De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 11
»Ja,” voegde doña Luz er bij, »en ik begrijp niet, hoe men er zoo koelbloedig jacht op kan maken, evenals op een schadelijk dier.”
»Ach! wat wilt gij dan, Señorita?” gaf de jager wijsgeerig ten antwoord; »alle dieren zijn voor den mensch geschapen; en dit vooral, daar zijne huid zoo kostbaar is.”
»Dat is waar,” zeide de generaal; »maar,” voegde hij er bij, »hoe maakt gij die jacht? alle bevers hebben niet zooveel vertrouwen als deze; er zijn er die hunne hutten met veel zorg verbergen.”
»Ja,” antwoordde de Zwarte Eland, »maar de gewoonte heeft den ervaren jager een zoo vast oog gegeven, dat hij aan het minste teeken het spoor van een bever ontdekt, en al is de hut ook nog zoo zorgvuldig onder de dikke takken en onder de wilgen, die haar overschaduwen, verborgen, gebeurt het toch maar zelden, dat hij niet het juiste getal harer bewoners raadt. Hij zet dan zijn val, plaatst haar aan den oever, twee of drie duim onder de oppervlakte van het water, en maakt haar met een ketting vast aan een diep in het slijk of in het zand geboorden paal. Een klein takje wordt dan van zijne schors ontdaan en in de medicijn, gelijk wij het lokaas noemen, gedoopt; dat takje wordt zoodanig geplaatst, dat het drie of vier duim boven het water uitsteekt, terwijl het van onderen aan de opening der val is vastgehecht. De bever, die een zeer fijnen reuk heeft, wordt weldra door den geur van het lokaas aangetrokken. Zoodra hij zijn snuit naar voren brengt, om er zich meester van te maken, raakt zijn voet in de val; verschrikt duikt hij onder; de val gaat met hem mede, maar biedt aan al zijn streven om los te komen weêrstand; hij worstelt een tijd lang; maar eindelijk zinkt hij uitgeput naar omlaag, en verdrinkt. Ziedaar, Señorita, de wijze, waarop gewoonlijk de bevers gevangen worden.
»Maar in de rotsbeddingen, waar het niet mogelijk is een paal in den grond te slaan, om er de val aan vast te maken, zijn wij dikwijls verplicht groote en zelfs gevaarlijke nasporingen te doen, om de gevangen bevers te vinden. Het gebeurt ook wel, als er verscheidene leden van één huisgezin gevangen genomen zijn, dat de andere wantrouwend worden. Alsdan, hoe groot ook onze listen mogen zijn, is het onmogelijk, hen in het lokaas te doen happen. Zij naderen de vallen heel voorzichtig, ontspannen de veêr met een stokje, en werpen dikwijls de vallen onderst boven, slepen ze onder een hunner sluizen, en stoppen ze weg in het slijk.”
»En dan?” vroeg het meisje.
»Dan,” hernam de Zwarte Eland, »schiet er maar één ding over, dat is, onze vallen op den rug te nemen, ons door de bevers overwonnen te verklaren en verder op, naar andere, minder in den krijg bedrevene te gaan zoeken. Maar zie hier mijne rancho.”
De reizigers waren bij een ellendige hut gekomen, samengesteld uit in elkander gevlochten takken, nauwelijks goed genoeg om hen tegen de stralen der zon te beschutten, en wat achteloosheid betreft, in alles volkomen gelijk aan die van de andere jagers der prairiën, die zich het minst van alle menschen om de gemakken des levens bekommeren. Doch hoe dan ook, de Zwarte Eland nam er hoffelijk de honneurs waar.
