De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika

Part 13

Chapter 133,806 wordsPublic domain

Niettegenstaande het onstuimig gesprek dat hij met Nô Eusébio gevoerd had, ging de Arendskop toch voort met zijne gevangene zoo zacht mogelijk te behandelen, en zich met eene kieschheid jegens haar te gedragen, die men geenszins verwachten zou van menschen, welke, volgens onze meening, zonder eenige geldige reden onder den naam van Wilden bekend staan. In het algemeen toch verdient de wijze waarop de Indianen met hunne gevangenen omgaan, eer geprezen dan gelaakt te worden, daar zij, wel verre van hen zonder oorzaak te martelen en te kwellen, gelijk velen het elkander hebben nagezegd, hun veeleer de grootst mogelijke beleefdheid bewijzen, en in zeker opzicht medelijden hebben met hun ongeluk.

In de omstandigheden, waarvan wij spreken, was het besluit van den Arendskop, ten opzichte van Edelharts moeder, slechts eene uitzondering, waarvan de oorzaak moet worden toegeschreven aan den doodelijken haat, dien het Indiaansche opperhoofd den jager toedroeg.

De scheiding der twee gevangenen was pijnlijk en hartverscheurend; de oude dienaar vertrok wanhopig om den jager te zoeken, terwijl de arme moeder met een gebroken hart de Comanchen volgde.

Den volgenden dag kwam de Arendskop op de door de opperhoofden der natie vastgestelde plaats; de geheele stam was bijeen.

Niets is zonderlinger en schilderachtiger dan het gezicht van een Indiaansch kamp. Als de Roodhuiden op een jacht- of krijgsonderneming uit zijn, richten zij op de plaats, waar zij halt houden, tenten op van bisonvellen, die over kruiselings in den grond gestoken palen zijn uitgespannen, deze tenten, waarvan de vloer met aardkluiten overdekt is, hebben alleen van boven eene opening, om den rook door te laten, en zonder welke zij onbewoonbaar zouden zijn.

Het kamp had een levendig aanzien; de vrouwen kwamen en gingen, beladen met hout en vleesch, of gezeten op door honden getrokken sleden, die al haar rijkdommen bevatten; de krijgslieden zaten in de open lucht rondom de vuren te rooken en te praten. Het was echter gemakkelijk te raden dat er iets ongewoons werd voorbereid; want ondanks het vroege uur—de zon was nog nauwelijks opgegaan—waren de voornaamste hoofden in de raadstent bijeen, om aldaar, gelijk de ernstige uitdrukking van hun gelaat te kennen gaf, een gewichtige zaak te bespreken.

Het was de laatste dag van uitstel door den Arendskop aan Nô Eusébio toegestaan. De Indiaansche krijgsman aan zijn haat getrouw en geen lust hebbende zijn wraak uit te stellen, had de hoofden bijeengeroepen om hunne goedkeuring te erlangen voor de uitvoering van zijn afschuwelijk plan.

Wij herhalen het hier, opdat men er zich niet in vergisse, de Indianen begaan geen wreedheden, louter voor hun genoegen. De noodzakelijkheid is hunne eerste wet; nooit geven zij bevel tot de marteling en terdoodbrenging van een gevangene, allerminst wanneer deze eene vrouw is, dan wanneer het belang der natie het eischt.

Zoodra de hoofden om het vuur van de raadstent bijeen gezeten waren, trad de pijpdrager in den kring, met een aangestoken calumet, boog zich, onder het prevelen van een gebedje, naar alle vier de hemelstreken, en bood de calumet aan het oudste opperhoofd aan, maar zóó dat hij het roer in de hand hield.

Toen de hoofden een voor een gerookt hadden, stootte de pijpdrager de asch van de calumet in het vuur, en zeide:

»Hoofden van den grooten Comanchenstam, moge Natosh (God) u wijsheid geven, en moge het besluit, dat gij nemen gaat, met de eischen der rechtvaardigheid overeenstemmen.”

