De pelsjagers van de Arkansas: Tafereelen uit de wouden en prairien van Amerika
Part 10
De gids ging aandachtig de door haar gekozen richting na en een teeken gevende aan den generaal, volgde hij met den geheelen troep haar spoor, zich een weg banende door de in elkander geweven takken, en zonder zijne oogen van den hemel af te wenden. Op deze wijze verloren zij de beladene bijen niet uit het oog, en na een uur gaans zagen zij, hoe zij bij haar geïmproviseerde korf in de holte van een dooden ebbenhoutboom aanlandden, een oogenblik er omheen fladderden, en eindelijk naar binnen gingen door een gat, dat zich tachtig voet boven den grond bevond. Toen waarschuwde de gids zijne reisgezellen om zich op eerbiedigen afstand te houden, ten einde niet door den boom verpletterd te worden, en beschut te zijn tegen de wraak zijner bewoners; hij greep zijn bijl, en begon er dapper op los te hakken. De bijen schenen volstrekt niet bang te zijn voor de slagen van de bijl, zij bleven in en uitgaan, en zetten onbezorgd haar arbeid voort. Een hevig gekraak zelfs, de voorbode van den naderenden val des booms, stoorde haar niet in die vlijt. Eindelijk viel de boom, met een vreeselijk gedreun, en opende zich over zijne geheele lengte, zoodat de met zooveel zorg bijeenverzamelde schatten der kleine maatschappij zichtbaar werden. De gids greep onmiddellijk een bosje hooi, dat hij had gereed gemaakt, en stak het in brand om tegen de bijen beveiligd te zijn. Maar zij vielen niemand aan, zij poogden zich niet te wreken. De arme dieren waren geheel verslagen, zij gonsden en vlogen in alle richtingen voort, zonder aan iets anders te denken, dan aan de mogelijke oorzaak van dit onheil. Ondertusschen begonnen de gids en de lanceros ijverig met lepels en sabels de honigraten te voorschijn te halen en in lederen zakken te bergen. Sommigen waren donkerbruin en van ouden datum, anderen helder blank; de honig in de cellen was bijna doorschijnend.
Terwijl men zich haastte om zich van de beste honigraten meester te maken, kwamen van alle kanten tallooze zwermen bijen aanvliegen, die zich in de cellen der gebrokene raten dompelden en groote ladingen mede namen; de overige bewoners van den korf zagen ondertusschen treurig en somber het plunderen van hunne woning aan, zonder zelfs eene poging aan te wenden, om ook maar het minste te redden. De verslagenheid der bijen, die op het oogenblik van het onheil afwezig waren, en nu de een, dan de ander, met hare lading aankwamen, is onmogelijk te beschrijven: zij beschreven cirkels in de lucht, rondom de plek, waar de boom gestaan had, verwonderd die thans ledig te vinden; eindelijk schenen zij hare ramp te beseffen, en verzamelden zij zich groepsgewijze op een verdorden tak van een naburigen boom, als om van daar de puinhoopen van haar rijk in oogenschouw te nemen en over de verwoesting daarvan te klagen.
Doña Luz was haars ondanks bewogen over het verdriet van die arme dieren.
»Ach,” zeide zij, »het spijt mij dat ik naar honig verlangd heb; mijne gulzigheid is voor vele wezens de oorzaak van een groot ongeluk.”
»Laat ons gaan,” zeide de generaal glimlachend, »en hun deze weinige raten laten behouden.”
»O,” zeide de gids, de schouders ophalend, »weldra zullen zij door het wild gedierte zijn weggehaald.”
»Hoe, door het wild gedierte? door welk wild gedierte?” vroeg de generaal.
»Door de racoons, door de opossums en vooral door de beren.”
»Door de beren?” zeide doña Luz.
»O, Señorita,” hernam de gids, »dat zijn de slimste dieren om een bijenboom te ontdekken, en er hun voordeel mede te doen.”
