De opheffing van de slavernij en de toekomst van Nederlandsch West-Indie

Part 1

Chapter 13,247 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. Tekst in superscript | | is als normale tekst weergegeven. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling (met/zonder accent, | | met/zonder koppelteken, met/zonder spatie) zijn behouden. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+

DE OPHEFFING VAN DE SLAVERNIJ EN DE TOEKOMST VAN NEDERLANDSCH WEST-INDIË.

DOOR

A. D. VAN DER GON NETSCHER.

#OCTOBER 1862.#

'S GRAVENHAGE, #GEBROEDERS BELINFANTE.#

Snelpersdruk van GEBROEDERS BELINFANTE, _'s Gravenhage_.

Eindelijk dan heeft het ontwaakte pligtgevoel gezegevierd en is, trots alle bezwaren, de lang verwachte dag van vrijheid vastgesteld.

Den 8 Augustus jl. werden de in November 1861 door den Minister LOUDON aangeboden en later door den Minister UHLENBECK overgenomen Emancipatie-ontwerpen, na in de Tweede Kamer der Staten-Generaal belangrijke wijzigingen te hebben ondergaan, door _'s Konings_ handteekening tot Wet verheven, en is in de _Staatsbladen_ no. 164 en 165 de voor onze nationale eer zoo welkome tijding bekend gemaakt: dat den 1 Julij 1863 de slavernij in Nederlands West-Indische Koloniën geheel zal ophouden te bestaan.

Ook had de afkondiging daarvan in die Koloniën al spoedig plaats, en werd die, zoo als te verwachten was, met vreugdegejuich en zonder de minste rustverstoring door de slavenbevolking vernomen.

Van harte juichen wij met die bevolking en met de duizende menschenvrienden, die daartoe met woord of daad bijdroegen, niet alleen omdat de slavernij in beginsel onregtvaardig en ten opzigte van den slaaf, zelfs bij de beste wetsbepalingen, dikwijls zeer drukkend en wreed is, maar ook omdat die op den duur den meester bederft, de ontwikkeling der Kolonie belet en den Staat onteert, die het daaraan onvermijdelijk verbonden dwangstelsel bescherming verleent.

Het is echter meermalen en te regt gezegd, de opheffing der slavernij is eene even moeijelijke als gewigtige zaak, want met de afkondiging der vrijverklaring is slechts het eerste woord gesproken en nog weinig tot wezenlijk heil voor de vrijgemaakten gedaan, terwijl daarmede, vooral in Suriname, de algemeene belangen in hooge mate op het spel gezet en die van duizende kolonisten en andere belanghebbenden zeer benadeeld, ja welligt tot onherstelbaar verval gebragt zijn.

Daarom dringt zich thans weder met klimmenden ernst de vraag op, wat zal de toekomst van Nederlandsch West-Indië zijn, die geheel nieuwe, zóó zorgwekkende toekomst der Koloniale Maatschappij en Nijverheid, waarvan tot heden de slavenstand een zoo veel leven en welvaart gevend gedeelte uitmaakte? Is er grond _in de, na zoo veel overweging en uitstel, nog met overijling aangenomen wetsbepalingen_, om die met vertrouwen te gemoet te gaan?

In het antwoord der Tweede Kamer _op de troonrede, den 23 September jl. door den Koning uitgesproken_, wordt, § 5, de hoop te kennen gegeven:

"dat de afschaffing der slavernij zal medewerken tot opbeuring van onze West-Indische Koloniën, uit den toestand van kwijning en verval, waarin deze vruchtbare gewesten sinds lang verkeeren." En die geheel ongemotiveerde en met de verklaringen en toelichtingen der Regering zoo geheel strijdige hoop, "_lokte geen discussiën uit_!"—

Voorwaar, een sterk bewijs van onverschilligheid of van lijdelijk berusten in eene door eigen toedoen vermeerderde duisternis en onzekerheid van toekomst; "_wij hopen_," zoo luidt het, terwijl het had _kunnen_ en _moeten_ zijn: "_wij hebben alle reden om te hopen, om te verwachten_," want wij hebben de met zóó veel vertrouwen en overtuiging door de Regering gevraagde middelen toegestaan.