Daarna maakte hij een eerbiedige buiging en verwijderde zich.

Er volgde een oogenblik stilte; ieder overpeinsde de zoo uitgesprokene woorden.

Eindelijk stond de oudste op. Het was een eerwaardige grijsaard, wiens lichaam met tallooze lidteekenen was bezaaid, en die onder de zijnen een grooten naam van wijsheid bezat. Hij heette Eshis—de zon.

»Mijn zoon de Arendskop,” zeide hij, »heeft een belangrijke mededeeling te doen aan den raad der hoofden: hij spreke derhalve, onze ooren zijn geopend; de Arendskop is een krijgsman, even wijs als dapper; zijne woorden zullen met eerbied door ons worden aangehoord.”

»Ik dank u,” antwoordde de krijgsman; »mijn vader is de wijsheid zelve. Natosh heeft niets voor hem verborgen.”

De hoofden bogen.

De Arendskop ging voort:

»De bleekmuilen, onze eeuwige vijanden, vervolgen en kwellen ons voortdurend, ons noodzakende een voor een onze beste jachtgronden te verlaten, en gelijk bloode hinden in het diepste der bosschen de wijk te nemen; velen hunner wagen het tot in de prairiën te komen, die ons tot schuilplaats dienen, de bevers te strikken en op de elands en bisons te jagen, die ons eigendom zijn. Deze menschen zonder trouw, het uitvaagsel van hun volk, bestelen en vermoorden ons, als zij het straffeloos doen kunnen. Is het billijk dat wij hunne rooverijen uitstaan, zonder ons zelfs te beklagen? Zullen wij ons laten worgen als vreesachtige ashahas, zonder zelfs een poging aan te wenden om ons te wreken? Zegt de wet der prairiën niet: oog om oog, tand om tand? laat mijn vader antwoorden, laten mijne broeders zeggen, of dat billijk is?”

»De wraak is geoorloofd,” zeide de Zon; »zij is het onweêrsprekelijk recht van den zwakke en onderdrukte, maar zij moet geëvenredigd zijn aan de ontvangen beleediging.”

»Goed! mijn vader heeft als een wijs man gesproken; wat denken mijne broeders er van?”

»De Zon kan niet liegen; al wat hij zegt is goed,” antwoordden de hoofden.

»Heeft mijn broeder zich over iemand te beklagen?” vroeg de grijsaard.

»Ja,” hernam de Arendskop, »ik ben beleedigd door een blanken jager; verscheidene malen heeft hij een aanval gedaan op mijn kamp; hij heeft in eene hinderlaag verscheidene mijner jonge lieden gedood; ik zelf ben, gelijk gij zien kunt, door hem gekwetst; de wond is nog niet eens gesloten; die man, in één woord, is de wreedste vijand der Comanchen, die hij als wilde dieren vervolgt en opjaagt, om zich te verlustigen in hunne martelingen en naar hunne stervenskreten te luisteren.”

Bij deze woorden, op een wegslependen toon uitgesproken, slaakte de gansche vergadering een diepen zucht van verkropten toorn. De listige hoofdman, begrijpende dat hij zijne zaak gewonnen had, ging voort zonder in het minst de vreugde te laten blijken, die hem bezielde.