Een tweede jager zat voor de hut, bezig met op het koken der bisonbult te letten, waarvan de Zwarte Eland aan zijne gasten melding had gemaakt. Deze man, wiens kostuum volmaakt op dat van den Zwarten Eland geleek, was te naastenbij veertig jaar; maar de vermoeienissen en de tallooze onheilen van zijn beroep hadden op zijn gelaat een netwerk van diepe rimpels gegroefd, die hem veel ouder deden schijnen dan hij werkelijk was. En inderdaad, er is ter wereld geen gevaarlijker, geen moeielijker, geen minder winstgevend beroep dan dat van pelsjager. De arme menschen worden vaak, hetzij door de Indianen, hetzij door andere jagers beroofd van al hunne met moeite bijeenvergaderde winst, gescalpeerd en vermoord, zonder dat iemand zich het hoofd breekt met de vraag, wat er van hen geworden is.
»Neem plaats, señorita, en gij ook mijne heeren,” zeide de Zwarte Eland beleefd; »mijn huis, hoe arm het zijn mag, is toch groot genoeg om u allen te bergen.”
De jagers namen zijn aanbod gretig aan, stegen af, en bevonden zich weldra gemakkelijk uitgestrekt op rustbedden van droge bladeren, bedekt met de huiden van bevers, elanden en bisons.
Het maal, een recht jagersmaal, werd besproeid met eenige couïs (bekers) uitmuntenden mezcal, dien de generaal altijd op zijne tochten medenam, en dien de jagers naar verdienste waardeerden.
Terwijl doña Luz, de gids en de lanceros gedurende eenige oogenblikken de gewone siësta hielden, om de grootste hitte te laten voorbijgaan, verzocht de generaal den Zwarten Eland om hem te volgen, en verliet met hem de hut. Zoodra zij zich ver genoeg verwijderd hadden, zette de generaal zich aan den voet van een ebbenhoutboom neder, en noodigde zijn gastheer uit om hetzelfde te doen, hetgeen deze dan ook onmiddellijk deed. Na een oogenblik stilte nam de generaal het woord:
»Mijn vriend,” zeide hij, »sta mij eerst toe, dat ik u bedank voor uwe gulle gastvrijheid. Daarna wensch ik eenige vragen tot u te richten.”
»Caballero!” antwoordde de jager met drift, »gij weet wat de Roodhuiden gewoon zijn te zeggen; doet tusschen ieder woord een trek aan uw calumet (vredespijp), opdat geen onbedacht woord aan uw mond ontvalle.”
»Gij spreekt als een verstandig man, maar wees gerust, ik ben niet van plan u vragen te doen, die betrekking hebben op uw beroep, of op iets anders, dat u persoonlijk aangaat.”
»Zoo ik u kan antwoorden, Caballero, zal ik niet aarzelen u te voldoen.”
»Verplicht, mijn vriend, ik verwachtte niets minder van u; hoe lang woont gij al in de prairiën?”
»Al tien jaar, mijnheer, en God geve dat ik er nog even zoovele mag doorbrengen.”
»Dat leven bevalt u dus?”
»Meer dan ik u zou kunnen zeggen.—Men moet het evenals ik, als kind begonnen zijn, er al de beproevingen van ondervonden, al het lijden van geleden, al de gevaren van doorgestaan hebben, om de bekoorlijkheden die het schenkt, de hemelsche zaligheid die het oplevert, en de onbekende genoegens waarmede het ons overlaadt, te begrijpen! O, Caballero, de schoonste en grootste stad van het oude Europa is wel klein, wel morsig en wel popperig, bij de woestijn vergeleken. Uw gebonden, geregeld en afgemeten leven is wel armzalig bij het onze! Het is hier alleen, dat de mensch ruim ademt, dat hij leeft, dat hij denkt! De overbeschaving doet hem bijna tot den rang van het dier afdalen hem niet meer instinct overlatende, dan noodig is om zijn ellendig doelwit na te jagen. In de prairie daarentegen, waar hij van aangezicht tot aangezicht tegenover God staat, breiden zijne gedachten zich uit, verruimt zich zijn gemoed, en wordt hij werkelijk, wat het hoogste wezen van hem heeft willen maken, namelijk heer der schepping.”
Terwijl hij deze woorden uitsprak, was de jager geheel veranderd, zijn gelaat had een bezielde uitdrukking aangenomen, zijne oogen schoten vonken, en zijne gebaren waren de getrouwe spiegels van al wat er in hem omging.
