De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 15

Chapter 154,068 wordsPublic domain

En daar de stem van den gekwetste hoe langer hoe zwakker werd, knielde hij naast hem neder, om geen enkel woord te verliezen.

De gids sloot de oogen, haalde even adem, en zeide toen met inspanning van al zijne krachten:

»Geef mij wat brandewijn!”

»Zijt gij gek, brandewijn zou u dooden.”

De gewonde schudde het hoofd.

»Het zal mij de noodige kracht geven, om u alles te doen verstaan, wat ik u te zeggen heb. Ben ik niet reeds half dood?”

»Dat is waar!” prevelde de kapitein.

»Aarzel dan niet,” hernam de ander; »de tijd dringt ons, ik heb u belangrijke zaken mede te deelen.”

»Het zij zoo!” mompelde de roover, en bracht de flesch aan de lippen van den gids.

Deze dronk gulzig en vrij lang; een koortsachtige gloed kleurde zijne wangen, zijne brekende oogen verhelderden zich, en begonnen levendig te schitteren.

»Nu,” zeide hij met een krachtige en vrij harde stem, »moet gij mij niet in de rede vallen; zoodra gij ziet, dat mijne krachten afnemen, laat mij dan drinken; misschien zal ik nog den tijd vinden om u alles te verhalen.”

De kapitein gaf hem een teeken van goedkeuring, en de Babbelaar begon zijn verhaal.

Het duurde vrij lang, ten gevolge van de uitputting, waarin hij gedurig verviel; toen hij geëindigd had, voegde hij er bij:

»Gij ziet het, die vrouw, gelijk ik u zeide, is een duivel, zij heeft Kennedy en mij gedood; zie van haar af, kapitein, het is geen gemakkelijk wild om te jagen, gij zult haar nooit meester worden.”

»Hoe!” zeide de kapitein, de wenkbrauwen fronsende, »meent gij dat ik zoo licht mijne plannen laat varen?”

»Goed succès dan!” prevelde de gids; »wat mij betreft, ik heb afgehandeld, mijne rekening is gemaakt.... Vaarwel, kapitein,” voegde hij er met een vreemden lach bij, »ik ga naar den duivel, daar zullen wij elkander wederzien!....”

Hij viel omver.

De kapitein wilde hem oplichten, maar hij was dood.

»Goede reis!” prevelde hij koelbloedig.

Hij nam het lijk op zijne schouders, bracht het in een boschje, maakte daar een kuil, en legde het er in; dit gedaan hebbende, ging hij naar het vuur in het kamp terug, wikkelde zich in zijn mantel, strekte zich op den grond uit, met de voeten naar het vuur gekeerd, en legde zich te slapen met de woorden:

»Binnen eenige uren zal het dag zijn; dan zullen wij zien, wat er te doen is.”

De bandieten sliepen niet lang; met zonsopgang was in het kamp der roovers alles in beweging. Allen maakten zich gereed om op weg te gaan.

De kapitein, wel verre van zijn plan te laten varen, had integendeel besloten de uitvoering er van terstond en met geweld door te zetten, ten einde den Mexicanen geen tijd te laten om onder de blanke pelsjagers der prairiën eene hulp te vinden, die den gelukkigen uitslag onmogelijk zou hebben gemaakt.

Zoodra het duidelijk was, dat de bevelen, die hij gegeven had, goed begrepen waren, gaf de kapitein het teeken van vertrek. De bende brak op en begon op zijn Indiaansch te marcheeren, dat is te zeggen, met den rug naar de plaats waar zij heen trok.

Vervolgens, toen zij op eene plek gekomen waren, die hun de gewenschte veiligheid scheen te bieden, stegen de roovers van hunne paarden, gaven deze aan eenige sterke kerels over; en zich nu als een hoop adders op den grond uitstrekkende, of ook wel van den eenen tak op den anderen en van den eenen boom op den anderen overspringende, begaven zij zich met alle noodige voorzorgen, in de richting van het Mexicaansche kamp.

III.