Wat ons betreft, wij kunnen het niet ontveinzen, wij zijn in gemoede overtuigd en bewust die overtuiging met alle deskundigen te deelen, dat deze door de Tweede Kamer te kennen gegeven hoop niet door de onderhavige Emancipatie-wetten gewaarborgd wordt, maar dat integendeel, ook blijkens hetgeen door verschillende Ministers van Koloniën nu en vroeger is aangetoond, althans voor hen die in de nijverheid en welvaart van Suriname belang stellen, zeer moeijelijke en treurige tijden te wachten zijn, terwijl tevens de noodzakelijkheid van belangrijke jaarlijksche subsidiën bestendigd is.

In de Memorie van Beantwoording, door den tegenwoordigen Minister van Koloniën, gegeven op de overwegingen en opmerkingen, welke in de afdeelingen der Tweede Kamer omtrent de door hem overgenomen _wets-ontwerpen_ gemaakt waren, leest men, pag. 1, zijne verklaring:

"dat hij de uitvoering daarvan met vertrouwen op zich neemt, _wanneer de grondslagen waarop de geheele economie der wet rust, onaangeroerd blijven, en niet worden onthouden of bekort de middelen, door welke te zijner tijd de geregelde uitvoering van een zóó scherp ingrijpenden maatregel alleen mogelijk zal zijn_."

Ook was bij verschillende gelegenheden door Regering en meerderheid der wetgevende magt, de zoo aanhoudend betoogde noodzakelijkheid van Staats-toezigt en Immigratie als gelijktijdige maatregelen met de afschaffing der slavernij zoodanig openbaar erkend, dat de grondslagen waarop de Regerings-voorstellen rustten, althans in naam en volgorde onaangeroerd bleven, en (blijkens de in het _Journal des Débats_ en andere nieuwsbladen voorkomende loftuitingen) is door de oppervlakkige beoordeelaars het verschil niet ontwaard, dat er bestaat tusschen de wèldoordachte, op kennis van zaken rustende wets-ontwerpen, en de thans tot wet verheven, door de Tweede Kamer voorgeschreven vrijverklaring.

Zien wij dus wat daarvan is, vooreerst om, door het openbaar constateren en herinneren van feiten, te doen uitkomen dat het verval eener schoone Kolonie en de daaruit te verwachten noodzakelijkheid van eindelooze subsidiën meer is toe te schrijven aan het verzuim van tijdige maatregelen ter vervanging van den slavenarbeid, dan aan de opheffing der slavernij, en, in de tweede plaats, ten einde _zoowel in 't algemeen belang als in dat van 't zwaarbeproefde Suriname_, door eene duidelijke bekendmaking der ramp die het in 't aannemen der amendementen getroffen heeft, te beter te kunnen aanwijzen, wat nog met de ten dienste staande middelen tot behoud en ontwikkeling kan gedaan worden.

De beschouwing der vier eerste artikelen van de wet, in tegenstelling met die van het Regerings-voorstel, is daartoe bijna voldoende; want de algemeene grondslagen, waarop die wet berusten moest, waren duidelijk en op logische wijze geheel in de vier artikelen opgenomen en aangetoond, terwijl de overige artikelen slechts strekken ter bepaling der middelen van uitvoering.

Art. 1 wordt, zoo als oorspronkelijk in het door den Minister LOUDON aangeboden wets-ontwerp was voorgesteld, aangenomen, en _daardoor_ is _op den 1 Julij 1863_ de slavernij in de West-Indische Koloniën voor goed opgeheven; maar reeds in

Art. 2, waarbij, "aan de eigenaren van slaven, ter zake van de opheffing der slavernij, _vergoeding_ wordt toegekend" is het woord "vergoeding" door _tegemoetkoming_ vervangen, daar men meende, in betere overeenkomst met die uitdrukking, den Surinaamschen planter twee derden van de hem in billijkheid toekomende en in het _algemeen belang_ voor immigratie toegewezen ondersteuning, te kunnen onthouden en de zeer matig gestelde vergoeding voor de slaven-eigenaren op St. Martin geheel willekeurig van 150 tot 30 gulden per slaaf te kunnen verminderen; hoe echter die _tegemoetkoming_ ook de eigenaren moet voldoen van de kinderen der slavinnen, die _na_ de afkondiging der wet in de Koloniën, maar _vóór_ de opheffing der slavernij 1 Julij 1863, _dat is gedurende omtrent tien maanden_, zullen geboren worden, zal den gelukkigen eigenaar, die intusschen voor huisvesting en onderhoud van kraamvrouw en kind moet zorgen, wel een even onverklaarbaar en onaangenaam raadsel blijven, als de redenen der herleiding van ƒ150 vergoeding tot ƒ30 tegemoetkoming, dit voor de begenadigden van St. Martin moeten wezen.

