Part 3
De zon stak hooger al en warmde duchtig, en nog altijd op denzelfden maatslag waagden de mannen op hun wijde beenen, en de slag ronkte zingend lijk een windruk die schoer over den grond en altijd nieuwe strepen kaal sneed. Daarbij galmde het in de puurijle vroege zonnelucht van blij getater en gezang: de vroolijke liedjes van thuis. Ze waren hier in hun vrijvreugdige doening en voelden 't genot de leden uit te laten zwieren en door hun vrijblijden kop gonsde het gezond jeugdig levenssap dat met den nieuwen zomer overal opschoot. Zij stonden daar sterk in hun eigen krachten, zonder zorg of kommernis of verlangen naar iets, genoeg en voldaan met hun eigen zelf en rijk in hun eigen spraak en gezang, overmachtig te midden die overweldige, vreemde menigte, zoover van hun huisland.
Boele zong uit zijn forsche keel het goede maaierslied en ginder aan den overkant deed Sneyer al de kerels schaterlachen met zijn zotgeestige spotspreuken. Rik zelf vergat al het droomtriestige van gisteravond en hij werd meegesleept in de uitgelaten blijmoedigheid. Dat was iets dat hij nooit gevoeld of genoten had, die breede doening op het wijde land met al die makkers ondereen. En het werk ging vlug en vroolijk. Hij en Wies en nog andere van de jongsten, raapten het gemaaide groen in bundels, spreiden het met een handigen wrong open op den knie en de bundel stond, even een spits torentje aan den top met een herel toegebonden, te drogen in de zon.
De maaiers stapten gestadig vooruit en sloegen eenbaarlijk; z'en keken noch naar uur noch tijd van uitscheiden, schaars éen die met de oogen den gang van de zon volgde in de lucht. 's Noens, als 't klokske bengelde op 't hof, lieten zij de zeis vallen en spoedden op een loopken naar hun kot. Daar vonden zij veel vleesch en de gekookte aardappels dampend en vervochten er met knappen tand hunnen grooten honger. Daarachter mochten zij een uur uitrusten tot Krauwel teeken gaf van herbeginnen. En weerom was 't maaien tot den avond toe en zoo voort veel dagen achtereen. Dan merkten zij eerst hoe hun staal in de klaver gebeten had: een groote kale vlakte die nu volzet stond met gedroogde gerzing als een slagveld vol kleine, ronde kapeltentjes. Maar vòor hen bleef het altijd dezelfde groene, wiegende zee zonder einde. Op 't laatst werden zij zich thuis te voelen en gewend op dat grootwijde land, alleen onder den hoogen hemel met de schoone zon; 't was of hadden ze ievers elders geen menschen meer of magen die wachtten naar hun weerreis. Z'en vroegen niet voor wie ze wrochten of en verlangden niet naar loon, het voldeed hun alleen dien vredigen slag te slaan met de groene klaver en ze voelden hoe goed het was gerust te leven bij elkaar. 's Avonds vooral kwam de leute boven; na den langen dag en waren zij nooit te moe of te afgemat en voelden nog krachten over voor 't spel. Daar stoeiden de jongsten lijk veulens over het geschoren veld tusschen de tentjes rond achter malkaar en mieken spartelbeende tuimelboomen om het vlugst. Rommelaere haalde dan zijn trekorgel uit en speelde al de kermisdeuntjes van 't dorp. Sieper, Boele en Sneyer en Wies met veel anderen zongen overluid de blijde liedjes mede. Als 't hun te plezierig werd grepen zij elkaar in de leden en dansten zot in de ronde. Tot ze moe en uitgeraasd zich afgelamd lieten neerzakken bij de oudsten die uitgestrekt te rusten hun pijpe rookten.
