De oudheidkenner

Part 28

Chapter 283,997 wordsPublic domain

De bewoner en heer van deze sombere kamer was een man nog in zijne beste jaren, echter zoo terneêrgeslagen door ziekte en zielskwelling, dat hij nauwelijks meer op een menschelijk wezen geleek; en toen hij haastig opstond en op zijn bezoeker toeging, scheen zijn verzwakt gestel bijna onder die poging te bezwijken. Toen zij elkander te midden van het vertrek ontmoetten, leverden zij eene zeer treffende tegenstelling op. De gezonde kleur, de vaste stap, de opgerichte gestalte en de onverschrokken, opgewekte houding van den ouden bedelaar getuigden van geduld en vergenoegen in den hoogen ouderdom, en in den laagsten stand, waartoe de mensch vervallen kan; terwijl de diepliggende oogen, de bleeke wangen en de wankelende gestalte van den edelman, die tegenover hem stond, toonden, hoe zeer rijkdom, macht en zelfs de voorrechten der jeugd niets gemeen hebben met datgene, wat rust aan den geest en sterkte aan het gestel geeft.

De graaf ontmoette den ouden man te midden van het vertrek, en na zijn dienaar bevolen te hebben, zich naar de galerij te begeven, en niemand in de voorkamer te laten eer hij de bel hoorde, wachtte hij met gejaagd en angstig ongeduld, tot hij eerst de deur van zijn vertrek en vervolgens die der voorkamer had hooren sluiten. Zoodra hij dus verzekerd was van niet beluisterd te zullen worden, trad Lord Glenallan dicht bij den bedelaar, dien hij waarschijnlijk voor een verkleeden geestelijke aanzag, en zeide driftig, hoewel met eene bevende stem: „In den naam van al wat onzen Godsdienst het heiligste is, zeg mij, eerwaarde vader, wat ik te verwachten heb van eene mededeeling, voorafgegaan door een teeken, waarmede zulke verschrikkelijke herinneringen verbonden zijn?”

De oude man, aangesproken op eene wijze zoo zeer verschillende van die, welke hij van den trotschen en machtigen edelman verwacht had, wist niet wat te antwoorden en hoe hem uit den waan te brengen. – „Zeg mij,” vervolgde de graaf op een toon van toenemenden schrik en doodsangst, – „zeg mij, komt gij om mij te verklaren dat alles, wat tot nog toe gedaan is, om zulk eene verschrikkelijke misdaad te boeten, te weinig is, te gering voor de schuld, en om nieuwe en strengere boete voor te schrijven? – Ik zal er mij niet aan onttrekken, vader! – Laat mij de straf van mijne misdaad hier in ’t lichaam lijden, liever dan hier namaals in de ziel!”

Adam was nu genoegzaam bedaard, om te bemerken dat, indien hij de openhartigheid van Lord Glenallan niet voorkwam, hij waarschijnlijk de vertrouweling zou worden van meer, dan het voor hem veilig zijn zou te weten. – „Milord vergist zich; – ik ben niet van uw geloof, noch een geestelijke, maar, – met allen eerbied, – slechts de arme Adam Ochiltree, ’s Konings bedelaar en uw onderdanige dienaar!”

Deze opheldering was gepaard met eene diepe buiging naar zijne wijze, en toen zich weêr oprichtende, legde hij de arm op zijn staf, schoof zijn lang wit haar terug, en vestigde zijn oog op den graaf, als wachtte hij op een antwoord.

„En gij zijt dus,” zeide lord Glenallan, na van verwondering eenigen tijd gezwegen te hebben, „gij zijt dus geen Katholieke priester?”

„God behoede!” zeide Adam, in zijne verlegenheid vergetende tot wien hij sprak; „ik ben slechts ’s Konings bedelaar en uw dienaar, zoo als ik reeds gezegd heb.”

