De opheffing van de slavernij en de toekomst van Nederlandsch West-Indie
Part 3
21º. Ook zal eene regeling der belastingen, grootendeels op nieuwe grondslagen rustende, noodzakelijk zijn, daar de tegenwoordige inkomsten voor een aanzienlijk gedeelte verkregen worden uit bronnen die na den 1 Julij 1863 zullen ophouden te vloeijen; daaronder behooren in de eerste plaats, wij behoeven het slechts te herinneren, de hoofdgelden tot heden voor de slaven betaald, en omtrent een vierde van het totaal der koloniale inkomsten uitmakende; wat dáárvoor, met de minste schade voor de nijverheid en den minsten druk voor de bevolking in plaats te stellen, kan zeker in de toekomst het best door de kolonisten zelve aangewezen worden, _wanneer, krachtens het bij Koninklijke toezegging te verwachten nieuwe Regerings-Reglement_, de finantiële aangelegenheden der Kolonie door hunne medewerking en goedkeuring zal geregeld en vastgesteld worden; intusschen zal het Opperbestuur daaromtrent de voorloopige, zoo dringend noodige verordeningen dienen voor te schrijven in overeenstemming met Gouverneur en Kolonialen Raad, en mogen wij in het belang der zaak wijzen op hetgeen met uitnemend goed gevolg bij onze buren in _Britsch-Guiana_ op dit stuk is en wordt gedaan.
Daar worden namelijk zoowel ter bevordering van orde en zedelijkheid als ter belasting van een verbruik, dat meestal tot misbruik overslaat, zeer hooge regten geheven op de binnen de Kolonie verkochte rum en op de patenten, welke slechts aan een bepaald aantal drinkwinkels in ieder district verleend worden; de ontvangsten daarvan bedragen één vijfde der koloniale inkomsten en zouden in _Suriname_, in gelijke verhouding geheven, het hoofdgeld voor een groot gedeelte vervangen kunnen.
Voorts worden dààr hooge _inkomende regten_ niet alleen op alle wijnen en sterke dranken, maar ook op de meeste artikelen van _consumtie en weelde_ geheven, en is het bedrag daarvan omtrent twee vijfden van het totaal der inkomsten; ook wordt er een _matig regt_ bij den _uitvoer_ der stapelproducten geheven; dit is echter meer als eene vrijwillige opbrengst van de planters te beschouwen, met het uitsluitend doel, om daaruit de kosten van immigratie te helpen dekken; eene dergelijke belasting wordt echter in Suriname reeds geheven, en de verhooging daarvan is zeker niet aan te bevelen, ten zij de opbrengst ook daar meer uitsluitend tot ondersteuning van een Immigratie-fonds kan worden aangewend.
Ook zou eene gelijke en algemeene verdeeling van grondlasten en belasting op gebouwde eigendommen naar de huurwaarde, tot eene belangrijke en regtvaardige bron van inkomsten gemaakt kunnen worden, die door de uitgifte van Gouvernements-gronden bij wijze van belooning of aanmoediging voor de van het Staats-toezigt ontslagene Immigranten en Kolonisten, steeds zou toenemen, terwijl die _nu_ in _Suriname_, even als in _Britsch-Guiana, ongelijk drukkend en weinig beduidend is_; men zal echter in den nog zoo weinig gevorderden staat van maatschappelijke ontwikkeling en vestiging van de groote meerderheid der bevolking nog lang op _indirecte belastingen_ moeten steunen en zeer te vreden mogen zijn, wanneer na het ophouden der hoofdgelden één vijfde van het totaal der behoeften door de directe belastingen gedekt wordt.
Wat nu _het bedrag_ en _de verhouding van de grondbelastingen_ onderling zou moeten wezen, dit kan zeker het beste en op de meest onpartijdige wijze door het Opperbestuur der Koloniën beslist worden; intusschen gelooven wij te mogen herinneren, dat de _akkergelden_ of _belastingen op den grond_, _voor de plantages_, _houtkapperijen_ en _bebouwde erven of provisiegronden van minder dan één akker_, tot zeer verschillend bedrag behooren aangeslagen te worden.
