De oudheidkenner

Part 36

Chapter 363,948 wordsPublic domain

„Ja, ja,” zeide Adam, „dat is zoo als het behoort; dat zal ik zonder tijdverlies doen! – Zoo, buurman! nu kunt gij opschrijven dat Adam Ochiltree, de declarant, de vrijheid ophoudt, – neen, dat moet gij niet zeggen, – ik ben geen voorstander van de vrijheid, – ik heb er tegen gevochten in de oproeren te Dublin, – daarenboven heb ik lang ’s Konings brood gegeten. – Wacht, laat zien! – ja – schrijf, dat Adam Ochiltree, de Blauwrok, een voorstander is van het prerogatief – (zie toe, dat gij dat woord goed spelt – het is lang) – van het prerogatief van de onderdanen van dit land, en niet één enkel woord wil antwoorden, dat hem heden zal gevraagd worden, of hij moet er reden voor zien. – Schrijf dat maar op, jonge heer!”

„Dan, Adam, als ge mij niets wilt zeggen, moet ik u terug zenden naar de gevangenis, tot gij behoorlijk voor de assises komt.”

„Wel, mijnheer, als het de wil van den Hemel en van u is, moet ik mij ongetwijfeld onderwerpen. Ik heb niet veel tegen de gevangenis in te brengen, dan alleen, dat men er in moet blijven; en indien het u, Baljuw, geliefde daarmede tevreden te zijn, zou ik u mijn woord geven om voor het Landgericht, of eenig ander Hof dat u behaagt, te verschijnen op den dag dien gij zult goedvinden te bepalen.

„Ik geloof, vriend, dat uw woord een slechte waarborg zou zijn, als uw hals in gevaar is. Ik ben geneigd te denken, dat gij u troosten zoudt, als de borg niet deugde. – Als ge mij echter goede borgen kunt bezorgen, inderdaad, –”

Op dit oogenblik traden de oudheidkenner en kapitein M’Intyre het vertrek binnen. – „Goeden morgen, mijne heeren!” zei de vrederechter; „gij vindt mij werkzaam in mijn gewoon beroep; – onderzoekende de ongerechtigheden van het volk, – werkzaam voor de res publica, mijnheer Oldbuck, – den koning onzen heer dienende, kapitein M’Intyre, – want gij weet, veronderstel ik, dat ik het zwaard heb aangegord?”

„Het is ongetwijfeld een van de zinnebeelden der gerechtigheid,” antwoordde de oudheidkenner; „maar ik zou gedacht hebben, dat de schalen u beter zouden voegen, Baljuw, voornamelijk daar gij ze bij de hand hebt in het pakhuis.”

„Zeer goed, Monkbarns! – voortreffelijk; maar ik heb het zwaard niet opgevat als magistraat, maar als krijgsman, – inderdaad, ik moest liever zeggen het geweer en de bajonet, – daar staan zij bij mijn stoel; want ik ben thans nauwelijks geschikt voor de wapenoefening, – een lichte aanval van mijn oude vijandin, het podagra; – ik kan mij nochtans op de been houden, als de sergeant mij de handgrepen leert. Ik wenschte wel te weten, kapitein M’Intyre, of hij de handgrepen goed leert; – het presenteeren gaat, dunkt mij, maar half goed.” En hij hompelde naar zijn wapen, om zijne twijfelingen en vorderingen te doen zien.

„Ik verheug mij over zulke ijverige verdedigers van het vaderland, Baljuw,” hernam Oldbuck, „en ik geloof wel, dat het Hector aangenaam zal zijn u zijne gedachten over uwe vorderingen in dit nieuw beroep mede te deelen. Gij zijt gelijk de Hekate der ouden, mijn waarde heer! – een koopman op de markt, een magistraat op het stadhuis, een soldaat in het veld, – quid non pro patria? Maar mijne zaken betreffen de Gerechtigheid; dus laat dan den koophandel en den oorlog voor een oogenblik ter zijde.”

