De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 12
De Slangen-stam, waartoe de krijgslieden, onder het bevel van den Arendskop, behoorden, was ten getale van ongeveer vijf honderd man in de prairiën doorgedrongen, hetzij om op bisons te jagen of om slag te leveren aan de Pawnies en Sious, tegen welke zij onophoudelijk krijg voerden.
Het deel van den Arendskop, zoodra de veldtocht was afgeloopen, was om zich onmiddellijk bij zijne broeders aan te sluiten, ten einde den buit door hem bij de verovering van het dorp gemaakt, in veiligheid te brengen en zich aan het hoofd te stellen van een groote krijgsonderneming, die zijn stam in den zin had tegen de in de prairiën verstrooide blanke jagers en mestiezen, die door de Indianen met reden als hunne onverzoenlijke vijanden werden beschouwd.
Ondanks de menigte voorzorgen, door het opperhoofd aangewend, ging de troep snel vooruit. Op den avond van den zesden dag na de verwoesting van het fort, hielden de Comanchen halt aan de oevers van een kleine rivier zonder naam, gelijk er in deze streken vele zijn, en maakten zij zich gereed om aldaar des nachts te kampeeren. Niets is eenvoudiger dan een Indiaansch kamp op den voet van oorlog. De paarden worden vastgebonden, zoodat zij niet kunnen wegloopen; als men geen aanval vreest, steekt men vuur aan; in het tegenovergestelde geval, schikt ieder zich zoo goed hij kan om te eten en te slapen.
Na hun vertrek van het fort, had niets bij de Comanchen het vermoeden opgewekt, dat zij achtervolgd of bespied werden, hunne spionnen hadden geen enkel verdacht spoor ontdekt. Zij bevonden zich op geringen afstand van het kamp van hun stam, hunne veiligheid liet dus niets te wenschen over. De Arendskop liet vuur aanleggen, en plaatste zelf de schildwachten, om voor allen te waken.
Toen hij deze maatregelen genomen had, zette de hoofdman zich tegen een ebbenboom, nam zijn calumet en beval dat de grijsaard en de Spaansche vrouw zouden worden voorgebracht. Toen zij voor hem stonden, groette de Arendskop den grijsaard hartelijk en bood hem zijn calumet aan, een teeken van welwillendheid, dat de grijsaard aannam; zich tevens gereed houdende, om de vragen te beantwoorden, die de Indiaan zonder twijfel tot hem richten zou. Na eenige oogenblikken stilte nam deze werkelijk het woord:
»Heeft mijn broeder het goed bij de Roodhuiden?” vroeg hij.
»Ik heb geen reden tot klagen, hoofdman!” antwoordde de Spanjaard; »zoolang ik bij u was ben ik goed behandeld.”
»Mijn broeder is een vriend,” zeide de Comanch plechtstatig.
De grijsaard maakte een buiging.
»Wij zijn eindelijk op onzen jachtgrond,” hernam het opperhoofd; »mijn broeder Grijshoofd is vermoeid van een lang leven; hij past beter bij het vuur van den raad, dan op een paard om op elands en bisons te jagen: wat begeert mijn broeder?”
»Hoofdman,” antwoordde de Spanjaard, »uwe woorden zijn waar; er was een tijd toen ik, evenals ieder andere zoon der prairiën, dagen lang op de jacht doorbracht, gezeten op een vurig en onstuimig ros, maar mijne krachten zijn verdwenen, mijne ledematen hebben hunne buigzaamheid, en mijne oogen hunne onfeilbaarheid verloren, ik deug niet meer voor eene expeditie, hoe kort zij ook wezen moge.”
»Goed,” zeide de Indiaan bedaard, dikke rookwolken uit neus en mond blazende, »mijn broeder zegge aan zijn vriend, wat hij verlangt, en het zal geschieden.”
»Ik dank u, hoofdman, en ik zal van uw welwillend aanbod gebruik maken; ik zou gelukkig zijn, zoo gij mij de middelen wildet verschaffen, om mij ongehinderd naar eene plaats te begeven, waar zich menschen van mijne kleur gevestigd hebben, en waar ik in vrede de weinige levensdagen, die mij nog overblijven, kan doorbrengen.”