--Jongens, vermaande de oude Wiezeur, ge krijgt uw beste dagen eerst, de zonne zal gaan gloeien en laat ons maar de zeis mangelen met de pikke, ge zult de dansers zien hijgen! Maar de drieste kerels en lieten er hun leute niet voor en wachtten zonder vrees het voorspelde branden.
Sedert de nachten verzoelden en sliepen de maaiers binnen hun kot niet meer, maar bleven buiten op 't veld uitgestrekt liggen slapen in 't hooi. Hooge boven hun hoofden zaten en pinkelden de sterren in den staalblauwen hemel,--die waren dezelfde van thuis op hun dorp en met die makkers konden zij vrij droomen bachten moeders schuur, in een zomermeerselken te slapen.
Na veel dagen werken lag het groot klaverstuk plat en afgemaaid, maar de boer leidde hen op een ander, even groot, en daar mochten zij op een nieuw herbeginnen. De tijd keerde daar eentonig in zijn vereenzaming zonder afgewisseld te worden door den wekelijkschen blijdag waaraan de pikkers in hun land zoo gewend en verlangend waren. De zondag was hier ongekend, ze wrochten heel den tijd tot tegen den avond en dan kregen zij enkel den overschot van den dag om verzet te zoeken. En zij mieken er vrij gebruik van! Op een vlucht waren zij van 't veld naar hun kot en trokken er haastig hun beste vloeren broek en nieuwen blauwen kiel aan. De meesten gingen om 't grootste plezier en veel menschen te vinden, naar 't bijliggende dorp en deden er hun herte deugd aan veel wijn en luide liedjes.
--Waarom gaat-je niet meê met ons? vroeg Wies aan Rik, ge blijft hier alleen staan droomen als ge daar al dat verzet kunt hebben!
Rik had liever geen zondag gezien, dan dacht hij altijd veel meer aan huis, voelde dubbele deernis in zijn beteuterd leven. Hij zag geern al de makkers vertrekken zonder belust te zijn naar hun verzet;--het beviel hem beter hier alleen rond te slenteren in de velden en op het hof. 't Werd er zoo stil dan en rustig overal rond dien tijd. Daar bleef hij soms staan lanterlullen onder eenen boom, speelde met een stroohalm in 't zand lijk de jongens, of stond met den schouder tegen den hoekmuur geleund te kijken naar de kiekens die hun laatste zaadjes zochten voor het slapen gaan.
Hij ging geern de groote stallen af in heel hun lengte vol koeien en peerden. Daarna trantelde hij weer naar zijn kot gaan futteren in zijn zak daar er veel kleinigheden van huis in staken. De zinkende avondzon en al het goud en stofrood stemde hem altijd weemoedig. Hij dweepte met Lida en vond dat het nu goed zou zijn haar te schrijven. Hij haalde al het noodige uit en kwam in de klaarte zitten, buiten aan de deur van 't kot. Het papier lag over een planksken op zijne knieën en hij hield de potloodpenne gereed, maar hoe hij 't zou aanvangen het haar te zeggen al dat er daar binnen zat, en vond hij niet.
--Lida, ik ben hier alleen in den avond. We leven hier zoo een wonder leven. Zoo ver van u en van huis. Lida, gij zit thuis, alleen, onder den boom, in den avond. Op wien peinst ge nu? Ik zie u zitten alsof ik bij u zate. Zoo klaar uwe oogen en heel uw wezen. Schoone voor mij. Gij en gaat nooit uit mijn gedachten. Bij nachte ook niet. Dat ge wist hoe geern ik u zie. Ik en durfde het u nooit zeggen zoo bevreesd was ik dat gij mij stuur zoudt bekeken hebben en boos zijn op mij.
Hij was nu werkelijk thuis en aan 't praten heel vertrouwelijk met zijn wonder meisje, en hij voelde als bij waarheid al de deugd er van over zich loopen. Zij zat daar stil te kijken, zoo vredevol met die goede deemstering tusschen haar en hem. Wat werd het nu overzalig aangenaam malkaar schaars te verkennen nog in die vallende donkerte. Nu en spraken zij geen woord meer maar ze verstonden zoo goed al wat ze te zeggen hadden. Geluk, geluk met een vrees, een angstigheid om 't eindeke dat er moest mede gedaan maken.