„Wel, mijn waarde heer!” zei de Baljuw, „en welke bevelen hebt gij voor mij?”

„Wel hier is een van mijne oude kennissen, genaamd Adam Ochiltree, dien eenige van uwe handlangers in de gevangenis gesleept hebben, uit hoofde van een hem te last gelegden aanval op dien Dousterswivel, van wiens beschuldiging ik geen enkel woord geloof.”

De magistraat nam hier een air van gewicht aan. „Gij moet vernomen hebben, dat hij zoo wel van roof als van aanranding beschuldigd is: voorwaar eene zeer ernstige zaak; – het gebeurt niet dikwijls, dat ik zulke misdadigers in het verhoor krijg.”

„En,” hernam Oldbuck, „gij neemt de gelegenheid waar, om van degenen, die zich opdoen, de meeste partij te trekken. Maar is het geval van dezen armen ouden man inderdaad zoo ernstig?”

„Het is eigenlijk niet in den regel” zei de Baljuw; „maar daar gij er u meê bemoeit, Monkbarns, maak ik geene zwarigheid, om u de verklaring van Dousterswivel en de overige stukken van het voorloopig onderzoek te toonen.” En hij gaf de papieren over aan den oudheidkenner, die zijn bril nam en zich in een hoek terugtrok, om ze te doorloopen.

De boden van het vredegerecht kregen intusschen bevel, om hun gevangene in een ander vertrek te brengen; maar eer zij het doen konden, nam M’Intyre de gelegenheid waar, om den ouden Adam te groeten en hem heimelijk eene guinje in de hand te drukken.

„God zegene u!” riep de oude man; „het is de gift van een jongen soldaat, en zij zal zekerlijk een ouden te pas komen. Ik sla die niet af, ofschoon ze boven de taks is; – want als zij mij hier opsluiten, is het waarschijnlijk genoeg, dat mijne vrienden mij vergeten zullen; – uit het oog uit het hart, is een waar spreekwoord. – En het zou voor mij, die een konings bedelaar ben, en gerechtigd om van huis tot huis te bedelen, niet passen, dat ik uit het venster van de gevangenis naar halve stuivertjes stond te hengelen met den voet van eene kous aan een langen draad.”

Terwijl hij deze aanmerking maakte, werd hij uit de kamer gebracht.

De verklaring van den heer Dousterswivel bevatte een overdreven verhaal van de aanranding en het verlies, dat hij geleden had.

„Maar ik zou hem hebben willen vragen,” zeide Monkbarns, „welk voornemen hij kon gehad hebben met de bouwvallen van St. Ruth te bezoeken, zulk eene eenzame plaats, en op zulk een uur, en met zulk een medgezel als Adam Ochiltree. Er gaat geen weg dien kant uit, en ik geloof niet, dat alleen liefde voor het schilderachtige Herman Dousterswivel daarheen gevoerd zal hebben op zulk een stormachtigen en winderigen nacht. Wees verzekerd, dat hij op eenig schelmstuk uitgeweest, en, naar alle waarschijnlijkheid, in een strik gevallen is, door hem zelven gelegd. – Nec lex justitior ulla, –”