»Ik zou,” zeide hij, »zoo het mij alleen gegolden had, die beleedigingen, hoe zwaar zij ook mogen zijn, hebben kunnen vergeven, maar het geldt hier een algemeenen vijand, een man die aan de natie den ondergang gezworen heeft; en daarom, hoe pijnlijk het mij ook vallen moge, mag ik niet aarzelen om hem te treffen in wat hem het dierbaarste is. Zijne moeder is in mijne handen, ik heb geaarzeld haar op te offeren, ik heb mij niet door mijn haat willen laten beheerschen, ik heb rechtvaardig willen zijn, en toen het mij gemakkelijk viel deze vrouw te dooden, heb ik liever willen wachten tot gij zelven, eerwaardige hoofden van onzen stam, mij er bevel toe gaaft. Ik heb meer gedaan, omdat het mij tegen de borst stuit nutteloos bloed te vergieten en een onschuldige voor den schuldige te straffen; ik heb aan die vrouw vier dagen uitstel gegund, om aan haar zoon de gelegenheid te schenken haar te redden, door zich te komen aanbieden, om in hare plaats de marteling te ondergaan. Een door mij gevangen genomen blanke is uitgegaan om hem te zoeken; maar die man heeft het hart van een konijn, die slechts moed bezit om weerlooze vijanden te vermoorden; hij is niet gekomen, hij zal niet komen!.... Dezen morgen, bij het opgaan der zon, is de tijd, tot uitstel gegund, verstreken. Waar is die man? hij is niet verschenen!.... Wat zeggen mijne broeders? is mijn gedrag billijk, moet ik berispt worden, of wel, zal die vrouw aan den martelpaal gebonden worden, opdat de verschrikte bleeke dieven erkennen, dat de Comanchen geduchte krijgslieden zijn, die geen hoon ongestraft laten? Ik heb gezegd. Heb ik goed gesproken, mannen?”

Na afloop van dit lange pleidooi ging de Arendskop weêr zitten, en de armen kruisende, wachtte hij met gebogen hoofd de beslissing der hoofden af.

Er volgde een vrij langdurig stilzwijgen; eindelijk stond de Zon op.

»Mijn broeder heeft goed gesproken,” zeide hij; »zijne woorden zijn als van een man, die zich niet door hartstocht laat overheerschen; al wat hij zegt is billijk; de blanken, onze woeste vijanden leggen het op ons verderf toe; hoe pijnlijk de straf dier vrouw ons moge vallen, zij is noodzakelijk.”

»Zij is noodzakelijk,” herhaalden de hoofden, het hoofd buigende.

»Komt,” hernam de Zon, »maakt de noodige toebereidselen; geeft aan die terdoodbrenging het aanzien van een zoenoffer en niet van eene wraak; ieder moet overtuigd worden, dat de Comanchen niet voor hun genoegen de vrouwen martelen, maar dat zij de schuldigen weten te straffen; ik heb gezegd.”

De hoofden stonden op, en na den grijsaard eerbiedig gegroet te hebben, verwijderden zij zich.

De Arendskop was geslaagd; hij zou zich wreken, zonder de verantwoordelijkheid op zich te nemen van eene daad, waarvan hij al het afschuwelijke had doorzien, maar die hij aan de hoofden zijner natie had weten voor te stellen onder een schijn van billijkheid, waarover hij zich inwendig bekommerde.—Men haastte zich de noodige toebereidselen tot de strafoefening te maken.

De vrouwen sneden dunne spaanders van esschenhout, om de veroordeelde die onder de nagels te steken, anderen maakten van de takken der vlierboomen een soort van lange zwavelstokken, terwijl de jongsten in het woud bossen groen hout gingen zoeken ten einde haar langzaam te verbranden en door den rook te doen stikken.

Ondertusschen hadden de mannen den tot martelpaal bestemden boom geheel van zijne schors ontdaan, en vervolgens met elandsvet, vermengd met rooden oker, besmeerd; aan zijn voet hadden zij het hout van den brandstapel opeengehoopt, en daarna had de wichelaar den boom door middel van eenige geheimzinnige woorden bezworen, ten einde dien voor het bestemde doel geschikt te maken.

Toen deze toebereidselen gemaakt waren, werd de gevangene aan den voet van den paal gebracht, en zonder nog vastgebonden te worden, genoodzaakt om zich op den brandstapel neder te zetten; daarna begon de scalpdans.

