De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 17
De generaal liet het lijk op een rustbed plaatsen, dat in der haast was opgemaakt; en eene spade nemende, wilde hij zelf een kuil graven, waarin de jongeling zou worden nedergelegd.
Al de lanceros schaarden zich om hem heen, leunende op hunne wapenen.
De generaal ontblootte zijn hoofd, nam een gebedenboek en las overluid het doodenformulier voor, waarop zijne nicht en de omstanders het Amen uitspraken.
Er was iets grootsch en treffends in deze eenvoudige plechtigheid, te midden der wildernis, wier duizend stemmen ook een gebed schenen te prevelen, en in het aangezicht dier grootsche natuur, waar Gods vinger zich zoo duidelijk openbaart.
Die grijsaard, zooals hij daar bezig was het doodenformulier voor te lezen boven het lijk van een jongeling, even te voren nog vol levenskracht, zooals hij daar stond naast dat jonge meisje, te midden dier sombere soldaten, die er over nadachten, hoe hetzelfde lot weldra hen misschien wachten zou, maar die toch kalm en onderworpen, ijverig baden voor hem, die hun was voorgegaan; en dan dat gebed zelve, zooals het daar omhoog rees in den nacht, begeleid door het zuchten van den avondwind, die huiverend door de takken ritselde, alles herinnerde aan de eerste tijden van het Christendom, toen het, vervolgd en gedwongen zich te verschuilen, in de woestijn de wijk nam, om nader bij God te wezen.
De vervulling dezer laatste plichtpleging werd door niets gestoord. Nadat elk der aanwezigen nog eenmaal van den doode afscheid genomen had, werd hij in zijn mantel gewikkeld en in den kuil nedergelaten; zijne wapens werden naast hem geplaatst en de kuil werd dicht geworpen. Eene kleine verhevenheid van den grond, die weldra weder verdwijnen zou, wees alleen de plaats aan, waar het lijk rustte van een man, wiens heldenmoed en verhevene zelfopoffering diegenen had gered, welke hem de zorg voor hun behoud toevertrouwd hadden.
De omstanders gingen uiteen, vast besloten zijn dood te wreken, en in geval van nood, te doen gelijk hij.
Het was nu volkomen donker geworden.
De generaal deed thans voor het laatste de ronde, om zich te verzekeren, dat de wachten allen op hun post stonden, wenschte zijne nicht goeden nacht, en legde zich buiten hare tent, dwars voor den ingang neder.—Zoo gingen er drie uren in ongestoorde rust voorbij.
Eensklaps begon een twintigtal mannen, als zoovele duivels, zwijgend tegen de wallen op te klauteren, en eer de verbaasde schildwachten den minsten tegenweer konden bieden, waren zij reeds bij de keel gegrepen en geworgd.
Het kamp der Mexicanen was door de roovers verrast, en met hen waren roof en moord daar binnen getreden!
VII.
HET GEVECHT.
De roovers dansten als jakhalzen in het kamp rond, onder het aanheffen van een luid gebrul en onder het schudden der wapenen. Zoodra het kamp ingenomen was, had de kapitein hun de vergunning gegeven, om op hun gemak te gaan plunderen en moorden. Zonder zich verder met hen te bemoeien, was hij naar de tent geijld.
Daar echter werd de doorgang hem belet. De generaal had zeven of acht man om zich heen verzameld, en wachtte aldus de bandieten moedig af, vast besloten zich liever te laten dooden, dan toe te staan dat een dezer ellendelingen zijne nicht aanraakte. Op het gezicht van den ouden soldaat, die met bliksemende oogen, met een pistool in de eene en den degen in de andere hand, gereed was hem te ontvangen, aarzelde de kapitein. Maar die aarzeling duurde geen seconde, hij riep een tiental roovers op, om zich rondom hem te scharen.
»Maak plaats!” zeide hij, zijne machete zwaaiende.
»Kom, zoo gij durft!” antwoordde de generaal, zich woedend op de lippen bijtende.
De beide mannen wierpen zich op elkander, hunne manschappen volgden hun voorbeeld, het gevecht werd algemeen.
’t Was eene vreeselijke worsteling, eene worsteling tusschen mannen, die wisten, dat zij van elkander geene genade te wachten hadden.
Ieder deed zijn best om doodelijke slagen uit te deelen, zonder zich de moeite te geven, om die, welke op hem gericht waren, af te weren, niet morrende om zijn val, zoo hij in dien val slechts zijne tegenpartij medesleepte. De gekwetsten poogden zich nog op te richten, om met hun ponjaard diegenen te treffen, welke nog vechtende waren.