De magistraat bekende, dat er iets geheimzinnigs in die omstandigheid was, en verontschuldigde zich, dat hij Dousterswivel geene opheldering daarvan gevraagd had, door te zeggen, dat zijne verklaring vrijwillig afgelegd was. Maar, ter schraging van de hoofdbeschuldiging, toonde hij de verklaring van de Aikwood’s omtrent den toestand, waarin Dousterswivel gevonden werd, de gewichtige daadzaak bevestigende, dat de bedelaar de schuur, waarin hij opgenomen was, verlaten had, en niet daarheen was teruggekeerd. Twee lieden van den begrafenisbezorger te Fairport, welke dien nacht bij de ter aarde bestelling van lady Glenallan waren tegenwoordig geweest, hadden ook verklaard, dat zij, uitgezonden om twee verdachte personen te vervolgen, die de bouwvallen van St. Ruth verlieten toen de lijkstaatsie aankwam, en die, zoo als men veronderstelde, voornemens waren om eenige der versierselen, voor de plechtigheid bestemd, te stelen, die menschen meer dan eens uit het gezicht verloren en weêr te zien gekregen hadden, wat toe te schrijven was aan den aard van het terrein, dat weinig geschikt was voor paarden; maar dat eindelijk de twee vluchtelingen hun intrek genomen hadden in de hut van Mucklebackit. En een der declaranten voegde er bij, dat „hij, van zijn paard gestegen zijnde, en zich naar het venster van de hut begeven hebbende, den ouden Blauwrok en den jongen Steven Mucklebackit gezien had, met anderen etende en drinkende binnen in de hut, en dat hij ook opgemerkt had, dat genoemde Steven Mucklebackit een zakboek aan de anderen toonde; en de declarant twijfelde geenszins, of Ochiltree en Steven Mucklebackit de personen waren, die hij en zijn kameraad vervolgd hadden, zoo als hij boven verklaard had. En, gevraagd zijnde, waarom hij niet in de hut gegaan was, verklaart, „dat hij geen recht had, om dat te doen, en dat Mucklebackit en zijn huisgezin bekend staande als ruwe menschen, hij, declarant, geen lust gevoelde, om zich met hunne zaken te bemoeien. Causa scientiae patet. Al hetwelk hij verklaarde overeenkomstig de zuivere waarheid, enz.”

„Wat zegt gij van al die bewijsstukken tegen uw vriend?” vroeg de magistraat, zoodra hij opgemerkt had, dat de oudheidkenner het laatste blad omsloeg.

„Wel, als de zaak iemand anders betrof, zou ik zeggen dat het, prima facie, er niet best uitziet; maar ik kan niet toestemmen dat iemand ongelijk heeft, omdat hij Dousterswivel een pak slagen geeft. – Ware ik slechts wat jonger geweest, of had ik maar ééne enkele vonk van uw krijgshaftigen geest, Baljuw, ik zou het reeds lang zelf gedaan hebben. Hij is nebulo nebulonum, een onbeschaamde, bedriegelijke, leugenachtige kwakzalver, die mij honderd pond gekost heeft met zijne schelmsche streken, en mijn buurman Sir Arthur, de hemel weet hoeveel. – En daarbij, Baljuw, ik houd hem niet voor een oprechten vriend van het Gouvernement.”

„Zoo!” zei de Baljuw, „als ik dat dacht, zou het de zaak merkelijk veranderen.”

„Wel zeker! want door hem te slaan, moet de Blauwrok zijne dankbaarheid aan den koning betoond hebben, daar hij zijn vijand trof; en door hem te berooven, zou hij slechts een Heiden geplunderd hebben, dien men wettig zijn rijkdom ontneemt. En, gesteld, dat deze samenkomst in de bouwvallen van St. Ruth betrekking had op staatszaken, – en deze verborgene schatten, en wat niet al meer, een geschenk waren van den overkant van het Kanaal, ter omkooping van eenig groot man, of het fonds, bestemd om eene oproerige club meê te stichten?”

„Mijnheer, gij spreekt, alsof gij in mijne ziel gelezen hadt! Hoe gelukkig zou ik zijn, indien ik het nederige werktuig mocht wezen om dat kwaad met den wortel uit te roeien! – Oordeelt gij, dat ik goed zou doen met de vrijwilligers onder het geweer te brengen, en hen dadelijk in dienst te stellen?”

„Op dit oogenblik niet, daar het podagra hun korps van een onmisbaar lid berooven zou. – Maar wilt gij mij vergunnen Ochiltree te ondervragen?”

„Dat spreekt van zelf; maar gij zult niets uit hem, krijgen. Hij gaf mij duidelijk te verstaan, dat hij wist, hoe gevaarlijk het voor een beschuldigde was, om eene gerechtelijke verklaring af te leggen, wat, om de waarheid te zeggen, menig eerlijker man, dan hij, aan de galg heeft gebracht.”

