Part 4
--Heeft de zon nu al gedanst? vroeg hij aan Wies. Het scheen hem onmogelijk dat 't nu nog warmer kon worden. 's Nachts en kregen zij zelfs de deugddoende koelte niet meer; geen druppel dauw viel er nog uit de verpulverde lucht. Het was als een tijd zonder dagen: een lange eind gloeiende zonneschijn zonder avond of morgentroost. De donkerte en de sterren, die voortijds zoo goed het hittevuur kwamen blusschen, waren nu versulferd en de hemel sloeg open en toe, gescheurd door benauwelijke bliksemschichten. Voor dag en klaarte kwam de nieuwe hitte weer op zonder ievers trek of gat te vinden om uit te waaien en ze kwam altijd opeenstapelen lijk in een gestookten oven. Wanneer komt er verlossing of koelte? of zullen we hier allemaal verbranden, mijn God! En nievers een einde of uitkomen. De pikkers bleven altijd ingesloten door die wreede omheining van koorn, 't werd of groeide het effenaan weer uit den grond naarmate zij het hier vóor hun voeten neerkapten.
Geen pikker die nog sprak of vertelde op het werk, zij vreesden dien machtigen vijand daarboven en wrochten stommelings voort in de bange verwachting dat een van die stralen hun den dood zou komen aandoen.
Rik voelde zich ziek worden dien laatsten dag en overvallen van een groote flauwte. 's Avonds volgde hij traag de bende naar 't strookot en viel er onmachtig neer op zijn bed.
--Dat ik hier lange mocht blijven zonder dat het nog eens klaar en dag wordt! wenschte hij.
Die korte uren waren hem zoo wonder: hij wist niet meer of 't slapen was of waken 't geen hij deed. Hij woonde weer op zijn dorp, maar durfde het niet gelooven.
Hoe wonder: daar bij de linde stond hij te wachten naar Lida. Hij zag haar komen in 't wit, klare zonnelicht en speurde zoo duidelijk het neigen van heur leden en het wuiven van heur kleeren in haren tred. Heerlijk waaide hier de jonge wind door de nieuwe lente; 't was er deugdelijk koel in het lommer onder de groene blâren.
Wind en schaduw! waren die dingen sinds lang niet dood? Lida bleef hem staan bezien met haar wonder diepe oogen, vragend wat hij haar te zeggen had. Dat was Lida niet meer, de nukkige meid die hem soms trotsch over het hoofd zag, maar wel de goede innige zuster die hem alles wilde geven waarnaar hij langde; Lida die hem danig geern zag en heel zijn leven van bij kende. Hij zocht steun bij haar en liet zijn arm gaan om dat slanke lijf. Daar stonden zij nu aanzicht en aanzicht zóo dat hij heur voorhoofd tegen het zijne voelde leunen. Haar twee handen drukten zijn schouderblaars en hij neep de oogen toe omdat hij haar straven blik en al de goedheid ervan niet dragen of zwelgen kon. Een gevoel van malschheid doorkoelde zijn leden; dat was de kostelijke teug water--hoe frisch--na dien langen dorstigen dag.
--Lida, Lida wat zijt ge goed met mij! in dien warmen zomer ging ik versmachten zonder u.
Nu zij verzadigd was liet hij de armen los en zij prevelde hem in het oor:
--Rik, waarom hebt ge mij overlang niet gezegd dat ge nooddorst leedt, ik wachtte u drinken te geven.
Daar zaten zij beiden nevenseen op de bank. Lida liet zich lui achterover leunen en kruiste de handen om haar opgestoken knie welke bevallig onder de plooien van haar kleeren uitlijnde. Ze waren gansch alleen, het zomerde buiten maar hier hing de zalige zoelte in de lucht en zij voelden de zekerheid van door niemand in hun gezelschap gestoord te worden.
--Dat bevalt mij hier buitenmate, dacht Rik, en we zullen hier lang blijven wonen.