»Zij houden dus van honig?” vroeg het meisje nieuwsgierig.
»Zij zijn er dol op, Señorita,” antwoordde de gids, die los begon te worden; »verbeeld u, zij zijn zoo gulzig, dat zij weken lang aan een boom knagen, totdat zij een gat hebben gemaakt, groot genoeg om er hunne pooten door te steken, en dan nemen zij de honig en de bijen mede, zonder zich de moeite te geven van te kiezen.”
»Laat ons nu,” zeide de generaal, »onze reis hervatten en ons naar de pelsjagers begeven.”
»O, wij zullen er weldra zijn, uwe Excellentie,” antwoordde de gids; »wij zijn nog maar weinige schreden van de groote Canadasche rivier verwijderd, aan welker oevers zich de pelsjagers gevestigd hebben.”
De kleine troep hervatte zijn tocht. De bijenjacht had onwillekeurig een treurigen indruk bij het meisje achtergelaten; die arme kleine dieren, zoo onschuldig en ijverig, om een loutere gril aangevallen en verjaagd, wekten haar medelijden en nadenken op. Haar oom werd dit gewaar.
»Lief kind,” zeide hij, »wat gaat er in u om? gij zijt niet meer zoo vroolijk, als toen wij vertrokken. Vanwaar die plotselinge verandering?”
»Och, oom, maak u daarover niet ongerust, ik ben evenals alle jonge meisjes een beetje dwaas en grillig, die bijenjacht waarvan ik mij zooveel genoegen voorstelde, heeft mij onwillekeurig tot treurigheid gestemd.”
»Gelukkig kind!” prevelde de generaal, »dat nog om zulk een nietige oorzaak bedroefd kan worden; God geve, mijne lieve, dat gij nog lang zoo blijven moogt, en dat nooit grootere en diepere smarten u treffen.”
»Beste oom, zal ik bij u niet altijd gelukkig zijn?”
»Helaas! mijn kind, wie weet of het Gods wil is, dat ik nog lang bij u zal blijven?”
»Zeg dat niet, oom, ik hoop dat wij nog lange jaren te zamen zullen doorbrengen.”
De generaal antwoordde slechts met een zucht.
»Oom,” hernam het meisje, na een oogenblik zwijgens: »vindt gij niet, dat het gezicht der grootsche en verheven natuur om ons heen iets aangrijpends heeft, dat de gedachte veredelt, de ziel verheft en den mensen beter maakt? Wat moeten zij, die in die onbegrensde, eenzame wildernis leven, gelukkig zijn!”
De generaal zag haar verwonderd aan.
»Van waar komen u die gedachten, lief kind?” zeide hij.
»Ik weet het niet, oom,” antwoordde zij verlegen; »ik ben maar een dom meisje, dat tot nu toe stil en vreedzaam naast u heb voortgeleefd; maar er zijn oogenblikken, waarin het mij toeschijnt, dat ik gelukkig zou wezen, indien ik in die uitgestrekte woestijnen leven mocht.”
De generaal, verrast, en inwendig verrukt over de onschuldige openhartigheid van zijne nicht, maakte zich gereed om haar te antwoorden, toen de gids eensklaps nader bij kwam, een teeken gaf om de stilte te bewaren, en met een stem, zacht als een ademtocht, zeide:
»Een mensch!....”
XIV.
DE ZWARTE ELAND.
Allen bleven staan. Het woord »mensch” beteekent in de woestijn bijna altijd een vijand. De mensch is in de woestijn nog meer gevreesd door zijns gelijken, dan het bloeddorstigste wilde dier. Een mensch, dat is een mededinger, een opgedrongen aandeelhouder, die volgens het recht van den sterkste met den eersten bezitter komt deelen, en hem dikwijls, om niet te zeggen altijd, de vrucht van zijn ondankbaren arbeid poogt te ontstelen. De blanken, Indianen, of mestiezen, als zij elkander in de prairie ontmoeten, groeten elkaâr dan ook altijd met loerenden blik, gespitste ooren, en den vinger op den trekker van hun geweer.
