De opheffing van de slavernij en de toekomst van Nederlandsch West-Indie

Part 2

Chapter 23,334 wordsPublic domain

Immers de middelen ter dekking van immigratie-kosten, welke ten bedrage van drie millioen aan subsidiën en omtrent twee en een half millioen uit eene belasting op de huur-contracten waren aangewezen, werden met een pennestreek tot één millioen aan subsidiën teruggebragt en daarmede de hoop en waarschijnlijkheid op het behoud van de Surinaamsche landbouw-industrie in gelijke verhouding verminderd.

Immigratie aan den ondernemingsgeest van bijzondere personen overgelaten, en alleen gedurende de vijf eerste jaren na de opheffing der slavernij door premiën aangemoedigd!—

Wat zal het gevolg zijn van het in de wet opnemen van deze tot verderf leidende veronderstellingen omtrent hetgeen door bijzondere personen _kan_ en _zal_ gedaan worden en van onredelijke beperking ten opzigte van den tijd en de middelen welke noodig zijn ter uitvoering van datgeen, wat hier, door _een goed en krachtig koloniaal bestuur, kan en behoort gedaan te worden_?

Wij kunnen ter beantwoording daarop, slechts herhalen, wat reeds van Regeringswege in de Memoriën van Toelichting en Beantwoording, met andere woorden is gezegd.

Door het _initiatief_ en de _leiding_ der immigratie-zaken aan het Opperbestuur der Koloniën te ontnemen, of wel door die, zonder de dadelijke tusschenkomst van dat bestuur, aan de zwakke, onzekere en meestal weinig menschlievende pogingen _van het eigenbelang_ over te laten, wordt het _algemeen belang_, hetwelk in de wetsontwerpen zoo duidelijk door de Regering was voorop gesteld, geheel miskend en uit het oog verloren.

Het _algemeen belang_ toch, bestaat in dit geval (_ook met het oog op de belangen der pas van slavernij ontslagenen_) in het behoud der groote landbouw-industrie, zoo veel mogelijk door instandhouding der bestaande plantages. De verpligting tot het sluiten van werk-overeenkomsten op de onder Staats-toezigt geplaatsten was dus voorgesteld, zoowel om hen nog voor een tiental jaren, _ook tot hun eigen welzijn, onder geregeld toezigt, aan een billijk beloonden arbeid te houden_, als om, door middel eener belasting, gedurende dien tijd _door den huurder op de contracten te betalen_, den aanvoer van nieuwe werkkrachten en de vermeerdering der bevolking te helpen bevorderen, door welken maatregel alle belanghebbenden, zoo veel mogelijk in verhouding tot hunne behoefte aan arbeid, tot het verkrijgen daarvan zouden bijgedragen hebben, _om het even of ze inboorlingen_ of _immigranten mogten te werk stellen_.

In een woord, de Regerings-voorstellen bedoelden een _algemeenen maatregel ten algemeenen nutte_, zoo als eene immigratie waaraan alle planters zouden bijdragen en een ieder hunner, zonder vrees voor misbruiken of teleurstellingen, in verhouding zijner behoefte zou kunnen deelen, onbetwistbaar mag genoemd worden, terwijl eene _aanmoediging door premiën bij den aanvoer, berustende op den speculatiegeest_ van bijzondere personen, slechts een zeer eenzijdige en gebrekkige maatregel is, _die, ten zij het toezigt daarop, door krachtige leiding en ondersteuning der Regering werkdadig gemaakt worde, tot groote misbruiken leiden en mislukken zal_, al bedroegen die premiën ook vijfmaal de daarvoor bepaalde som en al waren die ook over een tijd van twintig jaren beschikbaar gesteld, in plaats van de thans bepaalde geringe som over vijf jaren,—_een tijdperk veel te kort_, om iets van belang te doen tot aanvulling der werkkrachten die, niettegenstaande het Staats-toezigt, al spoedig _na den 1 Julij 1863_ op de plantages zullen te kort schieten.

Maar bovendien, op welken grond is de door niets gewaarborgde veronderstelling door de meerderheid der Tweede Kamer aangenomen, dat door het uitloven van premiën, de voor de Regering zoo zeer gevreesde moeijelijkheden tot het verkrijgen van vrije arbeiders, voor bijzondere personen _niet_ of _in mindere mate_ zullen bestaan en overwonnen worden?