„Wel! dus, Baljuw!” vervolgde Oldbuck, „gij hebt er niets tegen dat ik hem pols?”

„Niets ter wereld, Monkbarns! – Ik hoor den sergeant beneden; – ik zal intusschen de handgrepen eens doorloopen. – Betje, breng mijn geweer en bajonet naar beneden; – het maakt er minder gedruisch, als wij het geweer bij den voet brengen.” – En zoo ging de krijgshaftige magistraat de kamer uit met zijne meid, die de wapens droeg, achter zich.

„Een goede schildknaap voor een jichtigen kampvechter!” merkte Oldbuck op. – „Hector, jongenlief, houd hem vast, houd hem vast! – Ga met hem; houd hem bezig, man! voor een half uurtje, of zoo; – streel hem met eenige krijgshaftige loftuitingen; roem, zijne houding en zijne behendigheid.”

Kapitein M’Intyre, die, gelijk velen van zijn beroep, met diepe verachting op die burgersoldaten neêrzag, welke de wapens aangegord hadden zonder te weten hoe ze te dragen, stond met grooten weêrzin op, terwijl hij verklaarde, dat hij niet wist, wat hij den heer Littlejohn moest zeggen; en dat het al te belachelijk was, om een ouden, jichtigen winkelier de oefeningen en den dienst van een soldaat in zijn eigen huis op zich te zien nemen.

„Dat kan zijn, Hector,” zei de oudheidkenner, die het zelden dadelijk met iemand eens was omtrent het hoofdpunt van eenige kwestie, – „dat kan wellicht in dit en eenige andere gevallen waar zijn, maar thans gelijkt ons land aan de eischers, die voor de rechtbank zelven hunne zaak bepleiten, bij gebrek aan geld om de geregelde helden van de balie te betalen. Ik ben verzekerd dat wij, in het eene geval, nimmer het gemis van de scherpzinnigheid en welsprekendheid der heeren advocaten betreuren; en dus, hoop ik, zullen wij, in het andere, onze toevlucht tot onze harten en geweren nemen, ofschoon wij uwe strengere tuchtmeesters ontberen moeten.”

„Ik, oom, heb er voorwaar niets tegen dat de geheele wereld vocht, als men er vermaak in schept; mits men mij slechts vergunne rustig te blijven,” antwoordde Hector gemelijk.

„Ja, gij zijt inderdaad een zeer rustig mensch! Iemand, wiens lust tot krakeelen zelfs geene arme phoca, die op het strand slaapt, ongestoord kan laten.”

Maar Hector, die de wending van het gesprek merkte en een schrik had voor alle zinspelingen op de nederlaag, welke hij ondergaan had, ontsnapte, eer de oudheidkenner uitgesproken had.

ACHTENDERTIGSTE HOOFDSTUK

Wel, ’t is noch diefstal noch valschmunten; Gesteld, ik wist al wat gij mij opdringt: Ofschoon ook het graf andermaal baarde, En den schat hem gaf, die er niets van wist – Nooit toch was deugdelijke ruiling roof, Veel minder loutere mildheid. –

Oud tooneelspel.

De oudheidkenner, zich de gelegenheid willende ten nutte maken, om den beschuldigde te ondervragen, verkoos naar het vertrek te gaan waarin Ochiltree gevangen zat, liever dan aan het onderzoek een plechtig voorkomen te geven door hem in de raadkamer te laten terugbrengen. Hij vond den ouden man bij het venster zitten, dat op zee uitzag, en terwijl hij daarop staarde, kwamen hem, zijns ondanks, heete tranen in de oogen, die over zijne wangen en zijn witten baard vloeiden. Zijne gelaatstrekken waren niettemin kalm en rustig, en zijne geheele houding getuigde van geduld en gelatenheid. Oldbuck was hem genaderd zonder opgemerkt te worden, en wekte hem uit zijne overpeinzingen op, door hem vriendelijk te zeggen: „Het spijt mij, Adam, u zoo neêrslachtig te zien over deze zaak.”