Herhaaldelijk hoorde hij in de verte Wies zijn stemme die riep, maar:
--We laten hem roepen en we luisteren er niet naar, he, Lida?
Lida knikte en nu zag hij heur schoone oogen vol weemoed.
Hij wreef den overgebleven vaak en al de zaligheid uit zijne oogen en in plaats van Lida, stond Wies nu in werkelijkheid vóor hem, Wies die schudde en schreeuwde:
--Toe, jongen! de makkers zijn al lang naar 't veld. In 't eerste verschot, daar vlak vóor de werkelijkheid, ware hij liever dood geweest om te kunnen voortleven in zijn droomwereld. Hij ging toch gewillig meê en volgde Wies. Hij voelde nog altijd de deugd en frischheid van dat groot geluk door zijn lijf en hoopte vandaag met meer gemak de hitte te dragen, verzekerd dat hij was van Lida's groote genegenheid voor hem. Het moest nu, volgens zijne rekening, omtrent de tijd zijn dat ze zijnen brief gelezen had en ze was hem bescheid komen geven! Ze had gemonkeld om zijne ongeloovigheid en zegde hem zoo klaar:
--Vriendschap is zoo een koud ding, dat kennen wij meisjes niet: de minste genegenheid wordt zoo zaan liefde bij ons; wij willen 't al of niets en 't eerste loopt noodzakelijk uit op het andere.
--Hebt ge liggen wachten naar de zon? spotte Sieper.
Rik zegde niets, hij greep haastig zijn pikke en sloeg er dapper mede om zijn achterblijven in te halen.
--Ziet, daar komt ze bovenkijken, zegde Boele, ze blekte zoo rood van den morgen, ze zal dansen vandaag, houdt u kloek, kerels!--z' heeft heur goudgevlimde mutse op, ziet maar!
Vlammende wit zat 't geluchte en daar tusschen de biggelende halmsprietels kwam eene halve zon glinsteren met een haarkrans van gedegen goud bezet. En ze groeide groot bij der ooge, ze nam den nuchteren hemel in en stak hem vol scherpe schikten.
--Nu zal 't eerst lustig worden, riep Sneyer. Ik en de zon! man voor man, t'avond zien we wie er wint en prijs heeft, laat ze maar steken, we kappen te harder!
En de zon stak geweldig, maar de pikkers en vielen niet slak. Zij voelden het nijpen dóor hun lichte, losse kleeren en bijten op hun hoofd, en toch hielden zij stand: ze bogen den kop en de pikke bliksemglimde bij 't op- en neergaan, slag op slag. Met 't groeien van de hitte ging er een razernij door hunne armen en ze hielden sterk de leden. Nog dieper bogen zij naar de eerde, sloten de tanden en lieten het zweet vrij van zich afleken. Een enkelen keer waagde Rik het hoofd te heffen maar hij schrikte voor 't geen zijn oogen zagen. De zon was de bijtend ronde gloeibol niet meer in een zeker punt van den hemel, maar heel de groote luchtkoepel stond in laaie vlam, al hemel en vuur! 't regende geen hitte, 't waren net geteekende lekvlammen die woelden hooge en kwamen spelen tusschen 't koorn, om en nevens hem en over heel het afgeschoren land.
De kerels, Sieper en Boele en de andere overal waar hij keek op heel de rei, ze kapten vlijtig en brulden hun lied door een schorre keel. Hun pikke sloeg eenbaarlijk, ze zwommen in hun zweet, maar de armen zwaaiden zooveel te vlugger al sloegen de laaivlammen hen om 't lijf.
--Nu danst de zonne, meende Rik, wat gaat er met mij gebeuren?!
Een sterke wind kwam die vlammen omwentelen, zij krullen en wrongen slepend nu en weer op! hoog in spitse bliksemstralen kletterend, machtig als feestvuur.
