De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 14
»Ik zeg wat billijk is, Rafaël,” hernam zij levendig; »het uur, waarop gij komen moest, is voorbij; gij hebt het recht niet om hier te zijn, en mijnen dood te verhinderen; verwijder u, verwijder u, Rafaël, ik smeek er u om; laat mij sterven om u te redden,” voegde zij er bij, in tranen smeltend en zich in zijne armen werpende.
»Moeder,” antwoordde Edelhart, haar met liefkoozingen overladende, »uwe liefde voor mij verblindt u; ik mag zulk eene misdaad niet laten geschieden; neen, neen, ik alleen moet hier blijven!”
»Mijn God, mijn God!” zeide de arme vrouw snikkend; »hij wil mij niet begrijpen!... Ik zou zoo gelukkig zijn, als ik mocht sterven, om hem te redden!”
Overweldigd door al te sterke aandoeningen, viel de moeder bewusteloos in de armen van haar zoon.
Edelhart drukte een langen en teederen kus op haar voorhoofd, en haar aan Nô Eusébio overgevende, die eenige minuten te voren ook was aangekomen, zeide hij op doffen toon:
»Ga! arme moeder; moogt gij gelukkig zijn, zoo het geluk voor u nog bestaan kan, zonder uw kind.”
De oude dienaar zuchtte, drukte met warmte de hand van Edelhart, en zijne meesteres voor zich op den zadel plaatsende, wendde hij den teugel en verliet langzaam het kamp, zonder dat iemand zich daartegen verzette.
Edelhart volgde zijne moeder met het oog, zoolang hij kon; vervolgens, toen zij verdwenen was, en de hoefslag van het paard niet meer gehoord werd, slaakte hij een doffen kreet, en streek zich met de hand over het voorhoofd, terwijl hij prevelde:
»Alles is gedaan! o God, waak over haar!”
Toen zich tot de Indiaansche hoofden keerende, die hem stilzwijgend met eerbied en bewondering aanstaarden, zeide hij met een krachtige stem en vlammenden blik:
»Comanchen, gij zijt allen lafaards! mannen, die een hart bezitten, martelen geen vrouw!”
De Arendskop glimlachte.
»Wij zullen zien,” zeide hij spottend, »of de bleeke jager zoo dapper is, als hij voorgeeft.”
»Ik zal ten minste als een man weten te sterven!” antwoordde hij trotsch.
»De moeder van den jager is vrij.”
»Ja. Welnu, wat wilt gij van mij?”
»Een gevangene heeft geen wapenen.”
»Dat is billijk,” zeide hij met een verachtelijken lach; »ik zal u de mijne geven!”
»Nog niet, als het u belieft, beste vriend,” riep eensklaps een spottende stem.
Goedsmoeds kwam te voorschijn.
De jager had voor zich op den zadelboog een kind van vier of vijf jaar, en een jonge, vrij schoone, Indiaansche vrouw, was stevig aan den staart van zijn paard vastgebonden.
»Mijn kind, mijne vrouw!” riep de Arendskop eensklaps verschrikt uit.
»Ja,” hernam de jager spottend, »uw vrouw en uw kind, die ik krijgsgevangen gemaakt heb; ha, ha, dat is een fraaie trek van mij, is het niet?”
Met één sprong, op een wenk van zijn vriend, had Edelhart zich van de vrouw meester gemaakt, die van angst klappertandde, en bevreesde blikken om zich heen wierp.
»Nu,” hernam Goedsmoeds met een onheilspellenden glimlach, »laat ons nu eens praten; ik geloof dat ik de kansen gelijk gemaakt heb, hé?”
En hij zette den mond van zijn pistool op het voorhoofd van het schuldelooze schepsel, dat op het voelen van het koude ijzer, akelig begon te gillen.
»O!” riep de Arendskop wanhopig, »mijn zoon! geef mij mijn zoon terug!”
»En uwe vrouw, vergeet gij die?” antwoordde Goedsmoeds, spottend de schouders ophalende.