Wij vermeenen echter dat het den verongelijkte en verarmde Kolonisten niet ten kwade te duiden is, wanneer zij, bij de zoo bitter te leur gestelde hoop op de billijkheid der Nederlandsche Volksvertegenwoordiging, deze economie eene schandelijke oneerlijkheid noemen.[1]

[1] Zie den brief, namens de eigenaren op St. Martin bij hun Adres aan de Eerste Kamer der Staten-Generaal overgelegd; daar wordt de uitlegging alsof hunne slaven, _regtens_ of _feitelijk, door verklaring, erkenning of toedoen der meesters zouden zijn vrij geworden_, eene opzettelijke miskenning der waarheid genoemd, "ten einde _eene schandelijk oneerlijke politiek_ te volgen" (_for the adoption of a shamefully dishonest policy_).

Art. 3. Volgens het Regerings-voorstel:

"De krachtens art. 1 vrijgemaakten, staan van 1 Julij 1863 onder een bijzonder toezigt van den Staat _voor den tijd van tien jaren_."

Door de meerderheid in de Tweede Kamer is het woord "_hoogstens_" vóór de woorden "_tien jaar_" geplaatst; daardoor echter wordt op eene in 't oog vallende wijze de bedoeling van 't Staats-toezigt, zoo duidelijk en volkomen in het wets-ontwerp ontwikkeld en aangewezen, geheel ontkend, en om alles daaromtrent nog meer op losse schroeven te zetten en de uitvoering van de wet zoo moeijelijk mogelijk te maken, heeft diezelfde meerderheid het geheel nieuw artikel 20 ingeschoven, waarbij "_de Gouverneur van Suriname wordt bevoegd verklaard, om de vrijgemaakten, die zich door zedelijk gedrag en arbeidzaamheid gunstig onderscheiden, van het Staats-toezigt te ontslaan_."

Ten blijke hoe zeer daardoor de derde grondslag der wet is ondermijnd en verzwakt, en welke nadeelen daarvan, zoowel door den tegenwoordigen Minister als door zijnen voorganger, zijn aangetoond, wijzen wij op de Memorie van Toelichting, pag. 5, alwaar gezegd wordt:

"dat de Regering het behoud van dit toezigt bij de aangeboden wets-voordragt, _vóór Suriname onmisbaar_ acht;" en op pag. 14: "Het ontslag van het Staats-toezigt voor enkele is strijdig met de oeconomie dezer wet.—Op den vollen duur van tien jaren berust het contracten-stelsel, dat den band daarstelt om de vrijgemaakten aan het werk te houden, en den grondslag uitmaakt der finantiële berekeningen, tot dekking van een gedeelte der kosten van Immigratie; _daarop kunnen geene uitzonderingen worden toegelaten zonder het verband der wet te verzwakken_."

Maar ook in de Memorie van Beantwoording komt voor, pag. 4:

"dat het verleenen van de bevoegdheid, om eerder van het Staats-toezigt te ontslaan, _de geheele oeconomie der wet zou verbreken_;

"dat het, vooreerst, toch eene voorwaarde van het voorgedragen stelsel is, dat de landbouw in stand blijve en zoo mogelijk nog meer worde ontwikkeld; dat, verleende men nu de verlangde vrijheid, het in het oog valt hoe alleen de geschikte werklieden van de uitzonderings-bepalingen het genot zouden hebben, en wel ten nadeele van den landbouw, terwijl de plantage-eigenaren ten laatste niets meer zouden overhouden dan de _non-valeurs_;

