De Oogst

Part 2

Chapter 24,131 wordsPublic domain

In Tielde's verdriet en deelde hij niet veel, maar die woorden van moeder sloegen hem diep--hij dacht voor den eersten keer: ik ben een arme sul, zal Lida niet afhondig over haar schouder kijken naar den jongen die ijdelhands op haar toekomt, en moeder Beucke ze zal mij ongenadig van de deur gooien?!

Wies was enkel zijn makker geweest en Lida was hem daarvoor genegen wellicht. Maar moest ze eens gewaar worden wat hij eigenlijk wilde!.... Daar stond nu ineens de groote scheidschreef tusschen hen! Hij verdoemde vaders geldkostende ziekte en de slemperij van zijn broêrs die hem arm mieken, en hij benijdde den goeden welstand bij Lida. Hij had haar willen in nood zien en jankend van honger naar hem om hulp komen. En hij dan, in staat een overvloedigen rijkdom mildelijk rond haar uit te gieten; dan had hij die trotsdonkere oogen zien smeeken en drukkelijk opkijken! Dat deed ze immers nooit.

Maar 't was anders beschikt en hij kende geene uitkomst; 't ware best geweest nu, kon hij maar gauw wegdommelen, aan niets meer denken en ievers in een ver land weer wakker worden waar hij heur nooit meer terug zag.

's Anderdaags was hij aleven slecht gestemd. "'t Moet uit zijn, dacht hij, of later loopt het op een ongeluk."--En hij besloot weg te gaan.

Een langen halven dag wachtte hij naar groote Krauwel, en als hij hem eindelijk van zijn ronde zag thuis komen, ging hij er met vasten stap naartoe:

--Krauwel, wilt ge mij mee naar 't Zuidland?

De groote kerel bekeek den jongen.

--Hebde nog gepikt?

--Ja, twee drie keers al.

--In 't vreemde niet?

--Neen, hier op 't Ganzenhof.

--Weet-je wel jongen dat 't ginder brandt in de lucht en hard werk is!?

--O, 'k kan daar tegen, vraag het maar aan Wies Beucke, die zal 't u zeggen.

--Kom dan, 't is voor de naaste weke en we trekken er diep in dees jaar.

Krauwel haalde een schroô papier uit den broekzak en teekende met een potlood een kruisken onder aan de lijst.--Rik liep weltevreden naar huis.

--Moeder, mag ik meê den oogst gaan doen?

-- Wat, jongen, droomt ge? Blijf stil bij uw moeder, da's geen werk voor u, ge zijt nog veel te jong.

--Moeder, laat mij, Wies gaat ook en ik zal bij hem blijven.

Hij overreedde moeder tot ze op 't einde ja zei en toestemde.

--Nu, ga ik toonen wie ik ben, en hij rechtte zich in trotschen moed, ik keer terug met mijn zakken vol geld--dan zullen we zien. Is er niet genoeg, te naaste jaar haal ik er nog meer bij! Hij was vol goede meeningen over zichzelf en vol hoop in 't geen komen moest. Maar Lida, Lida, 't bleef en 't was overal Lida dat hij zag in alle dingen, 's Avonds kwam hij onder de linde waar hij weer eenthoeveel jonge pikkers vergaard vond. Hij ging eerst stil bij Wies en zei hem dat hij mede den oogst deed; Lida raadde zijn zeggen en ze monkelde ongeloovig.

De kerels die ginder reeds geweest waren en alles gezien hadden, vertelden van de overgroote koornstukken daar, ho, wel tien dorpen vol, al hemel en koorn om af te pikken, en dat z'er in geslegen hadden, dag en nacht--en van de wreede zon! Sneyer had een man zien doodvallen nevens hem, steendood!--Dan wisten ze nog veel over de boerenhoven ginder waar de knechten elkaar niet kenden: zooveel waren er!

--En de boer, dat is zooals een koning in zijn land, hij weet er geen einde aan! wist Sieper.

Rik luisterde benieuwd naar die wreede dingen, hij kreeg inwendig vrees en toch voelde hij een groot verlangen meê te gaan doen in dat geweldig werk, naar 't verre land.