Hij dook diep den kop in het koorn--dat, hoe wonderlijk, daar ongedeerd in de vlamme staan wiegen bleef.--Hij wist zelf niet meer of hij nog voortwrocht of sinds lang omver te rusten lag.
De kerels hun lied klonk nog altijd even vereend en als hij weer opkeek zag hij hen werken, heel ontdaan van hun kleeren, met naakte beenen die dansten hoog op den maatslag van de pikke. Het schemerwankelde al in het ronde, doordaverd van den sterken wind met ratelende slagen soms. Dat beenflikkeren en gezang werd zoo zot, zoo wonderlijk in dien ontzaglijken brand die heel de wereld met kletsend bliksemlicht doorstraalde. Hij wilde roepen naar Wies! naar Boele, naar Krauwel om hulp en bescheid in zijn benauwdheid maar de makkers stonden op uren afstand van hem en hoorden zijn stemme niet. De grond rende onder zijn voeten weg en zijn ooren scheurden van vreeselijk geruchte. Dat was het groote zonnefeest, de zomerdans, de wereld aan 't gruizelbotsen tegen de zon die daar grijpelijk dicht, het koorn ontvlamde.
Rik wist dat 't met hem gedaan was; daar kwam een vuurspits op hem afkletsen en hij viel verdonderd achterover--dan, niets meer.
--Moeder! Moeder! hoorden zij hem schreeuwen.
--Rik ligt gevallen! tierde Wies en liep naar den jongen die buiten kennis lag te glariën naar de zon boven hem.
--Krauwel, kom! zie Rik die ligt dood van eenen zonneslag.
Veel mannen kwamen bij om te zien. Rik lag altijd even kwalijk, maar hij ademde toch. Zij rechtten hem het hoofd, goten hem een teug wijn in zijnen mond, doch de drank bleef pruttelen in zijn keel en liep langs een hoekje van zijn lippen over zijn ontblootte borst.
--De jongen was niet bestand tegen de zon, meende Krauwel 'k heb het gevreesd.
De pikkers werden op 't einde onverduldig; als zij zagen dat er geen verandering bij en kwam gingen zij voort pikken en lieten Wies bij den zieken jongen.
--Rik, recht u; 't zal beteren! Rik hoort ge mij nog? Rik, doe toch eens de oogen open, ik ben hier, Rik, ik uw noodvriend; ge moogt hier niet doodgaan zoover van huis.
Rik roerde niet.
Op het einde werd Wies te zweeten van verlegenheid en angst; hij liep rond, sleepte Rik voorzichtig in de schaduw van een koornstuik, legde een bundel onder zijn hoofd en bleef erbij geknield zitten wachten naar leven en beternis.
Maar Rik zijn aanzicht verbleekte, zijn oogen draaiden zoo moe en pijnlijk, als zochten zij om hulp die niemand geven kon, en al de leden rekten uit en lagen daar lam om nooit meer te roeren.
--Rik, jongen! schreeuwde Wies en hij voelde een groot verdriet in zich opkomen, de tranen rolden met de zweetdruppels over zijn aangezicht. Hij kroop er nu heel dicht bij, legde zijn mond tegen den jongen zijn oor.
--Rik, prevelde hij, Rik, bezie mij toch 'nen keer! Zijne hand tastte op Rik's bloote borst en telde de slagen. En zoo bleef hij wachten naar hetgeen onvermijdelijk komen moest. Die slagen voelde hij van langerhand uitgaan en achterblijven, hij zag het koude zweet uit zijn wezen bersten en die oogen breken, en Rik lag daar uitgestrekt, de magere Rik, zie, zijn beenderige borst en zijn smalle schouders, en dat wollokkig kroezelhaar om dat wit hoofdeken, o, 't was zoo spijtig om den lieven jongen, om die oogen die daar seffens nog zoo zachte, lamzachte keken, hoe ze nu gebroken waren, en onziende.