Dezelfde belemmeringen, welke de ijverige en krachtige pogingen van _Fransche_ en _Engelsche plantage-eigenaren_, tot het aanvoeren van arbeiders naar West-Indië voor eigen rekening onmogelijk maakten, bestaan toch minstens in gelijke mate voor onze West-Indische belanghebbenden en daarom wat is er anders te verwachten dan dat bij de eerste pogingen dezerzijds blijken zal, dat de beste en voornaamste bronnen voor den veld-arbeid in _Suriname_, namelijk de _Westkust van Afrika_ en _Britsch-Indië_, zonder eene zeer werkzame tusschenkomst der Regering geheel gesloten blijven, en dat in _China_, op _Madera_ en de _Azores_, de bestaande verordeningen ook ten onzen opzigte gehandhaafd worden, waarbij alleen onder dadelijk toezigt of door tusschenkomst van een Consul of Gouvernements-Agent de aanhuring en afscheping der inboorlingen wordt toegestaan.

Wel is 't ons bekend dat, naar aanleiding van het verlangen, nu onlangs door de Regering der Noordelijke Amerikaansche Staten te kennen gegeven, om zich zoo veel doenlijk op geschikte wijze van de zwarte en gekleurde bevolking aldaar te ontdoen, bij velen de hoop ontstaan is, dat van daar als van zelve een voldoende aanvoer van geschikte arbeiders naar _Suriname_ zal plaats hebben, maar gesteld dat die lieden genegen zijn om naar _Suriname_ te verhuizen, dan is het toch te voorzien, en om der menschheid wille ook te hopen, dat zij alleen door de dadelijke hulp en leiding en op door de wederzijdsche Regeringen goedgekeurde voorwaarden, uitgevoerd zullen worden, indien het boven onze verwachting blijken mogt, dat zij met voordeel _tot plantage-arbeid in Suriname_ te gebruiken zijn en _dat zij daartoe vaste huur-contracten_ voor zeker getal jaren sluiten willen, zoo als, ter vergoeding van transport- en andere kosten, van alle immigranten moet gevorderd worden.

Ook heeft de Minister van Koloniën het in eigenaardigen spreektrant gezegd:—"_Wanneer de leiding en rigting der immigratie niet van de Regering uitgaat, dan zal er een tijd komen, waarin geen_ werkkrachten worden aangevoerd, en er zal een stilstand en gaping ontstaan die men te laat zal betreuren.—"

Wanneer men nu overweegt, hoe de elders verkregen ondervinding heeft bewezen, dat die _gaping_ al spoedig een groot gedeelte van productie en welvaart zal doen verzinken; dat, bij een voortdurend "_laissez aller_" der Regering, de eene plantage na de andere zal verlaten worden, tot dat _die gaping een afgrond_, een niet te herstellen, wanhopige toestand van armoede, verwildering en zedelijk verval zal geworden zijn; dat niet te min de kosten van bestuur, bij dat algemeen verval, eerder toe- dan afnemen zullen, en dat het daaruit volgend jaarlijks toenemend te kort, door subsidiën uit de Staatskas, zal aangevuld moeten worden, dan behoeft het geen verder betoog, _dat deze bezuinigings-maatregel_ der Tweede Kamer, en dit toegeven der overige Regerings-magten, onder de kostbaarste dwalingen behooren, welke tot heden op ons koloniaal gebied plaats vonden.

* * * * *

Tot slot dezer beschouwing van 't geen uit de amendementen op de grondbeginselen der Regerings-voorstellen te verwachten is, moeten wij nog eenige woorden zeggen over de wijziging van art. 33 _Regerings-voorstel_, als art. 27 in de wet opgenomen.

Die wijziging namelijk betreft de _al_ of _niet_ toepasselijkheid van een jaarlijks door de Regering goed te keuren tarief van taak en loonen op hen die onder Staats-toezigt zijn geplaatst.

In het Regerings-voorstel was bepaald:

Art. 33. "Met uitzondering van strafarbeid, wordt alle arbeid waarvan in deze wet sprake is, tegen loon verrigt, dat, even als de arbeid zelf, van Gouvernementswege bij tarief wordt geregeld."