De graaf keerde zich haastig om, stapte een paar maal in de kamer op en neêr, als om te herstellen van de uitwerkselen zijner misvatting, en toen, dicht bij den bedelaar komende, vroeg hij hem, op strengen en hoogen toon, wat hij bedoelde met zich dus op eigen gezag in te dringen, en van wien hij den ring gekregen had, welken hij had goedgevonden hem te zenden? Adam, een man van zeer veel verstand, was minder verschrikt over deze wijze van ondervragen, dan hij verlegen geweest was over den vertrouwelijken toon, waarop de graaf het gesprek begonnen had. Op de herhaalde vraag, van wien hij den ring gekregen had, antwoordde hij bedaard „Van iemand die de graaf beter kende, dan hij.”

„Die ik beter ken, mensch!” zeide lord Glenallan. „Wat wilt gij zeggen? Verklaar u op het oogenblik, of gij zult de gevolgen ondervinden van u hier in te dringen op een oogenblik als dit!”

„Het was de oude Elspeth Mucklebackit, die mij hier heen zond,” antwoordde de bedelaar, „om te zeggen, –”

„Gij raaskalt, oude man!” zeide de graaf; – „maar dit verschrikkelijk teeken brengt mij te binnen –”

„Ik herinner mij nu, Milord,” hernam Ochiltree; „dat ze mij zeide, dat gij haar beter zoudt kennen, indien ik haar noemde Elspeth van Graigburnfoot. Zij droeg dezen naam, toen zij op uwe goederen woonde, dat is op die van uwe overleden moeder, – zij ruste in vrede!”

„Ja,” zei de ontstelde edelman, terwijl zijne gelaatstrekken stuipachtig vertrokken en zijne wang verbleekte, „die naam staat voorwaar geschreven op het treurigste blad van eene beklagenswaardige geschiedenis! – Maar wat kan zij van mij verlangen? Leeft zij, of is zij dood?”

„Zij leeft, Milord, en smeekt u te mogen zien eer zij sterft; want zij heeft u iets te berichten, dat haar op de ziel drukt, en zij zegt, dat zij niet in vrede sterven kan, zonder u te zien.”

„Zonder mij te zien! – wat kan dat beteekenen? – maar zij is versuft van ouderdom en zwakte. – Ik zeg u, vriend, dat ik zelf aan hare woning geweest ben, geen twaalf maanden geleden, op het bericht dat zij in armoede verkeerde, en zij herkende zelfs mijn aangezicht of mijne stem niet.”

„Indien het mij veroorloofd is,” zeide Adam, wien de duur van het gesprek een gedeelte der vrijmoedigheid van zijn beroep en van zijn aangeboren praatzucht teruggegeven had, – „indien het mij veroorloofd is, zou ik, onder verbetering, zeggen, dat de oude Elspeth gelijk is aan een van die oude vervallen sterkten en kasteelen, welke men tusschen de bergen ziet. Er zijn vele deelen van haren geest, die nu, zoo te zeggen, verspreid en verstrooid schijnen te liggen; maar dan zijn er deelen, welke zich des te steviger, en des te sterker, en des te grootscher vertoonen, omdat zij zich verheffen juist als overgebleven tusschen de bouwvallen der overige. Zij is eene schrikbarende vrouw!”

„Dat is zij altijd geweest,” zei de graaf, bijna zonder het te weten de aanmerking van den bedelaar herhalende; „zij was steeds anders, dan andere vrouwen. – In haren gemoedsaard en aanleg kwam zij misschien het meest overeen met degene, welke nu niet meer hier is. Zij wenscht mij dus te zien?”

„Eer zij sterft,” zeide Adam, „smeekt zij dringend om dat geluk.”

„Het zal voor geen van ons beiden een geluk zijn,” zei de graaf ernstig, „maar zij zal haar zin hebben. Zij woont, geloof ik, op het strand, ten zuiden van Fairport?”

„Juist, tusschen Monkbarns en het kasteel Knockwinnock, maar dichter bij Monkbarns. Milord kent buiten twijfel den heer en Sir Arthur?”