»Welke zijn uwe voorwaarden?” vroeg Edelhart.
II.
OUAKTEHNO.—HIJ DIE DOODT.
I.
EDELHART.
De verhouding was geheel omgekeerd. De jagers, die een oogenblik te voren aan de genade der Indianen waren prijs gegeven, waren niet alleen vrij, maar bevonden zich in zulk een toestand, dat zij strenge voorwaarden konden stellen. Verscheidene geweren hadden zich naar den Canadees gericht, verscheidene pijlen waren op hem aangelegd; maar op een wenk van den Arendskop werden de geweren afgewend, en de pijlen in de kokers geborgen. De smaad van door twee mannen voor den gek gehouden te worden, die hen stoutmoedig in het midden van hun kamp braveerden, deed den toorn der Comanchen opwellen. Zij erkenden de onmogelijkheid van eene worsteling met hunne dappere tegenstanders. En inderdaad, wat vermochten zij tegen die onverschrokken woudloopers, die hun leven voor niets achtten? Hen dooden? Maar zoo zij vielen, zouden zij onmeedoogend de gevangenen vermoorden, die men wilde redden. Het gevoel, dat bij de Roodhuiden het sterkst ontwikkeld is, is de liefde voor het huisgezin. Waar het zijne kinderen of zijne vrouw geldt, zal de bloeddorstigste krijgsman niet aarzelen zich aan voorwaarden te onderwerpen, waartoe anders de afschuwelijkste martelingen hem niet zouden kunnen dwingen. Toen dan ook de Arendskop zijne vrouw en zijn zoon in de macht van Goedsmoeds zag, dacht hij aan niets meer dan aan hun behoud.
Van alle menschen zijn de Indianen misschien diegenen, die het gemakkelijkst zich naar eene onvoorziene omstandigheid weten te schikken.
Het hoofd der Comanchen begroef den haat en den toorn, die hem verteerden, in het diepst van zijn hart. Met een edele en ongedwongene beweging wierp hij het kleed, dat hem tot mantel strekte, naar achteren, en met een kalm gelaat en een glimlach op de lippen, naderde hij de jagers.
»Mijne bleeke broeders,” zeide het opperhoofd, »zijn vol wijsheid, hoewel hunne haren nog zwart zijn; zij kennen al de listen die de groote krijgslieden onderscheiden; zij hebben de slimheid van den bever en den moed van den leeuw.”
De beide mannen bogen stilzwijgend.
De Arendskop ging voort.
»Nademaal mijn broeder Edelhart, zich in het kamp van de Comanchen der groote meren bevindt, zoo is eindelijk het uur gekomen dat de wolken verdrijft, die tusschen hem en de Roodhuiden zijn opgerezen. Edelhart is rechtvaardig; hij verklare zich zonder vrees; hij staat voor vermaarde opperhoofden, die niet zullen aarzelen het ongelijk te bekennen, dat zij hem hebben aangedaan.”
»O, zoo!” antwoordde de Canadees; »de Arendskop is wel spoedig van gevoelen omtrent ons veranderd; meent hij ons met ijdele woorden te kunnen misleiden?”
Het oog van den Indiaan schoot bliksemstralen; maar met de uiterste krachtsinspanning gelukte het hem zich in te houden.
Eensklaps plaatste zich een man vlak tusschen de beide sprekers in. Die man was Eshis, de eerwaardigste krijgsman van den stam.
De grijsaard verhief langzaam zijn arm.
»Dat mijne kinderen luisteren,” zeide hij; »alles moet heden worden opgelost; de bleeke jagers zullen in den raad de calumet rooken.”
»Het geschiede alzoo,” zeide Edelhart.
Op een teeken van de Zon, schaarden de voornaamste hoofden van den stam zich om hem heen.
Goedsmoeds was niet van houding veranderd, hij hield zich gereed, om bij het minste verdachte teeken zijne gevangenen op te offeren.