Art. 27,—thans wet, bepaalt echter:

"Met uitzondering van strafarbeid, wordt alle arbeid op Gouvernements-plantages of bij werken van algemeen nut, tegen loon verrigt, dat, even als de arbeid zelf, van Gouvernementswege bij tarief wordt geregeld.

"De bepalingen van dat tarief gelden ook voor plantage-arbeid ten behoeve van bijzondere personen, in geval bij overeenkomst geene andere bedingen zijn gemaakt."

Nu volgt hieruit, wat waarschijnlijk _door den voorsteller van het amendement niet voorzien is_, namelijk dat, _bij de verpligting om werk-overeenkomsten te sluiten_,—_die voor de onder Staats-toezigt geplaatsten, in de wet, art. 24, behouden is_,—de toegestane vrijheid, om zoo mogelijk met bijzondere personen overeenkomsten te bedingen welke niet op het tarief berusten, veel onzekerheid en onrust zal doen ontstaan, en dat uit de daaruit te verwachten eischen van onmogelijk te betalen loonen, stilstand en ontevredenheid volgen zullen, die slechts door onophoudelijke tusschenkomst van 't bestuur en soms niet zonder dwang, te voorkomen of te onderdrukken zijn.

Bovendien in _Britsch-Guiana_ en elders heeft de ondervinding geleerd, en 't ligt ook in den aard der zaken, dat de belanghebbende planters en eigenaren zullen opzien tegen de zorgen en kosten, aan den aanvoer, verzorging en acclimatisatie van vreemde arbeiders verbonden, en dat zij dus _zoo lang_ en _zoo veel_ mogelijk door aanbod van loonen _hooger dan bij tarief voor vreemde arbeiders bepaald, de werkbaren_ uit de vroegere slavenbevolking, van hunne buren zullen lokken om die op hunne plantages in dienst te stellen, waaruit, even als dit elders plaats vindt, buitensporige opvoer van loonen en noodlottige teleurstellingen volgen zullen, terwijl de krachtige en gelijkwerkende pogingen tot aanvoer en bekostiging van nieuwe arbeiders, zoo als die in het Regerings-voorstel tot behoud der Kolonie beoogd werd, daardoor vertraagd en verlamd worden.

Het blijft dus, met het oog op de treurige gevolgen die uit dit alles te voorzien zijn, voor den voorsteller der amendementen even als voor den Minister van Koloniën, eene betreurenswaardige zaak, dat de Regering niet van haar regt gebruik gemaakt heeft, om bij 't verdedigen der wetsvoorstellen, _ook zonder dadelijke terugneming daarvan_, eenige dagen tijd van beraad op de amendementen te nemen: zoodanig uitstel toch, zou tot vragen en onderzoek geleid hebben van hetgeen de voorsteller dier amendementen, _met zijn stelsel van premiën en het eenvoudig toezigt der Regering op den aanvoer, zoowel als met zijn vrij beding van loonen bij gedwongen overeenkomsten tot arbeid_, eigenlijk bedoelt. Door verdere gedachtenwisseling en toelichting, zou de onmogelijkheid van een gunstig resultaat, _op de strikte naleving dier bepalingen gebleken zijn_ en waarschijnlijk zouden, door toevoeging van eenige woorden, _de bij amendement voorgeschreven artikelen_ zoodanig gewijzigd zijn, dat het Opperbestuur, _ook krachtens de letter van de wet_, het noodige zou hebben kunnen doen om, bij de vervulling van een duren pligt, een schoone parel aan 's Konings kroon te behouden.

Ongaarne en als tegen onzen wil voelden wij ons geroepen _op zoo bepaalde wijze_ de amendementen af te keuren, waardoor de moeijelijke overgangstoestand van slavernij tot vrijheid, zoo zeer verzwaard, en de toekomst voor Suriname zoo zeer verduisterd zijn; daar wij het toch niet betwijfelen dat die, _hoezeer ook onzes inziens met onbegrijpelijk zelfvertrouwen_, niet te min met eerlijke bedoelingen en alleen met het oog op 's lands finantiën zijn voorgesteld en volgehouden; en daar wij gaarne gelooven dat 's Ministers wankelen en toegeven, hier gedeeltelijk is toe te schrijven aan zijne vrees van door het terugnemen der wet en het daaruit te verwachten nog langer uitstellen van de emancipatie, eene groote verantwoordelijkheid op zich te laden, waarvoor hij (hoe ongegrond ook de zienswijze moge wezen) schijnt teruggedeinsd te zijn.