Wies zat versteend te kijken, hij geloofde er geen woord van dat de jongen nu dood was, voor goed dood om nooit meer op te staan. Hij had hem willen schudden, opwekken uit dien lammen slaap maar hij voelde vrees en een groote vereering voor 't geen nu een lijk was, en hij durfde den jongen niet aanraken. Hij keek rond om hulp. De makkers wrochten onversaagd voort, maar ginder in een werveling van stof kwam dweers door 't koorn, een ruiter aanstormen.
--Quélin, Quélin komt af! riepen de gasten. Zij bogen dieper den kop en wrochten zonder opzien. De groote Boer zat even een reus op zijn eendlijken appelbaaiden hengst en hij keek over het land naar het afgepikte koorn. Hij telde de werkers, bezag hun doening, draaide de oogen naar Wies die bij zijnen makker zat, en naderbij komende, zag hij dat de jongen dood was.
--Is dit uw broêr? vroeg hij.
--Mijn makker.
--Hier seffens gevallen?
--Ja, en Wies keek verwonderd naar den Boer op.
--Hoe heet de jongen?
--Rik Busschaert.
--Leeft zijn moeder nog?
--Ja, Boer!
Quélin keerde zijn peerd en reed zonder nog een woord te spreken.
Wies zag geen einde aan zijn verdriet; Rik lag wel wezenlijk dood nu, hij moest het gelooven, en thuis, thuis hoopten ze op eenen goeden heemkeer. Het speet hem nu den jongen zoo dikwijls begekt te hebben om zijn zwakte en afgetrokken doening, en hij voelde wat een wreede ijlte er in zijn leven zou komen door 't missen van dien kleinen knaap die hem altijd bijbleef en zoo goed in de oogen keek. Hij betastte nog eens--hopeloos alevenwel--die handen en voeten, maar alle leven was eruit.
De groote vliegen kwamen reeds bij en gonsden rond het lijk en Wies moest ze gedurig ervan wegslaan. Met den avond kwam een wagenspan 't land opgereden met twee mannen; zij laadden den dooden Rik erop en reden naar 't pachthof. Al de pikkers volgden; hun bruingebrande en bezweete wezens zagen ernstig en zij spraken bijkans niet. 't Was erger dan uit een slachting dat ze kwamen, halfnaakt, met bloote armen en borst, zoo stapten zij moedeloos achter den wagen.
--De zon is geweldig dees jaar, meende Sieper.
--Heb-je 't nog zoo warm geweten, Krotse?
--En wie zal de lustige mare doen aan den jongen zijne moeder! vroeg Rommelaere.
Niemand en antwoordde en daarmede eindde het gesprek voorgoed.
Twee timmerlieden van 't hof mieken een bloothouten kist, zij wonden Rik in een laken en legden hem erin. Dat gebeurde in de groote donkere schuur bij den sching van twee lantaarns en in bijzijn van al de pikkers die in ronde en zwijgend het werk van de twee timmermans aanstaarden. Als 't gedaan was las de oude Tremmel drie Onze Vaders en de akten van Geloof, Hoop en Liefde;--al de bijstaanders antwoordden mommelend. Wies hield het niet meer uit,--hij dook zich in den donkersten hoek van de schuur, sloeg de handen over zijn aangezicht en weende jammerlijk, huilde zoodat al de ruwe kerels medelijdend naar den jongen omzagen.
In de tent werd Riks boedelzak onderzocht in 't bijzijn van elkendeen; Krauwel telde het geld en de kleerstukken, en met zijn alm werd alles ingeknoopt en gebonden en weggelegd onder de bewaking van eenieder.
