De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 16

Chapter 163,933 wordsPublic domain

»Juist! dat was het,” zeide de geleerde, zich verheugd in de handen wrijvende, »ik wilde het juist zeggen, ik beken dat het mij duister genoeg voorkwam, en dat ik er niets van begrepen heb; maar gij zult het mij uitleggen, niet waar?”

De jager greep hem heftig bij den arm, en zijn aangezicht bij het zijne brengende, zeide hij met gloeiende blikken en met woedend gelaat.

»Armzalige gek! Waarom zijt gij mij niet dadelijk komen opzoeken, in plaats van met nietsdoen uw tijd te verliezen? Uw oponthoud zal misschien de dood uwer vrienden zijn.”

»Is het mogelijk?” riep de doctor overbluft, en zonder er aan te denken om rekenschap te vragen van de brutale wijze, waarop de jager hem op het lijf viel.

»Gij waart met eene boodschap belast, waarvan leven en dood afhing, dwaas die gij zijt; wat nu te doen? misschien is het te laat!”

»O, zeg dat niet!” riep de geleerde blijkbaar ontroerd, »ik zou van wanhoop sterven, als dat waar was.”

De arme man smolt weg in tranen en gaf ondubbelzinnige bewijzen van de grootste smart.

De Zwarte Eland was verplicht hem te troosten.

»Nu, houd maar moed, mijn beste heer,” zeide hij op zachteren toon tot hem: »wat duivel, misschien is alles nog wel niet verloren!”

»O, als ik de oorzaak van een groote ramp moest wezen; ik zou het niet overleven!”

»Nu, wat geschied is, is geschied, wij moeten nu kiezen wat ons te doen staat,” zeide de jager wijsgeerig; »ik ga er over nadenken, hoe ik hen helpen zal. Goddank, ik sta niet zoo alleen als men denken zou; ik hoop binnen weinige uren een dertigtal van de beste schutters der prairie bijeen te hebben.”

»Gij zult hen redden, niet waar?”

»Ik zal ten minste alles doen wat maar met eenige mogelijkheid kan gedaan worden, en als het God behaagt, zal ik wel slagen.”

»De hemel verhoore u!”

»Amen!” zeide de jager, zich ootmoedig kruisende, »en nu gaat gij naar het kamp terug, hoor.”

»Terstond.”

»Maar geen bloemen meer plukken, en geen planten meer uittrekken.”

»O neen, dat zweer ik u; vervloekt zij het uur, waarin ik aan het herboriseeren gegaan ben,” riep de geleerde in komische wanhoop uit.

»Zeer goed, dat is dan afgesproken: gij zult de jonge dame en haar oom gerust gaan stellen; gij zult hen tot waakzaamheid, en als er een aanval geschiedt, tot dapperen tegenstand aanmanen, en gij zult hun zeggen, dat zij weldra hunne vrienden hun ter hulpe zullen zien snellen.”

»Ik zal het zeggen.”

»Te paard dan, en in galop naar het kamp!”

»Wees daar gerust op; maar gij, wat gaat gij doen?”

»Bemoei u met mij niet, ik zal niet werkeloos blijven; maak maar dat gij zoo spoedig mogelijk bij uwe vrienden komt.”

»Over een uur zal ik bij hen zijn.”

»Houd nu maar goeden moed: en alles kan nog goed afloopen.”

De Zwarte Eland liet den toom van het paard, dat hij tot hiertoe vasthield, los, en de geleerde vertrok in snellen draf, hetgeen den goeden man moeielijk genoeg viel, daar hij gedurig zijn evenwicht verloor.

De jager zag hem een oogenblik na; en liep toen met snellen pas het bosch in. Hij had nauwelijks tien minuten geloopen, toen hij eensklaps vlak tegenover Nô Eusébio stond, die, met de moeder van Edelhart, welke bewusteloos dwars over den zadel lag, langzaam kwam aanrijden.