De generaal slaakte een diepen zucht, een stille traan bevochtigde zijn grijzen knevel.
»Het is zoo,” zeide hij treurig, »dat leven heeft eigenaardige bekoorlijkheden voor hem die het gesmaakt heeft, en die er zich met onverbreekbare banden aan verbonden ziet. Toen gij in de prairiën kwaamt, van waar kwaamt gij toen?”
»Ik kwam van Quebec, mijnheer, ik ben een Canadees.”
»Ah!”
Er volgde eene pauze. De generaal brak haar ten laatste weder af.
»Hebt gij onder uwe makkers geen Mexicanen?” zeide hij.
»Verscheidene.”
»Ik zou gaarne iets van hen willen weten.”
»Er is er een, die er u meer van zou kunnen zeggen, maar ongelukkig is die man op dit oogenblik niet hier.”
»En hij heet?”
»Edelhart.”
»Edelhart!” hernam de generaal met vuur; »maar ik ken dien man, geloof ik.”
»Ja, gij kent hem.”
»O, God, hoe jammer!”
»Misschien zal het u gemakkelijker vallen hem te ontmoeten dan gij denkt, ten minste zoo gij er werkelijk belang in stelt, om hem te zien.”
»Ik heb er groot belang bij.”
»Wees dan maar gerust; weldra zult gij hem zien.”
»Hoe dat?”
»O, op een heel eenvoudige manier. Edelhart zet zijne vallen dicht bij de mijne; ik houd er tegenwoordig een wakend oog op; maar hij kan niet lang wegblijven.”
»Dat geve God!” zeide de generaal aangedaan.
»Zoodra hij terugkomt, zal ik hem waarschuwen, zoo gij dan uw kamp nog niet verlaten hebt.”
»Weet gij dan waar mijn troep kampeert?”
»Wij weten alles in de woestijn,” antwoordde de jager glimlachend.
»Belooft gij het mij?”
»Gij hebt mijn woord, mijnheer.”
»Ik dank u.”
Op dit oogenblik verliet doña Luz de hut, na den Zwarten Eland een teeken gegeven te hebben, dat hij zwijgen zou; de generaal haastte zich haar te volgen.
De reizigers bestegen hunne paarden weder, en na de jagers voor hunne gulle ontvangst te hebben dank gezegd, namen zij den terugtocht aan naar het kamp.
XVI.
VERRAAD.
De terugtocht was niet vroolijk. De generaal was nog geheel vervuld van het onderhoud, dat hij met den jager gehad had. Doña Luz dacht aan de waarschuwing die haar gegeven was. De gids, gebelgd over de afzonderlijke gesprekken van den Zwarten Eland met het meisje en met den generaal, had een geheim voorgevoel, dat hem tot voorzichtigheid aanspoorde. De twee Lanceros alleen liepen onbekommerd voort; zij kenden het drama niet dat om hen gespeeld werd, en dachten aan niets, als aan de rust die hen in het kamp wachtte.
De Babbelaar wierp gedurig onrustige blikken om zich heen, als zocht hij hulp en versterking te midden der dichte struiken, door welke de kleine troep zich zwijgend een weg baande.
De dag liep ten einde; de zon zou weldra ondergaan; de geheimzinnige gasten van het woud lieten reeds van tijd tot tijd hun dof gebrul hooren.
»Zijn wij nog ver van het kamp?” vroeg de generaal eensklaps.
»Neen,” antwoordde de gids, »nauwelijks een uur.”
»Verhaasten wij onze schreden dan; ik wil in dit donkere bosch niet door den nacht overvallen worden.”
De troep nam een versnelden pas aan, die hen in minder dan een half uur, bij de voorste wallen van het kamp bracht. Kapitein Aguilar en de doctor kwamen de reizigers bij hunne aankomst te gemoet. Het avondmaal was gereed gemaakt, en wachtte reeds lang op hen. Men zette zich aan tafel. Maar de treurigheid, die zich sedert eenige uren van den generaal en zijne nicht scheen te hebben meester gemaakt, nam eer toe dan af. Het tafelgesprek leed er onder; ieder at haastig zonder een woord te zeggen. Toen men gedaan had, ging men onder voorwendsel van vermoeid te zijn uiteen, schijnbaar om zich aan de rust over te geven, maar in werkelijkheid om alleen te zijn en na te denken over de gebeurtenissen van den dag.