Zulk een woeste strijd kon niet lang duren; al de lanceros werden afgemaakt, de generaal viel op den grond, omvergeworpen door den kapitein, die op hem viel, en hem met zijn gordel stevig knevelde, om hen allen verderen tegenstand onmogelijk te maken.
De generaal was slechts licht gewond. Om zekere redenen, die hij alleen kende, had de kapitein hem voorbedachtelijk onder het gevecht beschermd, met zijne machete de slagen, die door de bandieten op hem gericht werden, afwerende. Hij wilde zijn vijand levend in handen krijgen, en het was hem gelukt.
Al de overige Mexicanen waren wel is waar gevallen, maar de overwinning was den roovers duur te staan gekomen. Zij waren voor de grootste helft gedood.
De neger van den generaal, met een geduchte knods gewapend, had zich lang verdedigd tegen hen, die zich van hem poogden meester te maken; zonder genade sloeg hij allen, die zich te dicht bij hem waagden, dood, met het moorddadig wapen, dat hij met ongemeene behendigheid hanteerde; eindelijk was men er in geslaagd hem te lasseeren en half geworgd op den grond te werpen, maar de kapitein redde hem het leven, op het oogenblik, dat een der roovers den arm oplichtte, om hem te dooden.
Zoodra de kapitein zag, dat de generaal in de onmogelijkheid was om eenige beweging te maken, slaakte hij een kreet van vreugde, en zonder er aan te denken om het bloed te stelpen, dat hem uit twee wonden stroomde, sprong hij als een tijger over het lichaam van zijn vijand, die zich machteloos aan zijne voeten kromde, en trad de tent binnen.
Deze was ledig. Doña Luz was verdwenen. De kapitein stond als aan den grond genageld.
Wat kon er van het meisje geworden zijn?
De tent was niet groot, bijna zonder meubelen; het was onmogelijk er zich in te verbergen. Een verfrommeld bed bewees, dat, op het oogenblik van den aanval, doña Luz nog rustig lag te sluimeren. Als een toovernimf was zij zonder eenig spoor achter te laten, verdwenen. De kapitein begreep niets van hare vlucht, daar het kamp van alle zijden te gelijk was aangevallen. Hoe zou een jong meisje, plotseling wakker geschrikt, genoeg moed en tegenwoordigheid van geest hebben gehad, om zoo vlug en zoo ongemerkt te ontsnappen, door den kring van vijanden heen, die haar omringden, en wier eerste zorg het geweest was, om al de ingangen te bewaken? Hij zocht te vergeefs naar de oplossing van dit raadsel. Stampvoetend van toorn peilde hij met zijn ponjaard de pakken, die der vluchteling tot eene tijdelijke schuilplaats hadden kunnen verstrekken, maar alles te vergeefs. Eindelijk overtuigd, dat zijne nasporingen in de tent tot niets zouden leiden, wierp hij zich naar buiten, als een wild dier overal rondloopende, verzekerd, dat, zoo het haar door een wonder gelukt was, om alleen, in den nacht, half gekleed, en onbekend met de wegen in de wildernis, te ontsnappen, hij haar spoor gemakkelijk terug zou vinden.
De plundering werd ondertusschen voortgezet met eene snelheid en met eene orde, te midden der wanorde, die de proefondervindelijke kundigheden der roovers eer aandeden.
De overwinnaars, eindelijk het moorden en stelen moede, openden met hunne ponjaards de lederen zakken mezcal, en zetten door een algemeene slemppartij de kroon op hun werk.
Eensklaps liet zich op eenigen afstand een krassend en vreeselijk geschreeuw hooren, en een hagelbui van kogels stortte op de bandieten neder. Dezen, op hunne beurt aangevallen, vlogen te wapen, en poogden zich te hereenigen. Op hetzelfde oogenblik kwam er een bende Indianen te voorschijn, die als tijgers tusschen de pakgoederen sprongen, van nabij gevolgd door een troep jagers, onder de aanvoering van Edelhart, Goedsmoeds en den Zwarten Eland.
De roovers bevonden zich in een benarden toestand. De kapitein, wien het gevaar, waaraan zijne manschappen waren blootgesteld, ter harte ging, liet het vruchteloos zoeken met weêrzin varen, en zijne lieden om zich heen scharende, liet hij de twee gevangenen, die hij gemaakt had, den generaal namelijk en zijn neger, opnemen. Toen gebruik makende van de verwarring, die van een dergelijken aanval onafscheidelijk is, gaf hij aan de zijnen bevel, om zich in alle richtingen te verspreiden, ten einde des te gemakkelijker aan de slagen hunner vijanden te ontkomen.