Een blik, alsof hij de vraag niet begreep, was het antwoord van lord Glenallan. Adam zag dat hij om iets anders dacht, en waagde het niet eene vraag te herhalen, die zoo weinig ter zaak deed.

„Zijt gij Katholiek, oude man?” vroeg de graaf.

„Neen, Milord!” antwoordde Ochiltree stoutmoedig; want op dat oogenblik kwam hem het onderscheid bij de uitdeeling voor den geest; „dank zij den Hemel, ik ben goed Protestant.”

„Hij, die zich in gemoede goed kan noemen, heeft inderdaad reden, om den Hemel te danken, tot welke sekte van het Christendom hij ook behoore! Maar wie is er, die dat van zichzelven durft beweren?”

„Ik niet,” zeide Adam; „ik hoop bewaard te blijven voor zondigen hoogmoed.”

„Wat was uw beroep in uwe jeugd?” vervolgde de graaf.

„Soldaat, Milord, en ik heb menigen warmen dag en guren nacht doorgestaan. Ik was op het punt van sergeant te worden; maar –”

„Soldaat! Dus hebt gij gedood, en verbrand, en geplunderd, en geroofd?”

„Ik wil niet zeggen,” antwoordde Adam, „dat ik beter ben geweest dan mijne buren; – het is een woest leven, – de oorlog is aanlokkelijk voor degenen, die er geen ondervinding van hebben.”

„En gij zijt nu oud en ellendig, en moet van de grillige liefdadigheid het voedsel bedelen, dat gij in uwe jeugd aan de handen van den armen boer ontruktet?”

„Ik ben een bedelaar, dat is waar, Milord, maar ik ben juist daarom niet zoo ellendig. – Wat mijne zonden betreft, ik heb de genade gekregen om er berouw over te hebben, indien ik het zoo zeggen mag, en van ze dáár neêr te leggen, waar zij beter kunnen gedragen worden dan door mij; – en wat mijn voedsel betreft, niemand weigert een ouden man een stuk brood en eene teug water. – Dus leef ik zoo goed ik kan, en ben bereid om te sterven, als ik opgeroepen word.”

„En dus met weinig waarop ge terug kunt zien, dat aangenaam of prijzenswaardig is in uw vorig leven, – met nog minder dat ge verwachten kunt aan dezen kant van het graf, slijt gij in tevredenheid het overige van uw leven! – Ga nu henen; en met uwe jaren en armoede en ellende, benijd nooit den heer van zulk een verblijf als dit, noch in de oogenblikken van zijn slaap, noch van zijn waken! – Hier is iets voor u.”

De graaf legde vijf of zes guinjes in de hand van den ouden man. Adam zou misschien, even als bij andere gelegenheden, zijne bedenkingen hebben ingebracht over het bedrag der weldaad; maar de toon van Lord Glenallan was te beslissend, om antwoord of tegenkanting te gedoogen. De graaf riep toen zijn dienaar. – „Zie toe, dat deze oude man veilig uit het kasteel kome, – dat niemand hem eenige vragen doe, – en gij, vriend, ga nu, en vergeet den weg naar mijn huis.”

„Dat zou zeer moeielijk voor mij zijn,” zeide Adam, op het goud ziende, dat hij nog steeds in de hand hield; – „dat zou zeer moeielijk zijn, nadat gij mij zooveel reden gegeven hebt om er aan te denken.”

Lord Glenallan keek hem verwonderd aan, daar hij zich bezwaarlijk een begrip kon vormen van de stoutmoedigheid, waarmede de oude man hem te woord stond, en gaf hem met de hand een teeken om te vertrekken, waaraan de bedelaar oogenblikkelijk gehoorzaamde.

NEGENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

Want hij was steeds bij al hun tijdverdrijf En regelde, als Vorst, hun spel en hun gekijf; Den taaien boog, en den vliegender bal, En kegel en kogel, hij maakte het al.