DE ZELFOPOFFERING.

Zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, had de doctor met een boodschap van doña Luz aan den Zwarten Eland belast, het kamp der Mexicanen verlaten.

Gelijk vele geleerden was hij van nature zeer afgetrokken, ofschoon met de beste bedoelingen van de wereld.

Gedurende de eerste oogenblikken spande hij al zijne denkkracht in om de beteekenis te raden der in zijn oog zoo geheimzinnige woorden, die hij voor den pelsjager moest uitspreken.

Hij begreep niet welke hulp zijne vrienden verwachten konden van een halven wilde, die eenzaam in de prairie leefde en met jagen in zijn onderhoud voorzag. Zoo hij de zending dan ook terstond had aangenomen, was het alleen omdat hij zich zoo innig aan de nicht van den generaal gehecht gevoelde, want eenigen goeden uitslag verwachtte hij er niet van. In de overtuiging, dat zijne zending geheel nutteloos was, reed hij niet, gelijk hij had moeten doen, regelrecht en op een draf naar de toldo van den Zwarten Eland; maar hij steeg af, nam zijn paard bij den toom en ging aan het zoeken van planten, eene bezigheid waarin hij zich weldra geheel verdiepte, zoodat hij de aanbeveling van doña Luz en de reden, waarom hij het kamp verlaten had, volkomen vergat.

De tijd stond echter niet stil, de dag was reeds half verstreken; de doctor, die reeds lang terug had moeten zijn, was nog niet verschenen.

Een groote angst heerschte in het kamp der Mexicanen. De generaal en de kapitein hadden alles geregeld om het tegen een aanval te kunnen verdedigen. Er daagde niets op. In den omtrek bleef alles bedaard; de Mexicanen geloofden bijna, dat zij door een valsch alarm waren verschrikt.

Doña Luz alleen voelde hare ongerustheid met ieder oogenblik toenemen; met de oogen naar de vlakte gericht, zag zij vergeefs uit naar den kant, van waar haar boodschapper moest terugkomen. Eensklaps scheen het, dat het hooge gras der prairie een golvende beweging aannam, waarvan de oorzaak onzichtbaar was. De lucht werd door geen enkel koeltje bewogen, het was drukkend warm; de bladeren, door de zonnestralen verbrand, waren onbewegelijk; het hooge gras alleen ging voort langzaam en geheimzinnig te wuiven. En, wat vooral vreemd was, deze bijna onmerkbare beweging, die slechts een geoefend oog kon waarnemen was niet algemeen; integendeel, zij was voortgaande en naderde het kamp met eene regelmatigheid, die eene door overleg bestuurde beweegkracht deed vermoeden; naarmate toch de beweging zich aan de meer nabijzijnde halmen mededeelde, vervielen de achtersten weder in een volkomen rust, die verder door niets werd afgebroken.

De wachten, die op de wallen stonden, wisten niet waaraan zij deze onbegrijpelijke beweging moesten toeschrijven. De generaal, als een gehard soldaat, besloot de zaak te onderzoeken; hoewel hij nooit persoonlijk met de Indianen in aanraking was geweest, had hij toch te veel van hunne manier van vechten gehoord, om hier niet eenige achterdocht te koesteren. Het kamp, dat al zijne verdedigers noodig had, niet van manschappen willende berooven, besloot hij om zelf het avontuur te wagen, en op verkenning uit te gaan.

Toen hij zich gereed maakte om over de wallen heen te klouteren, hield de kapitein hem staande, en legde hem eerbiedig den arm op den schouder.

»Wat wilt gij van mij, mijn vriend?” vroeg de generaal, zich omkeerende.

»Ik zou, met uw verlof, wel een vraag tot u willen richten, generaal,” antwoordde de jongeling.

»Doe zoo.”

»Gij verlaat het kamp, niet waar?”

»Ja.”

»Zeker om op verkenning uit te gaan?”

»Om op verkenning uit te gaan, ja.”

»Dan, generaal, ben ik het aan wien de eer van die taak toekomt.”