Deze ontmoeting was voor den jager een uitkomst, daar hij nu van den ouden Spanjaard stellige berichten kon erlangen omtrent Edelhart, berichten welke de grijsaard zich haastte hem te geven. Vervolgens begaven de beide mannen zich naar de hut van den pelsjager, waarvan zij niet ver verwijderd waren, en waarin zij voorloopig aan de moeder van hun vriend huisvesting wilden verleenen.

V.

HET VERBOND.

Wij moeten nu tot Edelhart terugkeeren.

Na ongeveer tien minuten rechtuit geloopen te hebben, zonder zich zelfs de moeite te geven, om een dier tallooze voetpaden te volgen, die de prairiën in alle richtingen doorkruisen, stond de jager stil, zette zijn geweer op den grond, zag zorgvuldig om zich heen, luisterde naar die duizende geluiden der wildernis, die voor den in het leven der prairiën ingewijden mensch allen een beteekenis hebben, en bootste, klaarblijkelijk over de uitkomst van zijn onderzoek voldaan, driemaal achtereen, het geschreeuw van een ekster zoo natuurlijk na, dat verscheidene dezer vogels, in het dichte loof verborgen, hem onmiddellijk antwoord gaven.

Nauwelijks had hij voor de derde maal zijn geschreeuw doen hooren, of het woud, tot nu toe geheel stom en naar het scheen in volmaakte eenzaamheid verzonken, begon, als ware het betooverd, plotseling te leven; van alle zijden richtten zich van uit de struiken en van uit het gras, waarin zij verscholen waren, eene menigte jagers op, met krachtige gelaatstrekken en schilderachtige kostumen, en vormden in een oogenblik een dichten kring om den jager.

Het toeval wilde, dat de twee eerste gezichten, die Edelhart in het oog vielen, die van den Zwarten Eland en van Nô Eusébio waren, welke beiden dicht bij hem stonden.

»O,” zeide hij, hun de hand gevende, »ik begrijp alles; mijne vrienden, hebt dank, hebt dank voor uwen welwillenden bijstand, maar Gode zij dank, ik heb dien niet meer noodig.”

»Des te beter,” zeide de Zwarte Eland.

»Het is u dus gelukt, om aan de handen dier verwenschte Roodhuiden te ontsnappen?” vroeg de oude dienaar met belangstelling.

»Zeg geen kwaad van de Comanchen,” zeide Edelhart glimlachende, »zij zijn thans mijne broeders.”

»Spreekt gij in ernst,” riep de Zwarte Eland levendig; »zijt gij werkelijk wel met de Indianen?”

»Gij zult er zelven over oordeelen; de vrede tusschen hen en mijne vrienden is gesloten; zoo gij het goedvindt, zal ik u aan elkander voorstellen.”

»Hemel! in de tegenwoordige omstandigheden kon ons geen grooter geluk overkomen,” zeide de Zwarte Eland, »en, daar gij vrij zijt, kunnen wij ons met anderen bezig houden, die zich op dit oogenblik in groot gevaar bevinden, en die waarschijnlijk grootelijks behoefte hebben aan onze hulp.”

»Wat wilt gij daarmede zeggen?” vroeg Edelhart met belangstellende nieuwsgierigheid.

»Ik wil zeggen, dat diezelfde menschen, aan wie gij reeds een ontzaglijke dienst bewezen hebt, bij gelegenheid van den brand in de prairie, op dit oogenblik door een bende roovers omsingeld worden, die waarschijnlijk niet zullen nalaten hen aan te vallen, indien dit niet reeds heeft plaats gehad.”

»Gij moet hun ter hulpe snellen!” riep Edelhart, die zijn aandoening niet bedwingen kon.

»Bij God, dat is ons plan, maar wij wilden eerst u verlossen, Edelhart; gij zijt de ziel onzer vereeniging; zonder u zouden wij niets goeds kunnen doen.”