De roovers schoten allen te gelijkertijd hunne geweren af, hetgeen onder de aanvallers eenige aarzeling teweeg bracht, en verwijderden zich toen als een troep bloeddorstige gieren, om weldra in de duisternis te verdwijnen.
De kapitein intusschen, die het laatst achtergebleven was, om den aftocht te dekken, verzuimde niet om nogmaals, terwijl hij langs de rotsen afgleed, al vluchtende en zoolang hij kon, naar de sporen van het meisje te zoeken; maar er was niets van haar te ontdekken. Teleurgesteld ging hij weg, met woede in het hart en de zwartste voornemens in het hoofd.
Edelhart door den Indiaanschen verspieder, en vooral door het verhaal van den doctor van den aanval op het kamp onderricht, was dadelijk op marsch gegaan, ten einde den Mexicanen zoo spoedig mogelijk hulp toe te brengen. Doch ongelukkig waren, ondanks de snelheid waarmede zij voortgingen, de jagers en de Comanchen te laat gekomen om de karavaan te redden.
Toen de aanvoerders der onderneming zich van de vlucht der roovers verzekerd hadden, begonnen de Arendskop en zijne manschappen hen te achtervolgen.
Edelhart, meester van het kamp gebleven zijnde, gaf bevel tot eene algemeene jacht in de naburige rotskloven en in het hooge gras, dat de bandieten nog niet den tijd hadden gehad nauwkeurig te onderzoeken, want zij waren nauwelijks het kamp binnengedrongen, of zij werden er weder uitgeslagen. Deze jacht leidde tot de ontdekking van Phebe, het kamermeisje van doña Luz, en van twee lanceros, die zich in een boomstam verscholen hadden, en die meer dood dan levend door den Zwarten Eland en nog eenige andere jagers werden te voorschijn gebracht. De arme drommels meenden den roovers in handen gevallen te zijn, en Edelhart had onbeschrijfelijk veel moeite om hun aan het verstand te brengen, dat de lieden die zij zagen vrienden waren, wel is waar te laat gekomen om hen te helpen, maar toch niet genegen hun eenig kwaad te doen. Zoodra zij een weinig gerust gesteld waren, trad Edelhart met hen de tent binnen, en vroeg hun een omstandig verhaal van het gebeurde.
De jongste mesties, zoodra zij zag met wie zij te doen had, kreeg eensklaps al haar moed terug, en daar zij bovendien Edelhart herkende, liet zij zich lichtelijk tot praten bewegen: binnen weinige minuten bracht zij den jager op de hoogte van al de verschrikkelijke gebeurtenissen, waarvan zij getuige was geweest.
»Dus,” vroeg hij haar, »is kapitein Aguilar gedood?”
»Helaas! ja,” antwoordde het meisje met een smartelijken zucht; zij dacht aan den moed van den armen officier.
»En de generaal?” hernam de jager.
»O, de generaal,” zeide de mesties levendig, »die heeft zich geweerd als een leeuw, en hij is eerst na een heldhaftigen tegenstand gevallen.”
»Is hij dood?” vroeg Edelhart, pijnlijk aangedaan.
»O, neen,” zeide zij, »hij is maar gewond, ik heb gezien dat de bandieten hem wegdroegen, ik geloof zelfs, dat zijne wonden niet van de zwaarsten zijn, daar de ladrons (dieven) hem gedurende het gevecht altijd trachtten te sparen.”
»Des te beter,” zeide de jager, en hij boog nadenkend het hoofd. Na eene korte pauze, voegde hij er aarzelend en met eenigszins bevende stem bij: »En uwe jonge meesteres, wat is daarvan geworden?”
»Mijne meesteres, doña Luz?”
»Ja, doña Luz, dat is geloof ik haar naam; ik zou er alles voor over hebben, om iets van haar te hooren, en te weten dat zij zich in veiligheid bevindt.”
»Dat doet zij, want zij is dicht bij u,” zeide eene welluidende stem.
En doña Luz trad te voorschijn, nog bleek van de aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest, maar toch kalm, met een glimlach op de lippen, en met glinsterende oogen.
De omstanders konden een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen zij zoo onverwachts dat meisje zagen verschijnen.