De bedelaar schrikte, droogde zich de oogen af met de mouw van zijn rok, trachtte zijn gewonen onverschilligen en spottenden toon aan te nemen, en antwoordde, maar met eene stem, die meer dan anders beefde: „Ik had het wel kunnen gissen, Monkbarns, dat gij het waart, of uws gelijken, die mij kwaamt storen; – want het is een groot voorrecht van de gevangenissen en gerechtshoven, dat men zich de oogen kan uitweenen als men wil, zonder dat iemand, die er bij hoort, ooit vragen zal waarom?”

„Wel, Adam,” hernam Oldbuck, „ik hoop dat de tegenwoordige oorzaak van uw verdriet niet zoo groot is, of ze zal nog wel uit den weg te ruimen zijn.”

„En ik had gehoopt, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar op verwijtenden toon, „dat gij mij te goed zoudt gekend hebben, om te gelooven dat deze nietsbeteekenende kleinigheid tranen zou brengen in mijne oude oogen, die vrij grooter leed gezien hebben. – Neen, neen! – Maar het arme meisje, de dochter van Caxon, is hier geweest om troost te zoeken, en heeft er maar weinig gevonden. Men heeft niets van Taffril’s brik vernomen sedert den laatsten storm, en de menschen op de kaai vertellen, dat er een koningsschip op de rotsen van Rattray geslagen en met man en muis vergaan is. – God verhoede dat! want zoo zeker als gij leeft, Monkbarns, moet dan de arme Lovel, dien gij zoo gaarne lijden moogt, mede omgekomen zijn!”

„Ja, God verhoede het!” herhaalde de oudheidkenner. – „Ik zag liever geheel Monkbarns in brand staan. Mijn arme, beste vriend en medewerker! – Ik ga dadelijk naar de kade.”

„Ik ben zeker, dat gij er niets meer vernemen zult, dan ik u verteld heb mijnheer,” hernam Ochiltree; „want de dienders hier waren zeer beleefd (dat is op hunne wijze), en lazen al hunne brieven en berichten na, en konden er geen licht in vinden.”

„Het kan niet waar zijn; – het zal niet waar zijn!” riep de oudheidkenner, „en ik wil het niet gelooven, al is het waar. – Taffril is een voortreffelijk zeeman, en Lovel (mijn arme Lovel!) heeft al de hoedanigheden van een voorzichtigen en aangenamen metgezel te land en ter zee; – iemand, Adam, dien ik om de eerlijkheid van zijn aard uitzoeken zou, als ik ooit eene zeereis maakte (wat ik nooit doe, dan alleen om het veer over te steken), fragilem mecum solvere phaselum, om den metgezel van mijne onderneming te zijn, als iemand, tegen wien de elementen geen wrok koesteren kunnen. – Het is een verdichtsel van die leugenachtige snapster, die ik wenschte dat gehangen was, met hare trompet om den hals, welker nachtuilstonen slechts brave lieden schrik aanjagen en van streek brengen. – Zeg mij nu, hoe het met uwe zaak staat?”

„Vraagt gij mij als magistraat, Monkbarns, of is het alleen uit belangstelling?”

„Alleen uit belangstelling,” antwoordde de oudheidkenner.

„Zoo! – dan steek uw zakboek en potlood op; want ik spreek niet ronduit tegen u, zoolang gij uw schrijfgereedschap in handen hebt; – dat is iets afschrikkends voor onwetende menschen als ik. – Inderdaad, een van de klerken hier is in staat zooveel wit op zwart te zetten, als genoeg is om een man te hangen, eer hij weet wat hij zegt.”

Monkbarns gaf den ouden man zijn zin, en stak zijn zakboekje op.