Crabbe’s Dorp.

Frans Macraw vergezelde, volgens de bevelen van zijn meester, den bedelaar, om hem van het landgoed te verwijderen, zonder te gedoogen dat hij eenig gesprek of gemeenschap hield met iemand van de onderhoorigen of dienstboden. Maar zeer wijselijk in aanmerking nemende, dat die bepaling zich niet tot hem zelven uitstrekte, die de persoon was, aan wien het geleide toevertrouwd werd, wendde hij alle mogelijke middelen aan, om van Adam den aard van zijn vertrouwelijk en geheim gesprek met lord Glenallan te vernemen. Maar Adam had in zijn tijd op menige strikvraag moeten antwoorden, en wist zich gemakkelijk te redden uit die van zijn voormaligen kameraad. „De geheimen der grooten,” – zeide Ochiltree bij zich zelven, – „zijn juist als de wilde beesten, die in kooien opgesloten zitten. Houd ze vast en stevig achter de traliën, dan gaat het goed; maar laat ze los, zij keeren zich om en verscheuren den mensch. Het heugt mij, hoe slecht het Dugald Gunn bekwam, dat hij gebabbeld had over des majoors vrouw en kapitein Bandilier.”

Frans werd dus afgeslagen in zijne aanvallen op de getrouwheid van den bedelaar, en even als een slecht schaakspeler, gaf hij zich bij iederen mislukten zet hoe langer hoe meer aan zijne tegenpartij bloot.

„Dus gij houdt vol, dat gij mijn meester over niets te spreken hadt dan over uwe eigen zaken?”

„Wel ja, – en over de kleinigheden, die ik van buiten ’s lands meêgebracht had. Ik wist, dat gij Katholieken bijzonder gesteld zijt op reliquiën, die ver van hier, van kerken en dergelijke plaatsen gehaald zijn.”

„Inderdaad; – en de graaf moet geheel van zijn stuk geweest zijn, om zich zoo in de weer te stellen over iets, dat gij hem brengen kondet, Adam!”

„Ik twijfel niet, of gij hebt in de hoofdzaak gelijk kameraad! – maar misschien heeft hij in zijne jeugd eenig ongeluk gehad, en dat verbittert den mensch –”

„Inderdaad, Adam! zeg dat vrij; – en daar gij waarschijnlijk nooit meer hier komen zult, en, indien gij het doet, mij er niet meer zult vinden, kan ik u zeggen, dat zijn hart in zijn jongen tijd deerlijk gegriefd werd, en men mag er zich over verwonderen, dat het niet al lang gebroken is.”

„Dacht ik het niet!” zeide Ochiltree; „daar moet eene vrouw in het spel geweest zijn!”

„Juist! gij hebt het getroffen, – eene van zijne nichtjes – Eveline Neville, zoo als zij heette. Men praatte er over onder de menschen; maar het werd gesust, omdat de grooten er meê gemoeid waren; – het is meer dan twintig jaren geleden, – ja, het zal drieëntwintig jaar zijn.”

„Zoo? – Toen was ik in Amerika,” zei de bedelaar, „en niet in de gelegenheid om de praatjes van den dag te hooren.”

„Er viel niet zwaar over te praten, man!” hernam Macraw; „hij was verliefd op de jonge dame en zou haar getrouwd hebben; maar zijne moeder kwam er achter, en daar was de duivel in het spel. Althans, het arme meisje wierp zich van de rots bij Craigburnfoot in zee, en daar was het meê uit.”

„Uit voor de arme dame; maar zeker niet uit voor den armen graaf!”

„Neen, niet uit, zoolang hij leeft,” antwoordde de Hooglander.

„Maar waarom verbood de oude gravin het huwelijk?” vervolgde de onvermoeide vrager.