»Waarom?” zeide de generaal verbaasd.

»Hemel, generaal, dat is zeer eenvoudig; ik ben maar een arme duivel, een subaltern officier, die alles aan u verplicht ben.”

»Verder?”

»Het gevaar waaraan ik mij zal blootstellen zoo er gevaar is, zal niets afdoen tot den goeden uitslag der onderneming; terwijl indien....”

»Terwijl indien...?”

»Indien gij gedood wordt?”

De generaal maakte een afwijzende beweging.

»Ja, men moet alles voorzien,” vervolgde de kapitein, »als men zulke tegenstanders heeft.”

»Dat is waar; maar dan nog?”

»Wel, onze tocht zal mislukt zijn, en geen onzer zal de beschaafde wereld wederzien. Gij zijt het hoofd, wij anderen, wij zijn slechts ledematen; blijf dus in het kamp.”

De generaal dacht eenige oogenblikken na; vervolgens de hand van den jongeling met hartelijkheid drukkende, zeide hij:

»Ik ben u zeer verplicht, maar ik moet met eigen oogen zien wat men tegen ons beraamt. De zaak is te ernstig dan dat ik mij op u mag verlaten.”

»Neen, gij moet blijven, generaal,” drong de kapitein bij hem aan; »is het niet voor ons, laat het dan ten minste voor uwe nicht zijn, voor dat onschuldige brooze schepseltje, dat zoo u iets overkwam, alleen zou staan, alleen te midden van woeste volksstammen, zonder steun en zonder beschermer; wat is het leven voor mij, armen jongen, zonder familie, die alles aan uwe goedheid te danken heb? Het uur is nu gekomen, waarin ik u mijne dankbaarheid toonen kan, laat mij mijne schuld betalen.”

»Maar,” wilde de generaal zeggen.

»Gij weet het,” vervolgde de jongeling in vervoering, »zoo ik u kon vervangen bij doña Luz, ik zou het met genoegen doen, maar ik ben nog te jong voor die schoone rol; kom, generaal, laat ik in uwe plaats gaan, die eer komt mij toe.”

Half vrijwillig, half gedwongen trad de oude officier terug; de kapitein sprong de wallen op, was er met één sprong weder af, en verwijderde zich zoo snel mogelijk, na zijnen vriend een laatst vaarwel te hebben toegeroepen.

De generaal volgde hem met de oogen, zoolang hij kon; vervolgens wreef hij zijn voorhoofd met de hand, en prevelde:

»Een brave jongen, een uitmuntend karakter!”

»Niet waar, oom?” antwoordde doña Luz, die ongemerkt naderbij gekomen was.

»Waart gij daar, mijn kind?” zeide hij met een glimlach, dien hij vruchteloos vroolijk trachtte te maken.

»Ja, beste oom, ik heb alles gehoord.”

»Goed, lieve,” zeide de generaal met gedwongen bedaardheid, »maar het is nu geen tijd, om weekhartig te zijn, ik moet voor uwe veiligheid zorgen; blijf niet langer hier, kom met mij mede; hier zou een Indiaansche kogel u maar al te gemakkelijk kunnen treffen.” En haar bij de hand nemende, bracht hij haar zachtjes tot aan de tent. Toen zij binnen was, gaf hij haar een kus op het voorhoofd, beval haar daar te blijven, en keerde weder naar de wallen, om nauwkeurig te zien wat er in de vlakte gebeurde, tevens den tijd berekenende, die er na het vertrek van den doctor verloopen was, en zich verwonderende over diens wegblijven.

»Hij zal den Indianen in handen gevallen zijn,” zeide hij, »als zij hem maar niet gedood hebben!”