»O, God zij geprezen!” riep de jager uit, »onze hulp is dan niet geheel nutteloos geweest, Caballero.”
»Neen,” antwoordde zij bevallig; en liet er treurig op volgen, terwijl eene donkere wolk haar gelaat overschaduwde: »thans, nu ik hem verloren heb, die mij als een vader was, kom ik uwe bescherming inroepen.”
»Zij is u gegund, mevrouw,” zeide hij met warmte; »wat uw oom betreft, o, reken op mij; ik zal hem u teruggeven, al moest ik het met mijn leven betalen. Gij weet,” voegde hij er bij, »dat ik heden niet voor de eerste maal uwe zaak verdedig.”
Toen de eerste oogenblikken van aandoening voorbij waren, verlangde men te weten, hoe het meisje er in geslaagd was om zich aan de nasporingen der roovers te onttrekken.
Doña Luz verhaalde wat haar overkomen was.
Het meisje had zich geheel gekleed te bed gelegd, de ongerustheid had haar wakker gehouden, een geheim voorgevoel zeide haar, dat zij op hare hoede moest zijn. Bij het door de roovers aangeheven geschreeuw was zij verschrikt opgestaan, en met den eersten oogopslag had zij gezien, dat het onmogelijk was om te vluchten. Een angstigen blik om zich heen werpende, had zij eenige kleederen bemerkt, die in wanorde in eene hangmat waren geworpen en naar buiten hingen.
Toen was haar plotseling een gedachte in het hoofd gekomen. Zij had zich onder deze kleederen laten doorglijden, en zich zoo klein makende als zij kon, zich in de hangmat nedergelegd, zonder de wanorde der kleederen te verstoren. Door Gods goedheid had het opperhoofd der bandieten, toen hij overal rondzocht, er niet aan gedacht om met de hand in die schijnbaar ledige hangmat te tasten. Door dit toeval gered, had zij zich ongeveer een half uur schuil gehouden, al dien tijd in eene spanning verkeerende, die het onmogelijk is te beschrijven. De komst der jagers en de stem van Edelhart, die zij terstond herkende, hadden haar weder hoop ingeboezemd, zij had hare schuilplaats verlaten, en ongeduldig op eene gunstige gelegenheid gewacht om zich te vertoonen.
De jagers stonden verbaasd over dit eenvoudig en toch zoo treffend verhaal; zij wenschten het meisje geluk met haren moed en hare tegenwoordigheid van geest, door welke alleen zij gered was geworden.
Toen de orde in het kamp een weinig hersteld was, begaf Edelhart zich wederom naar doña Luz.
»Mevrouw,” zeide hij, »weldra zal het dag zijn; als gij eenige uren rust zult genomen hebben, zal ik u bij mijne moeder brengen, die eene vrome vrouw is; als zij u kent, twijfel ik niet, of zij zal u als hare dochter liefhebben; daarna, als gij in veiligheid zult zijn, zal ik mijn best doen, om uwen oom op te sporen.”
Zonder de dankbetuigingen van het meisje af te wachten, maakte hij eene eerbiedige buiging voor haar en ging de tent uit.
Zoodra hij weg was, slaakte doña Luz een zucht, en liet zich peinzend op haar stoel nedervallen.
VIII.
DE GROT VAN DEN KOPERGROEN.
Er waren twee dagen verloopen, na de in het vorige hoofdstuk vermelde gebeurtenissen.
Wij geleiden den lezer, tusschen drie en vier ure na den middag, in de door Goedsmoeds ontdekte hut, waar Edelhart bij voorkeur zijn verblijf hield. Het inwendige der grot, verlicht door tallooze toortsen van zeker hout, dat de Indianen kaarshout noemen, en die op gelijke afstanden in de nissen der rotsen stonden te branden, had heel veel van eene legerplaats van heidens of bandieten. Een veertigtal jagers en Comanchen waren hier en daar verspreid; sommigen sliepen, anderen rookten, anderen wederom maakten hunne wapens schoon of herstelden hunne kleederen, nog anderen lagen geknield voor twee of drie vuren, waarboven groote ketels hingen, of roosterden ontzaglijke stukken wildbraad voor het middagmaal hunner kameraden. Bij elken ingang der grot stonden twee schildwachten, onbewegelijk, maar op alles nauwkeurig acht gevende, om voor het algemeene welzijn te waken.
In een afzonderlijk vertrek, door een vooruitstekend rotsblok van de overige ruimte afgescheiden, zaten twee vrouwen en een man op ruwe houtblokken zachtjes te praten.