„Waarom? – Dat zal zij misschien zelve wel niet recht geweten hebben; maar alles moest naar haar zin zijn, goed of kwaad. – Maar men wist, dat de jonge dame het oor leende aan de ketters in het land; – en te meer noch, omdat zij den graaf nader verwant was, dan onze kerk toelaat. – Zie je, de dame werd gedreven tot de wanhopige daad, en de graaf heeft sedert dien tijd nooit weêr het hoofd opgericht.”

„Wel!” hernam Ochiltree; „het is toch wonder, dat ik tot heden nooit iets van de zaak gehoord heb.”

„Het is zelfs een wonder, dat gij er nu van hoort; want ik ben des duivels, als een van de dienstboden er van zou hebben durven spreken bij het leven van de oude gravin. Hé, man, zij kon er door heen slaan; – het zou menig man moeielijk gevallen zijn, om haar te staan! – Maar zij ligt in het graf, en wij kunnen nu een woordje praten, als wij een vriend ontmoeten. – Maar, vaarwel Adam! ik moet terug naar den avonddienst. – En als gij wellicht over een maand of wat te Inverary komt, vergeet niet, naar uw vriend Frans Macraw te vragen.”

Adam beloofde aan den wensch van zijn vriend te voldoen, en beiden scheidden dus met alle mogelijke betuigingen van weêrkeerige achting. De bediende van Lord Glenallan nam zijn weg terug naar het kasteel van zijn meester, en liet Ochiltree aan zich zelven over, om zijn gewoon slenterleven te hervatten.

Het was een schoone zomeravond, en de wereld, dat is de kleine kring, welke alles in alles was voor den persoon, die hem bewandelde, lag voor Adam Ochiltree open, om er een nachtleger te kiezen. Zoodra hij buiten het ongastvrije grondgebied van Glenallan gekomen was, had hij zoo vele plaatsen, waar hij zijn intrek dien avond kon nemen, dat hij besluiteloos, ja, zelfs moeielijk was in zijne keuze. De herberg van Ailie Sims lag aan den weg, ongeveer eene mijl vóór hem; maar dáár zou veel jong volk zijn met den Zaterdag avond, en dat was lastig bij het voeren van eenig geregeld gesprek. Andere pachters en hunne vrouwen deden zich achtereenvolgens aan zijne verbeelding op; maar de een was doof, en kon hem niet hooren; de ander had geene tanden, en kon hem niets laten hooren; een derde was slecht van humeur, en een vierde had een kwaadaardigen huishond. Te Monkbarns en Knockwinnock was hij zeker van een goed en gastvrij onthaal; maar die plaatsen waren te ver afgelegen, om er zich dien avond vroeg genoeg te kunnen aanmelden.

„Ik weet niet, hoe het komt,” zei de oude man; „maar ik ben heden avond moeielijker omtrent mijn kwartier, dan ik mij herinner ooit van mijn leven geweest te zijn. Ik geloof dat ik, na het zien van al de pracht ginds, en na de ontdekking dat men zonder die gelukkig kan zijn, trotsch geworden ben op mijn eigen lot. – Zoo het mij maar niet opbreekt; want hoogmoed komt voor den val. In elk geval zal de slechtste schuur, waarin ooit een mensch sliep, een aangenamer verblijf zijn, dan het huis van Glenallan, met al die schilderijen en het zwarte laken en het fraaie zilverwerk, dat er bij behoort. Dus zal ik het maar in eens bepalen, en bij Ailie Sims intrekken.”

