebben, en als een laatste gedachtenis van mij, zal ik u zijn hoofd zenden.”
»Monster!....” riep het meisje wanhopend uit.
»Kom aan!” zeide hij, met een duivelschen grijnslach de schouders ophalende, »ieder bemint op zijne wijze; ik heb gezworen dat gij mijne vrouw zult zijn.”
Maar het meisje hoorde niet meer; door smart overweldigd, was zij in zwijm gevallen, in de armen van des jagers moeder en van Nô Eusébio, die zich haastten haar weg te brengen.
»Genoeg!” zeide Edelhart met eene vreeselijke stem, terwijl hij zijne hand op den schouder van den roover legde; »dank God, die u vergunt heelhuids uit onze handen te komen.”
»Binnen drie dagen, op hetzelfde uur, ziet gij mij weder, mijne heeren,” zeide hij met verachting.
»In dien tijd kan de kans omslaan,” zeide Goedsmoeds.
De roover antwoordde slechts met een grijnslach en verliet de hut zoo kalm en bedaard, alsof er niets buitengewoons ware voorgevallen. Hij verwaardigde zich niet eens om even om te zien, zoo zeker was hij van de ontsteltenis die hij teweeg gebracht en van den indruk dien hij gemaakt had.
Nauwelijks was hij weg, of Goedsmoeds, de Zwarte Eland en de Arendskop verlieten de grot langs andere wegen om zijn spoor te volgen.
Edelhart bleef een oogenblik staan peinzen, vervolgens ging hij, bleek en met gefronsd voorhoofd, vernemen hoe doña Luz het maakte.
X.
TWEESTRIJD.
Doña Luz en Edelhart stonden in een zonderlinge verhouding tegenover elkander. Beide jong, beide schoon, beminden zij elkander zonder het zich zelven te willen bekennen, zonder er zich bijna van bewust te zijn. Beide, hoewel hun vorig leven hemelsbreed van elkander verschilde, bezaten een gelijke frischheid van gevoelens, een gelijke onschuld des harten.
De kindsheid van het meisje was eentonig en stil voorbij gegaan onder overdreven godsdienstige oefeningen, in dat land, waar het christendom veeleer eene soort van fetischdienst is, dan wel dat zuivere, edele, eenvoudige geloof van onze gewesten. Nooit had zij haar hart hooger voelen kloppen. Zij was onbekend met de liefde, onbekend met de smart. Zij leefde als de vogelen des hemels, den dag van gisteren vergetende, aan den dag van morgen niet denkende. Maar de reis, die zij ondernomen had, had een geheele verandering in haar bestaan teweeg gebracht. Het gezicht van den onmetelijken horizon, die zich voor haar in de prairie uitstrekte, van de prachtige rivieren, die zij overtrok, van de hooge bergen, waar zij vaak langs moest, en wier toppen den hemel schenen aan te raken, had den kring van hare denkbeelden grooter gemaakt, een blinddoek was haar als het ware van de oogen gevallen, zij had begrepen dat God haar voor iets anders geschapen had, als om in een klooster haar leven voort te slepen.
De verschijning van Edelhart, in de buitengewone omstandigheden, waarin hij zich aan haar voorstelde, had haren voor elken indruk vatbaren geest verleid. In zijne tegenwoordigheid voelde zij zich haars ondanks bewogen. Onbewust had haar hart het hart ontmoet, dat het zocht. Teeder en zwak als zij was, had zij behoefte aan dien krachtigen man, met dien doordringenden blik, met dien leeuwenmoed, met dien ijzeren wil, om haar staande te houden in het leven, en om haar onder zijne machtige bescherming te nemen.
Ook had zij zich van het eerste oogenblik af aan met onbeschrijfelijk zoet gevoel langs de helling, die haar naar Edelhart voerde, laten afglijden, en de liefde had zich in hare ziel gevestigd, eer zij het wist, en eer zij op tegenstand bedacht was. De laatste gebeurtenissen hadden met vernieuwde kracht dien hartstocht, die op den bodem haars harten sluimerde, opgewekt. Nu, terwijl zij bij hem was, terwijl zij ieder oogenblik uit den mond zijner moeder en van zijne vrienden zijn lof hoorde verkondigen, was zij er toe gekomen om hare liefde te beschouwen als een deel uitmakende van haar bestaan; zij begreep niet, hoe zij zóólang had kunnen leven, zonder dien man te beminnen, dien zij van hare geboorte af scheen gekend te hebben.