»En waarom zou ik dat niet doen? niets is gemakkelijker; zoodra wij bij onzen stam zullen gekomen zijn, zal aan het verlangen van mijn broeder worden voldaan, aangezien hij niet bij zijn roode vrienden verkiest te blijven.”
Er volgde een oogenblik van stilte. De grijsaard, meenende dat het onderhoud afgeloopen was, wilde zich verwijderen; de hoofdman gaf hem een teeken, om te blijven.
Na eenige oogenblikken schudde de Indiaan de asch uit zijne pijp, hing haar aan zijn gordel, en op den Spanjaard een zonderlingen blik slaande, zeide hij op droevigen toon:
»Mijn broeder is gelukkig; ofschoon reeds vele winters oud, bewandelt hij toch niet alleen het levenspad.”
»Wat bedoelt de hoofdman?” vroeg de grijsaard; »ik begrijp hem niet.”
»Mijn broeder heeft een huisgezin,” hernam de Comanch.
»Helaas, mijn broeder bedriegt zich, ik sta alleen op de wereld.”
»Wat zegt mijn broeder daar? heeft hij niet zijne gezellin bij zich?”
Een treurige glimlach teekende zich op de dunne lippen van den grijsaard.
»Neen,” zeide hij, »ik heb geen levensgezellin.”
»Wat is dan deze vrouw voor hem?” zeide de hoofdman met geveinsde bewondering op de Spaansche dame wijzende, die stil en droevig naast den grijsaard stond.
»Die vrouw is mijne meesteres.”
»Ooah! zou mijn broeder een slaaf zijn?” zeide de Comanch grijnzend.
»Neen,” antwoordde de grijsaard fier, »ik ben niet de slaaf van deze vrouw; ik ben haar trouwe dienaar.”
»Ooah!” zeide de hoofdman, het hoofd schuddende, en hij begon over dit antwoord na te denken.
Maar de woorden van den Spanjaard kwamen den Indiaan geheel onbegrijpelijk voor; de onderscheiding was hem al te fijn, hij kon haar niet vatten. Na twee of drie minuten zwijgens, gaf hij zijne pogingen, om dit voor hem onverklaarbare raadsel op te lossen, op.
»Goed,” zeide hij, terwijl zich een spottende glimlach op zijn gelaat vertoonde, »de vrouw zal met mijn broeder vertrekken.”
»Dat heb ik altijd zoo begrepen,” antwoordde de Spanjaard.
De reeds bejaarde vrouw, die tot hiertoe het stilzwijgen bewaard had, meende nu dat het tijd was, om zich in het gesprek te mengen.
»Ik bedank den hoofdman,” zeide zij, »doch daar hij zoo goed is, om zich ter onzer beschikking te stellen, zou ik hem wel eene gunst willen vragen.”
»Mijne moeder spreke, mijne ooren zijn geopend.”
»Ik heb een zoon, die een groot blank jager is; hij moet zich op dit oogenblik in de prairie bevinden; als mijn broeder goed vond ons nog eenige dagen bij zich te houden, dan zou het ons mogelijk zijn hem te ontmoeten; onder zijne bescherming zouden wij niets te vreezen hebben.”
Bij deze onvoorzichtige woorden maakte de Spanjaard eene beweging van schrik.
»Señorita,” zeide hij in zijne moedertaal, »pas op, dat....”
»Stilte!” gebood de Indiaan. »Waarom spreekt mijn broeder voor mij in een vreemde taal? is hij bang dat ik zijne woorden verstaan zal?”
»O, hoofdman!” zeide de Spanjaard met een gebaar van ontkenning.
»Dat mijn broeder dan mijne moeder met het bleeke gezicht niet verhindere te spreken; zij spreekt tot het opperhoofd.”
De grijsaard zweeg, maar een droevig voorgevoel beklemde zijne borst.