"dat, ten andere, eene onbillijkheid zou worden gepleegd jegens de plantage-eigenaren, omdat zij ten opzigte hunner onderhavige bevolking, bestaande uit bekwamen en onbekwamen, verpligtingen hebben te vervullen, welke hun zijn opgelegd met het oog op de diensten die zij voornamelijk van de werkbaren trekken;

"dat, in de derde plaats, de wensch om het familie-leven te bevorderen, veelal illusoir zou worden gemaakt; want, naar het voorbeeld van zoo vele anderen, zouden de geheel, men mag zeggen vervroegd vrijgemaakten, zich zeer vermoedelijk aan eene losbandige levenswijze overgeven _en zich onttrekken aan den invloed van Christendom en beschaving_."

Het is waar, in de zitting der Tweede Kamer van den 4den Julij, verklaarde de Minister van Koloniën desniettemin, geen bezwaren te hebben om het woord _hoogstens_ in het artikel op te nemen en, na in de zitting van den 8sten Julij nog te hebben verdedigd het beginsel dat het Staats-toezigt voor _allen_ even lang moet werken, gaf hij in diezelfde zitting te kennen, dat hij geene overwegende bedenking had tegen de opname in het ontwerp, van het door den heer VAN BOSSE voorgestelde en na des Ministers verklaring aangenomen artikel 20. Maar dit toegeven mag, gelooven wij, toegeschreven worden aan de vrees des Ministers van door het vasthouden aan een punt, hetwelk, _niettegenstaande_ alle voorafgegane toelichtingen, in _zijn_ oog slechts van ondergeschikt belang scheen, _het geheele Staats-toezigt te verliezen en mag dus aangemerkt worden als het gevolg van zedelijken dwang_.

En wat zal nu het gevolg zijn van dit miskennen der ondervinding, en de daarop gegronde zoo ernstige, zoo deugdzame betoogen en voorstellen der Regering?

De Gouverneur van Suriname, door duizende aanvragen bestormd, zal, wanneer hij slechts aan één enkele daarvan gehoor verleent, spoedig genoodzaakt zijn het geheele Staats-toezigt op te geven; want toestaan aan enkelen en weigeren aan anderen, op grond van minder geschiktheid of goed gedrag, waar echter de getuigenissen van allerlei gehalte als zoogenaamde bewijzen nimmer ontbreken zullen, zal ondoenlijk zijn, of, wanneer met kracht daaraan gevolg gegeven wordt, onvermijdelijk tot groote moeijelijkheden en botsingen leiden. Veronderstelt men daarentegen het toestaan van alle de door getuigenissen van goed gedrag gesteunde aanvragen, dan zal het natuurlijke en reeds door de Regering aangewezen gevolg daarvan zijn, dat het Staats-toezigt alleen over het armste, onzedelijkste en minst bruikbare gedeelte der bevolking blijvende, de belanghebbende huurders weigeren zullen om enkel de zoodanigen in dienst en op hunne plantages te houden, waardoor het Staats-toezigt, in deszelfs _hoofdbedoeling_ mislukt, tot _een verdubbelden en gedeeltelijk doelloozen last_ voor het bestuur zal worden en steeds toenemende uitgaven voor den Staat zal veroorzaken.

Bij hen die deze verminking der Regerings-voorstellen doordreven zal het dan heeten, dat het _Staats-toezigt in Suriname_ evenmin heeft kunnen beantwoorden als het _apprenticeship_ dit in de Britsche Koloniën gedaan heeft. Want zij die nooit begrepen noch wilden erkennen dat het _apprenticeship_ en het door de Regering voorgestelde Staats-toezigt twee zeer verschillende toestanden zijn[2], zij zullen waarschijnlijk ook niet erkennen, dat _door, overeenkomstig de bedoeling der voorstellers_, uitvoering te geven aan de zoo gevaarlijke en bezwarende conditionele bevoegdheid, bij het Staats-toezigt den Gouverneur van _Suriname_ opgedragen, de uitkomsten van dit Staats-toezigt onzekerder dan ooit worden en hemelsbreed verschillen moeten van die, welke uit het door de Regering voorgestelde te verwachten waren.