Zij leefde slechts voor hem en door hem, gelukkig als zij een blik of een glimlach van hem kon opvangen, vroolijk als zij hem zag, treurig als hij lang wegbleef.
Edelhart was langs een gansch anderen weg tot hetzelfde einddoel gekomen. Opgevoed in de prairiën, om zoo te zeggen, van aangezicht tot aangezicht tegenover God, dien hij zich gewend had te vereeren in de grootsche werken, die hij altijd voor oogen had, hadden de verhevene natuurtafereelen, de gedurige worstelingen met de Indianen of met de wilde dieren, zijnen geest zoowel als zijn lichaam buitengemeen ontwikkeld. Evenals hij door zijne spierkracht en zijne behendigheid in het hanteeren der wapenen alle hinderpalen, die hem in den weg stonden, wist te overwinnen, was hij ook door den rijkdom zijner denkbeelden en door de fijnheid van zijn gevoel, in staat om alle dingen te begrijpen. Niets wat goed en groot was, was hem onbekend. Gelijk meestal het geval is met zulke uitgelezen karakters, wanneer zij reeds vroeg met tegenspoed te worstelen hebben, en zonder andere verdedigers als zich zelven aan de vreeselijkste omstandigheden des levens zijn blootgesteld, had ook zijne ziel zich op buitengewone wijze ontwikkeld, maar tevens een zonderlinge naïveteit bewaard met betrekking tot zekere gevoelens, die hem altijd onbekend waren gebleven, en die hem, uit hoofde van zijne levenswijze, eeuwig onbekend zouden gebleven zijn, zoo niet een toeval hem te hulp ware gekomen. De dagelijksche behoeften van het veelbewogen en onzekere leven, dat hij leidde, hadden in hem de kiem van den hartstocht onderdrukt, zijne eenzaamheid had hem onbewust tot een meer beschouwend leven gevoerd.
Daar hij geen andere vrouwen kende als zijne moeder, want de Indiaansche vrouwen hadden hem nooit iets anders als afkeer ingeboezemd, was hij zes en dertig jaren oud geworden, zonder aan liefde te denken, zonder te weten wat het was, en, wat meer zegt, zonder zelfs ooit dat veelbeteekenend woord, dat de bron is van zooveel verhevene opofferingen en van zooveel verschrikkelijke misdaden, te hebben hooren uitspreken. Als na een lange dagreize door bosschen en langs rotsachtige wegen, na een vermoeiende beverjacht, van vijftien tot zestien uren, Edelhart en Goedsmoeds zich in de prairie bij het wachtvuur vereenigden, liep hun gesprek natuurlijk over niets anders als over de gebeurtenissen van den dag. Zoo gingen er weken, maanden, jaren voorbij, zonder dat er eenige verandering in zijn toestand kwam, behalve dat zich een onbestemd gevoel van hem meester maakte, een verlangen naar hij wist niet wat, een ongerustheid waarvan hij de oorzaak niet kende, die hem langzaam ondermijnde, zonder dat hij er zich rekenschap van geven kon.
Want de natuur heeft hare onverbiddelijke rechten, waaraan ieder, willens of onwillens, in welken toestand hij zich ook bevinde, zich moet onderwerpen.
Toen dan ook het toeval hem met doña Luz in aanraking bracht, vloog zijn hart tot haar met hetzelfde gevoel van natuurlijke en onweerstaanbare aanhankelijkheid en eenstemmigheid, dat ook het meisje beheerschte. Zelf verbaasd over die plotselinge belangstelling voor eene vreemde, welke hij waarschijnlijk nooit weder zou zien, werd hij bijna wrevelig over dat in hem opkomend gevoel, en openbaarde hij in zijn omgang met haar eene gedwongenheid, die niet in zijn karakter lag. Evenals alle groote geesten, die steeds allen zonder tegenstand voor zich hebben zien buigen, hinderde hem het bewustzijn van door een meisje beheerscht te worden, en onder een invloed te staan, waaraan hij zich reeds niet meer onttrekken kon.
Doch toen hij na den brand der prairie het kamp der Mexicanen verliet, had hij, ondanks zijn haastig vertrek, de herinnering der vreemde in zijn hart medegenomen. Dat beeld was verder uitgewerkt door hare afwezigheid. Altijd meende hij in zijne ooren den zoeten, welluidenden toon van hare stem te hooren ruischen; altijd, hetzij hij waakte, hetzij hij sliep, stond zij voor hem, met een glimlach op de lippen, en met den blik op hem geslagen.