»Ik dank u, mijne vrienden, maar nu, zooals gij ziet, ben ik vrij; niets alzoo weerhoudt ons om terstond te gaan.”

»Vergeef mij,” hernam de Zwarte Eland, »maar wij hebben met eene sterke tegenpartij te doen; de roovers, die weten, dat zij op geen genade te rekenen hebben, vechten als tijgers; hoe grooter in aantal wij zijn, des te meer kans hebben wij om wél te slagen.”

»Dat is waar! maar wat wilt gij dan?”

»Wel: gij hebt in onzen naam vrede gesloten met de Comanchen; zou het niet....”

»Gij hebt waarachtig gelijk, Zwarte Eland;” viel Edelhart hem haastig in de rede, »ik zou er niet aan gedacht hebben; de Indiaansche krijgslieden zullen blijde zijn, dat wij hun eene gelegenheid aanbieden om hunne dapperheid te toonen; zij zullen ons gaarne helpen, ik neem de zorg op mij, om hen over te halen; volgt gij mij allen, ik ga u aan onze nieuwe vrienden voorstellen.”

De jagers vereenigden zich en vormden een dicht opeengedrongen bende van omtrent veertig man.

De wapenen werden ten teeken van vrede onderstboven gekeerd, en allen richtten zich naar het kamp, voorafgegaan door Edelhart.

»En mijne moeder?” vroeg Edelhart aan Nô Eusébio.

»Zij is in veiligheid in de hut van den Zwarten Eland.”

»Hoe gaat het met haar?”

»Goed, maar halfdood van angst,” antwoordde de grijsaard; »uwe moeder is eene vrouw die slechts door haar hart leeft; zij bezit een ontzaglijken moed, de grootste lichaamssmarten schokken haar niet; zij gevoelt niets meer van de afschuwelijke marteling, die zij heeft ondergaan.”

»God zij geprezen! maar wij moeten haar niet lang in die doodelijke spanning laten; waar is uw paard?”

»Hier dicht bij, in de struiken verscholen.”

»Haal dat en begeef u naar mijne moeder,—stel haar gerust en gaat met u beiden naar de grot van de Kopergroen, waar zij tegen alle gevaar beschut zal zijn. Blijf daar bij haar. Die grot is gemakkelijk te vinden, zij ligt niet ver van de rots van den dooden Bison; overigens, als gij daar gekomen zult zijn, laat de honden dan maar los, die zullen u den weg wel wijzen. Hebt gij mij goed begrepen?”

»Volkomen.”

»Ga dan, wij zijn vlak bij het kamp; uwe tegenwoordigheid is hier onnoodig, terwijl zij daar onmisbaar is.”

»Ik ga.”

»Vaarwel.”

»Tot weêrziens.”

Nô Eusébio floot de speurhonden, die hij met een lasso aan elkander bond; voor de laatste maal gaf hij Edelhart de hand, verliet hen toen, maakte rechtsomkeert, en ging terug naar het bosch, terwijl de jagerbende aan den ingang der opene plaats kwam waar de Indianen hun kamp hadden opgeslagen.

De Comanchen vormden op eenige passen afstands van de eerste grenzen van hun kamp een grooten halven cirkel, in het midden waarvan de opperhoofden stonden. Om aan de aankomelingen alle eer te bewijzen, hadden zij hun schoonste gewaad aangetrokken; zij waren allen als tot den oorlog geschilderd en gewapend.

Edelhart liet zijn troep halt houden, en alleen voortgaande, ontplooide hij een bisonhuid en liet die in de lucht wapperen.

De Arendskop verwijderde zich toen van de andere opperhoofden, hij naderde op zijne beurt den jager, en deed insgelijks, ten teeken van vrede, een bisonhuid wapperen.

Toen de beide mannen nog slechts drie passen van elkander waren, bleven zij staan. Edelhart nam het woord.