--Dan keer ik weer als een volslagen kerel en 'k mag meespreken overal.

Wies en kon niet meer slapen, zoodanig verlangde hij.

--Sa, jongen, zei hij en sloeg op Rik zijn schouder, ginder zullen we ons armen en ons macht ontbinden en er ferm in losslaan.

Als de anderen weg waren, bleven Rik met Lida en Wies nog wat zitten rullen ondereen, lijk vroeger.

--Lida, wat gaat ge hier alleene doen, en waaraan zult ge denken eens dat we weg zijn? wilde Rik heur vragen, maar hij vroeg het niet en vertrok dien avond weer zonder iets te zeggen van al het gereedgemaakte.

--Eer uit het land te gaan, den laatsten dag, zal ik het heur al zeggen, dacht hij.

Wies had hem gesproken van de groote winst ginder en hij verblijdde zich reeds met 't voorgedacht van dien rijkdom. "Als ze mij dan nog afwijst vertrek ik voor goed en niemand ziet mij nog terug!"

Thuis was moeder in volle werk met zijn gereedschap; hij moest nieuwe kleeren en veel versch goed hebben. Hier of elders en wierd er van niets anders meer gesproken. De Pastor ging rond naar al de huizen en vermaande de kerels om ginder goed op hun plichten te letten en 't kwaad te vluchten, hetgeen ze allen met veel goeden wil beloofden. Krauwel kwam ook nog om te zien of er niemand zijn woord wilde intrekken en 't afreizen bepaalde hij nu voor vast: binnen twee dagen. Niemand die nog wrocht, ze moesten te veel bij elkaar gaan op bezoek en alles schikken, en vragen bij de "oude pikkers" wat er meest noodig en best mede te dragen was. Zij gingen bij den smid hun bootalm, pik en krauwels doen maken, naar de winkels om versch goed en kleeren. De groote blauwe tweezakken werden volgepropt en elkendeen verlangde om te vertrekken.

Rik was 't meest bezig hoe hij van Lida zou afscheid nemen; vóór te vertrekken naar ginder ver wilde hij toch gerust zijn en zeker moest ze weten dat hij heur razend geern zag;--en hij brak zich maar gedurig het hoofd om te vinden de manier hoe heur dat te bekennen.

--Ik verlang te vertrekken, zegde hij, maar om een ding alleen zou ik hier wel willen blijven. Omdat ze hem naar den naam van dat ding niet vroeg durfde hij niet verder te spreken.--Maar ze lonkte toch met heur oogen perkantig dat ze hem begreep,--dat deed hem het meeste deugd.

Binst den nacht liepen Krauwel met zijn bende door 't dorp en zij zongen overluide. Maar Rik was op moeders raad, vroeg gaan slapen.

--'t Zal zeker wel de laatste keer zijn in lang dat ge dweersdoor zult te rusten hebben, had ze hem gezeid.

Nu lag hij in bed te luisteren naar 't wild gezang en de luide leute van de gasten.

--Moet ik mede met die druiste kerels?! dacht hij en er kwam een groote vervaardheid bij hem op.

Alevenwel stonden Wies met Sneyer, Broecke, Pinne en al de anderen 's morgens voor den dag, gereed en blijgemoed te wachten op straat.--Van alle kanten kwamen er nieuwe pikkers bij, zoo dat heel de plaatse vol stond: krachtrijke kerels, sterk op de beenen in hun donkervloeren broek en rooden ledenband, een blauw kielken dat los hing over hun wreede schouders en een oud vilten hoed met neêrgetrokken rand over hun wezen. Zij droegen den blauwgestreepten baalzak met kost en gereedschap op den schouder en stonden geleund op den pikhaak, gerust rond te kijken naar de bijkomenden. De moed en de veerdigheid blonk in hun oogen en hun leden die rustten nu, toonden te meer de overdanige krachten die ze meê droegen om wonderdaden te doen ginder verre. Ze meumelden wat ondereen, ernstig; anderen plaagden malkaar en trappelden rond vol onrust en verlangen. Veel vreemd volk liep over de bane: elk wilde zijn kennissen zien en groeten. Moeder Busschaert was verslaafd aan 't gereed brengen van Rik's laatste dingen.--Weder hij wilde of niet er moest een potje versche boter met een schotel zwijnsvleesch in zijn tweezak voor in 't eerste van de reis;--ze bracht hem nog wijwater en hing hem een Lieve Vrouw-medaillieke en een kruisken over den hals.--Dan kon ze 't niet meer ophouden, de tranen liepen over haar wangen en ze keerde heur wezen om uit te snikken. "Heb goeden moed jongen," stamelde ze, en de vrouw moest weer het hoofd wenden.