Op het hooren van dat woord: een mensch! maakten zich de generaal en de lanceros terstond gereed, om een aanval te kunnen afwachten; zij laadden hunne geweren, en verscholen zich, zoo goed zij konden, achter de struiken. Vijftig passen voor hen uit bevond zich een persoon, die, met beide handen op den loop van een lang geweer rustende, hen opmerkzaam gadesloeg. Het was een lang, forsch gebouwd man, met krachtige trekken, en een vrijen en vasten blik. Zijn lang haar was netjes gevlochten en met ottervellen en verschillend gekleurde linten versierd. Een lederen jachtkiel viel hem tot op de knieën, slobkousen van eene zonderlinge snede, met koorden, franjes en tallooze knoopjes opgetuigd, omgaven zijne beenen; zijn schoeisel bestond uit een paar prachtige mocksens met valsche paarlen geborduurd. Een scharlaken kleed bedekte zijne schouders, en was om zijne heupen gebonden door middel van een gordel, waarin zich twee pistolen, een mes en een indiaansche pijp bevonden. Zijn karabijn was met vermiljoen bestreken en met kleine koperen spijkertjes gemonteerd. Niet ver van hem verwijderd graasde zijn paard, dat evenals hij zelf, op de zonderlingste wijze uitgedost en hier en daar met vermiljoen besmeerd was; het hoofdstel, de teugels en de broek waren met valsche paarlen en kokardes versierd; de kop, de manen en de staart prijkten met tallooze arendsvederen, die golvend op en neder wuifden.
Op het gezicht van dezen man, kon de generaal een kreet van verrassing niet weêrhouden.
»Tot welken indiaanschen stam behoort die man?” vroeg hij aan den gids.
»Tot geene,” antwoordde deze.
»Hoe, tot geene?”
»Neen, het is een blanke pelsjager.”
»Aldus gekleed?”
De gids haalde de schouders op.
»Wij zijn in de prairiën,” zeide hij.
»Dat is waar,” mompelde de generaal.
De persoon ondertusschen, dien wij boven beschreven hebben, scheen het aarzelen van den kleinen troep vóór hem moede te worden, en willende weten waaraan hij zich te houden had, nam hij stoutmoedig het woord.
»Hei! heidaar!” riep hij in ’t Engelsch, »wie duivel zijt gij, en wat komt gij hier zoeken?”
»Caramba!” antwoordde de generaal, zijn geweer naar achteren werpende, en aan zijne reisgenooten bevelende om evenzoo te doen, »wij zijn reizigers, die een langen tocht achter den rug hebben; de zon is heet, wij vragen uwe toestemming om eenige oogenblikken in uwe rancho (hut) uit te rusten.”
Deze woorden werden in het Spaansch gesproken; de Pelsjager antwoordde in dezelfde taal:
»Nadert onbevreesd; de Zwarte Eland is een goede kerel, als men hem niet tracht te verbitteren; gij zult het weinige dat ik bezit, met mij deelen, en het moge u wel bekomen.”
Op het hooren van dien naam kon de gids een beweging van schrik niet weerhouden; hij wilde zelfs iets zeggen, maar had er den tijd niet toe, want de jager, zijn geweer over den schouder leggende, en zich met één sprong in den zadel werpende, was den Mexicanen reeds genaderd.
»Mijne rancho is niet ver van hier,” zeide hij tot den generaal; »als de señorita een goed toebereiden bisonbult niet versmaadt, dan kan ik haar die galanterie bewijzen.”
»Ik dank u, Caballero,” antwoordde het meisje glimlachend; »ik betuig u, dat ik voor het oogenblik meer behoefte heb aan rust dan aan iets anders.”
»Alles op zijn tijd,” zeide de jager deftig, »vergun mij, gedurende eenige oogenblikken, uw gids af te lossen.”