Toen de oude man den berg afging, die zich boven het kleine gehucht verhief, waarheen hij zijne schreden richtte, had de ondergaande zon de bewoners der streek hun arbeid doen staken, en de jonge lui, zich den fraaien avond te nutte makende, waren bezig met kegelen op het gras, terwijl de vrouwen en ouders toezagen. Het geschreeuw, het gelach, de luide stemmen der winners en verliezers waren hoorbaar op het pad, langs hetwelk Ochiltree neêrdaalde, en deden bij hem de herinnering der dagen ontwaken, waarin hij zelf een bekwaam mededinger en meer dan eens de overwinnaar was in spelen, waarbij sterkte en vlugheid van lichaam vereischt werden. Deze herinneringen laten zelden na een zucht te verwekken, zelfs dan, wanneer de avond van het leven door schitterender vooruitzichten vervroolijkt wordt, dan die van onzen armen bedelaar. „Op dien tijd van den dag,” – was zijne natuurlijke opmerking, „zou ik mij even weinig bekommerd hebben om een ouden pelgrim, die van den heuvel van Kinblythemont kwam nederdalen, als eenige van deze fiksche jonge knapen zich thans om Adam Ochiltree bekommeren.”

Hij werd echter dadelijk in eene vroolijker stemming gebracht, toen hij bevond, dat men meer belang in zijne komst stelde, dan zijne zedigheid had durven verwachten. Er was namelijk een betwiste worp gedaan door een der spelers, en daar de kommies de eene partij, en de schoolmeester de andere partij toegedaan was, mag men wel zeggen, dat de zaak door de hoogere autoriteiten in handen genomen werd. De molenaar en de smid hadden even eens verschillende partijen gekozen, en de hevigheid van twee zulke twistenden in aanmerking genomen, mocht men met reden twijfelen, of de strijd in der minne eindigen zou. Maar de eerste der aanwezenden, die een blik op den bedelaar wierp, riep uit: „Ha! daar komt de oude Adam aan, die de regels van het spel beter kent dan iemand, die ooit hier speelde; – laat ons niet kibbelen, jongens! – Wij zullen ons aan de uitspraak van Adam houden!”

Adam werd dus welkom geheeten en tot scheidsrechter benoemd, met een luiden, algemeenen kreet van gelukwensching. Met al de zedigheid van een bisschop, die zijne benoeming aanneemt, of van een spreker, die voor het eerst den kansel beklimt, praatte de oude man van het groot vertrouwen, dat men in hem stelde, en van de groote verantwoordelijkheid, die men hem wilde opleggen, en had, ter belooning van zijne zelfverloochening en nederigheid, het genoegen, de herhaalde verzekeringen van jong en oud te ontvangen, dat hij stellig en zeker de bekwaamste en meest bevoegde persoon was voor scheidsrechter, „in de geheele landstreek!”

Dus aangemoedigd, ging hij deftig over tot het vervullen van zijn ambt, en verbood bepaaldelijk alle beleedigende uitdrukkingen van weerskanten; hij hoorde den smid en den ijker aan de eene, den molenaar en den schoolmeester aan de andere zijde. Adam had echter bij zich zelven de zaak beslist, vóór dat de pleidooien begonnen, gelijk vele rechters, die desniettemin alle vormen bewaren, en tot het einde toe de welsprekendheid en de betoogen der advocaten verduren moeten. Zoodra dus alles van weerskanten gezegd, en veel daarvan meer dan eens gezegd was, sprak onze rechter, na goed en rijp overleg, het verzoenend en heilzame vonnis uit, dat de worp moest overgedaan, en dus voor geene der partijen gerekend worden. Deze wijze beslissing herstelde de eendracht onder de spelers; zij begonnen op nieuw de kegels op te zetten en hunne weddingschappen te maken, met al de luidruchtigheid, welke dergelijke landelijke vermakelijkheden gewoonlijk vergezelt, en de driftigsten trokken reeds hunne buizen uit en gaven die, met hunne gekleurde zakdoeken, ter bewaring over aan hunne vrouwen, zusters, of liefsten. Maar de vreugde werd op eene zonderlinge wijze gestoord.