Kapitein Aguilar was een moedig soldaat; gevormd in de gedurige oorlogen van Mexico, ging bij hem beleid met moed gepaard. Tot op een zekeren afstand van het kamp genaderd, ging hij plat op den buik liggen en bereikte al kruipende een rotsblok, dat juist geschikt was, om hem tot hinderlaag te dienen. Alles was rustig om hem heen, niets kon hem doen vermoeden, dat de vijand in aantocht was; na een geruimen tijd te hebben doorgebracht met het terrein te onderzoeken, maakte hij zich gereed om naar het kamp terug te keeren, overtuigd dat de generaal zich had vergist, en dat er volstrekt geen gevaar bestond, toen er eensklaps op tien passen van hem af, een verschrikte asshata, met gespitste ooren en naar achtergeworpen kop, opsprong, en met de duidelijke kenteekenen der grootste vrees, zoo hard hij kon wegliep.

»Ha, ha!” prevelde de kapitein, »zou er toch werkelijk iets zijn? Wij zullen zien.”

En de rots, achter welke hij zich verscholen had, verlatende, deed hij voorzichtig eenige schreden voorwaarts, om zich van de gegrondheid van zijn vermoeden te overtuigen.

Het gras bewoog zich sterk, en eensklaps stonden er plotseling een tiental mannen om hem heen, die hem omsingelden eer hij tijd had, om zich in staat van tegenweer te stellen, of de schuilplaats die hij zoo roekeloos verlaten had, weder te bereiken.

»In Gods naam,” zeide hij koelbloedig, »nu weet ik ten minste met wie ik te doen heb.”

»Geef u over!” riep een der mannen, die hem het dichtst op het lijf zat.

»Wel ja,” antwoordde hij spottend, »dat kunt gij denken; alvorens gij mij in handen krijgt, zult gij mij eerst van kant dienen te maken.”

»Dan zal men u van kant maken, aardige jonker,” antwoordde de eerste spreker brutaal.

»Daar reken ik op,” hernam de kapitein satiriek: »ik zal mij verdedigen, dat zal gedruisch maken, mijne vrienden zullen ons hooren, dan zal uw aanval mislukt zijn, dat is juist wat ik verlang.”

Deze woorden werden zoo kalm uitgesproken, dat de roovers er over begonnen na te denken. Het waren mannen van kapitein Ouaktehno, hij zelf was onder hen.

»Ja,” antwoordde de bandietenhoofdman, »uwe bedoeling is goed, maar men kan u wel dooden zonder gedruisch te maken, en dan ligt uw plan in duigen.”

»Bah! wij zullen zien!” zeide de jongeling.

En eer de roovers het konden verhoeden, deed hij een ontzettenden sprong achterwaarts, wierp twee mannen omver, en liep zoo hard hij kon in de richting van het kamp.

Zoodra het eerste oogenblik van verrassing voorbij was, begonnen de roovers hem na te zetten. Deze wedloop duurde vrij lang, zonder dat de roovers den afstand, die hen van den vluchteling scheidde, merkbaar zagen verminderen; want terwijl zij hem vervolgden, trachtten zij zooveel mogelijk zich schuil te houden voor Amerikaansche wachten, die zij wilden overvallen; en deze poging noodzaakte hen tot omwegen, die hun loop natuurlijk vertraagden.

Toen de kapitein zoover gekomen was, dat hij door de zijnen kon verstaan worden, wierp hij een blik achter zich. Gebruik makende van het oponthoud, dat hij noodig had om adem te scheppen, wonnen de bandieten hem een grooten afstand af. De kapitein begreep, dat, als hij voortging met vluchten, hij juist het onheil zou uitlokken, dat hij wenschte te verhoeden. Oogenblikkelijk had hij zijne partij gekozen, hij besloot te sterven als soldaat, en nog in zijn val hun van dienst te zijn, voor wie hij zich opofferde. Hij zette zich met den rug tegen een boom, plaatste zijn machete onder het bereik van zijne hand, haalde zijne pistolen uit zijn gordel, vestigde zijn gelaat op de bandieten, die nog slechts een dertigtal passen van hem verwijderd waren, en riep met luide stem, ten einde zijn vrienden te waarschuwen:

»Alarm! alarm! de vijand!”