»Wij geven ons aan uw geleide over,” zeide de generaal; »ga, wij volgen.”
»Voorwaarts dan,” hernam de pelsjager, zich aan het hoofd van den troep plaatsende. Terwijl hij dit zeide, vielen zijne oogen toevallig op den gids; zijne wenkbrauwen fronsten zich: »Hm!” mompelde hij tusschen de tanden, »wat beteekent dat? wij zullen zien.” En zonder zich schijnbaar meer om dien man te bekommeren, zonder zelfs te toonen dat hij hem herkende, gaf hij het teeken tot vertrek.
Na eenigen tijd stilzwijgend langs een vrij breede beek te zijn voortgegaan, maakte de jager op eens een hoek, en ging hij op nieuw het bosch in.
»Ik vraag u vergeving,” zeide hij, »voor den omweg, dien ik u laat maken; maar er is hier een bevervijver, en ik ben bang hen te zullen verschrikken.”
»O,” riep het meisje uit, »hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik die nijvere dieren eens mocht zien arbeiden!”
De jager bleef staan.
»Niets is gemakkelijker, Señorita,” zeide hij, »zoo gij mij volgen wilt, terwijl uwe reisgenooten hier blijven wachten zal ik er u brengen.”
»Ja, ja!” antwoordde doña Luz levendig; maar, zich eensklaps bezinnende, hervatte zij: »O, vergeving oom!”
De generaal wierp een blik op den jager.
»Ga, mijn kind, wij zullen u hier wachten,” zeide hij.
»Dank u, oom,” zeide het meisje verheugd, en van haar paard springende.
»Ik sta u borg voor haar,” zeide de jager, »vrees niets.”
»Ik vrees niets, ik vertrouw haar u toe, mijn vriend,” antwoordde de generaal.
»Verplicht!” en een teeken gevende aan doña Luz, verdween de Zwarte Eland met haar te midden van de struiken en boomen.
Toen zij op zekeren afstand gekomen waren, bleef de jager staan. Na aan alle kanten geluisterd en gekeken te hebben, wendde hij zich tot het meisje, legde haar zachtjes zijne hand op den schouder, en zeide: »Luister.”
Doña Luz bleef ongerust en bevend staan. De jager bemerkte haar angst.
»Vrees niet,” hernam hij, »ik ben een eerlijk man: gij zijt hier in deze woestijn, met mij alleen, even veilig, alsof gij u in de kathedraal van Mexico, aan den voet van het altaar bevondt.”
Het meisje wierp steelsgewijze een blik op den jager: ondanks zijn zonderling kostuum had zijn gelaat zulk een openhartige uitdrukking, en was zijn oog zoo helder en zacht op haar gevestigd, dat zij volkomen gerust gesteld werd.
»Spreek,” zeide zij.
»Gij behoort,” hernam de jager, »want ik herken u nu, tot dien troep vreemdelingen, die sedert eenige dagen de prairie in alle richtingen doorkruist, is het niet waar?”
»Ja.”
»Onder u bevindt zich een halve gek met een blauwen bril en een blonde pruik, en die zich, waarom weet ik niet, vermaakt met het bijeenzamelen van planten en steenen, in plaats van, gelijk een braaf jager past, bevers te verschalken en herten te schieten.”
»Ik ken den man van wien gij spreekt, hij maakt werkelijk een deel van onzen troep uit, het is een zeer geleerde doctor.”
»Dat weet ik, hij heeft het mij gezegd; hij komt dikwijls hierheen, wij zijn goede vrienden; door middel van een poeder, dat hij mij heeft doen innemen, heeft hij mij volkomen verlost van eene koorts, die mij sinds twee maanden kwelde, en waarvan ik mij vergeefs poogde te ontslaan.”
»Zooveel te beter; ik ben blijde over dien goeden uitslag.”
»Ik zou wel iets voor u willen doen, om die dienst terug te betalen.”
»Verplicht, mijn vriend, maar ik weet niet waarmede gij mij van dienst zoudt kunnen zijn, behalve mij de bevers te laten zien.”
