De Oogst

Part 6

Chapter 61,935 wordsPublic domain

--'k En zal haar nooit meer zien, dacht hij.

De pikkers stapten haastig, door klaar en donker, altijd voorwaards, al werden zij ook doodmoe en afgemat. De zon en de arbeid had hun leden gemagerd, hun vel verbrand, en nu geleken zij een drom arme sukkelaars, weggejaagd uit het warme zomerland en langs een naakte bane uitgeschud.

Zij haakten allen gelijk naar de zelfde richting en gingen met uitgerokken hals en slepende beenen, met de vracht van al het afgedane werk in het lijf en de verwachting van nog veel vermoeienis eer ze voor goed de rustplaats zouden vinden. De zon en deerde hen niet meer, 't was feesttij nu ze de armen vrij mochten laten zwieren, enkel hun rustend alm te dragen hadden en met de beenen maar grijpen moesten.

Daar kwamen zij weer in de groote stad en 't was eene nieuwe verhemming en vreugde. Ze slenterden door de straten, kiezend met de oogen in al de weelde die daar zoo goed opgesmukt en koopziende achter de toogramen lag.

Kretse stond het rood koralen halssnoer te wegen in de hand, dat hij koopen moest voor zijn Karolientje. De anderen kozen en dongen bij de tentkramen en kochten elk wat hem lustte van sneukelgoed en glasjuweelen, of speelgoeds voor wijf of jongens, of zoetelief een welkom. Dat staken zij met zorg bij hun oude kleeren en werkalm in den blauwgestreepten tweezak en hingen hem met veel voorzichtigheid op den rug.

Nu liep de weg recht naar hun land. Bezijds, uit andere straten kwamen nog benden pikkers die meer naar oost of west van 't werk naar huis keerden. Zoo groeide de drom tot een overgroot leger en zoo kortten zij, gezellig koutend onder elkaar, te zamen denzelfden weg. Achter een langen tijd landlooperije werd de oude streek weer kennelijk: zij noemden bij den naam van 't dorp al de kerktorens die langs de bane en verder in het landschap stonden.

Die goede, grijze, gezapige kerktorens, die in hun zelfde aanschouwelijkheid daar staan wachten waren zonder vergaan, onveranderd van wezen of van doening! Dat was voor de reizigers het kennelijk teeken, het lijf van het vaderland, nu was 't hun land dat ze onder de voeten hadden, het oude land met zijn grijze luchten, waar 't altijd reint en sleint en gauw donker avond is. Ze kenden de menschen nu hier en daar langs den weg en wisselden blijde groeten, en zij telden bij enkele dagreizen den tijd dat ze van huis nog afwaren. Naarmate zij de plaatse naderden klaarde hun gemoed en ze hieven weer de oude liedjes aan. Wies ook zong meê, maar inwendig knaagde en woog de zware last van de droefmare die hij te vermonden had.

--Dàar, die meulen! die hooischuur, van zulk eenen boer! tierden zij. Weet-je nog hoe we hier voorbijgingen in 't voorjaar?

De velden lagen hier groen nog, vei en ongezomerd, overal omheind met groote boomen--de oude popeliers! en hier en ginder vonden zij kennissen op 't land die, met de late warmte nu maar hun koornstukje aan 't pikken waren.

Aan elke kruisstraat sloeg een deel van de bende een zijweg in en ging naar eigen dorp of woonst. Zoo verbrokkelde stilaan de groote stoet tot de oude makkers alleen nog te gare bleven.

Een groote zegeschreeuw ging op.

--Zie, dáar onze kerktoren!

De oude steenklomp stond er nog lijk ze hem verlaten hadden, met scherpe naald waarrond de huizen, lijk arme menschen tegeneen gedromd, in de ronde geschaard stonden. De kerktoren! hij was gepint met den grooten meitak voor de kermis.

Gelijk een vuurmare ging het nieuws: de pikkers zijn in 't land! De vrouwen kwamen benieuwd buiten kijken, liepen verslaafd op zoek om man of broeder of kennis te ontmoeten en te verwelkomen. Maar de kerels zaten verdeeld in de herbergen, overal: hier in de "Meerschblomme," in den "Koekoek", in de "Veugelmuite" of elders.