Aan den buitenkant van de groep spelers verhief zich een geluid, zeer verschillend van de stem der vroolijkheid; – men hoorde verward die soort van onderdrukte zuchten, waarmede het eerste nieuws van een groot ongeluk ontvangen wordt. Er ontstond eenige beweging onder de vrouwen, en men herhaalde de woorden: „Och! zoo jong en zoo plotseling opgeroepen!” – Weldra verspreidde zich de droevige mare onder de mannen en het vreugdegeschreeuw verstomde. Allen begrepen dadelijk, dat een groot ongeluk gebeurd was, en iedereen vroeg zijn buurman naar de tijdingen; maar deze wist er even weinig van als de vrager. Eindelijk bereikte het gerucht duidelijk de ooren van Adam Ochiltree, die zich geheel in het midden der vergadering bevond. De boot van Mucklebackit, den visscher, van wien wij meermalen gewaagd hebben, was op zee omgeslagen, en vier menschen waren er bij omgekomen, onder anderen Mucklebackit en zijn zoon. Het gerucht had nochtans ook nu de waarheid overschreden. De boot was inderdaad omgeslagen, maar Steven Mucklebackit alleen was verdronken. Ofschoon zijne woonplaats en zijne wijze van leven hem verwijderd hadden van het gezelschap der landlieden, lieten zij echter niet na, om hun landelijk spel te staken en in het onverwachte ongeluk die deelneming te toonen, welke het in treffende gevallen meestal opwekt. Ochiltree, in het bijzonder, werd door dit nieuws als door een donderslag getroffen, te meer, daar hij dezen jongen mensch nog zoo onlangs overgehaald had, om hem bij eene zaak behulpzaam te zijn, die, ofschoon ze geen groot nadeel of verlies aan den goudzoeker toebrengen zou, toch juist niet tot die bezigheden behoorde, waaraan men de laatste uren van zijn leven besteden moet.

Een ongeluk komt zelden alleen. Terwijl Ochiltree, in diep nadenken op zijn staf leunende, zijne smart met die der gehuchtbewoners vereenigde, welke den plotselijken dood van den jongen visscher betreurden, en hij zich inwendig berispte wegens de overtreding der wet, waarin hij hem zoo onlangs gewikkeld had, werd de oude man bij den kraag gepakt door een dienaar van het gerecht, die zijn stok met zijne rechterhand in de hoogte hief, en uitriep: „In ’s konings naam!”

De kommies en de schoolmeester vereenigden hunne welsprekendheid, om den diender en zijn gezel te overtuigen, dat hij geen recht had, om des konings bedelaar aan te houden als een landlooper; en de stomme welbespraaktheid van den molenaar en den smid, die zich in hunne stevig geslotene vuisten vertoonde, was gereed, om op zijn Hooglandsch borg voor hun scheidsman te geven: „zijn blauwe rok,” zeiden zij ook, „was zijn vrijbrief, om het land ongemoeid door te trekken.”

„Maar zijn blauwe rok,” antwoordde de gerechtsdienaar, „beschermt hem niet wegens gewelddadigen aanval, roof en moord; en ik moet hem wegens deze misdaden aanhouden.”

„Moord!” zeide Adam, „wien zou ik vermoord hebben?”

„Den heer Dousterswivel, den bestuurder van de mijnen te Glen-Withershins.”

„Duisterduivel vermoord! – hij leeft! hij is springlevend, man!”

„Dat heeft hij u niet te danken; hij heeft een harden strijd gehad voor zijn leven, als het waar is, wat hij zegt, en gij moet u daaromtrent verantwoorden.”

De verdedigers van den bedelaar schrikten op het hooren van de gruwelijke beschuldiging tegen hem ingebracht; maar meer dan eene vriendelijke hand stak Adam vleesch en brood en geld toe tot zijn onderhoud in de gevangenis, werwaarts hem de gerechtsdienaar wilde brengen.

„Dank u! – God zegene u kinderen! – ik ben aan menigen strik ontkomen, toen ik het minder verdiende dan nu. Ik zal als de vogel uit de knip vrijkomen. Speelt uw spel maar uit, en bekommert u niet om mij. – Ik heb meer verdriet over den armen jongen, dan over alles, wat zij mij kunnen aandoen.”