De jager schudde het hoofd.
»Misschien met iets anders, en wellicht eer dan gij denkt,” zeide hij. »Luister goed, Señorita, ik ben maar een arm man, maar hier in de woestijn weten wij veel, dat God ons openbaart, omdat wij van aangezicht tot aangezicht met Hem verkeeren; ik wil u een goeden raad geven: de man die u tot gids dient, is een volleerde schurk; hij staat als zoodanig in de prairiën van het Westen bekend; ik moet mij zeer vergissen of hij zal u in een strik doen vallen; er is hier geen gebrek aan slechte menschen, met wie hij zich kan verstaan om u ongelukkig te maken, of ten minste om u uit te plunderen.”
»Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?” riep het meisje, verschrikt over die woorden, die zoo zonderling overeenkwamen met hetgeen Edelhart haar gezegd had.
»Ik ben er even zeker van als van iets anders, dat men bezweren kan zonder afdoende bewijzen te hebben; ik ben verplicht u te zeggen, dat, na hetgeen vroeger met den Babbelaar gebeurd is, men voor hem op zijne hoede moet wezen; geloof mij, zoo hij u nog niet verraden heeft, zal het toch niet lang meer duren of hij doet het.”
»Groote God, ik zal mijn oom waarschuwen!”
»Wacht u daarvoor, gij zoudt daarmede alles op het spel zetten; de lieden, met welke uw gids zich verstaat, of zich spoedig verstaan zal, zijn talrijk en onverschrokken, en weten alles wat er in de prairie omgaat.”
»Wat moeten wij dan doen?” vroeg het meisje angstig.
»Niets. Wachten, en zonder er den schijn van aan te nemen, zorgvuldig al de gangen van uw gids bespieden.”
»Maar....”
»Gij begrijpt wel,” viel de jager in, »dat, zoo ik u aanraad den Babbelaar te wantrouwen, ik dat niet doe, om u, als de nood aan den man is, in den steek te laten.”
»Ik geloof u.”
»Welnu, zie hier wat gij doen moet; zoodra gij zekerheid hebben zult, dat uw gids u verraadt, zult gij dien gekken ouden doctor tot mij zenden; gij kunt op hem vertrouwen, niet waar.”
»Volkomen.”
»Goed. Dan zult gij, zooals ik gezegd heb, hem tot mij zenden, met den last, om alleen deze woorden uit te spreken: Zwarte Eland! De Zwarte Eland, ben ik.”
»Dat weet ik, gij hebt het ons gezegd.”
»Best. Hij moet dan zeggen: Zwarte Eland, het uur is geslagen. Niets anders. Gij kunt dit immers wel onthouden?”
»Heel goed. Alleen begrijp ik niet recht, in welk opzicht ons dit nuttig zal kunnen zijn.”
De jager glimlachte geheimzinnig.
»Hm!” zeide hij na een oogenblik zwijgens, »die weinige woorden zullen in twee uur tijds vijftig der vastberadenste mannen uit de prairie om u scharen. Mannen, die op een teeken van hun opperhoofd zich zullen laten dooden om u uit de handen uwer overweldigers te rukken, wanneer, hetgeen ik voorzie, gebeuren zal.”
Er volgde een oogenblik stilte, doña Luz mijmerde. De jager hernam glimlachend:
»Verwonder u niet over de levendige belangstelling, die ik u betoon, een man, die mij geheel door zijn invloed beheerscht, heeft mij laten zweren, dat ik, terwijl hij om dringende redenen voor eenigen tijd afwezig moest zijn, in zijne plaats voor u waken zou.”
»Wat bedoelt gij?” vroeg zij nieuwsgierig, »en wie is die man?”
»Die man is een jager; die het bevel voert over al de blanke pelsjagers der prairiën; wetende, dat gij den Babbelaar tot gids hebt, heeft hij vermoed, dat die mesties plan had u in een hinderlaag te lokken.”