Bier, bier! veel bier moesten zij hebben. Ginder in 't loeiende vuurland hadden zij de longen verschulferd aan veel brandewijn, en nu liep het koele gerstnat, dat ze zoolang gederfd hadden, lijk een goede lafenis door de keel.

Jongens, jongens, jongens, We zijn nog niet dood. Ja 't en is geen nood, Bijlange nog niet dood!

ging het overal, en bij reken liepen de kerels gearmd door de straten van 't eene bierhuis naar 't andere. Het kleine dorp, even nog zoo rustig, was nu vol gewoel en beweging en leven.

Waar kan men beter zijn . . . . . . . . . . . . . Dan in ons moeders keuken!

Zij lieten de deuren open om hun gezang ver te laten hooren.

Wies drumde langs de huizen tot aan zijn woning, sprong te midden den huisvloer.

--Moeder, moeder, 'k ben hier!

Hij wierp zijnen zak van den schouder en zette zich moe en tenden, op eenen stoel.

Moeder en Lida stonden blij verrast en wenschten Wies wel tien keeren welkom.

--O, jongen wat zijt ge mager en afgeteerd! kloeg moeder en zij sloeg de handen van verwondering ineen. Zeere, zeere, Lida, eten voor den jongen.

Het vuur in de heerd werd opgerakeld, de pan opgezet en eiers geklutst.

Wies was lijk vervreemd in de kleine, schamele keuken die hem zoo verminderd, zoo eng voorkwam. Hij zette zich bij tafel en begon te eten en antwoordde stil op de menigvuldige vragen waarmede moeder hem overlaadde.

Lida bezag hem soms vreemd in de oogen maar ze zegde niets en hield het hoofd gebogen naar Wies zijn reiszak en haalde er al de kleinigheden uit die heur broeder voor moeder en zuster meêbracht. En zij gebaarde zich welgezind als 't een of 't ander buitengewoon beviel.

--Wies, Wies, jongen, dat ge nu ineens weer thuis zijt, zoo onverwachts, zegde moeder, o, da's wel, en ze bekeek met behagen heuren grooten jongen.

--En de oogst was goed?--en warm was 't zeker ginder? O, w'hebben het gezeid hier ondereen als de zon zoo laaide en gij ginder te werken stond. En hoe stelde het Rik ginder?--waar is Rik? vroeg ze ineens,--nu werd ze eerst verwonderd den makker van Wies niet te zien.--Is hij naar huis, Wies?

Lida rechtte het hoofd en bekeek heur broer om te weten wat hij zou antwoorden.

--Rik, moeder, Rik is ginder gebleven.--En hij keert nooit meer naar huis.

Moeder bleef beeldstil gebogen staan over 't heerdvuur met omgewend hoofd en heure hand hield beweegloos den lepel waarmede zij de melkpap roerde. Lida zat gehurkt nog met Wies zijn kleeren in de hand, met open mond te wachten naar verderen uitleg over die plotselinge kwâmare. Geen van de twee die vragen durfde dat Wies zou voortzeggen en de jongen stond recht en ging, om gerust gelaten te worden, in 't achterhuis gaan staan. Lida kwam hem daar vinden; ze sleurde hem voort bij de mouw naar buiten bij den gevel en:

--Wies, vroeg zij stil, Wies, vertel me de waarheid: wat is er met Rik? en zij schudde hem weer hevig aan den arm.

Zij gingen op het eiken bol zitten en daar vertelde hij haar hoe 't Rik vergaan was in die hevige hitte; dat hij ginder altijd alleen liep al droomend en treurde....

--Alles, alles moet ge mij vertellen! schreeuwde zij angstig.

--In dien eendlijken zonnebrand hoorde ik eenen schreeuw, herbegon Wies, en ik keek om en daar lag Rik achterover, bijkans dood.

--En dan?....

--Hij sprak nog een woord of twee en toen was hij dood voorgoed. Ze voerden hem van 't land, naar een wagenkot, en we lazen binst dat de timmerliên de kiste mieken; dan heb ik hem uitgeleid naar ver op een kerkhof en daar hielp ik hem begraven.