»De meester des levens,” zeide hij, »doorziet onze harten; hij weet, dat tusschen ons de weg schoon en open is, en dat de woorden, die ons hart uitblaast en onze mond uitspreekt, oprecht zijn; de blanke jagers komen aan hunne roode broeders een bezoek brengen.”

»Zij zijn welkom,” antwoordde de Arendskop hartelijk, en hij maakte eene buiging, met die bevalligheid en die edele majestueuze houding, die de Indianen kenmerkt.

Na deze woorden schoten de Comanchen en de jagers hunne wapens in de lucht af, terwijl zij tevens een luid vreugdegejuich deden hooren. Toen werd alle stijfheid verbannen, de beide troepen mengden zich zoo geheel ondereen, dat zij in weinig tijds slechts eene enkele bende vormden.

Maar Edelhart, die, na al wat de Zwarte Eland hem gezegd had, wist, hoe kostbaar de oogenblikken waren, had ondertusschen den Arendskop ter zijde genomen, en hem openhartig de verwachting medegedeeld, die men van zijn stam koesterde.

De hoofdman glimlachte bij dit verzoek.

»Aan het verlangen van mijn broeder zal voldaan worden,” zeide hij, »zoo hij slechts even wachten wil.”

Hierop den jager verlatende, voegde hij zich bij de andere opperhoofden.

Weldra klom de roeper op de verandah eener hut, en riep met luid geschreeuw de meest vermaarde krijgslieden op, om zich in de raadstent te vereenigen.

Het verzoek van Edelhart verwierf algemeene goedkeuring; er werden tachtig uitgelezene mannen, onder aanvoering van den Arendskop, aangewezen, om de jagers te vergezellen, en met alle kracht mede te werken, tot het welslagen der onderneming.

Toen het besluit der opperhoofden bekend was geworden, heerschte er eene algemeene vreugde in den stam. De verbondenen zouden zich met zonsondergang op weg begeven, om den vijand onverhoeds te overvallen. Men danste, met inachtneming van al de in dergelijke gevallen gebruikelijke plechtigheden, den grooten krijgsdans, gedurende welken de krijgslieden steeds in koor deze woorden herhaalden:

»Wabimdam Kitchée manitoo, agarmissey hapitch neatissum!”

Dat wil zeggen: »Meester des levens, zie mij met een gunstig oog aan, gij hebt mij den moed gegeven, om mijne aderen te openen!”

Toen men op het punt stond van te vertrekken koos de Arendskop, die wel wist met welke gevaarlijke vijanden hij te doen zou krijgen, twintig lieden uit, op wie hij rekenen kon, en zond hen als verspieders vooruit, na hen van Scotté wigwas of boomschors voorzien te hebben, opdat zij terstond vuur zouden kunnen aanleggen, om ingeval van nood te waarschuwen.

Vervolgens onderzocht hij nauwkeurig de wapenen zijner krijgslieden, en, voldaan over den uitslag zijner inspectie, gaf hij het teeken tot vertrek.

De Comanchen en de pelsjagers schaarden zich op de wijze der Indianen in gelid, en door hunne opperhoofden voorafgegaan verlieten zij het kamp, achtervolgd door de wenschen en aanmoedigingen hunner vrienden, die hen tot aan de eerste boomen van het woud vergezelden.

Het legertje bestond uit honderd dertig wakkere mannen, allen van top tot teen gewapend, en aangevoerd door opperhoofden, die voor geen hinderpaal terugweken, en door geen gevaar zich lieten afschrikken. Er heerschte eene dikke duisternis; de maan, door zware wolken omringd, die zich log en langzaam voortbewogen, verspreidde slechts nu en dan een flauwen glans, die aan alles een fantastisch voorkomen gaf. De wind blies zeer ongelijkmatig, en stortte zich met dof en klagend geluid in de holen en in de openingen tusschen de rotsen. Het was, in één woord, een van die nachten, die in de geschiedenis der menschheid altijd het tooneel schijnen te moeten zijn van droevige treurspelen.