De gids van zijn kant was niet veel beter op zijn gemak; een slecht geweten is, zooals een wijs man gezegd heeft, de verdrietigste slaapkameraad dien men hebben kan, de Babbelaar nu had het slechtste van alle slechte gewetens; ook gevoelde hij volstrekt geen lust om te slapen. Hij wandelde in het kamp op en neder, en zocht te vergeefs in zijn onrustig gemoed naar eenig middel, om zich uit de moeielijkheid te redden waarin hij zich gewikkeld zag. Maar hoe hij zijn best deed om zijne verbeeldingskracht op te wekken, niets bracht zijn argwaan tot rust.
Het was intusschen geheel nacht geworden; de maan was ondergegaan; een dikke duisternis overdekte het kamp. Iedereen sliep of scheen te slapen; de gids alleen, die de eerste wacht op zich had genomen, zat wakend op de bagage; de armen over de borst gekruist, en strak voor zich uitziende, verdiepte hij zich hoe langer hoe meer in sombere droomerijen. Eensklaps werd er een hand op zijn schouders gelegd, en prevelde eene stem dit ééne woord in zijn oor:
»Kennedy!”
De gids, rijkelijk voorzien van die tegenwoordigheid van geest en die onverstoorbare koelbloedigheid, die den Indianen en mestiezen nooit begeven, wierp een wantrouwenden blik om zich heen, ten einde zich te verzekeren, dat hij niet bespied werd; vervolgens greep hij de hand die nog altijd op zijn schouder rustte, en voerde den persoon, die hem had toegesproken, en die hem zonder tegenspraak volgde, met zich in een afgelegen hoek, waar hij zeker meende te kunnen zijn tegen elken overval.
Op het oogenblik dat de twee mannen de tent voorbij gingen, werden de gordijnen zachtkens opgeslagen, om een schaduw door te laten, die hen zwijgend begon te volgen.
Toen zij zich achter de bagage verscholen en naast elkander geplaatst hadden, om fluisterend te kunnen spreken, mompelde de gids:
»Goddank! ik wachtte uw bezoek met ongeduld, Kennedy.”
»Wist gij dan, dat ik komen moest?” antwoordde deze argwanend.
»Neen, maar ik hoopte het.”
»Is er nieuws?”
»Ja, veel!”
»Spreek en haast u.”
»Dat zal ik doen. Alles is verloren.”
»Zoo! wat meent gij?”
»Van daag is de generaal, onder mijn geleide, naar....”
»Ik weet het, ik heb u gezien.”
»Vervloekt! waarom hebt gij ons niet aangevallen?”
»Wij waren met ons beiden.”
»Ik zou de derde geweest zijn; het had dus gelijk gestaan, daar de generaal slechts twee lanceros bij zich had.”
»Ja, daar heb ik niet aan gedacht.”
»Dat was verkeerd van u; het had alles afgeloopen kunnen zijn, terwijl nu waarschijnlijk alles verloren is.”
»Hoe dat?”
»Wel, Caraï, dat is duidelijk; de generaal en zijn nicht hebben een tijdlang met dien schijnheiligen Zwarten Eland staan praten; gij weet, hij kent mij sinds lang, hij heeft hen zeker geraden, om mij te wantrouwen.”
»Waarom hebt gij ze ook naar den bevervijver gebracht?”
»Kon ik weten, dat ik daar dien vervloekten jager tegen ’t lijf zou loopen?”
»In ons vak moet men op alles rekenen.”
»Gij hebt gelijk, ik heb een fout begaan. Maar hoe het zij, het kwaad is nu niet meer te herstellen, want ik heb een voorgevoel dat de Zwarte Eland den generaal omtrent mij heeft ingelicht.”