* * * * *

Echter, bij het algemeen stilzwijgen hieromtrent komt het spreken ons pligtmatig, de publiciteit ons hoogst nuttig voor, en daarom, hoezeer ook door de wetenschap van al het boven aangehaalde, _de hoop op eene betere toekomst_, vooral met opzigt tot _Suriname_, eene bittere scherts moge schijnen,—beschouwen wij, wat bij eene _verstandige uitvoering_ en _inachtneming_, van de onvoldoende en belemmerende wets-bepalingen, door verschillende middelen kan gedaan worden, om onze schoone West-Indische Koloniën voor geheel verval en alzoo tevens den Staat voor toenemende subsidiën te behoeden.

In de eerste plaats willen wij daartoe opsommen _wat onzes inziens_ door het Opperbestuur in acht genomen en wat al dadelijk in 't werk gesteld moet worden, om zoo veel doenlijk wanorde, stilstand en achteruitgang te voorkomen; en, in de tweede plaats, willen wij in korte trekken aantoonen wat soort of vorm van bestuur wij vermeenen voor onze West-Indische Koloniën als de beste te mogen aanbevelen.

Zoo behoort dan, onder geen voorwendsel, de op hoogstens tien jaren vastgestelde termijn van het Staats-toezigt, voor Suriname verkort te worden; ieder jaar verkorting daarvan zal onberekenbare schade voor de industrie en welvaart der Kolonie, en dus indirect voor de Nederlandsche schatkist, zijn; evenmin behooren, om de redenen reeds gemeld, enkele arbeiders vóór dien termijn daarvan te worden ontslagen. 't Zij nogmaals bij wijze van waarschuwing herinnerd, "dat, ten zij met vaste hand het tienjarig Staats-toezigt over alle de van slavernij ontslagenen zonder onderscheid gehandhaafd wordt, er zeer spoedig na den 1 Julij 1863 groote ongeregeldheden en stilstand van veldarbeid volgen zullen."

Verder dient eene zeer ruime uitlegging te worden gegeven aan de bedoeling der bij de wet bepaalde _uitloving van premiën en het toezigt door de Regering op den aanvoer van immigranten te houden_, ten einde de pogingen van bijzondere personen of genootschappen ten deze _op den regten weg_ te leiden en krachtig te beschermen; ook behoort, door het sluiten van traktaten of overeenkomsten en door 't aanstellen van Gouvernements-Agenten, de aanwerving en verscheping van vrije arbeiders uit China, Britsch-Indië, West-Afrika en Madera mogelijk gemaakt te worden. 't Zij nogmaals herinnerd, dat zonder dat, alle pogingen tot het aanhuren van plantage-arbeiders mislukken moeten, en tot groote teleurstelling en verliezen zullen leiden.—

Wat de Noordelijke Staten der Unie betreft, hoezeer wij reeds als onze meening te kennen gaven dat van daar geene geschikte plantage-arbeiders voor _Suriname_ te bekomen zullen zijn, zoo betwijfelen wij daarom de mogelijkheid niet, om aldaar eene _kolonisatie_ door vrije zwarten en kleurlingen uit Noord-Amerika tot stand te brengen; het zal echter blijken, dat ook daarbij het Opperbestuur op dadelijke wijze tusschenbeiden zal moeten komen, zoowel ter verzekering van eene goede keuze als ter wering van grove misbruiken, en dat het zich in dat geval genoodzaakt zal zien, door aanwijzing van geschikte gronden en het nemen van voldoende politie-maatregelen, de vaste en geregelde vestiging dier lieden te verzekeren en mogelijk te maken.

Wat men eindelijk omtrent de moeijelijke quaestie der loonen dient in acht te nemen?

Het komt ons voor dat aan het Koloniaal Bestuur hierin veel ruimte moet gelaten worden, zoo als de daaromtrent in de wet opgenomen bepalingen dit onzes inziens veroorloven en uit de noodzakelijkheid zal volgen.