Behalve de meeste der reeds bestaande belastingen kunnen als bronnen der inkomsten tot dekking van de meer uitsluitend voor Paramaribo en den handel aldaar benoodigde uitgaven voor landingplaatsen, hospitalen enz. in aanmerking komen: de verkoop van regenwater aan de schepen (alleen het oprigten van groote ijzeren regenbakken bij de publieke gebouwen is daartoe noodig); voorts het bouwen van eene behoorlijk overdekte en afgesloten markt met goede stellingen, slagterij en ijshuis aan de rivier; in Demerary worden groote voordelen uit eene dergelijke inrigting getrokken door de bepaling, dat alle marktwaren die van buiten worden aangevoerd, aldaar verkocht moeten worden.
Als het laatste, hoewel niet het minst belangrijke, herinneren wij aan de groote, ja de dringende noodzakelijkheid van goede verordeningen omtrent Immigratie en Kolonisatie, ter uitvoering en ter aanvulling zoo veel mogelijk van 't geen daaromtrent in art. 4 der Emancipatie-wet is vastgesteld.
Die verordening zal hoofdzakelijk het volgende moeten bevatten:
Aanwijzing (te gelijker tijd in het _Surinaamsche Gouvernementsblad_ afgekondigd) van de plaatsen waar de belanghebbenden, onder de bescherming der Nederlandsche vlag en door tusschenkomst van een Consul of Gouvernements-Agent, vrije arbeiders mogen aanhuren;
Bepaling van het bedrag der premiën, welke op den aanvoer van Immigranten uit verschillende landen, worden uitgeloofd en van de voorwaarden waarop die zullen worden uitbetaald.
Vaststelling der betaling van Gouvernements-Agenten en andere kosten van het toezigt door de Regering, op den aanvoer van Immigranten, ter plaatse van aanhuring zoowel als in de Kolonie, te houden.
Bepaling van den tijd of duur der huur-contracten, welke met verschillende soort van Immigranten in den vreemde gesloten mogen worden en van de verschillende voorregten, welke in de huur-contracten, boven en behalve de als minimum bij Gouvernements-tarief vastgestelde loonen, aan de Immigranten moeten verzekerd worden.
Van den tonnenlast of den inhoud der schepen, waarmede de Immigranten, uit de landen beoosten de Kaap de Goede Hoop, en van die waarmede de Immigranten uit landen bewesten die Kaap, mogen aangevoerd worden, en van de ruimte per hoofd, de hoeveelheid drinkwater, de schafting, de geneeskundige verzorging enz., die hun bij de verschillende overtogten moeten verzekerd zijn.
Van hetgeen bij de aankomst van Immigranten van wege het Koloniaal Bestuur, voornamelijk door den Agent-Generaal van Immigratie, zal gedaan worden, ter verzekering dat de _dóór_ of _vóór_ hen bedongen voorwaarden van aanhuring bij overtogt, landing en plaatsing, zijn en worden in acht genomen; dat voorzien wordt in het lot van hen, die in een tot arbeid ongeschikten staat aangebragt mogten worden; dat alleen voor de werkbaren de premiën worden uitbetaald en dat behoorlijke registers van alle de in de Kolonie gelande Immigranten en Kolonisten gehouden worden.
Van de op den huurder rustende verpligting om naauwkeurig rol of boek te houden van de op zijne plantage aanwezige Immigranten, ter inzage van den Landdrost of den met het Staats-toezigt en de Immigratiezaken belasten ambtenaar, en dat door hem geregeld om de zes maanden verslag moet ingediend worden van de aanwezigen, de weggeloopenen, de geboorten en de sterfgevallen.
Van de boeten of andere straffen op het verbreken of niet naleven van huur-contracten, zoo voor den huurder als den Immigrant.
Van de redenen waarom en de wijze waarop de huur-contracten als nietig beschouwd of op gezag van het Koloniaal Bestuur verbroken kunnen worden.
Van de straffen waaraan de Immigranten zich door wegloopen, onwil tot arbeid of ander wangedrag blootstellen.
Van het aantal dagen en het aantal uren iederen dag welke van de Immigranten als een jaar arbeid onder werk-overeenkomst gevorderd mogen worden.
Omtrent het inhouden van loonen, bij het niet verrigten van arbeid door de Immigranten.
Omtrent de strafbaarheid van huurders die Immigranten in dienst nemen of te werk stellen, zonder zich verzekerd te hebben of ze ook aan anderen verbonden zijn; en van hunne verpligting om van het wegloopen hunner Immigranten _terstond_ aan den met de Immigratiezaken belasten ambtenaar berigt te doen.
Van het regt van den Immigrant om, na volbragten diensttijd, een certificaat of bewijs daarvan te vragen en des noods door tusschenkomst van den Landdrost uit handen van zijn meester te eischen.