--Heere God, 't is zoo ver te gaan, en zoo lastig; Pieter heeft daar zijn ziekte en zijn dood gehaald. 't Was tijd. Met een krachtigen zwaai gooide Rik den tweezak over den schouder en vertrok; moeder en Riene en Tielde kwamen mede.--'t Eerst zocht hij rond tusschen al het volk naar Wies,--ha! hij stond daar bij zijn moeder en Lida ook, die luide aan 't kouten was tegen de makkers.

--Nu, dacht hij, zal ik haar eens goed bekijken, 't is lange weg te zijn, en 'k moet dat wel van buiten kennen om ginder in mijn eenigheid haar heel te kunnen samenzetten en bij te houden.--Zou ik het haar nu durven zeggen:--Lida 'k zie u geern en 'k zal ginder heel den tijd op u peinzen; na den zomer ben ik hier weer.

Zij bezagen elkaar en monkelden.--Z' had zich, met opzet voorzeker, heel net opgeschikt van den morgen en scheen wonder welgemoed.

--Ik moet er nu ook een ferme kerel uitzien, dacht Rik.

--Zijt ge niet vervaard van het werk? vroeg ze hem.

--Ho, al waar het nog zooveel? gekte hij en schoof met een duchtig gebaar den hoed achteruit.

Hij zou nu nog wel wat gezeid hebben, maar er stonden zooveel menschen bij, en moeder hield hem gedurig in gesprek en Lida was zoo bezig met heur broêr.

--Krauwel is daar! Van achter den kerkhofmuur kwam de groote Krauwel. Zonder spreken stapte hij tusschen zijn kerels en nam ze goed in oogschouw; hij telde ze op en: "Niets vergeten gasten?!"

--Neen, neen! riepen zij.

Dan gaf hij teeken van vertrekken. Bendewijs, twee en twee of gedrieën, gingen zij vooruit; velen gearmd met hun meisken en het hoofd gebogen, vertelden al wat ze wisten voor lang; anderen nevens hun wijf, gaven afscheidsplakjes aan de jongens. Wies en Rik met moeder en de zusters stapten traag nevenseen.

--Wies, jongen, zult ge toch goed, naar Rik letten? smeekte moeder, de jongen is zoo teêr!

--Betrouw er u op, Fiene, ik zal er zorg voor dragen en we komen de een zonder den ander niet naar huis, zegde Wies om het vrouwke te troosten.

Daar ging nu niet anders dan hun halfluid gekout en de zware tred van al die vernagelde schoenen op de straatsteenen. Elk was bezig met zijn volk. Aan 't kapellekruis bleven al de vrouwen staan,--tot daar uitgeleid, was 't gebruik. Elkendeen riep een laatste "goê jongste, geluk, en goên thuiskeer". Rik had de oogen op Lida,--ze wenschte hier en daar een schertsenden groet naar de jonkheden die haar plaagden; hij wachtte verlegen zijne beurt,--moeder bezag hem altijd en hij werd ongemakkelijk. Een blijden oogslag ving hij, maar nu kreeg ze weer dien trotschen wrong om de lippen en het fier draaien van den hals dat hem ontstelde.

--Ik ben weg, dacht hij, en hebbe niets gezegd, z'en weet niet, en misschien....

Dan wendde hij nog eens het hoofd om moeder te groeten,--en daar speurde hij even Lida weer op, die hem nu zoo schalks toewenkte met haar oogen, als spotte zij om zijn kinderachtige bedutsdheid. Zie, nu had hij willen terug naar heur toeloopen en al kunnen zeggen wat hem op 't herte lag,--maar Wies vroeg hem: of hij iets vergeten had.