Met uitsluiting van de tot strafarbeid veroordeelden, die zonder loon werken, zullen, in de eerste plaats, de door het Koloniaal Bestuur voor eigen behoefte aangehuurde arbeiders betaald worden volgens het voor taak en loon bepaalde tarief, en, in de tweede plaats, zullen allen die met bijzondere _personen_ geene bepaalde overeenkomsten tegen _hooger loon_ hebben kunnen sluiten, gehouden zijn, zich met het bij dat tarief bepaalde loon als minimum tevreden te stellen.

Maar nu is niet opzettelijk aangewezen of hetzelfde loon ook betaald zal worden aan hen, die, na eenigen tijd in ledigheid te hebben rondgezworven, overeenkomstig de wet bij werken van algemeen nut in dienst worden gesteld. Het komt ons echter niet twijfelachtig voor, dat, wanneer het bestuur zich ter handhaving van de wet en tot behoud van rust en orde genoodzaakt mogt zien, meer arbeiders in dienst te nemen, dan ten goede kunnen aangewend worden, de loonen daarbij te betalen, zoo veel lager zullen gesteld moeten worden, als noodig is om de onwilligen te nopen tot het sluiten van werk-overeenkomsten met bijzondere personen tegen het bij tarief bepaalde loon.

Wat aangaat de dadelijke of zoo spoedig mogelijk te nemen maatregelen, zij zijn hoofdzakelijk de volgende:

1º. Verdeeling der Kolonie in districten, indien dit terwijl wij schrijven al niet reeds geschied is.

2º. Benoeming van ambtenaren over die districten onder den titel van Landdrosten of Kanton-regters ter administratie van politie en justitie in 't algemeen, en ter waarneming van de werkzaamheden en pligten, welke ten opzigte der onder Staats-toezigt verkeerenden en Immigranten in de hoofdtrekken door de emancipatie-wet zijn aangewezen.

3º. Opheffing van het heemraadschap, _als thans_ reeds overbodig en bij het opheffen der slavernij _geheel_ onbruikbaar, daar, in den nieuwen staat van zaken, volgens letter en bedoeling der wet, alleen bezoldigde en niets met het bestuur of bezit van plantages te doen hebbende ambtenaren, de tot heden aan het heemraadschap verbonden magt zullen mogen uitoefenen.

4º. Het aankoopen of oprigten in de districten, van gebouwen voor _politie-stations_, waarbij geschikte woningen voor Landdrost en politie-beambten, arrest-kamers of tijdelijke gevangenissen, boothuizen en booten, of wel stallingen met de noodige muildieren of paarden, al naar de plaatselijke omstandigheden, het verkeer en transport te land of te water verkieselijk maken, en zoo veel mogelijk centraal gelegen, ten einde met de minste moeite over het geheele district of de bijeen gevoegde districten, gemeenschap te kunnen houden.

5º. Het oprigten van district-scholen en hospitalen, indien niet door het ondersteunen van bestaande of het daarstellen van meer geschikte scholen en ziekenhuizen ten behoeve en op gezamenlijke kosten van twee of meer plantages, op voldoende wijze in de algemeene behoeften van het district kan worden voorzien.

6º. De krachtige ondersteuning der Moravische broeders ook door bijdragen uit de koloniale kas, ter bevordering van het door hen met even veel oordeel als liefde aangevangen godsdienstig en schoolonderwijs, of, mogt dit voor de geheele bevolking niet voldoende zijn, het aanstellen van bevoegde onderwijzers en leeraars door 't Koloniaal bestuur.

7º. De belangrijke uitbreiding en verbetering der geregelde bezoldigde politie.

8º. Het aanleggen van een penal-settlement of strafgevangenis in verband met bouwland en boschgronden, ter voorziening zoo veel doenlijk in eigen onderhoud, door het kappen van timmerhout, het maken van singels en het aanplanten van grondprovisiën, zoo als dit in _Britsch-Guiana_ plaats heeft.

9º. Het aanschaffen van eene weinig diepgaande _stoomboot_ met sterk stoomvermogen, ten einde spoedig en ten allen tijde een vijftigtal gewapende manschappen tot handhaving van 't gezag naar de meer afgelegen punten der Kolonie, zelfs hoog op de rivieren te kunnen verplaatsen.

10º. Het compleet houden der militaire bezetting op ten minste acht honderd man, gedurende de eerste jaren na de afschaffing der slavernij, waarbij bovendien verondersteld wordt eene goed georganiseerde politie van omtrent 200 man, over de Kolonie verspreid.