Toen de pijp de ronde gedaan had in den kring, die zich om de jagers gevormd had, maakte de oude hoofdman een buiging voor de blanken, en sprak hen aldus aan.
»Krijgslieden, ik dank den Meester des levens daarvoor dat hij ons Roodhuiden lief heeft, en dat hij ons heden deze mannen zendt, om hun hart voor ons te openen. Schept moed, jonge lieden, laat geen zorg u drukken, en jaagt den boozen geest verre van u. Wij hebben u lief, Edelhart, wij hebben van uwe goedheid voor de Indianen hooren spreken. Wij weten dat uw hart open is, en dat uwe aderen helder zijn als de zon. Het is waar, dat wij, Indianen, ons verstand niet gebruiken, als het vuur der geestdrift ons bezielt, en dat wij u in verschillende omstandigheden hebben mishaagd. Maar wij hopen, dat gij er niet meer aan denken zult, en dat, zoolang gij en wij in de prairiën zullen wonen, wij aan elkanders zijde zullen jagen, gelijk het aan krijgslieden, die elkander lief hebben en eerbiedigen, betaamt.” [3] Edelhart antwoordde:
»Gij, hoofden en leden van de natie der Comanchen van de groote meren, wier oogen geopend zijn, ik hoop dat gij een luisterend oor verleenen zult aan de woorden van mijnen mond. De Meester des levens heeft mijn verstand geopend en woorden van vriendschap in mijne borst geblazen. Mijn hart vloeit over van welwillende gevoelens voor u, voor uwe vrouwen, voor uwe kinderen, en wat ik in dit oogenblik tot u zeg, komt voort uit het hart van mijn vriend en van mij: nooit is in de prairie mijne hatto gesloten geweest voor de jagers van uwe natie. Waarom doet gij dan mij den oorlog aan? Waarom dan martelt gij mijne moeder, die eene oude vrouw is? Waarom tracht gij mij van het leven te berooven? Ik heb er een afkeer van, om het bloed der Indianen te vergieten; want ik herhaal het u, ondanks al het kwaad, dat gij mij gedaan hebt, is mijn hart u toegenegen.”
»Ooah!” viel de Arendskop hem in de rede, »mijn broeder spreekt goed; maar de wond, die hij mij toegebracht heeft, is nog niet geheeld.”
»Mijn broeder is dwaas,” antwoordde de jager; »houdt hij mij dan voor zulk een sukkel, dat ik hem niet zou hebben gedood, indien zulks mijn voornemen ware geweest. Ik ga u bewijzen, waartoe ik in staat ben, en hoe ik den moed van een krijgsman begrijp. Op een teeken van mij zullen deze vrouw en dat kind hebben opgehouden te leven.”
»Ja,” zeide Goedsmoeds.
Een rilling liep door de rijen der vergadering. De Arendskop voelde, dat een koud zweet zijne slapen overdekte.
Edelhart bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, op de Indianen een blik slaande, dien het onmogelijk is te beschrijven; vervolgens met verachting de schouders ophalende, wierp hij zijne wapenen voor zijne voeten en de armen kruiselings over de borst slaande, wendde hij zich naar den Canadees.
»Goedsmoeds,” zeide hij, kalm en met nadruk, »geef aan die arme schepsels de vrijheid terug.”
»Waaraan denkt gij?” riep de jager verschrikt uit; »het zou uw doodvonnis zijn.”
»Dat weet ik.”
»Welnu?”
»Ik smeek er u om.”
De Canadees antwoordde niet; hij begon tusschen zijne tanden te fluiten, en zijn mes te voorschijn halende, sneed hij de banden door, die de gevangenen vasthielden. Deze sprongen als jaguars weg, en gingen brullend van vreugde zich achter hunne vrienden verschuilen. Goedsmoeds borg zijn mes in den gordel, wierp zijne wapenen weg, klom van zijn paard af en plaatste zich vastberaden naast Edelhart.
»Wat doet gij toch?” riep deze, »red u, mijn vriend.”