Van het regt van den Immigrant, uit zoodanig certificaat voortvloeiende, om een finaal ontslag of paspoort als zoodanig van 't Bestuur te erlangen, waardoor hij vrij is de Kolonie te verlaten of er zich als burger neder te zetten.
Omtrent de aanspraak op vrije terugreis naar het land van herkomst, en op welke voorwaarden die aan zekere soort van Immigranten kan toegezegd worden.
Omtrent het terugzenden van invalides en tot arbeid ongeschikten naar de landen van waar zij kwamen, in geval zij tot last der Kolonie mogten komen.
Omtrent de strafbaarheid van scheeps-gezagvoerders die Immigranten zonder paspoort mogten uitvoeren, en van de Immigranten die van valsche papieren gebruik mogten maken.
* * * * *
Tot zoo verre de opsomming van 't geen wij in de eerste plaats als de dringende pligten van 't Koloniaal Bestuur, ten opzigte van Suriname beschouwen; nu volgt in de tweede plaats onze meening omtrent hetgeen bij een nieuw Regerings-Reglement, als grondslag van een beter en meer oeconomiesch beheer der koloniale belangen en geldmiddelen, in de toekomst even noodzakelijk is, als de lang gewachte en veel besproken Regterlijke Organisatie dit voor eene goede regtsbedeeling geoordeeld wordt.
Het is waar, tot heden meende de Regering door de verzekering van eene betere regtsbedeeling reeds veel, zoo niet alles te zullen winnen wat in de bestaande omstandigheden mogelijk was; en zoo lang de slavernij niet opgeheven was, zag men te regt tegen de groote bezwaren op, welke aan het invoeren van een nieuwen en meer liberalen Regeringsvorm in eene slavenkolonie verbonden zijn; die moeijelijke quaestie bleef dus nog altoos, zoo niet geheel buiten behandeling, dan toch, even als de Regterlijke Organisatie, _onafgedaan_.
Nu echter de opheffing der slavernij is vastgesteld, mag deze voor de welvaart der West-Indische Koloniën zoo hoogst gewigtige zaak niet langer uitgesteld blijven en zal volgens de Koninklijke toezegging, daaromtrent in de jongste troonrede uitgesproken, den kolonisten voorzeker eene ruimere gelegenheid aangewezen worden dan tot heden bestond, om, al werkende en ijverende voor eigen voorspoed en fortuin, ook in het bestuur hunner koloniale aangelegenheden te deelen en de _meest praktische middelen en maatregelen_ tot behoud en ontwikkeling van industrie aan de hand te doen.
Ten einde onze begrippen te verklaren omtrent den aard en de strekking van de medewerking die wij aan de _West-Indische kolonisten in 't algemeen_ en aan die van _Suriname in 't bijzonder_ ter bevordering van een goed en zuinig beheer hunner publieke aangelegenheden wenschen aangewezen te zien, willen wij hier met weinige woorden doen uitkomen wat de ondervinding daaromtrent in de _Britsche West-Indische Koloniën na de emancipatie_ heeft geleerd.
Wij kiezen daartoe natuurlijk die, welke door uitgestrektheid en vruchtbaarheid van grond, zoowel als door den aard en de betrekkelijke geringheid van bevolking, het best met Suriname te vergelijken zijn, en noemen dus drie der voornaamste welke, _ieder onder een verschillenden Regeringsvorm_, de zware beproeving eener onvoorbereide emancipatie met zeer uiteenloopende resultaten hebben doorgestaan, namelijk _Jamaïca_, _Trinidad_ en _Britsch-Guiana_.
Wanneer nu bij gevolgtrekking tot een besluit kan gekomen worden, omtrent hetgeen men als eene geschikte maat van _zelf-bestuur_ voor _Suriname_ mag aannemen, dan zal er wel geen bezwaar bestaan, dit in een ruimen zin ook op Curaçao en onderhoorig Gouvernement toepasselijk te maken, daar het algemeen erkend is, dat de maatschappelijke toestand zoowel als de individuële ontwikkeling van de bewoners _dier Eilanden_ op een beter geregeld en hooger standpunt staan dan dit met de bevolking van _Suriname_ het geval is, en daar er bovendien door eene toenemende en talrijke bevolking meer _aanbod dan vraag naar arbeid_ zijnde, geen stilstand of achteruitgang van de bestaande industrie te wachten is, zoodat tot welzijn dier Koloniën en in 't belang van 's lands schatkist het eigen bestuur aldaar (_altoos onder toezigt der Hooge Regering_) zoo veel mogelijk ruimte moet gelaten worden om, bij opheffing van al wat den handel, 't vrije verkeer en de industrie aldaar nog mogt belemmeren, voor de meeste dier eilanden eene betrekkelijke welvaart en vooruitgang te verwachten.