Moeder bleef staan wachten om een laatsten groet van heuren jongen, maar hij zag haar niet meer.

--Wies, jongen, zei hij, wat moet ons dorp verlaten zijn en eenig vol ledige vlekken, als we daar, zooveel groote gasten, uit weg zijn!

--Da's niet, Rik, ze zullen wel leven zonder ons en we komen eens weer, de zomer is zoo lang niet.

Nog maar rechts waren zij den draai van de straat om, of al het ernstige van vertrek en afscheid was vergeten en de leute herbegon. Rommelaere haalde zijn trekorgel uit, de kerels stapten op maat van den voois, grepen elkaar bij den arm, zwaaiden hoog den pikhaak en zongen om het luidst:

Sa we gaan ja we gaan 't land uit! Ja we gaan 't land uit. Met goeden moed naar ginder verre! Sa we gaan, Ja we gaan met ons pikke, met ons pikke, ja, we gaan ginder verre al het koorn gaan afslaan!

Zoo stapten zij dapper 't dorp uit en een ander in, altijd voort den heelen dag tot ze 's avonds in een ongekende streek reeds, bij een vreemden boer slaping zochten.

Rik voelde met bangheid dien afstand van huis vermeerderen; hij trappelde meestal stommelings en gelaten mede in de bende met de gedachten op het vreemde land waar hij naartoe ging en op al de wreede dingen ervan die zijn makkers met onbeducht gemoed bespraken; dan weer droomde hij op thuis en al wat er daar nu leefde in zijn afwezigheid. Dat scheen hem nu een zoo stil, gelukkig oord, waar hij in den laatsten, korten voorzomer heel zijn zaligheid verleefd had. Al die avonden voelde hij met hun gelukzieke teederheid, en hier op het onbekende, bloote land overviel hem eene groote treurnis om dat vergaan genot.--Wat zullen ze met mij uitrichten? dacht hij, en de groote dingen van den geweldigen zomer kwamen in hunne wreede laaiing vóor hem staan. Boele had hem eendelijke standen verteld van den zonnedans op een korenveld! Maar later haalde hij weer nieuwen moed in 't sterk vertrouwen der makkers die nevens hem gingen. "Ha, ha!" gekte Wies, "we zijn de twee jongsten, ze zullen ons wat sparen, en als we 't niet meer uithouden, laten we ons vallen en gebaren ons dood voor een halven dag!"

De anderen stapten gejaagd met verlangen om 't werk te beginnen.

--Daar kunnen we toch eens de armen loslaten! al de koornstukken hier overkijken we, en eer 't spel in gang is ligt het al afgepikt! Ginder is het anders,--koorn, al koorn zoo wijd als een zee!

Rik keek vol bewondering die mannen in de oogen: dat werden nu al zijn groote broeders en van hen verwachtte hij veel bijstand. De eene lange dagreis volgde de andere: zij mieken de nachten kort en haastten zich vroeg weg, altijd gejaagd om verder 't zuiden in. Over den blakken heideweg geleken zij een zwarte woeling van menschen, uitgejaagde landloopers op zoek naar geluk. Zij werden moede op 't laatst en gerucht en gezang was lange reeds gestild; zij gingen zonder opkijken en spraken zelden. Na al die dagen gaans zagen zij rechts en links, bezijds de breede bane, een oneindigheid van magere vruchtvelden en daarin, alhier, aldaar verzaaid, overal gelijke kerktorentjes uit een troppeling lage huisjes opsteken. Verder waren de vlakten bloot en de einder wijdde uit over onafzienlijke stukken vageland en moerassen. Zij gingen dag uit dag in door de zelfde richting zonder talmen, aten op 't getij langs den weg en sliepen in een schuur of onder den blooten hemel. Bij dage werd de zon duchtig warm, de nachten niet te koud en van langs om meer werden zij gewaar dat 't Zuidland niet ver meer af was. Bij 't opklaren van een volgenden dag zagen zij de torens van een stad achter den nevel;--volgens Krauwels zeggen moesten zij die links laten liggen, later zouden zij er nog een veel grootere te dweerschen hebben en daarachter.... lagen de velden waar er te maaien en te pikken viel.