»Mij redden, waarom?” antwoordde de Canadees onbezorgd; »bij God! neen, wij moeten toch allen eens sterven; ik doe het even gaarne nu als later; ik zal misschien nooit weder zulk eene goede gelegenheid vinden.”
De twee mannen drukten elkander krachtig de hand.
»Nu, opperhoofden,” zeide Edelhart op kalmen toon, »nu zijn wij in uwe macht! doet met ons wat u zal goed dunken.”
De Comanchen zagen elkander een oogenblik met verbazing aan; de stoïcijnsche zelfverloochening dezer twee mannen, die door de stoutmoedige daad van een hunner, niet alleen hadden kunnen ontsnappen, maar hun tevens de wet hadden kunnen voorschrijven, en die, in plaats van gebruik te maken van dit onbeperkte voordeel, hunne wapenen wegwierpen en zich ter hunner beschikking stelden, scheen hun toe alle voorbeelden van heldenmoed te overtreffen, waarvan hunne natie de herinnering bewaarde.
Er volgde een vrij lang stilzwijgen, gedurende hetwelk men het hart dier ijzeren mannen in hunne borst had kunnen hooren kloppen.
Eindelijk wierp de Arendskop, na eenige seconden geaarzeld te hebben, zijne wapenen weg, en den jagers naderende, zeide hij met een bewogen stem, die sterk afstak bij het kalm en onverschillig uiterlijk, dat hij vruchteloos poogde te bewaren:
»Het is waar, krijgslieden der bleekgezichten, dat gij een groot verstand hebt, dat het de woorden verzacht, die gij tot ons richt, en dat wij allen u verstaan; wij weten ook dat de waarheid uwe lippen opent, het kan niet anders of wij Indianen, die niet het verstand der blanken hebben, moeten dikwijls, zonder het te willen, verkeerde daden doen, maar wij hopen, dat Edelhart de huid van zijn hart zal wegnemen, opdat het open zij als het onze, en dat tusschen ons de bijl zal begraven worden, zoo diep, dat de zonen van de zonen onzer kleinzonen, in duizend manen en honderd bovendien, haar niet zullen wedervinden.”
En de beide handen op de schouders van den jager leggende, kuste hij hem op de oogen, er bijvoegende:
»Edelhart, wees mijn broeder!”
»Het zij zoo,” zeide de jager, verheugd over deze ontknooping; »voortaan zal ik voor de Comanchen evenveel vriendschap koesteren, als tot nu toe wantrouwen.”
De Indiaansche hoofden verdrongen zich om hunne nieuwe vrienden, en overlaadden hen met teekenen van genegenheid en hoogachting.
De beide jagers waren sedert lang met den stam van den Slang bekend, hun naam was dikwijls gedurende den nacht, rondom het vuur van het kamp, genoemd geworden, het verhaal hunner heldendaden had de jongelieden, aan wie de oude soldaten ze vertelden, met bewondering vervuld.
De verzoening van Edelhart met den Arendskop was oprecht; er bleef tusschen hen niet het minste spoor van den ouden haat meer over. De heldenmoed van den blanken jager had den wrok van den Roodhuid overwonnen.
De beide mannen zaten vreedzaam aan den ingang eener hut te praten, toen er op eens een groote schreeuw gehoord werd, en een Indiaan met van schrik verbleekte trekken, zich in het kamp wierp. Allen drongen zich om dien man heen, om te hooren wat hij te zeggen had, maar zoodra de Indiaan den Arendskop zag, wendde hij zich tot dezen.
»Wat gebeurt er?” vroeg het opperhoofd.
De Indiaan wierp een woesten blik op Edelhart en Goedsmoeds, die evenmin als de anderen de oorzaak van dien schrik gissen konden.
»Pas op, dat die bleekmuilen niet ontsnappen, wij zijn verraden!” zeide hij hijgend.
»Dat mijn broeder zich duidelijker uitdrukke!” beval de Arendskop.