_Jamaïca_, met eene bevolking van omtrent 360,000 zielen over 6000 vierk. Engelsche mijlen oppervlakte, verheft zich van ouds op het bezit van eene vertegenwoordigende wetgevende eigen Regering, bestaande uit een Gouverneur-Generaal en Raad van State[5], benoemd door de Kroon, een wetgevenden Raad van 17 leden, waarin niet meer dan 5 loontrekkende ambtenaren mogen zijn, mede benoemd door de Kroon, en eene talrijke Volksvertegenwoordiging (_House of Assembly_).
[5] _Privy Council_ of geheime Raad.
Door deze zóó omslagtige en slecht werkende inrigting, hebben er echter _de Regering, de grondbezitters en het meest beschaafde gedeelte der bevolking_ een te geringen en onzekeren invloed op het bestuur en den gang van zaken. Daar de qualificatie voor het stemregt laag gesteld is, _zonder eenige andere qualificatie voor hen die verkiesbaar zijn_, dan dat zij 10 Pd. St. aan directe belastingen betalen moeten, zoo heeft de stem van 't volk (voor negen tienden negers of kleurlingen) dáár te zeer de overhand en worden alle krachtige maatregelen tot ontwikkeling der industrie, vooral wanneer er groote uitgaven en Gouvernements toezigt aan verbonden zijn, _zoo als de immigratie, de openbare werken enz._, door de meerderheid der wetgevende vergadering onmogelijk gemaakt, de algemeene aan de plaatselijke of persoonlijke belangen opgeofferd en het eiland, bij steeds achteruitgaande productie, meer en meer verarmd, zoo als trouwens algemeen bekend is en uit de opgaven van uitvoer en het onbetaald blijven van oude en nieuwe leeningen en schulden genoegzaam blijkt.
_Trinidad_, met eene bevolking van omtrent 70,000 zielen over 2000 vierk. Eng. mijlen oppervlakte, wordt bestuurd door een Gouverneur en een uitvoerenden Raad van drie leden, (de kommanderende officier, de algemeene secretaris en de advocaat- of procureur-generaal); er is ook een Wetgevend Ligchaam van 15 leden, negen waarvan ambtshalve en zes waarvan buiten ambtsbetrekking, door de Kroon benoemd worden; hier is echter geen vertegenwoordigende vergadering. Deze Regeringsvorm nog gedeeltelijk uit vroegere jaren, _toen het Eiland Spaansch was_, overgenomen, hoe beperkt en onvolkomen zij den bewoners van _Jamaïca_, _Barbados_ en andere Britsch West-Indische Eilanden ook moge schijnen, bij vergelijk hunner sedert eeuwen door Koninklijke charters of vrijbrieven gevestigde constitutiën en privilegiën van eigen bestuur, heeft echter, _het is thans algemeen erkend_, veel beter beantwoord en tot welvaart geleid dan de vertegenwoordigende Regeringsvorm dit op _Jamaïca_ doet, hoewel de omstandigheden waarin het Eiland _Trinidad_ na de emancipatie door gebrek aan arbeid enz. verkeerde, niet minder moeijelijk waren dan die van Jamaïca.
Hier dient echter opgemerkt te worden dat die Koloniale Raad voor een groot gedeelte uit de meest invloedhebbende en welgestelde kolonisten wordt gekozen en dus een dadelijk belang in het behoud der koloniale industrie heeft; dat hij _met open deuren beraadslaagt_ en dat de begrooting en vaststelling van de ontvangsten en uitgaven onder de _censuur_ van de vrije dagbladpers geschiedt, weshalve hij, hoezeer niet door het volk gekozen, wel degelijk aan het publiek verantwoordelijk is en steeds alles deed wat in zijne magt was om de hulp en medewerking der Hooge Regering te verkrijgen tot het bevorderen van immigratie, uit de koloniale middelen en door leeningen, welke onder waarborg van den Staat op gunstige voorwaarden gedaan werden, waardoor dan ook duizende immigranten van de _West-Indische Eilanden_, _Madera_ en _Britsch-Indië_ derwaarts gebragt werden en de bevolking, gedurende de 24 jaren na emancipatie, van 42,000 tot omtrent 70,000 is toegenomen, terwijl de uitvoer van 1842 tot 1862 meer dan verdubbelde.