De ongelukkige vrouw was oogenschijnlijk zeer kalm; zij had besloten haar leven ten offer te brengen; niets van hetgeen er om haar heen voorviel was meer in staat haar te ontroeren. Hare van koorts brandende en met tranen gevulde oogen dwaalden doelloos over die menigte, die haar als een hoop wilde dieren brullend omsingelde. Haar geest bleef echter even waakzaam en even helder als in hare schoonste dagen. De arme moeder had ééne vrees, die haar het hart verscheurde, meer dan de duizend martelingen, die de Indianen haar deden ondergaan; zij vreesde, dat haar zoon, gewaarschuwd omtrent het vreeselijk lot dat haar bedreigde, zich aan zijne woeste vijanden zou komen uitleveren, om haar te redden.

Het minste gerucht opvangende, meende zij telkens de stappen van haar zoon te vernemen, die haar ieder oogenblik kon te hulp snellen; haar hart klopte van angst. Zij bad God uit het diepst van hare ziel, dat zij mocht sterven in plaats van haar geliefd kind.

De scalpdans werd met woede voortgezet. Een menigte groote, schoone, prachtig uitgedoschte krijgslieden, met zwart gemaakte aangezichten, zwaaiden bij paren om den paal heen, aangevoerd door zeven met trommels en chicikouees gewapende muzikanten, die zich met rood en zwart hadden besmeerd en vederen van nachtuilen op het hoofd droegen. De krijgslieden hadden met vederen en roodlaken versierde geweren en knodsen in de hand, waarmede zij al dansend den grond aanraakten. Zij vormden een grooten halven kring om den paal; de andere helft van den cirkel bestond uit dansende vrouwen.

De Arendskop, die de krijgers aanvoerde, droeg een langen stok, aan het bovenste uiteinde waarvan een scalp hing te wiegelen, overschaduwd door de uitgespreide vleugelen van een opgezette ekster; een weinig lager hing nog een scalp, de huid van een losch, en eenige vederen.

Toen men aldus eenigen tijd gedanst had, plaatsten zich de muzikanten aan weêrszijden der veroordeelde, en maakten een oorverdoovend geraas door te gelijkertijd te zingen, en zoo hard zij konden, te trommelen en de chicikouees te schudden.

Deze dans duurde vrij lang en ging vergezeld met een afschuwelijk gebrul, dat wel in staat was om de ongelukkige, aan wie zij aldus een voorsmaak gaven van de vreeselijke martelingen, die haar wachtten, van schrik krankzinnig te maken.

Eindelijk raakte de Arendskop de veroordeelde met zijn stok even aan, op dit teeken hield het geraas eensklaps op, de rijen werden verbroken, ieder greep naar de wapenen.

De doodstraf nam een aanvang.

XX.

DE MARTELING.

Zoodra de scalpdans ophield, schaarden de voornaamste krijgslieden zich met de wapenen in de hand voor den paal, terwijl de vrouwen, vooral de meer bejaarde, zich op de veroordeelde wierpen, haar uitscholden, haar schopten, haar de haren uit het hoofd trokken, haar sloegen, terwijl zij niet alleen geen den minsten tegenstand bood, maar zich zelfs niet poogde te onttrekken aan de gruwelijke mishandelingen, die men haar deed ondergaan. De ongelukkige vrouw verlangde slechts één ding, namelijk dat er met de terdoodbrenging een begin zou worden gemaakt. Zij had met koortsachtig ongeduld de bewegingen van den scalpdans gevolgd, zoozeer vreesde zij dat haar geliefde zoon zou verschijnen om zich tusschen haar en hare beulen te plaatsen. Evenals de oude martelaars, beschuldigde zij uit grond van haar hart de Indianen, dat zij in doellooze plechtigheden een kostbaren tijd lieten verloren gaan: zoo zij er de kracht toe gehad had, zou zij hen over hunne langzaamheid, en over de aarzeling, die zij schenen aan den dag te leggen, om haar op te offeren, hebben berispt en uitgelachen. De waarheid was deze, dat de Comanchen, huns ondanks en niettegenstaande de straf hun billijk toescheen, een tegenzin hadden in het martelen van een weerlooze vrouw, die reeds op jaren was, en hun noch middellijk noch onmiddellijk ooit eenig leed had berokkend.