De werkbaas bracht Wies een briefken van Quélin om aan den Pastor en Burgemeester te geven en dienzelfden nacht reed hij mede met den lijkwagen door een donkere, ongekende straat naar een vergelegen dorp. Hij zat nevens de kist en keek mijmerend op naar de sterren. De voerman sliep op zijne bank en de peerden stapten statig door den stillen nacht. Het land lag ommelings toegedekt, overgoten met een blauwendigen mist en Wies werd het zoo vreemd dat hij meende, na dien langen lijkgang, uit te komen in een andere wereld of ievers in een spookland zonder menschen. Zijn herte zat nog altijd vol rouwmoed om dat onverwachte ongeluk. "De jongen moest zoover komen om dood en zonder uitgeleid van magen, in een vreemde streek begraven te worden!"
Voor het dagen reden zij langs eene boomlaan het dorp in. De voerman droeg Quélin's getuigbrief bij den burgemeester die zijn toestemming gaf Rik een plaats te geven bij de dooden. Daarmeê reden zij ter kerk. Zij moesten daar wachten voor eene gesloten deur tot op het laatst een pastor kwam die gebeden las over het lijk en nu werd Rik naar 't kerkhof gevoerd. Een oude grafmaker dolf daar onder de linden een diepen put en met hulp van den voerman liet hij de kist erin neerzinken.
't Was uit. De wagen rotterde gelicht van de vracht weer naar huis en Rik lag voor altijd begraven bij een kerk en op een dorp dat hij nooit gezien had. Wies hervatte zijn werk zonder spreken. Niemand die vroeg hoe 't met de begraving vergaan was.
--Ze hebben den jongen reeds vergeten, dacht hij.
Ze waren enkel verheugd omdat de zonne verzacht was en de hemel gekoeld; en daarbij het groot koornveld was nu bijkans af.
--Ho! mannen, dáár is 't einde! riep groote Krauwel. Zij stonden allen op de teenen, reikhalzend over 't koorn te kijken waar ze zagen dat 't werkelijk uit was en een andere vrucht groeide.
Zij tierden van blijdschap als zagen zij daar het lang verwachte voorteeken van eene levensredding en zij kapten te heftiger om aanstonds het einde te naken.
Achter eenige dagen lag het laatste hoekje koren plat en opgebonden. Zij rechtten hun vermoeiden rug, veegden met den blooten arm het zweet van het wezen en overkeken hun werk. Dat eindelooze land lag nu vlak en de stuiken stonden in dubbele dreven door heel de lengte; 't geleek een machtig legerveld. Dien avond vierden zij hunne groote overwinning en brachten hem buitenmate lustig door. Zij dansten en bralden luide hunne liederen en als het laat werd, dan kwamen zij af van het hooge veld, overgoten met den bloedschijn der uitgaande zon, heel bezweet en versleten; zoo geleken zij moe gevochten reuzen in aftocht na een grooten slag. Zij zwaaiden hun glimmige pikken omhoog en tierden met volle kelen den overwinningskreet:
Het koorn is af, het koorn is af! Al het koorn is af!
In hun tent gekomen slokten zij gretig de groote stukken vleesch op, schonken veel brandewijn en legden zich uitgestrekt op het stroo in de ronde om gemakkelijk te kunnen drinken. Zij hieven de glazen hoog en zongen dat 't dreunde het zegelied:
't Koorn is af, 't koorn is af! Al het koorn is af!
Dat leed tot ze in den manesching malkaar niet meer en verkenden en machteloos en buiten zinnen in slaap verzonken.
Wies had dien avond geen drank genaakt en loech geen enkelen keer: hij zat eenzaam te droomen in zijnen donkeren hoek en dacht aan Rik.
's Anderdaags wrochten zij op 't zelfde veld en tastten het afgedane koorn in groote schelven. De droge stuiken wierden verdregen, losgedaan en van hand tot hand gingen zij over waar ze in kringen gestapeld werden, en zoo groeiden, traag in hooge, ronde, zwaar massieve strootorens nevenseen in vier lange reken: een dubbele dreef oogstkoorn die van 't veld tot aan de hofsteê stond. Het werk ging nu weerom lustig; met lichten zwaai deden zij de vorken spelen en de garven vlogen gezwind omhoog boven op den schelf. Des avonds staakten zij weer bij tijden den arbeid en 's zondags namen zij lijk vroeger, hunne uren avondrust. De pikkers liepen de streek af, dansten op voois van Rommelaere's orgel of gingen bij benden naar 't dorp gaan drinken. Wies en was dezelfde jongen niet meer; hij liet de makkers gaan en bleef liefst alleen.