[2] De apprentice-Neger bleef _bij zijn ouden Meester_, tegen voeding, huisvesting en kleeding, den hem aangewezen, doch bij wet bepaalden arbeid, minstens vijf dagen in de week, _zonder loon verrigten_, behoudens dadelijken dwang en lijfstraffen voor onwil of verzuim, _ook door den Meester_, terwijl bij den onder Staats-toezigt geplaatste, de keus van Meester vrijstaat en niets wat naar lijfsdwang zweemt buiten den bevoegden regter kan geschieden, en op billijken grondslag loon naar arbeid verzekerd is.

Art. 4 volgens het Regerings-voorstel:

"De Regering regelt, leidt en ondersteunt immigratie van vrije arbeiders gedurende tien jaren, te rekenen van den 1 Julij 1863."

Door de Tweede Kamer is hier echter een geheel ander beginsel aangenomen en, op 't voorstel van den heer VAN BOSSE, is als volgt voorgeschreven:

Art. 4. "De vrije kolonisatie van _Suriname_ wordt van Staatswege aangemoedigd.

"Voor den aanvoer van vrije arbeiders in _Suriname_ worden van Staatswege premiën uitgeloofd, gedurende hoogstens vijf jaren na afkondiging dezer wet.

"Het gezamenlijk bedrag der premiën kan de som van een millioen gulden niet te boven gaan.

"De voorwaarden, welker vervulling noodig is om aanspraak op uitbetaling dier premiën te verkrijgen, worden door Ons vastgesteld, en het toezigt, op den aanvoer door de Regering te houden, wordt door Ons geregeld."

In de Memorie van Toelichting komt onder anderen voor, pagina 6:

"Dat de noodzakelijkheid om in het gebrek aan werkende handen, door den aanvoer van vreemde arbeiders te voorzien, voldoende bewezen is, door de gevolgen welke de vrijverklaring der slaven in de meeste Fransche en Engelsche Koloniën en in het bijzonder in het naburige _Britsche_ en _Fransche Guiana_ heeft gehad, en door de maatregelen welke door de Regeringen dier landen genomen zijn, om zelfs met groote geldelijke offers den aanvoer van vreemde arbeiders te bevorderen; dat die noodzakelijkheid niet is te betwisten en, hoe bezwarend deze aanvoer van arbeiders ook wezen moge, _daardoor alleen_ eene betere toekomst aan de Kolonie kan worden verzekerd; dat, met het oog op de door den druk bekende, in _Britsch-Guiana_ opgedane ondervinding, welke het _onvoldoende_ en _geheel verkeerde heeft aangetoond van alle particuliere ondernemingen tot aanvoer van arbeiders, de Minister_ van oordeel is, _dat de Immigratie in Suriname_, zelfs onder overigens goede algemeene regeling, _niet met gegrond uitzigt op welslagen aan particulieren kan worden overgelaten, maar dat de Regering de leiding daarvan dient op zich te nemen_, enz.;

"dat de regeling en leiding der Immigratie door het Gouvernement, waarborgen geven tegen speculatie-zucht, die bij de verhuring en den overvoer van arbeiders veelal plaats vindt, wanneer deze aan particuliere personen, voor eigen rekening handelende en derhalve aan een veelal kortzigtig eigenbelang, worden overgelaten;

"dat daarenboven de Regering, door deze taak op zich te nemen, zal voorkomen het drijven van vermomden slavenhandel, waartoe particuliere ondernemingen, zoo als de ondervinding heeft geleerd, maar al te zeer aanleiding geven, en waaruit groote verwikkelingen kunnen ontstaan, terwijl hare bemoeijing een waarborg zal opleveren tegen misrekening en teleurstelling bij de ondernemers en Immigranten, waardoor de Immigratie geheel zou kunnen mislukken tot groot nadeel, _ja! welligt tot ondergang der Kolonie_; dat de Minister zich overtuigd houdt van de mogelijkheid om door eene doelmatige emancipatie-wet de schromelijke gevolgen te vermijden, welke het verzuim van geschikte maatregelen in andere Koloniën heeft te weeg gebragt; dat hij daarom niet terugdeinst voor de te verwachten moeijelijkheden, maar de op hem rustende taak met vertrouwen aanvaardt, _voor zoo ver namelijk de vier grondslagen, waarop de geheele oeconomie der wet berust, onaangeroerd blijven_."