De Arendskop zelf, in weerwil van zijn bitteren haat, ondervond een heimelijk verwijt over de misdaad, die hij beging; en wel verre van de laatste toebereidselen te verhaasten, maakte hij ze met een traagheid en tegenzin, die hij onmogelijk te boven kon komen.

Voor dappere mannen, die gewoon zijn de grootste gevaren te trotseeren, is het altijd een onteerende daad, een zwak schepsel te martelen, die geen ander middel heeft om zich te verdedigen dan hare tranen. Zoo het een man ware geweest, zou men eenstemmig besloten hebben om hem terstond aan den martelpaal te binden.

De Indiaansche gevangenen lachen om alle folteringen; zij beleedigen hunne beulen, en in hunne doodsliederen, verwijten zij aan hunne overwinnaars hunne lafheid, hun gebrek aan ondervinding, hunne onbekwaamheid om hunne slachtoffers te pijnigen; zij sommen hunne eigen heldenfeiten op, berekenen het aantal vijanden, die zij hebben gescalpeerd alvorens zelven te vallen, wekken eindelijk door hunne spotternijen en hunne minachtende houding den toorn hunner beulen op, en rechtvaardigen in zekere mate hunne wreedheid.

Maar een zwakke vrouw, die zich zonder aarzelen aan haar lot overgeeft, die zich als een lam ter slachtbank laat voeren, welk belang kan zulk eene terdoodbrenging aanbieden?

Men kan daarvan geen roem verwachten, maar integendeel slechts eene algemeene afkeuring.

De Comanchen begrepen dit, van daar hun tegenzin en hun talmen. Doch er moest een eind aan komen.

De Arendskop naderde de gevangene, en haar bevrijdende van de harpijen, die haar kwelden, zeide hij op somberen toon:

»Vrouw, ik heb mijn woord gehouden; uw zoon is niet gekomen, gij moet sterven.”

»Goddank!” zeide zij met een gebrokene stem, zich tegen een boomstam aanleunende, om niet te vallen.

De hoofdman zag haar aan, zonder haar te begrijpen.

»Vreest gij den dood niet?” vroeg hij haar.

»Neen,” hernam zij, op hem een blik slaande, zacht als die van een engel, »hij zal mij welkom zijn; mijn leven is één lange doodstrijd geweest, de dood is een weldaad voor mij.”

»Maar uw zoon dan?”

»Mijn zoon zal leven, als ik sterf; gij hebt het gezworen bij de beenderen uwer vaderen.”

»Ik heb het gezworen.”

»Laat mij dan sterven.”

»Zijn de vrouwen uwer natie dan gelijk aan de Indiaansche squaws, die den dood zonder beven onder de oogen zien?” riep de hoofdman verbaasd.

»Ja,” antwoordde zij aangedaan; »alle moeders verachten dien wanneer het het welzijn harer kinderen geldt.”

»Luister,” zeide de Indiaan, zijns ondanks door medelijden bewogen, »ik ook, ik heb eene moeder, die ik liefheb, zoo gij het verlangt, zal ik uw dood uitstellen tot zonsondergang.”

»Waarom?” antwoordde zij met verschrikkelijken eenvoud; »neen, krijgsman, zoo mijne smart u wezenlijk treft, dan is er maar ééne gunst, die ik van u vraag.”

»Spreek,” zeide hij levendig.

»Laat mij terstond sterven.”

»Maar zoo uw zoon dan eens kwam?”

»Wat maakt dat? gij verlangt een offer, niet waar? Welnu, dat offer staat voor u, gij kunt het naar uw genoegen martelen. Waarom geaarzeld? laat mij sterven, zeg ik u.”