Hij voelde nu, lijk Rik vroeger, een onverzadelijk verlangen om thuis en op zijn dorp te zijn. Een onbewuste droefheid overviel hem in dat vreemde land en hij hoorde of zag noch dacht aan anders niets dan op afreizen, zoo gauw mogelijk. Heel die doening verdroot hem, hij was moe van dat onverbiddelijk zonnegeweld, de menschen staken hem tegen en de makkers waren zoo ongevoelig brutaal en vroegen naar zijn lijden niet. Het ging hem heel goed als ze 's zondags allen weg waren en hij de groote hofdoening verlaten en vrij voor zich alleen had. Dan slenterde hij rond op den drijf naar iets dat hij nievers vinden kon: iemand om mede te kouten over zijn verdriet en zijn verlangens;--maar Rik was weg en anders was er geen ziel om zijnen nood te klagen.
Het groot hof, anders in zoo'n woelige bedrijvigheid, geleek nu een uitgestorven wereld en al dat leven lag nu vastgebonden in slaap. De beesten loeiden meumelend halfluide op stal en de peerden trokken gestadig hun keten door den ijzeren ring. Hier en daar in de verte ging er een mensch die, zonder opkijken, stil voor zich zijn werk deed. Nu en dan vloog een deur open of buischte weer toe. De avond viel daarover als een regenvlaag zoo grauw, en Wies voelde zich van droevigen weemoed overgoten. Hij schreed tukketeenend langs de stallen en kroop diep in eene hooischuur zich verschansen in zijn eenzaamheid. Daar lag hij te glariën in 't donkere. Een langen tijd en hoorde hij geen geruchte, maar dewijl zijn gedachten aan 't vermeien waren met moeders keukengerief en te genieten van verledene winteravonden rond den heerd, zoo hoorde hij nevens in een bijliggende schuur, een oude schorre stem die trage neuriede:
Als de de zurkel schiet, 't is in de maand van Meie. Schieten al de boerkens in een grooten lach. Weg den hutsepot, karoten en pareie; De gestampte taatjes komen voor den dag. En als de pot weer overgaat, Haalt de boer den stamper uit, En als hij aan het stampen gaat Dan zingt hij overluid: Van de rompel de pompel de pom. . . . . . . . . . . . . .
Wies en verademde niet en luisterde gespannen; zijn herte klopte en daarbinnen voelde hij iets jubelen. Hij was weg uit het vreemde land getooverd en zat op Meulemans hofstede bij Belle's heerdvuur aan den koekebak op Kerstdag of Nieuwjaarsavond, Buiten moest het nu zwart donker zijn en fel winteren,--de goede winter!
Die stem was heel grof, 't was het stil grommelen van een ouden vent die traag slepend zijn deuntje zaagt. Maar nooit liedje en klonk hem zoo onverwacht aangenaam; die woorden zegde hij stil mede om er al de deugd van te hebben, en hij twijfelde of 't toch echt gezongen was en niet gedroomd.
Het ging alsaan voort:
Ziet ze staan te rooken, al in de groote teelkens, En op iederen hoek een groote stuit voor elk, En iedereen zet zich bij, al onder de pateelkens, Kiezen zij de zulker voor de keernemelk, En iedereen doet zijn buiksken wel, Zeven schepkens meer of min Daarvan maken zij geen spel En dat gaat er zachtjes in. Van de rompel de pompel de pom.... . . . . . . . . . . . . .