Deze vrouwen waren doña Luz en de moeder van Edelhart, de man, die onder het rooken van zijn maïs-cigaar het oog op haar gevestigd hield, en soms zich in het gesprek mengde, hetzij door een uitroep van verrassing, van bewondering, of van vreugde, was nô Eusébio, de oude Spaansche dienaar, van wien wij reeds meermalen in den loop van dit verhaal melding hebben gemaakt.
Aan den ingang van dit vertrek, dat eene soort van kamer in de grot vormde, wandelde een ander man, met de handen op den rug en tusschen de tanden fluitend, heen en weder. Dat was de Zwarte Eland.
Edelhart, de Arendskop en Goedsmoeds waren afwezig.
Het gesprek der beide vrouwen scheen hun veel belang in te boezemen; de moeder van den jager wisselde vaak een veelbeteekenenden blik met haar ouden dienaar, die zijn cigaar uit had laten gaan, maar, zonder het te merken, werktuigelijk bleef doorrooken.
»O,” zeide de oude dame, de handen samenvouwende en de oogen ten hemel slaande, »de vinger Gods is wel zichtbaar in dit alles.”
»Ja,” antwoordde nô Eusébio met overtuiging. »Hij alléén heeft alles gedaan.”
»En zeg mij, mijn lieve, heeft uw oom gedurende de twee maanden dat gij op reis zijt, u nooit laten merken, hetzij door woorden, hetzij door daden, wat het doel was van dien tocht?”
»Nooit!” antwoordde doña Luz.
»Het is vreemd,” prevelde de oude dame.
»Ja vreemd, inderdaad,” herhaalde nô Eusébio, die voortging met aan zijn cigaar te trekken.
»Maar,” hernam Edelharts moeder, »waarmede bracht uw oom sedert zijne komst in de prairiën, zijn tijd door? Vergeef mij, mijn kind, die vragen moeten u wel vreemd toeschijnen, maar zij zijn geenszins het gevolg van nieuwsgierigheid; later zult gij mij begrijpen; dan zult gij inzien hoe groot de belangstelling is, die gij mij inboezemt, en welke alleen mij noopt u te ondervragen.”
»Ik twijfel er geenszins aan, mevrouw,” antwoordde doña Luz met een bekoorlijk lachje; »ook maak ik geen bezwaar om uwe vragen te beantwoorden. Mijn oom is sedert onze komst in de prairiën zeer droefgeestig en bezorgd geweest; hij zocht bij voorkeur het gezelschap van menschen, die aan het woestijnleven gewoon waren, en als hij er zoo een ontmoette, bleef hij vaak vele uren achtereen met hem praten.”
»En waarover ondervroeg hij hen dan, mijn kind, herinnert gij u dat ook?”
»O hemel, mevrouw,” antwoordde het meisje, terwijl een lichte blos hare wangen kleurde, »ik moet u tot mijne schande bekennen, dat ik op die gesprekken niet veel acht gaf, daar ik ten minste dacht, dat zij mij al heel weinig aangingen. Ik, arm kind, die tot nu toe eene sombere en eentonige levenswijze geleid heb, en die de wereld slechts heb gezien door de tralies van mijn klooster, ik bewonderde de grootsche natuur, die als door betoovering zich voor mij ontrolde; ik had geene oogen genoeg om die wonderen te aanschouwen, en ik aanbad den schepper, wiens oneindige macht zich eensklaps aan mij openbaarde.”
»Het is waar, lief kind, vergeef mij die vragen, die u moeten vermoeien, en waarvan gij het belang niet gissen kunt,” zeide de goede dame, haar een kus op het voorhoofd drukkende; »als gij wilt, zullen wij er later nog wel eens over spreken.”
»Zoo als gij wilt, mevrouw,” antwoordde het meisje haar wederom kussende, »ik ben blijde met u te kunnen praten, en welk onderwerp gij kiezen moogt ik zal er altijd veel belang in stellen.”
»Maar wij zitten hier niets te doen als te babbelen, en vergeten intusschen mijn armen zoon die sedert dezen morgen afwezig is, en die, naar hij mij gezegd heeft, nu reeds terug moest zijn.”
»O, als hem maar niets overkomen is,” riep doña Luz angstig.
»Gij stelt dan wel belang in hem?” vroeg de oude dame glimlachend.
»O, mevrouw,” antwoordde zij aangedaan, terwijl haar gelaat zich met gloeiend rood overdekte, »hoe zou dit anders kunnen na de diensten, die hij ons bewezen heeft, en die welke hij ons nog bewijzen zal gelijk ik zeker weet?”