Binst dat Wies vertelde zat Lida met 't wezen gedoken in haar voorschoot stil te snokken aan heur wee; zoo bleef zij zitten als Wies lang gedaan had en de jongen bezag haar met meêlijden en hij had er deugd in omdat zijn zuster weende;--hoe spijtig, dacht hij, om den armen Rik dat hij niet weet hoe Lida verdriet heeft om hem!

Daar hoorde hij de huisdeur openslaan en de schamele stem van een oud vrouwke:

--Cordule, Wies is thuis?! en waar is mijn jongen?

Wies voelde een schok die zijn lijf doordaverde: Moeder Busschaert om heuren jongen! raadde hij en hij zag al het pijnlijke van 't gene komen ging. Lida liet hij zitten weenen en hij vluchtte achter 't huis, over 't veld weg. Hij moest voort van hier en van al dien weedom, hij wilde de maredrager niet zijn van Moeder Busschaert's ongeluk, en hij liep al wat hij kon om het jammerjanken niet te hooren.

Met zulk een langenis had hij gewenscht om thuis te zijn, bij moeder en bij al de menschen die hem kenden, en hier was 't niet te vinden 't geen hij zocht en verwachtte;--daar lagen de velden toegesmoord rondom hem met een dikken mist en alles was dof en treurig. Het oude, goede leven was weg en nu wist hij dat al zijne genegenheid ginder in het verre land gebleven was. Hij had willen dwalen over het kerkhof ginder waar Rik te slapen lag en hij wenschte gedoken te zitten wachten op den donkeren hooizolder naar Aga die komen moest.

Dat uitgaan in 't verre land, en die krachtige poging, al dat wroeten zag hij nu als een doellooze, zotte gekkernij; het verdoen van dien lastigen arbeid was al om niets gedaan en verloren in 't ijle,--het kwaad alleen bleef ervan over.

In zijn verbeelding stond het oude vrouwken te kermen om haar kind, zij wrong wanhopig de armen, gepijnd door het wreed gedacht: dat Rik nu zoo ver van hier, en zoo jong nog, onverwachts, voor altijd gestolen was en ginder verre begraven lag in 't vreemde land,--waar zij nooit naartoe en kon.

De tranen van grammen weedom spatten hem uit de oogen en hij doolde voort, doelloos langs de smalle landwegelkes, eenzaam, ver van de menschen en zot van droefheid. De koelte frischte zijnen koortsigen kop, maar hij zag geen uitkomen aan dien wreeden avond en hij wist niet of hij nog ooit zou durven naar huis keeren.

Onbekommerd in andermans ongeluk liepen de pikkers door 't dorp en vierden voort hunnen blijdag. Tot laat in den nacht ging het luide gebral, op tien plaatsen tegelijk:

't Koorn is af, 't koorn is af! àl het koorn is àf!

De herbergen zaten propvol pikkers en dorpelingen die dronken. De vrouwen kwamen knijzen om haar venten meê te krijgen naar huis, zij trokken hen bij de mouw, tastten hun zakken af om 't geld te vinden, maar de kerels grepen hun glas of een makker in de lenden, en zongen omlangs hoe luider:

En nog naar huis niet gaan! En nog naar huis niet gaan Zoolang als dat de glazen op de tafel zullen staan!

De jongens kropen tusschen vaders beenen, grepen zijnen reiszak en sleurden hem blij tierend meê naar huis, benieuwd naar al de schoone dingen die erin zaten.

Buiten op straat ging een nieuwe bende voorbij:

Jongens, jongens, jongens, we zijn nog niet dood!

De deur vloog open en de makkers malkaar in de armen en stampten op mate:

Waar kan men beter zijn . . . . . . . . . . . . . Dan in ons moeders keuken!

Wij zijn kontent Met een pintje van vijf cent! Laat ons drinken Laat ons schinken En laat ons vroolijk zijn!

Uit een afgelegene herberg ging het luide:

Wij drinken tot dat 't op is! . . . . . . . . . . . . . Als 't op is, dansen wij!

Tegen den morgen toen alleman zweeg en ronkte, neuriede een goede broer zijn dronkaards-liedje voor een geslotene deur:

Moedere doet open, Uwe zoon is hier, Hij heeft hem zat gezopen aan een glaasje bier.