Ook bewijzen de laatstbekend geworden parlementaire opgaven tot 1862, dat men er steeds, _met gegronde hoop op de toekomst, onder de zorgvuldige leiding en door tusschenkomst van de Regering, voortgaat_ met immigranten in te voeren en in welvaart toe te nemen.
_Britsch-Guiana_ (vroeger de Hollandsche koloniën Essequebo, Demerary en Berbice), met slechts omtrent 140,000 zielen op meer dan 70,000 vierk. Eng. mijlen uitgestrektheid, is, sedert het aldaar na de emancipatie ondervonden verval van landbouw-industrie, door den invoer _van omtrent honderd duizend Immigranten_, weder tot vroegere productie en welvaart opgekomen; de daartoe vereischte, voor die Kolonie zoo reusachtige inspanning en uitgaven konden natuurlijk niet zonder een ijverig en onvermoeid zamenwerken van 't bestuur met de belanghebbende planters verkregen en tot een goed einde aangewend worden, en 't is daarom voor ons doel van belang om aan te wijzen, _dat_ en _waardoor_ die heilzame zamenwerking grootendeels _in de grondslagen_ van dat bestuur gelegen zijn; het is namelijk te zamen gesteld uit een wetgevend ligchaam van tien leden, hetwelk nog de oud-Hollandsche benaming draagt van "_Hof van Policy_" en door den Gouverneur der Kolonie wordt gepresideerd; de leden van dit ligchaam zitten voor de helft ambtshalve, zij zijn: _de Gouverneur_, _de Opperregter of President van 't Geregtshof_; _de algemeene of koloniale Secretaris_; _de Attorney-General of Procureur-Generaal_ en den _Administrateur-Generaal_, terwijl de overige vijf leden door een collegie van kiezers uit de ingezetenen, worden benoemd.
Dit hof van Policy nu wordt jaarlijks, gedurende eenige weken, tot het vaststellen der koloniale begrooting bijgestaan door zes afgevaardigden uit de verschillende districten; men noemt ze: "_finantial representatives_" en zij worden, even als de leden van het _kiezers-collegie_, door regtstreeksche stemming gekozen.
Hetgeen echter in deze constitutie bijzonder tot behoud der Kolonie heeft bijgedragen, "gedurende" en "na" het moeijelijke overgangs-tijdperk van slavernij tot vrijheid, is, dat de leden van het hof van Policy (volgens de _oud-Hollandsche_ bepaling van 1774, waaraan deze instelling haar ontstaan heeft te danken), moeten zijn "_Colonieren_" eene benaming of qualificatie die men tot geluk der Kolonie, onder de bekrachtiging van later door de Britsche Regering uitgevaardigde besluiten, heeft aangenomen, en beschouwd als gelijkstaande met planter of in de Kolonie wonenden plantage-eigenaar, en waardoor het eigenbelang der voornaamste ingezetenen op krachtige wijze, ter bevordering van de middelen tot instandhouding van de groote landbouw-industrie, en dus van de algemeene belangen, is dienstig geweest. De _finantiële vertegenwoordigers_ echter worden, even als de _kiezers_, zonder bijzondere qualificatie van stand of eigendom gekozen, de eerste voor den tijd van twee jaren, de laatste voor het leven of gedurende den tijd van hun verblijf in de Kolonie.
Om eene stem bij de regtstreeksche verkiezingen te mogen uitbrengen moet men belasting betalen over een inkomen van ten minste 139 ponden sterling of directe belasting van 5 pond sterl. 's jaars. Vacatures in het hof van Policy, door de tweejaarlijksche aftreding van het oudste lid, door sterfte of op andere wijze ontstaande, worden aangevuld door keuze, _uit eene dubbele benoeming_, welke door het _collegie van kiezers_ aan het _hof van Policy_ wordt ingezonden; bij het staken der stemmen heeft de _Gouverneur_ eene dubbele stem.
De discussiën bij de jaarlijksche te zamenkomst tot vaststelling der begrooting, zoowel als die van het hof van Policy, geschieden met open deuren en zijn natuurlijk aan de onbeperkte kritiek van het publiek onderworpen.