»Al de blanke pelsjagers, de Lange messen van het Westen zijn vereenigd; zij vormen eene krijgsbende van omstreeks honderd man; zij zijn in aantocht en wel op zulk eene wijze, dat zij op eens het kamp van alle kanten kunnen omsingelen.”
»Zijt gij er zeker van, dat die jagers als vijanden komen?” vroeg het opperhoofd.
»Hoe kan het anders zijn?” antwoordde de Indiaan; »zij kruipen als slangen door het hooge gras, met het geweer naar voren en het scalpeermes tusschen de tanden. Hoofdman, wij zijn verraden, die twee mannen zijn in ons midden gezonden, om onze waakzaamheid te verschalken.”
De Arendskop en Edelhart wisselden een glimlach, die voor allen, behalve voor hen zelven een raadsel was.
Het opperhoofd wendde zich tot den Indiaan.
»Gij hebt den aanvoerder der jagers gezien, niet waar?”
»Ja, ik heb hem gezien.”
»En het is Amick—de Zwarte Eland—de bewaker van de vallen van Edelhart.”
»Wie zou het anders kunnen zijn?”
»Goed, verwijder u,” zeide de krijgsman, den bode met een wenk wegzendende; vervolgens richtte hij zich tot den jager.
»Wat moet er gedaan worden?” vroeg hij.
»Niets,” antwoordde Edelhart; »dit is eene zaak, die mij aangaat, ik verzoek dus dat mijn broeder mij alleen late handelen.”
»Mijn broeder is hier meester.”
»Ik ga de jagers verkennen; dat de Arendskop tot aan mijne terugkomst zijne jonge lieden in het kamp terughoude.”
»Het zal geschieden,”
Edelhart wierp zijn geweer over zijn schouder, gaf Goedsmoeds de hand, lachte den hoofdman vriendelijk toe, en wendde zich naar het bosch met dien kalmen en bedaarden tred, die hem eigen was.
Hij verdween weldra te midden van het geboomte.
»Hm!” zeide Goedsmoeds, terwijl hij zijn Indiaansche pijp aanstak, tot den Arendskop; »gij ziet, hoofdman, dat het in deze wereld niet altijd eene verkeerde rekening geeft, als men zich door zijn hart laat leiden.”
En meer dan voldaan over deze wijsgeerige ontboezeming, die hem voor de plechtigheid van het oogenblik bijzonder geschikt toescheen, wikkelde de Canadees zich in een dikke wolk van rook.
Op bevel van den hoofdman werden al de verkenners, die op de grenzen van het kamp verspreid waren, teruggeroepen.
De Indianen wachtten angstig den uitslag van Edelharts onderneming af.
II.
DE ROOVERS.
Het was avond. Even ver van het kamp der Mexicanen als van dat der Comanchen verwijderd, zaten in een hollen weg, tusschen twee hooge heuvels verborgen, een veertigtal mannen om verscheidene vuren vereenigd, zoodanig geplaatst, dat het schijnsel der vlammen hunne tegenwoordigheid niet kon verraden. Deze zonderlinge vereeniging van gelukzoekers met sombere gelaatstrekken, woeste blikken, slordige en grillige kostumen, bood een schouwspel aan, de teekenstift van Callot of het penseel van een Salvator Rosa waardig.
Deze mannen, een vreemdsoortig samenstel van alle volkssoorten, die de aarde bewonen, van den Rus af tot aan den Chinees toe, vormden de meest volledige verzameling van schurken, die men zich maar kan voorstellen; vrijbuiters zonder eer, zonder wet, zonder haardstede, zonder woning, het uitvaagsel der beschaafde wereld, genoodzaakt tegen deze eene schuilplaats te zoeken in het hart der prairiën van het Westen, vormden zij zelfs daar in de wildernis een afzonderlijke bende, nu eens in oorlog met de jagers, dan weder met de Indianen, beiden in wreedheid en schelmerij overtreffende. Deze mannen in één woord, waren, wat men gewoon is de Roovers der Prairiën te noemen.