»Mijn zoon heeft u beloofd uw oom te zullen bevrijden; wees overtuigd, dat hij zijne belofte vervullen zal.”
»O, ik twijfel er niet aan, mevrouw! zulk een edel en groot karakter!” riep zij met verheffing van stem uit, »met hoeveel recht draagt hij den naam van Edelhart!”
De oude dame en Eusébio zagen haar glimlachend aan; zij waren verheugd over de verrukking van het meisje.
Doña Luz bemerkte nu met welk eene aandacht men haar gadesloeg; zij hield verlegen op, en boog het hoofd voorover, nog sterker blozende dan te voren.
»O,” zeide de oude dame, haar bij de hand grijpende, »ga gerust voort, mijn kind, ik ben verrukt u zoo over mijn zoon te hooren spreken; ja,” voegde zij er treurig en als tot zichzelve sprekende bij, »ja, hij heeft een groot en edel karakter; gelijk alle groote geesten, wordt hij miskend; maar geduld, God beproeft hem, eens zal hem recht wedervaren: voor het aangezicht van allen.”
»Zou hij gelukkig zijn?” waagde het meisje te vragen.
»Dat zeg ik niet, mijn kind,” antwoordde de arme moeder met een onderdrukten zucht, »wie kan in deze wereld zich vleien, gelukkig te zijn? Ieder heeft een last om te dragen, maar de Almachtige geeft aan ieder kracht naar kruis.”
Men hoorde eenige beweging in de grot, verscheidene mannen traden binnen.
»Daar is uw zoon, mevrouw,” zeide de Zwarte Eland.
»Verplicht, mijn vriend,” antwoordde zij.
»O, zooveel te beter,” zeide doña Luz, verheugd opstaande.
Maar beschaamd over deze onwillekeurige beweging, liet het meisje zich verlegen en blozend weder op hare zitplaats nedervallen.
Het was inderdaad Edelhart die binnenkwam, maar hij was niet alleen. Goedsmoeds en de Arendskop, benevens verscheidene jagers vergezelden hem.
Edelhart, zoodra hij zich in de grot bevond, begaf zich dadelijk met groote stappen naar de plaats, waar zijne moeder zat, hij gaf haar een kus op het voorhoofd, wendde zich toen tot doña Luz, en groette haar met zekere onnatuurlijke gedwongenheid, die voor de oude dame niet onopgemerkt bleef.
Het meisje groette hem niet minder stijf terug.
»Nu,” zeide hij vroolijk, »gij zult u wel verveeld hebben, terwijl gij op mij zat te wachten, mijne edele gevangene! de tijd heeft u in deze grot wel lang moeten toeschijnen; vergeef mij, dat ik u in deze akelige woning geherbergd heb, doña Luz, gij, die geboren zijt om prachtige paleizen te bewonen. Helaas! het is het prachtigste van al mijne verblijven.”
»Bij de moeder van hem, die mij het leven gered heeft, mijnheer,” antwoordde het meisje met waardigheid, »gevoel ik mij als in de tegenwoordigheid eener koningin, welke ook de plaats moge zijn, die haar tot woning verstrekt.”
»Gij zijt al te goed, mevrouw!” stamelde de jager; »gij maakt mij waarlijk verlegen.”
»Welnu, mijn zoon,” viel de oude dame in, met het doel om eene andere wending te geven aan het gesprek dat voor de beide jonge lieden moeielijk begon te worden, »wat hebt gij van daag gedaan? Hebt gij goede tijding voor ons? Doña Luz is zeer bezorgd omtrent het lot van haar oom; zij brandt van verlangen om hem weder te zien.”
»Ik begrijp de ongerustheid van mevrouw,” antwoordde de jager, »ik hoop die weldra uit den weg te ruimen, wij hebben van daag niet veel uitgericht, het is ons onmogelijk geweest het spoor der bandieten terug te vinden. Het is om gek te worden van woede. Gelukkig hebben wij bij onze terugkomst, niet ver van de grot, den doctor wedergevonden, die volgens zijne loffelijke gewoonte, bezig was met in de spleten der rotsen naar kruiden te zoeken; hij zeide ons, dat hij een man van een verdacht uiterlijk in den omtrek had zien ronddwalen. Wij zijn dadelijk op de jacht gegaan, en inderdaad ontdekten wij weldra een persoon, waarvan wij ons onverwijld meester maakten, en dien wij hierheen hebben gebracht.”