Het Comanchenhoofd wist heel goed, met wie hij te doen had: hij speelde met de twee Spanjaarden, gelijk de kat met de muis; maar zonder iets van hetgeen er in hem omging te laten blijken, wendde hij zich tot de vrouw en zich buigende met die instinctmatige beleefdheid, waardoor de Indianen zich onderscheiden zeide hij:
»Ooah! de zoon mijner moeder is een groot jager: des te beter.”
Het hart der arme vrouw sprong op van vreugde.
»Ja,” zeide zij verrukt, »het is een der dapperste pelsjagers uit de prairiën van het westen.”
»Ooah!” riep het opperhoofd, hoe langer hoe vriendelijker wordende; »die beroemde krijgsman moet een geëerbiedigden naam hebben in de prairiën?”
De Spanjaard lag op de pijnbank; bedwongen door het oog van den Comanch, wist hij geen middel om zijne meesteres te waarschuwen, dat zij den naam van haar zoon niet zou uitspreken.
»Zijn naam is wel bekend,” zeide de dame.
»Och,” riep de grijsaard uit, »alle moeders zijn zoo; hare zonen zijn altijd helden! Die, waarvan zij spreekt, ofschoon een uitmuntend jong mensch, is niets meer dan een ander, zijn naam is stellig mijn broeder nooit ter oore gekomen.”
»Hoe weet mijn broeder dat?” zeide de Indiaan op hatelijken toon.
»Ik vooronderstel het maar,” antwoordde de grijsaard; »of zoo mijn broeder hem toevallig eens heeft hooren uitspreken, zal hij hem reeds lang uit het geheugen zijn gegaan, en is het niet de moeite waard, dat hij zich dien weder herinnere. Zoo mijn broeder het goed vindt, zullen wij ons verwijderen; de dag is vermoeiend geweest, het uur der rust is gekomen.”
»Oogenblikkelijk,” zeide de Comanch zoetsappig, en zich tot de vrouw wendende, vroeg hij haar met nadruk: »hoe heet de krijgsman der bleekgezichten?”
Maar de oude dame, bang geworden door de tusschenkomst van haar dienaar, wiens trouw en voorzichtigheid zij kende, antwoordde niet, inwendig gevoelende, dat zij een fout begaan had, en niet wetende, hoe die te herstellen.
»Hoort mijne moeder niet?” hernam het opperhoofd.
»Waartoe u een naam gezegd, die naar alle waarschijnlijkheid u onbekend is, en die in ieder geval u geen belang kan inboezemen? Zoo mijn broeder het goed vindt, zal ik mij verwijderen.”
»Neen, niet voor dat mijne moeder mij den naam gezegd heeft van haren zoon den grooten krijgsman,” zeide de Comanch, de wenkbrauwen fronsende en met kwalijk bedwongen toorn stampvoetende. De jager zag dat het misliep; zijne partij was oogenblikkelijk gekozen.
»Mijn broeder is een groot opperhoofd,” zeide hij, »al is zijn haar bruin, zijne wijsheid is onmetelijk; ik ben zijn vriend, hij zal geen misbruik willen maken van het toeval, dat de moeder van zijn vijand in zijne handen geleverd heeft; de zoon van deze vrouw heet Edelhart.”
»Ooah!” riep de Arendskop weder onheilspellend glimlachende, »dat wist ik wel; waarom hebben de bleekmuilen twee tongen en twee harten en zoeken zij altijd de Roodhuiden te bedriegen?”
»Wij hebben niet gepoogd u te bedriegen, hoofdman.”
»Dat gij, zoolang gij bij ons zijt, als kinderen van onzen stam behandeld zijt geworden, is door mijn toedoen; ik ben het, die u het leven heb gered.”
»Dat is waar.”
»Welnu, ik wil u toonen dat de Indianen niet vergeten; en dat zij goed voor kwaad weten te vergelden. Deze wonden, die gij hier ziet, wie heeft ze mij toegebracht? Edelhart. Wij zijn vijanden, zijne moeder is in mijne macht, ik zou haar terstond aan den folterpaal kunnen binden, dat zou mijn recht zijn.”
De twee Spanjaarden bogen het hoofd.