Daarna loste hij met de grootste koelbloedigheid, als schoot hij op den prijs, zijne pistolen—waarvan hij er vier met dubbelen loop geladen bij zich had; en herhaalde bij elken roover, die viel, zijn geroep:

»Alarm! de vijand! zij omringen ons! weest op uwe hoede, weest op uwe hoede!”

De bandieten, wanhopig over deze ruwe wijze van zelfverdediging, wierpen zich woedend op hem, alle voorzorgen, die zij tot nu toe genomen hadden, vergetende.

Toen ving er een vreeselijke en ongelijke reuzenkamp aan van één man tegen twintig à dertig, want voor iederen roover die er viel, kwam er een ander in de plaats. De strijd was verschrikkelijk! De jongeling offerde zijn leven op, maar hij wilde het zoo duur mogelijk verkoopen.

Zooals wij zeiden, bij ieder schot dat hij loste, bij iederen houw zijner machete, stiet hij een kreet van waarschuwing uit, een kreet dien de Mexicanen beantwoordden, door van hunnen kant een wel onderhouden musketvuur op de roovers te laten spelen, die nu, geheel open en bloot, voor niets oogen hadden als voor den man, die met zijn edele borst, hun zoo stout den voortgang belette. Eindelijk viel de kapitein op ééne knie. De roovers wierpen zich in verwarring op zijn lichaam, en de woede, waarmede zij hem trachtten van kant te maken, was zoo groot, dat zij elkander wonden toebrachten. Een zoodanig gevecht kon niet lang duren. Kapitein Aguilar viel, maar in zijn val sleepte hij twaalf roovers mede, die hij had gedood, en die hem als een bloedig geleide in het graf volgden.

»Hm!” mompelde kapitein Ouaktehno, hem met bewondering aanziende, terwijl hij het bloed zocht te stelpen van een breede wond, die hij in de borst ontvangen had, »welk een man! als de anderen op hem gelijken, komen wij er nooit heelshuids van daan. Kom,” ging hij voort, zich tot zijne makkers richtende, die zijne bevelen afwachtten, »zullen wij ons nog langer als duiven laten dood schieten? Valt aan! bij God, valt aan!”

De roovers volgden hem, hunne wapens zwaaiende, en begonnen tegen de rots op te klimmen, onder het geschreeuw van:

»Valt aan, valt aan!”

De Mexicanen, getuigen van den heldenmoed van kapitein Aguilar, maakten zich van hunnen kant gereed hem te wreken.

IV.

DE DOCTOR.

Terwijl deze gebeurtenissen plaats grepen, hield de doctor zich rustig met het verzamelen van planten bezig.

De waardige geleerde, verbaasd over de rijke flora, die hij onder de oogen had, had alles vergeten en dacht slechts aan den rijken oogst, die hem toelachte. Hij liep met het hoofd voorover, en stond stil bij elke plant, om die eerst eenigen tijd te bewonderen en haar dan uit te rukken. Eindelijk, toen hij reeds met een tallooze menigte van kruiden en planten beladen was, besloot hij zich aan den voet van een boom neder te zetten, om ze op zijn gemak na te zien en te rangschikken; hij besteedde hieraan al de zorg, die uitgediende geleerden gewoon zijn aan deze belangrijke werkzaamheid ten koste te leggen, en knabbelde intusschen eenige stukjes beschuit op, die hij uit zijn knapzak haalde.

Geruimen tijd bleef hij in deze bezigheid verdiept, met dat inwendig genot, dat geleerden alleen kunnen waardeeren en dat aan gewone menschen onbekend is. Waarschijnlijk zou hij, alvorens de nacht inviel en hem dwong eene schuilplaats te zoeken, aan niets anders hebben gedacht, zoo zich niet eensklaps tusschen de zon en hem een schaduw was komen plaatsen, die zich afteekende op de planten, welke hij met zooveel zorg rangschikte.

Werktuigelijk hief hij het hoofd op. Voor hem stond, op een lange karabijn leunende, een man, die hem met spotachtigen ernst aanzag. Het was de Zwarte Eland.