Adam doorliep nu met groote rondborstigheid dat gedeelte der geschiedenis dat den lezer reeds bekend is, beschreef den oudheidkenner het tooneel, dat hij bijgewoond had tusschen Dousterswivel en zijn patroon, in de bouwvallen van St. Ruth, en bekende openhartig, dat hij de gelegenheid niet had kunnen laten voorbijgaan, om den goudzoeker nog eenmaal naar het graf van Misticot te lokken, met oogmerk om hem eene kleine bestraffing te geven voor zijne kwakzalverij. Het had hem weinig moeite gekost, om Steven, die een ondernemende, onnadenkende jongen was, over te halen, om hem op dien gang te vergezellen, en de grap was onverwachts verder gedreven dan men bedoeld had. Hij beschreef wat het zakboek betrof, de verwondering en de smart die hij aan den dag gelegd had, zoodra hem gebleken was, dat het zoo onvoorzichtig meêgenomen was; en dat Steven openlijk, voor al de bewoners der hut, op zich genomen had, om het den volgenden dag terug te bezorgen, en daarin alleen door den dood was belet geworden.

De oudheidkenner dacht een oogenblik na, en zeide toen: „Uw verhaal komt mij zeer waarschijnlijk voor, Adam, naar hetgeen mij van de partijen bekend is; – maar het komt mij mede waarschijnlijk voor, dat gij meer weet van die schatontdekking, dan gij goedgevonden hebt mij te verhalen. – Ik vermoed, dat gij eenigszins de rol van den Lar familiaris in Plautus gespeeld hebt, – eene soort van beschermgeest of toovenaar, Adam, die over verborgen schatten waakt. Ik herinner mij dat gij de eerste persoon waart dien wij ontmoetten, toen Sir Arthur zijn gelukkigen aanval op Misticot’s graf deed, en ook dat, toen de arbeiders den moed opgaven, gij, Adam, weêr de eerste waart, die in de opening sprongt, en ook nog de ontdekking van den schat deedt. Dit alles nu moet gij mij verklaren, als gij niet wilt dat ik u zoo ongemakkelijk behandel als Euclio Staphyla behandelt in de Aulularia van Plautus.”

„Om ’s Hemels wil, mijnheer! wat weet ik van Howlularia? – dat gelijkt meer op honden- dan op menschentaal.”

„Gij wist toch, dat de kist met den schat dáár was?” vervolgde Oldbuck.

„Mijn goede heer! hoe zou dat waarschijnlijk zijn? Gelooft gij, dat zulk een arm oud schepsel als ik, van iets dergelijks weten zou zonder er gebruik van te maken? – en gij weet wel, dat ik niets zocht en niets kreeg. Hoe zou ik er van weten?”

„Dat is het juist, wat ik van u verlang te vernemen; want ik blijf er stellig bij, gij wist dat het er was!”

„Mijnheer spreekt stellig, – en – voor een stellig sprekenden man moet ik bekennen, dat gij dikwijls gelijk hebt.”

„Gij stemt dus toe, dat mijn vermoeden gegrond is?”

Adam knikte van ja.

„Wees dan zoo goed mij de geheele zaak te ontvouwen van het begin tot het einde,” zei de oudheidkenner.

„Als het mijn eigen geheim was, Monkbarns,” antwoordde de bedelaar, „zoudt gij het mij niet tweemaal vragen; want ik heb het achter uw rug gezegd, dat gij, in weêrwil van de ongerijmdheden, waarmede gij soms vervuld zijt, de verstandigste en beste van onze heeren hier zijt. Maar ik zal openhartig met u zijn, en zeggen, dat dit het geheim is van een vriend, en dat men mij met wilde paarden zou kunnen vaneenscheuren, of in tweeën zagen, zoo als zij de kinderen Ammons deden, zonder dat ik één woord meer zeggen zou, dan dit: dat er niets kwaads meê bedoeld werd, maar zeer veel goeds; en het oogmerk was, om degenen te dienen, die tweehonderd maal meer waard zijn dan ik. Maar er is geen wet, geloof ik, die het tot eene zonde maakt te weten waar het geld van anderen is, als wij er onze handen van afhouden!”