11º. Het organiseren der schutterij te _Paramaribo_, zoodat die, ter bescherming van goed en leven aldaar, bij afwezigheid van het garnizoen, te zamen gesteld zij uit burgers _die iets te verliezen hebben_. Immers is, in geval van oproer of verzet onder de zwarte bevolking, in of nabij de stad, eene kleine, doeltreffend gewapende en in het gebruik dier wapenen wel geoefende magt, van bekende ingezetenen, niet alleen veel minder omslagtig en kostbaar, maar ook _in eene Kolonie_ verre te verkiezen boven den grooten hoop van onwilligen en onverschilligen die niets te verliezen hebben, waaruit die thans voornamelijk is te zamen gesteld, en, volgens de tegenwoordige bepalingen van schutter-pligtigheid, na de opheffing der slavernij meer en meer zou gaan bestaan.[3]

[3] De zeer practische maatregelen, daaromtrent sedert eenige jaren te Demerary in werking, verdienen onzes inziens de aandacht; de ingezetenen worden er zoo min mogelijk met gewone diensten van rust-bewaring of politie lastig gevallen, maar de gegoeden zijn als vrijwilligers bij een eigen gekleed en gewapend jagerbataillon, en de minder gegoeden bij een door de Kolonie gekleed en gewapend schutters-bataillon ingedeeld; beiden komen zelden anders dan ter oefening bijeen.

12º. Het organiseren van eene plattelands- en plantage-politie, uit de meest geschikte hoofd- en ambachts-lieden onder de vrije kleurlingen en zwarten en onder de pas van slavernij ontslagenen; ten welken einde die lieden, door een nummer of ander teeken om den hals of arm onderscheiden en van een staf of eenvoudig wapen voorzien, tot rust-bewaarders binnen hunne respective districten kunnen worden aangesteld, onder eede van getrouwe opvolging der bij een kort reglement daaromtrent voor te schrijven bepalingen, en tegen betaling uit de Koloniale kas _alleen dan_ wanneer zij, op bevel van den _Landdrost_, in dringende gevallen tot extra diensten buiten de grenzen van het district mogten geroepen of gezonden worden.

13º. Het aanwijzen _volgens daartoe door het Opperbestuur vast te stellen regeling_, van geschikte gronden voor kolonisten, zoowel als voor de van slavernij ontslagenen en immigranten, na _afloop van 't Staats toezigt of de door hen aangegane overeenkomsten tot plantage-arbeid_.

14º. Het regelen der armverzorging en het aandeel daarin door de huurders der onder het Staats-toezigt geplaatsten te dragen, door het verleenen van huisvesting of op andere wijze.

15º. Het maken van eene algemeene politie-verordening in verband met de beloofde en thans aanhangige regeling op de regterlijke organisatie in de Kolonie _Suriname_.

16º. Van eene verordening regelende den werkkring, de regten en verpligtingen van de ambtenaren met de regterlijke administratie en politie in de districten belast, in verband met bovengenoemde, spoedig te verwachten organisatie.

17º. Van eene verordening, regelende de regten en verpligtingen tusschen meester en arbeider of huurder en verhuurder en van den aard en duur der geschreven en mondelinge overeenkomsten tot huisdiensten of plantage-arbeid.

18º. Van eene Verordening ter regeling van de geneeskundige verzorging der bevolking ten platten lande en in het bijzonder van de onder het Staats-toezigt geplaatsten en Immigranten op de plantages.

19º. Van eene Verordening ter regeling van hetgeen op de plantages behoort gedaan te worden ten opzigte van woningen, scholen en hospitalen, zoowel als ten opzigte van reinheid en goede afwatering der gronden rond de arbeiderswoningen, en op welke wijze zal voorzien worden in de contrôle daarop.

20º. Van eene Verordening tegen landlooperij en verspreide onwettige nederzettingen, waaronder ook het tijdelijke gebruik, ja zelfs de overtredingen van behoorlijk afgebakend land of water, door daarop te gaan jagen of visschen, met boete of gevangenis kan gestraft worden en waartoe de thans bestaande verordeningen niet voldoende zijn.[4]

[4] Hierin zou de Trespass-act van _Britsch-Guiana_ ten leiddraad kunnen dienen.