De krijgslieden trokken stilzwijgend voort; zij geleken in het donker op een troep schimmen, die aan het graf ontkomen waren, en zich haastten, om een nameloos, door God vervloekt werk te volbrengen, dat de nacht alleen in staat was met zijne schaduw te bedekken.

Omstreeks middernacht werd het woord: halt! zoo zacht mogelijk uitgesproken. Men betrok een kamp, om op het nieuws der verspieders te wachten; dat wil zeggen, ieder wikkelde zich zoo goed of zoo kwaad als hij kon in zijn mantel, om op het eerste teeken gereed te zijn. Er werden geen vuren ontstoken. De Indianen, die op hunne verspieders vertrouwen, zetten nooit schildwachten uit, als zij ten strijde uitgetrokken zijn. Zoo gingen twee uren voorbij. Het kamp der Mexicanen was niet meer dan drie mijlen van daar verwijderd; maar alvorens zij zich verder waagden wilden de opperhoofden zich verzekeren, dat de weg vrij was; in het tegenovergestelde geval wilden zij onderzoeken, hoe groot het aantal was der vijanden, die hun den weg versperden, en welk plan van aanval zij schenen beraamd te hebben.

Op het oogenblik dat Edelhart, door ongeduld verteerd, zich gereed maakte om zelf op verkenning uit te gaan, liet zich in de struiken eenig gedruisch hooren, dat in het eerst bijna onmerkbaar was, maar weldra hoe langer hoe sterker werd. Er kwamen twee mannen te voorschijn. De eerste was een der verspieders, de ander was de doctor. De toestand waarin de arme geleerde zich bevond, was deerniswaardig. Hij had zijn pruik verloren, zijne kleederen waren verscheurd, zijn gezicht was van angst verwrongen, en zijn geheele persoon droeg de duidelijke sporen van een hevig gevecht.

Toen hij bij den Arendskop en bij Edelhart kwam, viel hij op den grond in zwijm. Men haastte zich hem in het leven terug te roepen.

VI.

DE LAATSTE AANVAL.

De achter de wallen geplaatste lanceros hadden den aanval der roovers moedig doorgestaan. De generaal, wanhopig over den dood van kapitein Aguilar, en overtuigd dat er met zulke vijanden niet te onderhandelen viel, had besloten een onverzettelijken tegenstand te bieden en zich liever te laten dooden, dan in hunne handen te vallen.

De Mexicanen, daaronder gerekend de peones en gidsen, op welke men zich nauwelijks verlaten kon, waren slechts ten getale van zeventien, zoo mannen als vrouwen.

De roovers waren ten getale van minstens dertig.

Er bestond dus een groot verschil in aantal tusschen de belegeraars en de belegerden; maar door de sterke ligging van het kamp op den top van een chaos van rotsen, viel dit verschil gedeeltelijk weg, en stonden de krachten aan beide zijden bijna gelijk.

Kapitein Ouaktehno kende zeer goed al de bezwaren aan den aanval verbonden, bezwaren, die, daar de aanval thans openlijk geschiedde, bijna onoverkomelijk waren; ook had hij op eene verrassing gerekend, en vooral op het verraad van den Babbelaar. De omstandigheden alleen en zijne woede over het verlies, dat kapitein Aguilar hem berokkend had, hadden hem genoopt om den aanval te wagen.

Toen echter het eerste oogenblik van drift voorbij was, en hij zag dat zijne manschappen, als overrijpe vruchten, aan alle zijden nedervielen, zonder dat hij hen kon wreken, of zonder dat zij een duim gronds wonnen, besloot hij, niet om terug te trekken, maar om de bestorming in eene belegering te veranderen, hopende dat hij gedurende den nacht gelegenheid zou vinden om een goeden slag te slaan, en in het uiterste geval, zeker zou zijn van vroeg of laat de belegerden door den honger te kunnen dwingen.