»Ei, ei!” zeide hij tot den doctor, »wat doet gij daar, mijn brave heer? De drommel hale mij! toen ik het gras zoo zag trillen, dacht ik, dat er een geit in het kreupelhout zat, en ik was reeds op het punt u een kogel toe te zenden.”

»Te duivel!” riep de doctor, hem verschrikt aanziende, »pas toch op! gij hadt mij kunnen dooden, weet gij dat wel?”

»Waarachtig!” hernam de jager lachend; »maar wees niet bang, ik heb mijne dwaling nog bij tijds ingezien.”

»God zij geloofd!” En de doctor, die juist een zeldzame plant in het oog kreeg, bukte met jeugdig vuur om haar te grijpen.

»Gij wilt mij dan niet zeggen,” ging de jager voort, »wat gij daar uitvoert?”

»Dat kunt gij wel zien, mijn vriend.”

»Ja, ik zie dat gij u vermaakt met het onkruid der prairie uit te rukken, anders niet, en nu vraag ik waartoe dat dient?”

»O, die onwetendheid!” prevelde de geleerde, en hij voegde er op dien toon van minzame afdaling, die vooral aan de zonen van Aesculapius eigen is, bij: »mijn vriend, ik pluk kruiden, welke ik verzamel, om ze in mijn boek te rangschikken; de flora dezer prairiën is prachtig, ik ben overtuigd dat ik minstens drie nieuwe soorten van chirostemon pentadactylon heb ontdekt, waarvan het genus uitsluitend tot de Flora-mexicana behoort.”

»Ha!” zeide de jager, een paar groote oogen opzettende, en bijna het onmogelijke doende om den doctor niet in zijn aangezicht uit te lachen; »meent gij drie nieuwe soorten gevonden te hebben van...”

»Chirostemon pentadactylon, mijn vriend,” zeide de geleerde zachtzinnig.

»Wel, wel.”

»Op zijn minst, misschien zijn er wel vier.”

»Wel zoo! dat is dan wel zeer nuttig?”

»Of dat nuttig is?” riep de doctor geërgerd.

»Maak u niet boos; ik weet het immers niet.”

»Dat is waar!” zeide de geleerde, door den toon van den Zwarten Eland tot bedaren gebracht; »gij kunt het belang van dien arbeid voor den vooruitgang der wetenschap niet begrijpen.”

»Houd dat in het oog! En het is dus alleen, om op die wijze planten uit te trekken, dat gij in de prairiën gekomen zijt?”

»Nergens anders om.”

De Zwarte Eland zag hem aan met die verwondering, welke het gezicht van een onverklaarbaar natuurverschijnsel opwekt; de jager kon maar niet begrijpen, dat een verstandig man er toe komen kon, om van goeder harte zich aan een leven van ontbering en gevaar over te geven, alleen met het doel om planten te verzamelen, die tot niets nut zijn; na een oogenblik te hebben nagedacht kwam hij dan ook tot de overtuiging, dat de geleerde krankzinnig was. Hij zag hem met een meêwarigen blik aan, schudde met zijn hoofd, legde zijn geweer op zijn schouder en maakte aanstalten, om zijn weg te vervolgen.

»Ja, ja!” zeide hij op dien toon, welken men bezigt om kinderen of onnoozelen aan te spreken en te bemoedigen, »gij hebt gelijk, mijn brave heer, trek gij maar planten uit, gij doet niemand kwaad, en er zullen er altijd nog genoeg overblijven. Goed succès en tot weerziens!”

Daarop zijne honden fluitende, deed hij eenige stappen voorwaarts, maar bijna op hetzelfde oogenblik terugkeerende, en zich tot den doctor wendende, die reeds niet meer aan hem dacht, en zijne werkzaamheden, door den jager afgebroken, met ijver hervat had, zeide hij:

»Nog een enkel woordje!”

»Spreek,” antwoordde hij, het hoofd opheffende.