't Was grimzwarte avond reeds als hij opschoot en wist dat 't al leugens waren en zinnenbedrog? op zijn knieën lag het bladje wit papier en daar en stond nog geen letter op geschreven.
De pikkers kwamen half bedronken thuis bij benden en zij bralden woest hun leute uit; zij vielen neêr op hun stroo en raasrulden nog wat bij hun eigen tot ze geweldig aan 't snorken gingen. Sneyer en Kretse waren gewond en bebloed; z'hadden, met nog twee pikkers uit een anderen ploeg, tegen een heele bende inlanders gevochten en gesteken.
--Zondag slaan we ze gruisdood, de spotters! we trekken er allemaal naartoe! Zij zeuren in 't spel en z'hebben daarbij mijn geld gestolen en mijn uurwerk, de deugnieten! vloekte Kretse. De roste dief! hij zal lang achter zijn hoofd zoeken, 'k heb er op getimmerd met mijn boothamer, lijk op een geblutste pikke!
--We gaan erop los met ons pikke, Zondag; met ons pikke, verdomme! hielp Sneyer.
Zwijgen! beval Krauwel, Wies vertelde in 't stille aan Rik den toegang van het wreed gevecht. De dorpelingen waren beginnen spotten met de vreemde pikkers; dan hadden ze samen wat gespeeld, maar als Sneyer vond dat ze zeurden en stolen, dan waren ze opgebriescht en erop beginnen slaan en stampen: z'hadden met een halfdozijn pikkers heel 't dorp omver gestooten.
--Rik, 'k weet nog anders nieuws! 'k heb kennissen van tegen ons dorp gevonden, een grooten ploeg pikkers, die zijn oostwaards op gaan werken; voorzeker vinden wij ze bij 't overgaan naar boer Quélin's koornvelden. Rik, slaapt ge reeds?
--Ja, zei Rik, maar hij zinde altijd wat hij ging zetten in zijnen brief.
Den volgenden zondag zat hij weer op zijn blad papier te dubben. Maar nu moest hij erdoor en hij vertelde in korte reken wat hij hier deed en hoe hij leefde en de groeten van Wies en 't nieuws aan moeder en dat 't met alleman wel ging, dat ze schoon weder hadden en niemand ziek en was. In den ondersten hoek kwam het half weggedoken--een klein woordeke maar--over zijn groote genegenheid. Lida zou wel vatten dat 't heel ernstig en groot bij hem was, maar dat hij zwijgen moest omdat elkendeen 't zou weten.
Hij was niet tevreden over zijn brief, hij zou hem weeral scheuren ware 't niet dat hij vreesde den volgenden nog slechter te maken. Hij plooide hem in den omslag, sliep heel dien nacht bijkans niet van onrust en 's morgens voor den dag stond hij gereed om den peerdeknecht te spreken die den brief zou meêdragen en in de stad bestellen. Rik sprak schoon aan den kerel, gaf hem wat stuivers voor den vrachtkost en beval den brief toch wel zorg te dragen om hem niet te verliezen of te vergeten.
--Zeker niet, beweerde de knecht. Zie, hij zit hier wel geborgen onder mijnen hoed, als ik in de stad kom draag ik hem recht naar 't posthuis, betaal er den stempel en hij is op weg!--Juu!
De peerden waren voort; maar de kerel was nog maar den draai om, hij monkelde en grijnsde tusschen den tanden:
--Die simpele jongen! met zijnen brief! 't is zeker naar zijn meiske dat hij schrijft. Ware 't geen zonde Gods al dat geld te verteren aan dat papierken?!