»Maar de naam van dien man?” riep zij op angstigen toon.
»Is Edelhart. Zult gij nu vertrouwen in mij stellen?”
»Ik dank u, mijn vriend, ik dank u,” antwoordde het meisje in verwarring; »ik zal nooit uwe aanbeveling vergeten en als het oogenblik van gevaar daar is, zal ik niet aarzelen u aan uwe belofte te herinneren.”
»En gij zult wél doen, Señorita, omdat het de eenige kans van behoud is, die u dan zal overschieten. Kom, gij hebt mij begrepen, alles is in orde, houd ons gesprek voor u; maar bovenal, wacht u voor den schijn alsof gij u met mij verstaan hebt; die duivel van een mesties is slim als een bever, zoo hij den minsten argwaan koesterde, zou hij u als een adder door de vingers glijden.”
»Wees gerust, ik zal zwijgen.”
»Laat ons nu onzen tocht naar den bevervijver voortzetten. Edelhart waakt over u.”
»Hij heeft ons reeds eenmaal het leven gered, laatst bij den brand der prairie,” zeide zij levendig.
»Ha, ha!” prevelde de jager, een vreemden blik op haar vestigende, »de zaken staan goed;” vervolgens voegde hij er hardop bij: »Vrees niet, Señorita; zoo gij stipt den raad, dien ik u gegeven heb, opvolgt, zal u in de prairie niets overkomen, aan welke schelmerijen gij ook moogt zijn blootgesteld.”
»O,” riep zij uit, »als het uur van gevaar slaat, zal ik niet aarzelen tot u te komen, dat zweer ik u!”
»Dat is dan afgesproken,” zeide de Zwarte Eland glimlachend; »laat ons nu de bevers gaan zien.” Zij hervatten hunnen tocht, en na eenige oogenblikken kwamen zij aan den rand van het woud. Daar bleef de jager staan, gaf aan het meisje een teeken, dat zij zich niet verroeren zou, en zich tot haar wendende, zeide hij: »Ziehier.”
XV.
DE BEVERS.
Het meisje schoof de wilgentakken weg, en met voorover gebogen hoofd, keek zij toe.
De bevers hadden niet alleen, door gemeenschappelijken ijver, den loop der rivier, maar ook dien van alle beken, die er in uitliepen, gestremd, zoodat de omliggende grond geheel in een uitgestrekt moeras was herschapen. Een enkele bever werkte op dit oogenblik aan de hoofdsluis; maar weldra kwamen er nog vijf anderen met stukken hout, kluiten en takken aandragen. Met hun allen wendden zij zich nu naar een gedeelte van den dijk, dat, gelijk het meisje zag, herstelling noodig had. Zij legden hunne vracht op het gebrokene deel neder, en dompelden zich in het water, om bijna onmiddellijk weder boven te komen, ieder met een zekere hoeveelheid slik beladen, waarvan zij zich als van kalk bedienden, om de stukken hout en takken aan elkander te verbinden, dit gemetsel duurde zoolang, totdat de breuk geheel verdwenen was. Zoodra alles gereed was, schepten de nijvere dieren een oogenblik adem; zij vervolgden elkander in den vijver, doken onder of speelden op de oppervlakte, en sloegen het water, zoo hard zij konden met hunne staarten.
Doña Luz zag dit zonderlinge schouwspel met klimmende belangstelling aan. Zij had daar wel den geheelen dag willen blijven, om naar die vreemde dieren te zien.