»De wet der prairiën zegt: Oog om oog, tand om tand! Luister goed naar mij, Oude Eik: gedachtig aan onze oude vriendschap, sta ik u een uitstel toe. Morgen met zonsopgang zult gij Edelhart gaan zoeken; zoo hij binnen vier dagen zich niet in mijne handen is komen uitleveren, zal zijne moeder sterven: mijne manschappen zullen haar levend aan den folterpaal verbranden, en mijne broeders zullen zich oorlogfluitjes snijden uit hare beenderen. Gaat, ik heb niets meer te zeggen.”
De grijsaard viel voor het opperhoofd op de knieën, maar de wraakzuchtige Indiaan schopte hem van zich en ging weg.
»O, mevrouw,” mompelde de grijsaard wanhopig; »gij zijt verloren.”
»Eén ding verzoek ik u, Eusébio,” zeide de moeder met tranen in de oogen en een geroerde stem, »breng mijn zoon niet hier! Wat zegt het, of ik sterf? heeft mijn leven helaas al niet lang genoeg geduurd?”
De oude dienaar wierp een blik van bewondering op zijne meesteres.
»Altijd dezelfde,” zeide hij met aandoening.
»Het leven eener moeder behoort immers aan haar kind?” riep zij uit.
De twee oude lieden vielen van smart overstelpt aan den voet van een boom neder, en brachten den nacht door in het gebed tot God.
De Arendskop scheen geen begrip te hebben van hunne wanhoop.
XVIII.
NO EUSÉBIO.
De voorzorgen, door den Arendskop genomen om zijn gang te verbergen, mochten goed zijn voor zulke blanken, wier oogen minder geoefend zijn dan die der partijgangers en jagers, en die weinig gewend aan de listen der Indianen, zich in deze uitgestrekte wildernissen zonder gids bijna niet weten te redden, maar voor mannen als Edelhart en Goedsmoeds waren zij onvoldoende. Zij verloren bijna geen oogenblik het spoor uit het oog. Gewoon aan de wendingen en bochten der Indiaansche krijgslieden, lieten zij zich niet misleiden door de plotselinge teruggangen, de omwendingen, de valsche halten, in een woord, door al die hindernissen, waarmede de Comanchen hun weg hadden bezaaid. En bovendien was er iets, waaraan de Indianen niet gedacht hadden, en dat even zeker de richting aanwees, die zij gevolgd waren, als wanneer zij zorg gedragen hadden, om die nauwkeurig af te bakenen. Wij hebben vroeger gezegd, dat de jagers bij de puinhoopen eener hut een speurhond hadden gevonden, die aan een boom was vastgemaakt en dat deze, zoodra hij vrij was, na eenige liefkoozingen aan Goedsmoeds te hebben geschonken, het op een loopen had gezet, met den neus in den wind, om zijn meester te achterhalen, die geen ander was als de oude Spanjaard; en hij bereikte hem inderdaad. De sporen van den hond, die de Indianen verzuimden uit te wisschen, om de eenvoudige reden dat zij niet wisten dat hij hen volgde, waren overal te zien, en voor zulke behendige jagers als Edelhart en Goedsmoeds was dit een draad van Ariadne, dien niets kon breken. De jagers reden dus in stilte voort, met het geweer in den zadel vastgemaakt, gevolgd door hunne rastreros (spoorzoekers, hier de speurhonden) achter de Comanchen, die geenszins vermoedden, dat zij zulk een achterhoede hadden. Iederen avond hield Edelhart halt, juist op dezelfde plek, waar de Arendskop een dag te voren zijn bivouak had opgeslagen, want de haast waarmede de beide mannen voortgingen was zóó groot, dat de Indianen hun slechts eenige mijlen vooruit waren; zij zouden hen gemakkelijk hebben ingehaald, indien zulks in het plan der jagers gelegen had. Maar om zekere redenen wilde Edelhart hen liever nog eenigen tijd op den voet volgen.