Hij haalde den brief van onder zijnen hoed, verfrommelde hem tusschen de grove handen en kauwde hem tot smoes in zijn mond.
--'k Zal wijn koopen met den jongen zijn stuivers, dacht hij, en hij verdronk het geld in een kroeg onder weg.
Rik wrocht heel den dag blijgemoed en zong en schuifelde omdat Lida nu algauw zou te weten komen van zijn groote begeerte en dat hij zou mogen naar huis keeren nu in de blijde verwachting van heuren kostelijken glimlach.
Met overdanig geweld en na langen tijd kregen de maaiers een einde te zien aan hun klaverveld. De boer zegde hun dat 't laatste áf was.
--Borre en Labbe, ge zult gij getweën morgen in de vroegte uitzetten naar Quélin, de koornboer, zei Krauwel tegen de twee pikkers, zeg hem dat we hier zijn en afkomen naar zijn hof toe.
's Anderdaags zetten de twee voorloopers uit met de boodschap.
De anderen maaiden nog twee volle dagen, dan was hun werk af en heel 't ommeland stond nu vol spitsbekte kapeltentjes lijk een overgroot slagveld, op verren afstand gezien.
De boer riep de maaiers nu allen in zijn beste kamer, schonk hun menigvuldige kroezen wijn! zoodat de kerels luide en blijgemoed aan 't klappen gingen en boften met den boer als den besten van al de werkbazen. Intusschen haalde de fijnaard een zak geld dien hij deed reutelen, miek hun rekening en telde noesch en dweersch zoodat de halfbedronken lummels er niet wijs uit gerochten. Boele en Krauwel en Sieper vermoedden wel dat er iets faalde en mis was, maar zij wisten niet goed waar en konden het niet wel uiteen doen. De boer schonk altijd wijn, prees hunnen goeden arbeid, telde luide de zilverlingen, vroeg de maaiers voor den volgenden zomer terug te komen en of ze tevreden waren met de betaling.
De tafel lag vol blinkend zilver; Krauwel dubde nog wat en zei eindelijk:
--Ja, 't was sakkerbleu schoon geld, gauw, kerels strijkt ze maar op! elk zijn deel.
--Wilt ge nog eens hertellen?
--Neen, neen, baas, we betrouwen ons op u, w'hebben recht gewrocht, ge zult ons recht betalen.
Sik nam blijgemoed zijn geld op en hing de klinkers in een beurzeken dat ze op hun bloote borst aan den hals droegen. Ze waren blij, de kerels, zooveel geld te hebben, maar in de ziel toch wisten zij bedrogen te zijn.
--De duivel, hij heeft ons onttrokken, zei Sieper als ze buitenkwamen, maar, voort, verdommelinge, w'hebben toch goed geld, 't is het eerste, we zullen er geluk mede hebben, 't is wel verdiend!
Zij kraamden hun pak op, lieten hun wijn afloopen dien ze niet meer drinken konden, en heel de bende vertrok zonder ommezien, door de dubbele dreef, naar 't zuiden. Zij zongen weer dat 't hellemde en stapten met goeden moed.
--We zullen niet ver te gaan hebben, meende Krauwel, zoo gauw ons mannen toe zijn zal Quélin zijn wagens zenden.
Heel den nacht nog gingen zij, maar met den morgen zagen zij twee groote vierwielers afkomen en Borre en Labbe die teekens deden en luidde tierden.
't Waren nog dezelfde peerden en knechten van verleden jaar en de oude pikkers waren er blij om de vroegere kennissen te vinden.
Zij kropen allen op de wagens en vooruit nu! De zweepen kletsklakten in de lucht, de peerden stormden door 't stuivend zand en 't plezier begon. Rommelaere trok aan zijn orgel en al de mannen zongen heftig mede,--'t was of reden zij in triomf naar een groot feest. De hemel zat zoo blauw en welfde wijd boven de goudkleisterende zon. Overal waar de pikkers de oogen wendden was 't éen gouden zee van wiegelend koorn: ze werden lijk dronken van de geweldige klaarte. Zij staken de armen wijd uit, lieten het hoofd geneugtig achterover vallen en wezen in de ronde als wilden zij het al overgrijpen.