Hij hield zich overtuigd, dat zij op geenerlei hulp of bijstand rekenen konden in deze prairiën, waar men slechts Indianen ontmoet, die met alle blanken in vijandschap leven, of wel jagers, die er niet van houden om zich te mengen in zaken, die hun niet aangaan.

Zijn besluit eens genomen zijnde, bracht de kapitein het onmiddellijk ten uitvoer.

Hij wierp een blik om zich heen: hun toestand bleef altijd dezelfde; ondanks al hunne schier bovenmenschelijke inspanning om de steile helling die naar de wallen leidde, te beklimmen, waren de roovers geen stap gevorderd.

Zoodra maar iemand waagde zich te vertoonen, deed een kogel uit een der Mexicaansche karabijnen hem onmiddellijk in den afgrond storten.

De kapitein gaf het teeken tot den aftocht, dat is te zeggen hij bootste het gehuil van den hond der prairiën na. Oogenblikkelijk hield het gevecht op. Deze plek, een oogenblik te voren nog zoo levendig door het geschreeuw der strijders en het losbranden der vuurwapenen, verviel eensklaps in eene doodelijke stilte. Zoodra echter de menschen hun vernielingswerk ten einde hadden gebracht, maakten de gieren, de valken en de arenden een begin met het hunne. Na de roovers, de roofvogels; zoo behoort het immers.

In groote troepen dwarrelden zij als wolken om de lijken heen, waarop zij zich krassend en vechtend nederwierpen, ten aanschouwe der Mexicanen, die zich niet buiten hunne verschansingen durfden te wagen, en genoodzaakt waren toeschouwers te blijven van dit afschuwelijk feestmaal.

De roovers vereenigden zich in een grot, buiten het bereik van de geweren der Mexicanen, en telden hunne manschappen. Hun verlies was vreeselijk geweest; van de veertig waren er nog maar negentien. In minder dan een uur hadden zij een en twintig man verloren; meer dan de helft.

De Mexicanen hadden, behalve kapitein Aguilar, noch dooden noch gekwetsten.

Het verlies, dat de roovers geleden hadden, bracht hen tot nadenken. De meerderheid was van oordeel, dat men moest aftrekken, en van de voordeelen eener onderneming afzien, die met zooveel gevaren en zoovele moeielijkheden gepaard ging. De kapitein was nog meer ontmoedigd dan zijne makkers.

Voorzeker, als het hem slechts te doen ware geweest om goud en edelgesteenten te veroveren, zou hij zonder aarzelen zijne plannen hebben laten varen, maar een andere, meer dringende reden noopte hem tot handelen, en spoorde hem aan, om het avontuur tot aan het einde toe voort te zetten, welke ook voor hem de gevolgen mochten zijn. De schat, dien hij begeerde, een schat van onberekenbare waarde, was doña Luz, dat meisje, dat hij reeds eenmaal te Mexico uit de handen zijner bandieten had gered, en voor hetwelk hij, zijns ondanks, eene onbeteugelde liefde had opgevat. Van Mexico af volgde hij haar stap voor stap, evenals een wild dier op iedere gelegenheid loerend om een prooi meester te worden, voor welker bezit hem geen offer te zwaar, geene moeite te groot, geen gevaar te dreigend scheen.

Hij putte dan ook bij zijne bandieten alle hulpmiddelen uit, die de taal schenkt aan iemand, die zich door hartstocht verblinden laat, om hen bij zich te houden, om hunnen moed op te wekken, in één woord om hen te bewegen, dat zij, alvorens zij aftrokken, nog een aanval zouden wagen.

Hij had veel moeite om hen te overtuigen; gelijk meestal in zulke gevallen, waren de dappersten gedood; de overblijvenden voelden zich niet zeer gestemd om zich aan hetzelfde lot bloot te stellen. Maar door middel van beloften en bedreigingen, gelukte het den kapitein eindelijk om aan de bandieten de belofte af te persen, dat zij tot den volgenden dag aldaar blijven, en gedurende den nacht een beslissenden slag zouden wagen.