Nadat zij in den nacht in een opene plaats in het bosch, aan de oevers van een frissche beek, wier zacht gemurmel hen in slaap gewiegd had, hadden doorgebracht, maakten zich de jagers gereed om verder te gaan; hunne paarden waren gezadeld, en zij aten staande een stuk elandvleesch, toen Edelhart, die den geheelen morgen den mond niet geopend had, zich tot zijn makker wendde, met de woorden:
»Laten wij een oogenblik gaan zitten; niets dringt ons, om ons te haasten, daar de Arendskop bij zijn stam is aangeland.”
»Dat is waar,” antwoordde Goedsmoeds, terwijl hij zich op het gras nedervlijde; »wij kunnen wel wat praten.”
»Nu, heb ik het niet geraden, dat die vervloekte Comanchen een krijgsbende in de nabijheid hadden? Wij kunnen er niet aan denken, om met ons tweeën ons meester te maken van een kamp, waarin zich vijfhonderd krijgslieden bevinden.”
»Gij hebt gelijk,” zeide Goedsmoeds wijsgeerig, »daar zijn er heel veel; maar, gij weet, beste vriend, en anders zegt uw hart het u, wij kunnen er altijd de proef van nemen, men weet nooit wat er gebeuren kan.”
»Dank u,” zeide Edelhart glimlachend, »maar ik geloof, dat het nutteloos zal zijn.”
»Nu, zooals gij wilt.”
»List alleen zal ons baten.”
»Verzinnen wij dan een list, ik ben tot uw orders.”
»Hebben wij geen vallen hier in de nabijheid?”
»Hemel, ja, geen halve mijl hier van daan, bij den grooten bevervijver.”
»Juist, ik weet niet meer, waarover ik sinds eenige dagen denk; ziet gij, Goedsmoeds, die gevangenschap van mijne moeder maakt mij gek, ik moet haar bevrijden, het koste wat het wil.”
»Dat is ook mijn gevoelen, Edelhart, en ik zal u met al mijne kracht bijstaan.”
»Morgen, bij het aanbreken van den dag moet gij eens naar den Zwarten Eland gaan, en hem uit mijn naam verzoeken, zooveel blanke jagers bijeen te verzamelen als hij maar kan.”
»Zeer goed.”
»In dien tusschentijd zal ik naar het kamp der Comanchen gaan, om over den losprijs mijner moeder te spreken; zoo zij haar mij niet willen uitleveren, zullen wij onze toevlucht tot de wapenen nemen, en wij zullen eens zien, of een twintigtal van de beste karabijnen het niet winnen zullen van die vijfhonderd roovers der prairiën.”
»En zoo zij u gevangen nemen?”
»In dat geval zal ik u mijn hond zenden, die zich in de grot bij de rivier bij u zal voegen; als gij hem alleen ziet komen, dan weet gij wat het zeggen wil, en gij kunt dan dienovereenkomstig handelen.”
De Canadees schudde bedenkelijk het hoofd.
»Neen,” zeide hij, »dat zal ik niet doen.”
»Hoe! zult gij dat niet doen?” riep de jager verbaasd uit.
»Zeker niet; neen, ik zal het niet doen, Edelhart. Bij u vergeleken, die zoo dapper en verstandig zijt, beteeken ik heel weinig, dat weet ik, maar ik heb toch een goede eigenschap, die niemand mij ontnemen zal, en dat is mijne genegenheid voor u.”
»Ik weet het, mijn vriend, gij hebt mij lief als een broeder.”
»En gij wilt, dat ik u, gelijk men in mijn land zegt, aan gene zijde van de groote meren, onbekommerd den neus zal laten steken in het hol van den wolf, of nog erger, want mijne vergelijking is vernederend voor de wolven, de Indianen zijn duizendmaal bloeddorstiger! Neen, ik herhaal het u, ik zal het niet doen; het zou een slechte daad zijn, en als u iets overkwam, dan zou ik het mijzelven niet vergeven.”
»Verklaar u, Goedsmoeds,” zeide Edelhart ongeduldig; »op mijn eer ik kan u onmogelijk begrijpen.”
»O, dat is toch gemakkelijk genoeg,” antwoordde de Canadees; »al heb ik weinig geest en al ben ik geen groot redenaar, ik heb toch gezond verstand, en ik kan goed uit mijne oogen zien, als het iemand geldt, dien ik lief heb; ik heb niemand meer lief dan u, nu mijn vader dood is.”