--'t Moet áf, 't moet áf, al het koorn moet áf!
Krauwel zat te monkelen op zijne bank en scheen wel voldaan over zijn mannen.
De wagens rolden door de straat zonder einde, nu rechts een weg in, dan weer links vooruit en nievers was er huis noch stake te zien.
Rik voelde zich meêsleuren in die vreemde streek altijd verder en hij meende hier nooit meer uit te kunnen. Hij kreeg benauwdheid en gruwenis van dat koorn, die vredige goudstroostalen met die spelende halmen en die zware zon erop zoover dat zijn oogen altijd vergeefs het einde zochten, altijd koorn en nog koorn. Dat werd hem danig vreeselijk.
--Wies, hoe ver is 't nog?--Wies, waar voeren zij ons naar toe? we zullen hier nooit meer uit geraken.
Maar Wies loech luide om zijn verdutsheld, hij greep Rik bij 't lijf en danste rond op den wagen.
--Toon u niet vervaard, sukkeleer, of Krauwel jaagt u weg, jongen, dan kunt ge de koeien wachten op d'hofsteê en niet pikken met ons, de kerels begekken u voor 'nen truntaard.
Daar verre stond een gedoen, groot als een stad, 't was Quélin's hofsteê! Ze reden de wijde poort binnen en kwamen op de opene plaats, omheind langs vier zijden met huis en stalling en schuren. Van veel kanten kwam er volk bij om de pikkers te groeten. Meest allen waren goed gekend op 't hof. Krauwel en Sieper waren er reeds zes maal weergekeerd; de Boeles en Sneyer met verschillige anderen wel vier maal, van Wies was 't tweede jaar. Die wisten hier goed den weg en gingen zich gaan ontlasten in de blauwe spelonk. Dat was de wijde strootent achter 't hof: een vierkantig dak op zware stijlen. Hun bedding moesten zij erin opmaken, evenals bij den anderen boer, en daar werden de groote schotels met vleesch en aardappels gebracht en wijn zooveel ze drinken wilden.
--Niet te geweldig, kerels! vermaande Krauwel, w'hebben maar korten tijd om te nuchteren: morgen voor den klaren moet de pikke spelen.
Daar kwam een werkmeester bij, dezelfde van verleden jaar, die hun wijs miek hoeveel koorn er af te doen was, met welk stuk ze moesten beginnen en alles aan de voorwaarden als verleden jaar.
De vrucht staat wonderschoon, gasten, en als 't voort goed weder blijft zult ge gauw uw geld gewonnen hebben.
Na het eten wandelden zij nog wat rond over 't hof. Hier voelden zij zich aanstonds thuis en vrij in die groote doening. Rik en bekwam niet van zijn verwondering, hij wandelde met Wies, en vroeg en taalde om uitleg van al die dingen.
--Dat volk en kent hier malkaar niet? 't is lijk een heele stad, Wies.
Daar in eene opene schuur waren er kerels bezig een koe te slachten; ginder hamerden andere duchtig bij een smidsvuur; in den versten hoek wrochten timmerlieden, elk was aan zijn eigen werk gespannen en bezig, zonder opzien naar dat van zijnen gebuur. Knechten en meiden liepen in en uit de stallen, peerden met wagens en landalm reden over 't hof door een krioeling van hennen en kiekens en zwijnen en huppelende kalvers. Wat een levende miereling en gewroetsel ondereen!