't Was met een groote benieuwdheid dat de pikkers die stad inkwamen; zij keken zich de oogen uit in die rijke straten; verloren den adem tusschen al die menschen en huizen. Zij hadden hier lang willen vertoeven en al die wondere dingen her en her overkijken, maar de drijf lag verder en Krauwel gebood goed bijeen te blijven om niemand te verliezen. Achter de stad kwamen zij in een nieuw land; 't blauw van den hemel hing er om zeggen veel hooger over een uitgestrektheid vol vruchten: wijde koorns en haver en gerste en gras en dat alles onafgelijnd zonder straten of scheidspalen, rechts en links de wijde baan, bezet met vier reken groote boomen, 't was lijk onder den beuk van een overgroote kerk dat ze gingen en tusschen de stammen staken de hooge vensterramen waarachter heel die zonrijke wereld blootlag.

Tenden den dag kwamen zij aan een hofsteê.

--'t Is hier, zei Krauwel, dat we ons eerste werk beginnen, en hij vertelde veel bijzonderheden over den boer waarmede zij meest allen voor 't eerst zouden kennis maken.

De mannen stonden afgemat en moede, bedremmeld te staren over een veld maairijpe spaansche klaver.

Zij gingen nog wat verder en voorbij het jonge koorn.

--'t Zal een goede oogst zijn, meende Sieper, zie hoe 't allemaal rechtop staat, als 't weer droog blijft, pikken we op halven tijd den oogst af.

Daarachter zagen zij de hooge daking van veel gebouwen en een torentje opsteken. Krauwel ging alleen de groote hofpoort binnen en de anderen legden hun vermoeide leden wat te rusten in 't lommer van de boomen. Zij vermieken hun gekwetste voeten en bedienden elkaar met de heelmiddels uit hunnen tweezak. Welhaast kwamen veel jongens en meisjes en vrouwen van de hofsteê om de pikkers te zien die van ver toegekomen waren. De boer kwam ook buiten mede met Krauwel. Een lange magere vent met zwarte kwade oogen. Hij sprak luide in een vreemde taal en deed barsche bewegingen met hoofd en armen.

--Dat is de overeenkomst die hij maakt met Krauwel, voor ons werk, zei Wies tegen Rik.

De twee bleven op een afstand staan, en als, te langen laatste Krauwel bevestigend het hoofd knikte en ze elkaar een duchtigen slag in de hand gaven, naderden zij tot de makkers! De groote boer bezag al die werkers, sprak nog wat over den toestand van den oogst en de klaver, vertelde dat er over eenige weken een andere bende aangekomen was uit 't zelfde land, en dat die nu aan 't werken waren in de beeten. Dan keerde hij zonder ommezien weer naar zijn hof.

--Zoo makkers begon Krauwel, we zijn ingespannen! morgen slaan we den slag. Hij wist hun den loonprijs van hun arbeid uiteen te doen en de regeling van het werk.

--Hier deugt het niet te goed voor den oogst, jongens, we maaien hier enkel de klaver en trekken 't land in voor 't koornwerk.

Een klein meisje kwam hun den weg wijzen waar ze gingen eten en slapen binst het verblijf.

Het leidde hen achter de stalling, door de schuren en andere nauwe stegen, tusschen gebouwen en aangetrekken, naar een groot laaglang houten kot. Het meisje liet hen daar staan en vluchtte blij-lachend weg.

--Da's hier ons huis, gasten, zei Krauwel, elk kan hier vrij zijnen hoek kiezen en zijnen polk om te slapen en hem houden voor goed; we doen hier lijk de koeien op stal en als we ondereen vrede hebben zal er ons buitendien geen mensen komen storen. Nu halen we ons gerief strooiing uit de schuur en we maken ons bed op. De woonst was gauw gereed en het stroo open geschud; aan het hoofdeind van elk leger lagen de kleederen en de zak met gerief en alm. Dezen die vermoeid waren strekten zich maar seffens neer en ronkten. Anderen zetten zich vier en vier te kaarten of gingen buiten lanteren en rookten hun pijp. Krauwel met Sieper gingen naar 't boerhuis om wijn te koopen en brood; vleesch en aardappels zou men op 't hof voor hen koken en thuis brengen, zoo was 't afgesproken.