»Hm, dat is wel waarschijnlijk. Wat moeten wij dan doen?”
»Zoodra mogelijk handelen, zoodat zij geen tijd hebben om op hun hoede te zijn.”
»Ik verlang niets anders, dat weet gij.”
»Ja. Waar is de kapitein? Is hij terug?”
»Van avond gekomen. Al onze manschappen zijn in de grot, wij zijn met ons veertigen.”
»Bravo! ach, waarom zijt gij niet met u allen gekomen, in plaats van gij alleen; zie eens, welk een schoone gelegenheid gij hadt. Zij slapen als rotten. Wij zouden hen in minder dan tien minuten in handen hebben gehad.”
»Gij hebt gelijk, maar men kan niet alles voorzien; bovendien, dat is het niet, wat gij met den kapitein hebt afgesproken.”
»Neen, dat beken ik. Maar waarom komt gij dan?”
»Om u te waarschuwen, dat wij gereed zijn, en dat wij slechts op een teeken van u wachten, om te handelen.”
»Maar wat moet ik doen? Geef mij toch raad.”
»Hoe, voor den duivel, wilt gij, dat ik u raden zal? weet ik wat er hier omgaat, en moet ik u zeggen, hoe gij het moet aanleggen?”
De gids dacht een oogenblik na, vervolgens hief hij het hoofd op en keek strak in de lucht.
»Luister,” hernam hij, »het is nog geen twee uur.”
»Neen.”
»Gij gaat weder naar de grot.”
»Terstond?”
»Ja.”
»Goed. En dan?”
»Gij zult aan den kapitein zeggen, dat, als hij het verlangt, ik hem het meisje nog dezen nacht zal uitleveren.”
»Hm, dat zal dunkt mij niet gemakkelijk zijn.”
»Gij zijt een domoor.”
»’t Is mogelijk; maar ik zie niet in waarom.”
»Wacht dan maar. De wacht over het kamp is aldus verdeeld: over dag staan de soldaten bij de borstweringen; maar daar zij aan het leven in de prairiën niet gewoon zijn, en hunne hulp in den nacht meer kwaad dan goed zou doen, zoo is aan mij en de andere gidsen de wacht opgedragen, terwijl de soldaten rust nemen.”
»Dat is zeer vernuftig uitgedacht,” zeide Kennedy lachend.
»Niet waar? Gij klimt dus te paard; beneden aan den heuvel gekomen, zullen zes der stoutmoedigste mannen zich bij mij voegen; met hunne hulp neem ik de taak op mij, om, terwijl zij slapen, den generaal en al de soldaten te binden.”
»Dat is een heerlijk denkbeeld.”
»Vindt gij?”
»Ja zeker.”
»Goed. Zijn die schelmen eens goed gekneveld, dan fluit ik, en de kapitein komt met de rest van den troep. Laat hij het dan met het meisje zien te vinden, dat gaat hem aan, ik bemoei er mij niet mede. Hoe vindt gij dat?”
»Uitmuntend.”
»Op die wijze vermijden wij het vergieten van bloed en wij zelven komen er ongedeerd af.”
»Gij zijt voorzichtig.”
»Ja, maar, mijn beste vriend, als men dergelijke zaken doet, die bij welslagen groote voordeden aanbrengen, moet men het altijd zoo zien te schikken, dat men alle kansen voor zich heeft.”
»Goed gesproken, en bovendien, uw plan bevalt mij, en ik ga het zonder dralen ten uitvoer brengen; maar laat ons eerst goed afspreken, om elk misverstand te voorkomen.”
»Daar heb ik niets tegen.”
»Als de kapitein, gelijk ik wel denk, uw heerlijk en onfeilbaar plan goedkeurt, dan zal ik, zoodra wij aan den voet van den heuvel zijn, met zes onverschrokken kerels, die ik zelf zal uitkiezen, naar boven gaan. Van welken kant zal ik het kamp binnen dringen?”
»Wel, van denzelfden kant, waarvan gij nu gekomen zijt.”