»Spreek, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, »en vergeef mij de ongeduldige drift, waaraan ik een oogenblik geen weerstand kon bieden.”
Goedsmoeds dacht even na, en hervatte toen:
»Gij weet dat de grootste vijanden, die wij in de prairie hebben, de Comanchen zijn; door een onverklaarbaar toeval hebben wij altijd met hen te strijden gehad, en nooit hebben zij zich kunnen beroemen het minste voordeel op ons behaald te hebben; van daar tusschen hen en ons een onverzoenlijke haat, die in de laatste dagen nog is toegenomen door onze geschillen met den Arendskop, wien gij zoo slim of zoo dom zijt geweest slechts een arm te breken, toen het u zoo gemakkelijk viel hem den kop te verpletteren, eene aardigheid, die, ik ben er zeker van, het Comanchenhoofd u zeer kwalijk genomen heeft, en hij u nooit zal vergeven; overigens beken ik, dat ik in zijne plaats volkomen dezelfde gevoelens zou hebben aangekleefd, en dat ik daarom niet op hem gebeten ben.”
»Ter zake! ter zake!” viel Edelhart in.
»De zaak is deze,” hernam Goedsmoeds zonder zich over het ongeduld van zijn vriend te verwonderen: »de Arendskop zoekt op alle mogelijke wijze uw hoofdhaar meester te worden; nu begrijpt gij, dat, zoo gij onvoorzichtig genoeg zijt om u aan hem over te geven, hij de gelegenheid zal te baat nemen om voor eens en voor altijd met u af te rekenen.”
»Maar,” antwoordde Edelhart, »mijne moeder is in zijne handen.”
»Ja,” zeide Goedsmoeds, »maar dat weet hij niet; gij weet, mijn vriend, dat de Indianen, enkele gevallen uitgezonderd, de vrouwen, die zij machtig worden, uitstekend behandelen, en dat zij haar gewoonlijk de grootste beleefdheden bewijzen.”
»Dat is waar,” zeide de jager.
»Nu dan, daar wel niemand aan den Arendskop zal zeggen dat zijne gevangene uwe moeder is, zoo is zij, als men de ongerustheid, waarin zij omtrent u verkeert, niet mederekent, onder de Roodhuiden even goed bezorgd, alsof zij zich op het groote plein van Quebec bevond. Het is dus onnoodig om eene roekeloosheid te begaan; laten wij een twintigtal goede makkers bijeenroepen, en daarmede de Indianen bewaken; bij de eerste gelegenheid, die zich zal aanbieden, zullen wij hen dapper op het lijf vallen, wij dooden er zooveel mogelijk, en bevrijden uwe moeder; ziedaar, geloof ik, de wijste partij, die wij kiezen kunnen; wat denkt gij er van?”
»Ik denk, mijn vriend,” antwoordde Edelhart, hem de hand drukkende, »dat gij het beste schepsel zijt van de wereld, dat uw raad goed is, en dat ik hem zal opvolgen.”
»Bravo!” riep Goedsmoeds verheugd; »dat noem ik taal.”
»En nu...” zeide Edelhart opstaande.
»Nu?” vroeg Goedsmoeds.
»Bestijgen wij onze paarden, rijden om het indiaansche kamp heen, laten ons niet van het spoor brengen, en gaan naar de hatto van onzen braven vriend den Zwarten Eland, die een wijs man is, en ons zeker van dienst zal zijn in de uitvoering van ons plan.”
»Zooals gezegd is!” zeide Goedsmoeds vroolijk, terwijl hij in den zadel sprong.