Oldbuck wandelde een paar maal de kamer op en neder, om, zoo mogelijk, eenige waarschijnlijke reden te ontdekken voor zulke geheimzinnige handelingen; maar zijne scherpzinnigheid schoot hier te kort. Daarop plaatste hij zich weêr voor den gevangene.

„Deze uwe historie, vriend Adam, is mij een volslagen raadsel, en er zou een tweede Oedipus moeten komen, om het op te lossen; – wie Oedipus was, zal ik u een andermaal vertellen, als gij er mij aan herinnert. – Intusschen, hetzij dan uit verstand, of uit de grilligheid die ge mij toekent, ben ik zeer geneigd te gelooven dat gij de waarheid gesproken hebt; te meer, omdat gij geen dier beroepen op hoogere machten gebezigd hebt, waarvan ik merk, dat gij en uwe makkers u altijd bedient, als gij de menschen bedriegen wilt.” (Hier kon Adam een glimlach niet bedwingen). „Indien gij mij dus ééne vraag wilt beantwoorden, dan zal ik trachten uwe in vrijheidstelling te bewerken.”

„Als gij mij de vraag eerst laat hooren,” zeide Adam, met de voorzichtigheid van een doortrapten Schot, „zal ik zeggen, of ik die beantwoorden wil of niet.”

„Het is eenvoudig dit,” zeide de oudheidkenner: „Wist Dousterswivel iets van het verbergen van de kist met staven?”

„Hij, de leelijke schelm!” antwoordde Adam; „er zou weinig van te recht zijn gekomen, als Dousterswivel geweten had dat het dáár was; – het zou weggesmolten zijn als boter voor het vuur!”

„Dat dacht ik ook,” zeide Oldbuck. „Wel, Adam, indien ik u in vrijheid stel, moet gij woord houden, en op den bepaalden dag opkomen om mijn borgtocht te zuiveren: want het zijn geene tijden voor een voorzichtig man, om verbeurdverklaringen te ondergaan, tenzij gij een ander aulam auri plenam quadrilibrem, een ander „Zoek No. 1,” aanwijzen kunt!”

„Och!” zei de bedelaar, het hoofd schuddende, „ik geloof dat de vogel gevlogen is, die de gouden eieren legde; – ik wil hem geene gans noemen, ofschoon hij zoo heet in de kinderboekjes. – Maar ik zal woord houden, Monkbarns! gij zult door mij geen stuiver te kort komen. – En, wezenlijk ik wil er graag uit, nu het weêr goed is, en dan heb ik de beste kans, om het eerste nieuws van mijne vrienden te hooren.”

„Wel, Adam, daar het bonsen en stampen beneden opgehouden heeft, veronderstel ik dat de Baljuw Littlejohn zijn onderwijzer in de krijgskunst heeft weggezonden, en van den dienst van Mars tot dien van Themis is teruggekeerd; ik zal hem eens gaan spreken. – Maar ik kan, noch wil iets gelooven van het ongelukkig nieuws dat gij mij verteld hebt.”

„God geve, dat gij gelijk hebt!” zei de bedelaar, terwijl Oldbuck de kamer verliet.

De oudheidkenner vond den magistraat, afgemat door de vermoeienissen der wapenoefening, in zijn leuningstoel gezeten, het deuntje neuriënde: „Hoe vroolijk leeft de krijgsman, en tusschen elke maat zijn troost zoekende in een lepel vol schildpadsoep. Hij bestelde eene dergelijke verkwikking voor Oldbuck, die het van de hand wees met de aanmerking, dat hij, geen soldaat zijnde, niet geneigd was van zijne gewoonte af te gaan van op geregelde uren te spijzigen. – „Soldaten als gij, Baljuw,” zeide hij, „moeten hun voedsel nemen, als zij er tijd en middel toe vinden. – Maar het spijt mij ongelukkig nieuws te hooren van de brik van den jongen Taffril.”

„Och, de arme jongen! – hij was eene eer voor de stad, – en onderscheidde zich zoo op den eersten Juni.”

„Maar,” zeide Oldbuck, „het doet mij leed, dat gij van hem in den verleden tijd spreekt!”