»En gij, waar zult gij zijn?”
»Bij den ingang; gereed om u te helpen.”
»Goed. Nu is alles afgesproken. Hebt gij mij niets meer te zeggen?”
»Neen, niets.”
»Dan ga ik weg.”
»Ja, hoe eer hoe beter.”
»Gij hebt altijd gelijk. Geleid mij tot aan de plaats, waar ik uit het kamp kan komen, het is zoo donker dat, als ik alleen ga, ik licht zou kunnen verdwalen, en in aanraking komen met een slapenden soldaat, hetgeen ons minder goed zou dienen.”
»Geef mij de hand.”
»Zie daar.”
De twee mannen stonden op en wilden heengaan; maar op hetzelfde oogenblik plaatste zich een schaduw tusschen hen beiden, en riep een krachtige stem hun toe:
»Verraders, gij zult sterven!”
Ondanks al hunne zelfbeheersching, bleven de beide mannen een oogenblik versteend van schrik staan. Zonder hun den tijd te geven om hunne tegenwoordigheid van geest terug te erlangen, schoot de persoon, die gesproken had twee pistolen op hen af. De ongelukkigen gaven een luiden gil; de een viel, de andere sprong op als een tijgerkat, klom tegen de borstwering op, en verdween, eer men den tijd had om ten tweedemale op hem los te branden.
De generaal en kapitein Aguilar verschenen het eerst op de plaats, waar het bovenvermelde tooneel had plaats gehad. Zij vonden doña Luz met twee pistolen in de hand, terwijl aan hare voeten een man zich krampachtig rondwentelde.
»Wat beteekent dat, lieve nicht? Wat is er gebeurd? in Gods naam, zijt gij gewond?” vroeg de generaal beangst.
»Herstel u, oom; ik ben niet gewond,” antwoordde het meisje, »maar ik heb een verrader gestraft. Twee ellendelingen smeedden in het donker eene samenzwering tegen onze gemeenschappelijke veiligheid; de een is ontsnapt, maar ik geloof dat deze er minder goed afgekomen is.”
De generaal boog zich over den schelm heen. Bij het licht der toorts, die hij in de hand droeg, herkende hij Kennedy, denzelfden gids, die volgens den Babbelaar, levend verbrand zou zijn, bij gelegenheid van den brand der prairie.
»O, o!” zeide hij, »wat beteekent dat?”
»Dat beteekent, oom,” antwoordde het meisje, »dat zoo God ons niet te hulp ware gekomen, wij dezen nacht door een troep bandieten, die niet ver van hier in hinderlaag ligt, zouden overvallen zijn.”
»Laat ons dan geen tijd verliezen.”
De generaal, geholpen door kapitein Aguilar, haastte zich nu om alles tot een geduchten tegenstand gereed te maken, ingeval men een aanval wagen mocht.
De Babbelaar was gevlucht, maar een breed spoor van bloed bewees, dat hij zwaar gekwetst was. Zoo het dag ware geweest, zou men gepoogd hebben hem te vervolgen, en misschien zou men hem hebben kunnen inhalen; maar te midden der duisternis, en zonder te weten of de vijand niet in de nabijheid in hinderlaag lag, wilde de generaal niet dat zijne soldaten zich buiten het kamp waagden. Hij liet liever den Babbelaar deze kans op redding behouden. Wat Kennedy betrof, die was dood.
Zoodra het eerste oogenblik voorbij was, gevoelde doña Luz, thans niet meer door het dreigend gevaar staande gehouden, dat zij eene vrouw was. Hare geestkracht verflauwde, hare oogen vielen toe, eene zenuwachtige trilling ging haar door al de leden, zij wankelde, en zij zou zeker gevallen zijn, zoo de doctor haar niet in zijne armen had opgevangen.
Hij bracht haar half in zwijm onder de tent, en bewees haar al de zorgen, die haar toestand vereischte. Het meisje kwam langzamerhand bij, hare kalmte keerde terug, en er kwam weder orde in den gang van hare denkbeelden. Zich den raad herinnerende, dien de Zwarte Eland haar dienzelfden dag gegeven had, dacht zij, dat nu het oogenblik daar was, om hem zijne belofte in het geheugen te roepen, en zij gaf den doctor een teeken om naderbij te komen.