Terwijl deze bevers zich aldus vermaakten, kwamen er twee andere leden dier maatschappij te voorschijn. Een tijdlang zagen zij diepzinnig de spelen hunner makkers aan, zonder zelfs maar den schijn aan te nemen, of zij wilden mededoen; vervolgens tegen den kant opklimmende, niet ver van de plek waar de jager en het meisje op den uitkijk zaten, zetten zij zich op hun achterste pooten, leunden met de voorsten tegen een der jonge pijnboomen, en begonnen er de schors af te knagen. Nu en dan haalden zij er een klein stukje af, en hielden het tusschen de pooten, zonder van houding te veranderen; zij knabbelden er aan ongeveer met dezelfde verdraaiingen en grimassen, waarmede een aap een nootje oppeuzelt. Het klaarblijkelijk doel der bevers was den boom door te zagen, en zij werkten er met veel ijver aan. Het was een jonge pijnboom, zoo recht als een kaars, vrij hoog, en omstreeks 18 duim diameter dik, namelijk op de plaats waar zij er aan werkten. Zonder twijfel zouden zij hem binnen kort geheel hebben doorgevijld, zoo niet de generaal, ongerust geworden over het lang uitblijven zijner nicht, besloten had haar te gaan zoeken, waardoor de bevers, verschrikt door het paardengetrappel, onderdoken en plotseling verdwenen.
De generaal deed zijne nicht kleine verwijten over haar langdurige afwezigheid; maar het meisje, verrukt over hetgeen zij zag, bekommerde er zich niet veel om, en deed bij zich zelve de stille gelofte, om nog eenmaal onzichtbaar getuige te zijn van den arbeid der bevers.
De kleine troep richtte zich, onder de leiding van den jager, naar de rancho, waarin hij haar eene schuilplaats aanbood tegen de gloeiende stralen der zon, die juist de middaghoogte had bereikt.
Doña Luz, wier nieuwsgierigheid, door het treffende schouwspel dat zij had bijgewoond, ten hoogste was opgewekt, stelde zich schadeloos voor de ongelukkige tusschenkomst van haar oom door den Zwarten Eland te ondervragen over de gewoonten der bevers en over de wijze waarop zij gevangen worden. De jager, evenals alle menschen, die gewoonlijk alleen zijn, haalde gaarne, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, zijn schade wat het praten betrof in; hij liet zich dan ook niet lang bidden.
»O, o, Señorita,” zeide hij, »de Roodhuiden zeggen, dat de bever een mensch is die niet spreekt, en zij hebben gelijk; hij is wijs, voorzichtig, dapper, ijverig en zuinig. Als de winter komt, dan wordt het heele huishouden aan ’t werk gezet, om provisie op te doen; ouden en jongen, allen werken. Dikwijls doen zij lange reizen, om de schors te vinden waarvan zij het meest houden. Zij houwen vaak vrij dikke boomen om, en nemen er de takken af, wier schors hun het meest bevalt; zij zagen die in stukken van omstreeks drie voet, brengen ze te water en laten ze naar hunne hutten drijven, om ze aldaar op te stapelen. Hunne woningen zijn netjes en gemakkelijk; na gegeten te hebben, werpen zij de stukken hout waarvan zij de schors hebben afgeknaagd, in de rivier, aan gene zijde van de sluis. Nooit staan zij aan een vreemden bever toe om zich bij hen te komen vestigen, en dikwijls vechten zij met het grootste geweld om hun grondgebied te verdedigen.”
»Ik heb nooit iets dergelijks gehoord,” zeide het meisje.
»O, maar dat is alles nog niet,” hernam de jager. »In de lente, wanneer zij ruien, laat het mannetje het wijfje alleen thuis en gaat hij als een groot heer een pleizierreisje maken, waarbij hij dan dikwijls groote afstanden aflegt, zich vermakende in het heldere water dat hij ontmoet, en tegen de oevers opklauterende, om de tengere stammen van jonge populieren of wilgen af te knabbelen. Maar als de zomer nadert, dan laat hij zijne levenswijze als alleenloopend gezel varen, herinnert zich zijne plichten als huisvader, keert naar zijne vrouw en naar zijn pasgeboren kroost terug, en geeft aan dit laatste onderwijs in het opdoen van winterprovisie.”
»Waarlijk,” zeide de generaal, »dat dier is een der merkwaardigste van geheel de schepping.”