Die naam komt hun in alle opzichten toe; want evenals hunne broeders op den Oceaan, voeren zij alle vlaggen of liever treden ze allen met voeten, belagen zij alle reizigers, die het wagen alleen de prairiën te doorkruisen, vallen zij alle karavanen aan om die te plunderen, en als iedere andere buit hun ontsnapt, verschuilen zij zich verraderlijk in het hooge gras, om van daar de Indianen te bespieden en te vermoorden, en alzoo de premie te verdienen, die het vaderlijk bestuur der Vereenigde Staten gesteld heeft op het hoofdhaar van iederen inlander, evenals men in Frankrijk den kop van een wolf betaalt.
Deze bende werd aangevoerd door den kapitein Ouaktehno, dien wij reeds vroeger ten tooneele hebben gevoerd.
Er heerschte onder deze bandieten een spanning, die het voorteeken was van eene geheimzinnige onderneming. Eenigen maakten hunne wapenen schoon of laadden die, anderen kleedden zich, anderen wederom rookten en dronken mezcal, nog anderen sliepen in hunne gescheurde mantels gewikkeld. De paarden, geheel gezadeld, waren aan palen vastgemaakt.
Op geregelde afstanden stonden wachten, zwijgend en onbewegelijk als standbeelden van metaal op hunne lange karabijnen te leunen, wakende voor het algemeene welzijn. Het wegstervend schijnsel der vuren wierp nu en dan op dit tooneel een roodachtigen gloed, die aan de roovers een nog woester voorkomen gaf.
De kapitein scheen aan eene angstige bezorgdheid ten prooi te zijn, hij liep met groote stappen te midden van zijne onderhoorigen heen en weder nu eens stampende van toorn, dan weder stilstaande om naar de onbestemde geluiden der prairie te luisteren.
De nacht werd hoe langer hoe donkerder, de maan was ondergegaan, de wind huilde dof in de duisternis, de roovers waren ten laatste allen in slaap gevallen. De kapitein alleen waakte nog.
Eensklaps meende hij in de verte het knallen van een geweerschot te hooren, toen een tweede, en daarna werd alles wederom stil.
»Wat beteekent dat?” mompelde de kapitein woedend, »hebben die gekken zich laten overvallen?”
Terstond zich zorgvuldig in zijnen mantel wikkelende, wendde hij zich met groote schreden naar dien kant, van waar het geluid vernomen was.
’t Was erg donker, en ondanks zijne plaatskennis ging de kapitein slechts met moeite voort tusschen de wortels en takken, die bij elke schrede hem den weg versperden. Meermalen was hij genoodzaakt stil te staan en naar den weg te zoeken, dien hij gedurig kwijt was, door de omwegen, waartoe de rotsblokken en kreupelboschjes, die hij tegenkwam hem noodzaakten.
Gedurende een dergelijk oponthoud, meende hij niet ver van zich af eenig gedruisch in de bladeren en takken te hooren, niet ongelijk aan dat, hetwelk veroorzaakt wordt door het harde loopen van een dier of van een mensch in het kreupelhout.
De kapitein verborg zich achter den stam van een reusachtigen mahonieboom, greep zijne pistolen om op alles bereid te zijn, en luisterde met vooruitgestoken hoofd.
Alles om hem heen was stil: het was dat geheimzinnige uur van den nacht, waarin de natuur schijnt te slapen, en waarin al die naamlooze geluiden der wildernis zwijgen, om, zooals de Indianen zeggen, alleen de stilte te laten hooren.
»Ik heb mij vergist,” prevelde de roover, en hij maakte eene beweging om op zijne schreden terug te keeren. Nu liet zich hetzelfde gedruisch op nieuw hooren, maar duidelijker en dichterbij dan even te voren, en onmiddellijk gevolgd door een ingehouden kermen.
»Bij God!” zeide de kapitein, »dat begint interessant te worden, daar moet ik het mijne van hebben.”