Nu heeft de ondervinding bewezen, dat, terwijl in alle geldzaken, de vijf koloniale leden van het hof van Policy, benevens de zes finantiële vertegenwoordigers, een meer dan voldoende waarborg tegen overdrevene, ondoelmatige of onnoodige uitgaven zijn, wanneer die door het uitvoerend gezag soms werden voorgesteld, die invloed nimmer strekte om voorstellen tot wezenlijke verbetering of ontwikkeling van den landbouw en de nijverheid der Kolonie, hoe kostbaar en moeijelijk ook, te belemmeren, ja dat zelfs veelal de voorstellen tot aanvoer van arbeiders, het daarstellen en verbeteren van openbare werken, enz., van de koloniale leden in het hof van Policy en van de finantiële vertegenwoordigers zijn uitgegaan.
Het verdient hier dus overweging dat, terwijl de _ruime toepassing_ van den vertegenwoordigenden regeringsvorm thans als de voornaamste oorzaak is aan te merken, dat er tot instandhouding van het schoone en vruchtbare eiland _Jamaïca_ niets is gedaan kunnen worden, het zeer eenvoudig te zamen gestelde, volgens vaste regelen door de Kroon benoemde koloniaal bestuur op _Trinidad_ wonderen heeft verrigt, tot herstel van 't geen ten gevolge der emancipatie in verval was geraakt, en dat onder dit bestuur binnen een twintigtal jaren zoowel de bevolking als de industriële welvaart schier zijn verdubbeld.
Wij gelooven dan ook dat het tegenwoordige koloniale _Bestuur van Suriname_ door eenige belangrijke wijzigingen in deszelfs grondslagen en attributen, _met even gunstigen uitslag_ werkzaam zou kunnen zijn als dat van _Trinidad_. Dewijl echter de meer uitsluitend bij _Suriname_ te vergelijken oud-Hollandsche Koloniën _Demerary, Essequebo en Berbice_, onder hunne op _Engelsche leest verruimde_ instellingen van eigen-bestuur, ontegenzeggelijk de grootste bezwaren zijn te boven gekomen, welke bij een uitgestrekt, zeer heet en vruchtbaar keerkrings-gewest, bij enorme aan den grond verbonden kapitalen, door gebrek aan tot geregelden veldarbeid genegen handen, kunnen ontstaan, en er ook met het oog op de verschillende zich meer en meer teekenende plaatselijke Koloniale belangen, goede redenen zijn om den vertegenwoordigenden Regerings-vorm, zoo veel dit in de bestaande omstandigheden _raadzaam_ is, tot grondslag _voor het Bestuur_ van _Suriname aan te nemen_, daar bovendien _van een wel ingerigt, onder toezigt der Hooge Regering werkend, eigen bestuur_, die inspanning en opofferingen te wachten zijn waardoor, met Gods zegen, de Kolonie van geheel verval te redden en eene betere toekomst te verwachten is, zoo hopen en vertrouwen wij dat bij de samenstelling _van het nieuwe Regerings-Reglement_, dit beginsel zal voor op staan en dat, bij vermijding van het omslagtige, veel zal overgenomen worden van 't geen bij onze buren door eene ondervinding van omtrent 25 jaren na emancipatie, goed bleek te zijn.
Zoo doende zal het koloniaal bestuur, wel verre van door de vertegenwoordigers der goede ingezetenen _in den Kolonialen Raad_ belemmerd of tegengewerkt te worden, onder de leiding en voorzitting van bekwame en menschkundige Gouverneurs, het _Opperbestuur in Nederland_ ontlasten van de meeste _dier zaken en bemoeijingen_, welke, beter en met minder kosten voor de schatkist, in de Kolonie kunnen overwogen, beschikt en afgedaan worden.
En hiermede sluiten wij de opmerkingen en aanbevelingen, welke uit sympathie met de West-Indische Koloniën en ten nutte van den Staat door ons gemaakt en gegeven werden, vertrouwende dat bij de belanghebbenden, zoowel in _Nederland_ als in de Kolonie _Suriname, uit tegenspoed en nood_, de eendragt, het zelfvertrouwen en de voortvarendheid zullen geboren worden, welke onmisbaar zijn om de vele moeijelijkheden te boven te komen, die hen bij hunne pogingen tot instandhouding van de groote landbouw-industrie wachten en die—_wij hopen het nog altoos_—bij ernstig tijdig aanzoek hunnerzijds, door _de leiding_ en _dadelijke hulp der Regering_, geheel overwonnen zullen worden.