»Beste doctor,” zeide zij met een zachte stem, »wilt gij mij een groote dienst bewijzen?”
»Beschik over mij, Señorita.”
»Kent gij een pelsjager, de Zwarte Eland geheeten?”
»Ja, zijne hut staat niet ver van hier, bij een bevervijver.”
»Juist; welnu doctor, dien moest gij eens, zoodra het dag is, uit mijn naam gaan opzoeken.”
»Waarom, Señorita?”
»Ik bid er u om,” zeide zij vleiend.
»O, dan kunt gij gerust zijn, dan zal ik gaan,” antwoordde hij.
»Ik dank u.”
»Wat zal ik hem zeggen?”
»Gij zult hem vertellen, wat hier van nacht is voorgevallen.”
»Sakkerloot!”
»En dan zult gij er bijvoegen, onthoud die woorden goed, want gij moet ze letterlijk herhalen....”
»Ik ben geheel gehoor, ik zal ze in mijn geheugen opschrijven.”
»Zwarte Eland, het uur is gekomen. Gij hebt mij begrepen, niet waar?”
»Volkomen, Señorita.”
»Zweert gij, te zullen doen wat ik u vraag?”
»Ik zweer het u,” zeide hij plechtig, »bij zonsopgang zal ik den jager opzoeken, hem verhalen, wat er van nacht is voorgevallen, en er bijvoegen: Zwarte Eland, het uur is gekomen. Is dat al wat gij van mij verlangt?”
»Ja. alles, beste doctor.”
»Welnu, slaap dan maar gerust, Señorita, ik zweer u bij mijn eer, dat het geschieden zal.”
»Ik dank u,” fluisterde het meisje, hem met een glimlach de hand drukkende.
En overstelpt door de vreeselijke aandoeningen van dien nacht viel zij op haar bed, waar zij weldra een rustigen en verkwikkenden slaap genoot.
Bij het aanbreken van den dag, in weerwil van de aanmerkingen van den generaal, die hem te vergeefs trachtte te beletten om heen te gaan, uithoofde van de gevaren waaraan hij zich zou blootstellen, verliet de waardige geleerde, die al wat zijn vriend tot hem zeide met een ontkennend hoofdschudden beantwoordde, en zonder eenige reden voor zijne hardnekkigheid op te geven, het kamp, en reed zoo hard hij kon van den heuvel naar beneden. Zoodra hij in het woud was, gaf hij zijn paard nogmaals de sporen en wendde zich in galop naar de hut van den Zwarten Eland.
XVII.
DE ARENDSKOP.
De Arendskop was een even voorzichtig als moedig opperhoofd; hij wist, dat hij alles van de Amerikanen te vreezen had, zoo hij zijn spoor niet geheel kon doen verdwijnen. Hij verzuimde dan ook niets om, na den gelukkigen aanslag tegen de nieuwe ontginning der blanken, aan de oevers der groote Canadasche rivier, zijn troep in veiligheid te stellen tegen de geduchte weêrwraak, die hem wachtte.
Men kan zich geen denkbeeld maken van het door de Indianen ontwikkelde talent, als het hun te doen is om hun spoor te verbergen. Twintig malen komen zij op dezelfde plaats terug, en verwarren de sporen van hun doortocht zoodanig onder elkander, dat zij eindelijk onherkenbaar worden; geen bijzonderheid ontgaat hun; zij loopen in elkanders voetstappen om hun aantal te verbergen; dagen achtereen volgen zij den stroom van eene beek, terwijl het water hun soms tot de heupen reikt; ja, zij drijven hunne voorzichtigheid en hun geduld vaak zoo ver, dat zij met de hand, en als het ware stap voor stap, de schreden uitwisschen, die hen aan de helderziende en belangstellende oogen hunner vijanden zouden kunnen verraden.