»Ik hoop dat de jonge dame, die mij gisteren in gezelschap van haar oom een bezoek in mijne hatto gebracht heeft, zich wél bevindt? Dat arme kind, gij kunt niet begrijpen, hoeveel belang ik in haar stel, mijn beste heer.”

De doctor stond plotseling op en sloeg zich tegen het voorhoofd.

»Domoor die ik ben!” zeide hij; »ik had het glad vergeten!”

»Vergeten! wat dan?” vroeg de jager verbaasd.

»Dat doet ik nu altijd,” prevelde de geleerde; »gelukkig is het onheil zoo groot niet, en daar gij nog hier zijt, gemakkelijk te herstellen.”

»Waarvan spreekt gij toch?” zeide de jager die ongerust begon te worden.

»Verbeeld u,” ging de doctor bedaard voort, »dat de wetenschap mij zoodanig bezig houdt, dat ik dikwijls vergeet te eten en te drinken, en dus zooveel te eerder, de boodschappen, die mij worden opgedragen.”

»Ter zake, ter zake!” riep de jager ongeduldig.

»Och hemel, de zaak is doodeenvoudig. Ik verliet het kamp met het aanbreken van den dag, om mij naar uwe hatto te begeven; maar hier gekomen, ben ik door de tallooze menigte van zeldzame planten, die ik met de hoeven van mijn paard vertrad, zoodanig afgeleid, dat ik zonder aan het doel van mijn tocht te denken, eerst stil ben blijven staan, om een plant uit te trekken; vervolgens ontdekte ik er nog een die aan mijn verzameling ontbrak, toen nog een, en zoo voort; in ’t kort, ik heb er volstrekt niet meer aan gedacht om naar u te gaan; ik was zoodanig in mijne nasporingen verdiept, dat uw onvoorziene tegenwoordigheid mij nog niet eens aan de boodschap herinnerd heeft, die ik op mij genomen had, om aan u over te brengen.”

»Gij zijt dus met zonsopgang uit het kamp vertrokken?”

»Ja.”

»Weet gij hoe laat het nu is?”

De doctor keek naar de zon.

»Omstreeks drie uur,” antwoordde hij; »maar ik zeg u nog eens het doet er weinig toe; nu gij toch hier zijt, zal ik u melden, wat doña Luz mij belast heeft aan u over te brengen, en dan zal alles in orde zijn, hoop ik.”

»God geve, dat uwe nalatigheid niet de oorzaak worde van eenig groot onheil,” zeide de jager met een zucht.

»Wat wilt gij daarmede zeggen?”

»Gij zult het spoedig weten; ik hoop dat ik mij vergis. Spreek, ik luister.”

»Hoor dan, wat doña Luz mij verzocht heeft u te zeggen.”

»Het is dus doña Luz, die u tot mij zendt?”

»Zij zelve.”

»Heeft er dan iets ernstigs in het kamp plaats gehad?”

»Waarachtig! dat ’s waar ook, dat kon wel eens van meer belang zijn, dan ik eerst vermoedde. Zie hier het gebeurde: van nacht schijnt het, dat een onzer gidsen....”

»De Babbelaar?”

»Dezelfde. Kent ge hem?”

»Ja. Ga voort.”

»Nu dan, het schijnt, dat die man in eene samenzwering betrokken was met een anderen bandiet van diezelfde soort, waarschijnlijk om het kamp aan de Indianen over te leveren; doña Luz heeft bij toeval het gansche gesprek dier schurken afgeluisterd, en op het oogenblik, dat zij langs haar heen gingen om te ontsnappen, heeft zij twee pistolen op hen afgeschoten.”

»En heeft zij ze gedood?”

»Helaas neen; de een, hoewel zonder twijfel zwaar gekwetst, is ontkomen.”

»Wie is dat?”

»De Babbelaar.”

»En toen?”

»Toen heeft doña Luz mij laten zweren, dat ik mij tot u begeven zou, en dat ik u zou zeggen, ja wacht eens, wat was het ook?”

»Zwarte Eland, het uur is gekomen,” viel de jager hem in de rede.