Wie mag dat hier al bezorgen en bezeilen op zulk een gedoen? En daarbij stonden de pikkers lijk versch toegekomen werktuigen die daar ver buiten het hof den grooten arbeid gingen doen in den openen zonnelaai. Elkendeen bekeek die kerels met een zacht spottende achting om de wondere taaie kracht die daar in hun rustige armen stak, en hier en daar éen monkelde om de goedgezapige domheid die hij meende te vinden in de oogen van den vreemdeling die zich hier zoover van huis kwam doodbeulen.
Maar de pikkers lieten heel het bedrijvig gewar draaien en gingen op hun stroo, hun laatsten rustigen slaap gaan zoeken, in lang.
't Was volle nacht nog als zij weer op en recht stonden buiten de tent, heel werkveerdig in hun wijde, korte broek en blauw wollen baai die los om het lijf hing en hun breede borst en ronde armen bloot liet.
Hier en daar éen wreef den vaak uit de oogen en keek vragend in de lucht. De laatste sterren zaten nog uit en een vlijtige maan in 't groote bleekblauw boven hun hoofden.
--Gauw, mannen, grijpt uw pikken, we gaan zien.
Een nersche wittigheid lag over de velden gespreid en geen halmke van 't koorn dat roerde; hier en ginder kriepte een krekel en verre blies een boschuil.
--We zijn hier heel alleen, zei Kretse.
--Ja, en evengauw krijgen we gezelschap van vrouwe zon, gekte Sneyer, zie-je daar heur poorte opengaan?
Hij wees den blozenden glans die lijk opstuivende rook uit het oosten den hemel kleurde.
--Ik den eersten! zei Boele, en zijn pik velde een armvol koornstalen.
Dat was het grijpteeken, elkeen sloeg een kruis voor 't goed begin, spuwde in de handen en daar ging den veeldubbelen slag van de pikke en 't ruischen van 't koorn dat viel. De mannen stonden wijd bedeeld in een lange rei zoodat ze schaars elkander zien konden, elkeen gebogen over zijn werk en lijvelijk slaan, gezapig voort. De dag klom al over hunnen rug zonder dat ze opkeken of verademden. Stilaan kwam de zon die de uchtendnerschheid kwam opzuipen en welhaast begon de hitte op hun lijf te wegen. Met 't uitbersten van 't zweet voelden de pikkers eerst hun volle macht aankomen; zij schoorden de beenen, hielden het hoofd recht hoven het geknakte lijf en nu kon het zweetwater vrij van hen afstroomen, geen hittekrachten konden hen deren. Zij zwaaiden de armen door sterke drijfkracht bewogen; de linker haakte het koorn vliedend terwijl de rechter lijvelijk de pik omhoog bliksemde en met een korten ronk neêr, zoodat heel de haakgreep afgesikkeld op den grond ruischte. Zij geleken aan beesten lijk ze daar stonden, op vier pooten aan 't wroetelen in hun vrije, driftige doening, aangezet en overgoten door het teisterende hittelicht van de zon--altijd vooruit: kruipen en slaan, eenbaarlijk slaan zonder uit of einde tot de pikke bot stond. Dan gingen zij aan 't kloppen met den hamer en klabetterden met den wetsteen over 't staal om met nieuwe snede te herbeginnen.
Het bengelend noenklokje was het eenige verlossingsteeken. Dan sprongen zij op en liepen om het zeerst naar het hof dat daar ingelommerd rustte onder zijn groote boomen lijk de gelangde oase te midden een vuurwoestenij.--Ge moet tenden uw bekomste eten, raadde de werkbaas die daarbij stond.
Maar hij moest het hun niet zeggen, het eten smaakte goed en de drank nog beter. De dikke vent die zoo gemakkelijk leefde hier op 't hof bewonderde die taaie kerels en hij leed mede als hij hun gebrand lijf zag en bezweete wezens. En hij voelde behagen met hen te bezien in hun heelende rust. Achter het eten zochten zij koelte en verfrissching in den vischvijver. Zij dompelden naakt lijk de puiden op en neer in het slijkig, lauw water en kwamen er groen en bemorsd weer boven en ze loechen om de aardigheid.