De jagers verlieten de opene plaats en maakten een omweg, om het indiaansche kamp te vermijden, waarvan men den rook op hoogstens twee mijlen afstand gewaar werd; zij richtten zich toen naar de plaats, waar, naar alle waarschijnlijkheid, de Zwarte Eland zich onledig hield met zoo behendig mogelijk zijne strikken te spannen voor de bevers, die merkwaardige dieren, waarvan doña Luz zooveel hield. Zoo reden zij te naastenbij een uur lang, al lachend en pratend voort, want de redeneeringen van Goedsmoeds hadden eindelijk Edelhart overtuigd, die, de Indiaansche zeden grondig kennende, voor zijne moeder geen gevaar vreesde, toen de honden eensklaps teekenen van onrust gaven, en luid blaffend wegvlogen.
»Wat scheelt er toch aan onze rastreros?” zeide Edelhart; »men zou denken, dat zij een vriend geroken hebben.”
»Hemel! zij hebben den Zwarten Eland uitgevonden, wij zullen ze stellig in elkanders gezelschap vinden.”
»’t Is mogelijk,” zeide de jager nadenkend, en zij reden voort.
Na eenige oogenblikken bemerkten zij een ruiter, die zoo snel hij kon op hen afkwam, omringd van de honden, die hem luid blaffend nasprongen.
»Het is de Zwarte Eland niet!” riep Goedsmoeds.
»Neen!” zeide Edelhart, »het is Nô Eusébio. Wat beteekent dat? hij is alleen; zou er met mijne moeder iets gebeurd zijn?”
»Laten wij ons reppen!” zeide Goedsmoeds, zijn paard de sporen gevende. De jager volgde hem, ten prooi aan een doodelijken angst.
De drie ruiters waren weldra bijeen.
»Helaas! helaas!” riep de grijsaard met eene treurige stem.
»Wat is er gebeurd, Nô Eusébio? spreek, in Godsnaam, spreek!” zeide Edelhart.
»Uw moeder! don Rafaël, uwe moeder!”
»Nu, spreek!... spreek dan toch!” riep de jager angstig.
»O, mijn God!” zeide de grijsaard, de armen ten hemel heffende, »het is te laat!”
»Spreek dan, in Godsnaam! gij doet mij sterven.”
De grijsaard wierp hem een troosteloozen blik toe.
»Don Rafaël,” zeide hij, »wees moedig, wees een man.”
»Goede God! welk vreeselijk nieuws komt gij ons brengen?”
»Uwe moeder is de gevangene van den Arendskop.”
»Dat weet ik.”
»Zoo gij van daag, ja dezen morgen nog, u zelven niet aan het Comanchenhoofd hebt uitgeleverd....”
»Dan?”
»Dan zal zij levend verbrand worden!”
»O!” gilde de jager; met een hartverscheurenden kreet.
Zijn vriend ondersteunde hem, anders zou hij van zijn paard gevallen zijn.
»Maar,” vroeg Goedsmoeds, »zegt gij, dat zij van daag verbrand moet worden, goede grijsaard?”
»Van daag.”
»Dus hebben wij nog den tijd?”
»Helaas! bij zonsopgang zou het zijn, en zie eens,” zeide hij, naar de lucht wijzende.
»O,” riep Edelhart uit, op een toon, die onmogelijk is weêr te geven, »ik zal mijne moeder redden!”
En zich op zijn paard voorover buigende, verdween hij in duizelende vaart.
De anderen volgden hem.
Plotseling keerde hij zich om, en riep tot Goedsmoeds:
»Waar gaat gij heen?”
»U helpen om uwe moeder te redden, of met u sterven.”
»Kom dan mede!” antwoordde Edelhart, zijne sporen in de bloedende zijden van zijn paard drukkende.
Er was iets vreeselijks en verschrikkelijks in de dolle vaart van die drie mannen, die, allen op dezelfde lijn, met bleek voorhoofd, gesloten lippen en bliksemende oogen, over stroomen en diepten heen, geen hinderpalen ontziende, hunne paarden altijd bleven aanvuren, zonder zich een oogenblik rust te gunnen. Bij tusschenpoozen liet Edelhart het aan de Mexicaansche Gineten eigenaardig geschreeuw hooren, en de verhitte paarden verdubbelden hun spoed.
»Mijn God, mijn God!” herhaalde de jager, met een doffe stem, »red! red mijne moeder!”
XIX.
DE RAAD DER OPPERHOOFDEN.