Na een snellen loop van eenige minuten; zag hij niet ver van zich af de schaduw van een man in het donker voortglijden. Deze persoon, wie het ook zijn mocht, scheen zich met moeite voort te slepen, hij waggelde bij iedere schrede, en stond nu en dan stil, als om zijne krachten te herstellen. Soms liet hij een onderdrukte klacht hooren. De kapitein sprong naar hem toe, om hem den doorgang te versperren. Zoodra de onbekende hem bemerkte, slaakte hij een kreet van schrik, viel op de knieën, en mompelde met eene van angst sidderende stem:
»Genade, genade! dood mij niet!”
»Hoe!” riep de verbaasde kapitein, »het is de Babbelaar! Wie duivel heeft hem zoo toegetakeld?”
Hij bukte om hem van nabij te bezien.
Het was inderdaad de gids.
Hij was in zwijm gevallen.
»De pest hale dien stommeling!” mompelde de kapitein spijtig, »hoe kan ik hem nu uithooren?”
Maar de roover was een man; die zich te redden wist, hij stak zijne pistolen in zijn gordel, nam den gekwetste op en legde hem over zijne schouders.
Met dezen last beladen, die hem geenszins in het loopen hinderde, keerde hij met groote schreden langs denzelfden weg, dien hij gekomen was, naar het kamp terug.
Hij legde den gids bij een half uitgedoofd vuur, en wierp daarin eenige takkenbossen, om het te laten opflikkeren. Weldra stelde een heldere vlam hem in staat, om den man te onderzoeken, die bewusteloos aan zijne voeten nederlag.
De gelaatstrekken van den Babbelaar waren loodkleurig, een koud zweet parelde langs zijne slapen, en het bloed liep bij stroomen uit een diepe wond in zijne borst.
»Cascaras!” prevelde de kapitein, »de arme duivel heeft wel zijn deel gekregen; als hij mij voor zijn dood nog maar zeggen kan, wie hem in dien toestand hebben gebracht, en wat er van Kennedy is geworden!”
Evenals alle woudloopers had de kapitein eene practische kennis van de geneeskunde, en was hij geenszins verlegen met de behandeling van een dergelijke wond.
Ten gevolge van de zorg door hem aan den gids ten koste gelegd, kwam deze spoedig bij. Hij slaakte een diepen zucht, sloeg flauw de oogen op, en bleef een tijdlang liggen zonder te kunnen spreken; maar na eenige vruchtelooze pogingen, bijgestaan door den kapitein, kwam hij zoover, dat hij zich halverwege kon oprichten, en terwijl hij herhaalde malen het hoofd schudde, zeide hij op wanhopigen toon, en met eene telkens afgebrokene stem:
»Alles is verloren, kapitein! Wij hebben onzen slag gemist.”
»Duizend donders!....” riep de roover woedend stampvoetende, »hoe heeft zich dat toegedragen?”
»Dat meisje is een duivel!” hernam de gids, wiens fluitende ademhaling en gedurig zwakker wordende stem duidelijk genoeg bewezen, dat hij niet lang meer leven zou.
»Zoo gij kunt,” zeide de kapitein, die van den uitroep van den gekwetste niets begrepen had, »zeg mij dan, hoe de zaken zich hebben toegedragen, en wie uw moordenaar is, opdat ik u wreke!”
Een akelige lach plooide de paarsche lippen van den gids.
»Wie mijn moordenaar is?” herhaalde hij spottend.
»Ja.”
»Doña Luz.”
»Doña Luz!” riep de kapitein, verrast opspringende; »dat is onmogelijk!”
»Luister,” hernam de gids, »mijne oogenblikken zijn geteld; weldra zal ik niet meer leven. Een man in mijn toestand liegt niet. Laat mij spreken, en val mij niet in de rede; ik weet niet of ik den tijd zal hebben om u alles te zeggen, alvorens ik rekenschap ga afleggen aan Hem, die alles weet.”
»Spreek!” zeide de kapitein.