»Aan uw verlangen zal voldaan worden,” zeide de Comanch treurig; »vrouw, maak u gereed.”

Zij boog het hoofd voorover op de borst, en wachtte. Op eenen wenk van den Arendskop, grepen twee krijgslieden de gevangene aan en bonden haar aan den paal vast.

Toen nam het messenspel een aanvang; zie hier, waarin het bestaat: ieder krijgsman neemt zijn scalpeermes met den duim en wijsvinger van de rechterhand, en werpt het naar het slachtoffer op zulk eene wijs dat het slechts lichte kwetsuren veroorzaakt.

De Indianen, als zij iemand ter dood brengen, trachten de marteling zoo lang mogelijk te rekken; zij geven hun vijand den genadeslag niet, alvorens zij hem het leven langzaam, en als het ware lid voor lid hebben ontnomen.

De Indianen wierpen hunne messen met zulk eene bewonderenswaardige behendigheid, dat allen de ongelukkige raakten, zonder dat één haar ernstig wondde; maar toch stroomde haar bloed; zij had de oogen gesloten, en geheel in zich zelve gekeerd, bad zij met warmte om den laatsten doodelijken slag.

De mannen, wien haar lichaam tot een mikpunt strekte, verhitten zich langzamerhand; welgevallen in het ongewone schouwspel en zucht om hunne behendigheid te toonen hadden weldra in hun hart het medelijden verdrongen, dat zij in het eerst gevoelden. Zij gaven luidkeels hunne toejuiching te kennen, en moedigden elkander lachend aan. In één woord, het bloed, evenals altijd, ook bij de beschaafde volkeren, maakte hen dronken; hunne eigenliefde was in het spel, ieder zocht zijn voorganger te overtreffen, elke andere beschouwing werd vergeten.

Toen allen hunne messen geworpen hadden, kwamen de behendigste schutters van den stam, en wapenden zich met geweren.

Ditmaal was er een vaste blik noodig, want een slecht gerichte kogel kon aan de pijniging op eens een einde maken, en aan de omstanders het verleidelijk schouwspel ontrooven waarvan zij zich zooveel genoegen voorstelden.

Bij ieder schot gaf het arme schepsel, geheel voorover gebogen, geen ander teeken van leven als een zenuwachtige trilling door haar gansche lichaam.

»Laat ons er een eind aan maken,” zeide de Arendskop, wiens hart zijns ondanks week werd door zooveel moed en zooveel zelfverloochening. »De krijgslieden der Comanchen zijn geene jaguars, die vrouw heeft genoeg geleden, laat zij sterven en laat het uit zijn.”

Eenig gemompel liet zich hooren onder de squaws en onder de kinderen, die het meest belust waren op de foltering der gevangene. Maar de krijgslieden waren het met het opperhoofd eens; die doodstraf, zonder de beleedigingen waarop het slachtoffer gewoonlijk zijne beulen onthaalt, had voor hen geene aantrekkelijkheid, en bovendien schaamden zij zich inwendig, dat zij zich zoo bloeddorstig aanstelden tegenover eene vrouw.

Men schold dus aan de ongelukkige eenige folteringen kwijt—de splinters onder de nagels, de brandende zwavelstokken tusschen de vingers, het honigmasker op het gelaat, en nog andere, te veel om op te noemen, en men maakte den brandstapel gereed, waarop zij verbrand zou worden.

Maar alvorens men tot dit laatste bedrijf van het bloedige treurspel overging, maakte men de arme vrouw los; gedurende eenige oogenblikken liet men haar adem scheppen, en zich herstellen van de vreeselijke aandoeningen, waaraan zij ten prooi was geweest.

De ongelukkige zakte bewusteloos inéén.

De Arendskop naderde haar.

»Mijne moeder is kordaat,” zeide hij; »vele krijgslieden zouden zooveel lijden niet met zooveel standvastigheid hebben doorgestaan.”