Op pag. 8 der Memorie van Beantwoording betoogt de Minister weder de noodzakelijkheid:

"dat de Regering de regeling en leiding der Immigratie steeds in handen houde," en volhardt hij bij het beginsel: "om het subsidie voor de Immigratie als een gedeelte der vergoeding aan te merken, _wijl anders het verband der wet verbroken wordt_."

Op pag 16 der Memorie van Beantwoording wordt andermaal gewezen op de noodzakelijkheid:

"van Immigratiën, onder de leiding der Regering" en betoogd: "dat de som van drie millioen (daartoe voorgesteld), met de voorgedragen vergoeding _slechts een gedeeltelijk herstel is_ voor het verlies dat den belanghebbenden door het vrijmaken hunner slaven wordt toegebragt, terwijl zij bovendien strekt tot instandhouding eener schoone en productive Kolonie, _die zonder dat_, voor Nederland zou verloren gaan."

In de zitting der Tweede Kamer van 3 Julij zegt de Minister van Koloniën: "wanneer die leiding en rigting (der Immigratie), niet van de Regering uitgaat, dan zal er ook een tijd komen, waarin geen werkkrachten worden aangevoerd en men, _hoezeer te laat_, zal in zien, dat eene _gaping_ is ontstaan, die nadeelig op de Kolonie terugwerkt en die men te laat zal betreuren;

"dat alleen de bijzondere toestand waarin de Koloniën verkeeren, aanleiding geeft tot, ja zelfs voorschrijft, het van Staatswege leiden en bevorderen van den arbeid, omdat anders te vreezen is, dat die stil zal staan _en daaruit de schromelijkste gevolgen zullen te wachten zijn_.

"De Regering zou zich, werd de oeconomie der wet door amendementen verbroken, bezwaard gevoelen deze wet tot stand te doen komen."

De Minister verdedigt verder het voorgestelde systeem van immigratie (in de zitting van den 5 Julij), en geeft te kennen:

"dat het voorstel van den heer VAN BOSSE, om dat systeem te doen vervallen en de immigratie door premiën ten bedrage van _hoogstens slechts een millioen_ aan te moedigen, inbreuk maakt op het _Regerings-beginsel_ en op de _oeconomie der wet_" en nogtans, _trok de Minister de wet niet in_,—zelfs niet nadat het amendement ter geheele wijziging van art. 4 en ter weglating van het daarop passende vijfde hoofdstuk was aangenomen, _waardoor het Regerings-beginsel met de geheele oeconomie der wet verbroken en omver geworpen zijn_.

Nu is het niet te ontkennen dat 's Ministers toegeven tot deze treurige uitkomst veel bijdroeg, doch wanneer wij in aanmerking nemen hoe zijne bij herhaling te kennen gegeven overtuiging door _zoo velen_ zonder de minste bedenking, voor die van verscheiden leden der Tweede Kamer werd ter zijde gesteld; hoe de _meerderheid der Tweede Kamer_ stemde voor de verminking van wetsontwerpen, die, alhoewel na rijp overleg en ter vervulling van door haar zelve erkende behoeften te zamengesteld, ongelukkig onder eene afgetreden Regering werden aangeboden, dan doet zich de vraag op, aan wie de schuld, op wie de verantwoordelijkheid? en het antwoord daarop, hoe wij ons dit ook voorstellen, bevat helaas! zeer weinig ter geruststelling in 't gevaar waaraan het lot van duizenden en de welvaart of het verval van kostbare Koloniën, door zoo wisselvallige invloeden en zoo weinig overwogen amendementen zijn blootgesteld.

Hier toch werd door een zeer onverwacht bij de opening van de discussiën opgeworpen, amendement, zonder toelichting omtrent de bedoeling van den voorsteller, zonder een enkel bewijs der mogelijkheid van het daarbij voorgesteld middel van uitvoering, het zwakke oogenblik der Regering waargenomen, om aan het Opperbestuur het zoo noodzakelijke, zoo onontbeerlijke initiatief van maatregelen tot behoud eener schoone Kolonie te ontnemen.