Dat ontdeed hen van al de vermoeienis en ze gingen er dan heftig weer op los naar 't veld.
Die achtermiddagen was het er vreeselijk. Heel het land stond doorlaaid van schreeuwende zon die nu lijk schroeiend vuur loodrecht uit de lucht neerviel. De jongste pikkers voelden telkens een bange beklemdheid als zij dien hoogen barm op moesten en aan strijd vallen tegen al die hitte en de macht van koorn. De anderen dachten aan niets en gingen er bedaard henen; ze trokken den rand van hunnen hoed voor de oogen, en met gebogen kop beukten zij vooruit en hakten om de bres te meerderen in den dikken muur van stroostalen die daar manhoogde, en altijd ondoorzienbaar vóor hen recht bleef.
--Waar zou-je nu liever zitten, Kretse, vroeg Sneyer om te gekken, nevens uw Karolientje met een verschen pot bier in de Meerschblomme of te spartelen in 't Scheldewater thuis bij avonde?
Niemand en voelde den moed om te lachen met Sneyers aardigheid;--de zon vlijmde hier zoo geweldig, hun keel werd zoo droog dat hun de adem achterwege bleef en 't zweet lekewijs uit het vel droop. Wie was de radelooze zot die nu met bier voor den dag kwam, dat lekker, koel, schuimend bier uit den frischen kelder van de Meerschblomme, en het goede Scheldewater, bij avonde! God van den hemel! Zie de jongens hoe ze zich pijnen om niet te vallen.
Rik ademhijgde als een gejaagde hond, hij en tastte den bodem niet meer onder zijn voeten; zijn oogen zagen de flikklaarte van den dag niet en zijn lijf werd onder en boven geroosterd. Zijn armen sloegen altijd voort zonder dat hij zelf recht wist wie ze opjoeg. Nu en dan veegde hij met de hemdsmouwen het vervelend zweetwater uit de oogen en loerde links en rechts om te zien of er geen makkers nevens hem dood vielen.
--Regent het hier nooit in dat land? vroeg hij stil aan Labbe die lijk een levende duivel aan zijn rechterzijde de armen zwaaide.
--Ja, regenen, jongen, 't kan hier vijf weken lang water gieten aan een eind evenwel als thuis, bij ons, zonder uitscheiden, en dan kunnen wij liggen rekken in ons tente en al ons geld opeten. 't Weer is goed, knape, wat geweldig maar daar wordt ge wel gewend aan met den tijd.
--Regenen, o, dat 't toch maar een dag regende! wenschte Rik; 'k en weet niet wat ik al geef om een druppel water uit de lucht of een wolklap vóor de zon!
Maar de gloeistralen schetterden sterk lijk een hoongillende teistering.
Labbe had den jongen toch getroost en hij kreeg nieuwen moed daar hij hoopte met den tijd te harden tegen die foltering van hitte, en te kunnen werken gemakkelijk even de andere pikkers. Lida en thuis en heel zijn passie, dat stond nu al weggeneveld, halfversmoord in een ongenaakbaar verre verledenheid; Rik vond noch tijd noch lust meer aan iets van zulks te denken; de dagen waren niet alleen warm en lastig, maar zoo buitenmate lang: heel den nacht door moesten zij werken en achter een tijd werd hij zoo afgemat en verlamd dat 't hem verwonderde hoe de beenen onder zijn lijf niet en begaven; hij werd overvallen door zoo een geweldigen vaak en langde naar niets meer tenzij naar rust, en alles buiten dat werd ijdel en zot: slapen, slapen, slapen! werd zijn eenige wensch. Leg mij ievers onder eenen euzieleek of op den mesthoop, dat ik dood ga maar rusten, toch rusten mag!--dacht hij, maar zegde alevenwel niets omdat hij wilde evenals de anderen, sterk blijven.