Een flauwe glimlach teekende zich op hare lippen.

»Ik heb een zoon,” antwoordde zij met een onuitsprekelijk zachten blik, »het is voor hem dat ik lijd.”

»Een krijgsman, die zulk eene moeder heeft, is wel gelukkig.”

»Waarom zoudt gij mijnen dood uitstellen? Het is wreed aldus te handelen; krijgslieden mogen geen vrouwen kwellen.”

»Mijne moeder heeft gelijk, hare folteringen zijn geëindigd.”

»Zal ik dan eindelijk sterven?” vroeg zij met een verruimd hart.

»Ja, men maakt den brandstapel gereed.”

Haars ondanks voer der arme vrouw eene huivering door al de leden, bij het hooren van dit vreeselijk bericht.

»Mij verbranden!” riep zij verschrikt uit, »waarom mij verbranden?”

»Dat is het gebruik.”

Zij liet haar hoofd in hare handen vallen, maar weldra herstelde zij zich, en een bezielden blik ten hemel slaande, prevelde zij met volkomen onderwerping:

»Uw wil, o God, geschiede!”

»Gevoelt mijne moeder zich sterk genoeg, om aan den folterpaal te worden vastgebonden!” vroeg het opperhoofd met medelijden.

»Ja,” zeide zij, zich krachtig opheffende.

De Arendskop kon een kreet van bewondering niet weerhouden. De Indianen beschouwen moed als de eerste deugd.

»Kom,” zeide hij.

De gevangene volgde hem met vasten tred; zij had al hare kracht herkregen; eindelijk zou zij sterven.

Het opperhoofd geleidde haar naar den folterpaal, waaraan zij ten tweeden male werd vastgebonden; vóór haar stapelde men de bossen groen hout op elkander, en op een gegeven teeken van den Arendskop stak men ze aan.

Het vuur had eerst veel moeite om door te breken, door de vochtigheid van het hout, dat een dikken rook ontwikkelde; doch na eenige seconden barstte de vlam uit, verspreidde zich langzamerhand, en verkreeg binnen weinige minuten een groote uitgebreidheid.

De ongelukkige vrouw kon een kreet van schrik niet bedwingen.

Op hetzelfde oogenblik kwam midden in het kamp een ruiter in volle vaart aanrennen; met één sprong was hij op den grond, en eer men het hem beletten kon, verstrooide hij het hout van den brandstapel, en sneed de banden van het slachtoffer door.

»O, waarom zijt gij gekomen?” mompelde de arme moeder, in zijne armen vallende.

»Moeder! vergeef mij!” riep Edelhart in wanhoop uit; »mijn God! wat hebt gij veel moeten lijden!”

»Ga, ga, Rafaël!” herhaalde zij, hem met liefkoozingen overladende; »laat mij in uwe plaats sterven, moet niet een moeder haar leven overhebben voor haar kind?”

»O, spreek zoo niet, moeder, gij zoudt mij krankzinnig maken,” zeide hij, haar in zijne armen knellende.

Maar de verwarring, door de plotselinge verschijning van Edelhart verwekt, was spoedig voorbij; de Indiaansche krijgslieden hadden die bedaardheid herkregen, die hen onder alles kenmerkt.

De Arendskop naderde den jager.

»Mijn broeder is welkom,” zeide hij; »ik wachtte hem niet meer.”

»Hier ben ik; het was mij onmogelijk eerder te komen; mijne moeder is vrij, denk ik.”

»Zij is vrij.”

»Kan zij gaan, waar zij wil?”

»Waar zij wil.”

»Neen,” riep de gevangene, zich kloekmoedig tegenover het opperhoofd plaatsende, »het is te laat; ik ben het, die sterven moet; mijn zoon heeft het recht niet, om mijne plaats in te nemen.”

»Moeder, wat zegt gij?...”