Ik lig hier werkelijk honderdduizend uren van huis, meende Wies, maar wie zingt er hier mijn dorpsliedje? Hij sprong ijlings recht, verlangde dien vent te zien en vanbij zijn liedje te hooren. Hij sloop omzichtig uit de schuur en naderde waar hij meende den zanger te vinden.--Ja, 't was in de haverschuur, hier nevens. Hij lichtte zonder gerucht de houten deurklink, stak zijn hoofd binnen en luisterde. De zanger zweeg, maar hoog op den dilte, hoorde hij dezelfde stem die aan iemand vroeg:
--Waarom bleef-je weer zoolang weg?
En een meisjesstem die verlegen antwoordde:
--'k Heb nu pas gedaan met 't stalwerk.
Dan bleef het daarboven voorgoed stil. Wies stond te dralen in het donker; 't moet een onbekende pikker zijn die hier zijn slaapsteê zoekt, dacht Wies,--maar wie mag er bij hem zijn? 'k Wil toch weten wie hier mijn dorpsliedje zingt. Hij trad binnen, tastte in 't schemerdonker naar de ladder en met drie terden t'eenegader klouterde hij den havertas op. Een brandende lantaarn hing er aan een dakrib en in den rooden schijn daarvan zag hij, even een wonderheid uit een kindervertelsel: een leelijken ouden vent rechtover een mooi, mager meisje, die samen met de kaart speelden. Zij waren alle twee verslonden zoodat Wies gerust kijken kon zonder dat z'het wisten: het spel ging gestadig voort en zij kappelden, deelden en legden de kaarten zonder spreken. Dat meisje vooral was een wonder, iets om zijn oogen te verpaffen van benieuwdheid, het zat daar zoo pertig neergeflokt in 't hooi en heel zijn wezen was een stille gelatenheid, en ernstig bezig in zijn kaarten lijk een kind dat zijn speelpop opschikt.
Toen hij voldaan was met kijken wist hij nu niet of 't best was voorzichtig naar zijnen stroopolk te gaan of hooger opklimmen en dien vent naar uitleg te vragen. Het liedje van de zurkel was hij heel vergeten. Zoo bleef hij nog wat staan zonder besluit toen eene beweging van zijnen arm het stroo deed ritselen. De beide kaartspelers wendden het hoofd en als zij Wies gezien hadden deden zij ongestoord met hun spel voort, zonder nog verder naar hem om te zien. Nu klom hij gerust boven, zette zich nevens hen te kijken, kwansuis met belangstelling voor wie de winst was.
--Waarom hier zoo hoog en alleen komen kaarten in den nacht, peinsde Wies, en hij giste maar altijd naar redens om uitleg voor die zeldzame doening,--bescheed durfde hij niet vragen.
De oude zat op de knieën in 't stroo met een loshangend hemd aan dat open splette op de borst en de mouwen opgerold. De lantaarn lichtte en schauwde de diepe trekken van zijn hoekig wezen en glom over zijn naakten schedel. Zijn slimme oogen staken in twee zwarte holten onder stoppelharige wenkbrauwen en zij volgden nieuwsgierig elke kaart die uitkwam. Zijn spel hield hij vast gesloten in de vereelte handen die beefden en hij stak en herstak al dubbend tot hij er eindelijk éene uitgreep, die hij met den knokigen arm omhoog stak en driftig vooruit wierp. Dan bleef hij met angstige verwondering zitten zien wat er op zou vallen en zijn wezen klaarde of vertrok naarmate hij niet of al tevreden was van 't spel. 't Geluk bleef voor 't meisje en 't kind scheen er niet te blij om; bij elken goeden slag keken zijn groote, blauwe oogen verlegen naar den oude op als om verschooning: dat 't niet met opzet gedaan was. En toch werd hij ongeduldig om het verlies; zijn groote vinger veegde zelf de krijtlijnen uit op het plankje die hare winst moesten teekenen en zijn aanzicht werd al gramstoriger als hij weer slechte kaarten kreeg.