Toen zij hierin overeengekomen waren, gaf Ouaktehno aan zijne manschappen bevel om zich zoo goed mogelijk te verbergen, vooral omdat zij er order toe kregen, zich niet te verroeren, welke beweging zij ook door de Mexicanen zagen maken. De kapitein hoopte door onzichtbaar te blijven, de belegerden in den waan te brengen dat de roovers, afgeschrikt door de ontzettende moeielijkheden, die zij hadden ontmoet, tot den aftocht besloten hadden, en werkelijk reeds afgetrokken waren. Dit plan was niet zonder beleid opgevat; en het verkreeg inderdaad bijna de uitkomst, die hij er van verwachtte.

De roodachtige gloed der ondergaande zon kleurde met zijne laatste stralen de toppen der boomen en der rotsen; de avondwind verfrischte en zuiverde de lucht, de zon verdween in een bed van purperen dampen. De stilte werd door niets gestoord dan door het krassend geschreeuw der roofvogels, die hun kannibalenfeest voortzetten, en met woedende bloeddorstigheid elkander de stukken vleesch betwistten, die zij van de lijken afscheurden.

De generaal, aangedaan door het droevig schouwspel, en meenende dat kapitein Aguilar, de man wiens heldenmoed hen allen gered had, mede aan die afschuwelijke ontwijding was blootgesteld, besloot zijn lijk niet te verlaten, en, ’t mocht kosten wat het wilde, het op te zoeken en te begraven, om alzoo een laatste eerbewijs te geven aan den ongelukkigen jongeling, die niet geaarzeld had, zich voor hem op te offeren. Doña Luz, aan wie hij zijn voornemen mededeelde, hoewel zij er de gevaren van inzag, had de kracht niet om zich er tegen te verzetten.

De generaal koos vier wakkere mannen uit, en na de wallen beklommen te hebben, ging hij hun voor naar de plaats, waar het lijk van den ongelukkigen kapitein lag.

De lanceros, die in het kamp gebleven waren, bewaakten de vlakte, gereed om hunnen moedigen makkers krachtdadig bijstand te bieden, in geval zij in hun vromen arbeid mochten worden gestoord.

De roovers, die in de spleten der rotsen in hinderlaag lagen, verloren geene hunner bewegingen uit het oog, maar zij wachtten zich wel, hunne tegenwoordigheid te verraden.

De generaal kon dus rustig den plicht volbrengen, dien hij zich had opgelegd. Het lijk van den kapitein was niet moeielijk te vinden.

Het lag, half omver gevallen, aan den voet van een boom, met een pistool in de eene hand en zijne machete in de andere met opgerichten hoofde, met vasten blik en met een glimlach op de lippen, als daagde hij, nog na zijnen dood, zijne moordenaars uit. Zijn lijk was letterlijk met wonden bedekt, maar door een gelukkig toeval, dat de generaal met blijdschap opmerkte, hadden de roofvogels het tot nu toe gespaard.

De lanceros legden het lijk op hunne geweren, en droegen het in gezwinden pas naar het kamp terug.

De generaal liep dicht achter hen, een wakend oog houdende op de struiken en het kreupelhout.

Geen blad bewoog zich; overal heerschte de grootste stilte; de roovers waren verdwenen, zonder ander spoor achter te laten als hunne dooden. De generaal hoopte, dat zijne vijanden waren afgetrokken; hij slaakte een zucht van verlichting.

De nacht begon met zijne gewone snelheid te vallen, aller blikken waren gericht op de lanceros, die hun gesneuvelden officier terug brachten, niemand merkte een twintigtal schimmen op, die zwijgend over de rotsen gleden, en langzaam het kamp naderden, bij hetwelk zij zich in hinderlaag legden, om van daar hunne vlammende blikken op de verdedigers der legerplaats te richten.