Wies en Rik zaten in eenen hoek te praten over 't geen ze gezien hadden, en zij mieken ondereen gissingen over 't geen komen ging.

--'k Ben blij, Wies, dat we er zijn.--Wat was die weg lang en we zijn een wreed eind van huis af.

Wies porde en tastte in zijnen zak achter zalf voor zijn gekwetste voeten.

--En moest er hier een van ons ziek worden? vroeg Rik weer.

--Ja, die blijft hier in 't kot liggen tot hij geneest of dood gaat, en Krauwel houdt hem het loon van de verloren werkuren af. Morgen zal 't er op los gaan jongen, hoe meer we werken hoe meer we winnen. "Slaapt als ge weer thuis zijt!" zal Krauwel zeggen. Verleden jaar hadden we drie maanden dat we lijfsgenadig wrochten zonder slapen bijkans, en dan hadden we vroeg gedaan ook: vóor kermiszondag waren we met ons zakken vol geld alweer thuis.

--Hoelang blijven we hier op d'hofsteê? vroeg Rik.

--Ho, hier is 't enkel klaver maaien, en we pikken verder den oogst.--Bij Quélin, daar zal 't een lang getij op 't zelfde gedoen zijn,--'t is een hofsteê meerder dan heel ons dorp; ge zult de oogen open zetten naar al dat koorn: zoo ver ge zien kunt al éen stuk zonder straat of wegel daarin, en de boer komt daar stormelings doorgereden te peerd als hij zien wil of we 't werk in geweten wel doen.

Zoo keuvelden zij stil voort, halfluide en wat bevreemd nog in dat groot donker kot met naakte berdelen weegen.

Het vat wijn en een mande vol brooden werden ingebracht en al de pikkers kwamen bij. Krauwel schonk hun een eerste proefteug, waarna zich iedereen voor goed te slapen legde. De deur van het kot bleef open om de koelte en door de opening sleepte een weifelachtige klaartestreep binnen over die reeks uitgestrekte menschen die gerust en onbekommerd lagen te ronken.

Dien eersten nacht, zoo dicht bij het werk en onder dat gruwachtig dak, overdeed Rik met een treurig landwee; hij lag bij zich zelf rond te denken aan die verre dingen en hij overkeek in zijn angstigheid de kerels die ook hun huis verlaten hadden en toch zoo gewillig den slaap vonden. Hij lag heel alleen wakker, eenling in een onmeedoogende vreemde streek.--Thuis gaat het nu alles gewoon weg, en is er wel iemand op heel de wereld die om den armen Rik bekommerd is? dacht hij. O, had hij maar de zekerheid gehad te weten dat hier achter of rond dat akelig kot, zijn eigen huis stond en de mogelijkheid daar Lida of ware het nu maar moeder of een van zijn zusters, te ontmoeten! Maar 't was een volstrekte onbekendheid vol vreemde wezens die hem niet aan en gingen. Niemand spreekt hier van huis of van de zijnen, dacht Rik. Wies lacht met mij als ik van hen spreek en bij mij en wilt het dorp me uit den kop niet. Lida is buiten wete van mijn groote kwaal maar.... 'k zal heur eenen brief schrijven, dacht hij, op 't papier met heur praten en al zeggen wat er mij deert.

De vermoeidheid kwam hem overmeesteren; hij schreef zijn droomen in een langen brief en daar achter 't open raam, bezoomd met druivenranken, zag hij hoe Lida's kijbig wezen blij lonkte bij 't lezen van zijn geschrift.

Vroeg aan den dag werden de pikkers gewekt door overdanig gerammel en gerucht op het boerenhof met veel hanengeschreeuw en peerdengetrappel en geroep van knechten en meiden. De klaarte viel door 't open deurraam en buiten zagen zij de groote zon die opstak en glinsterde boven 't land. Zij moesten eene zeis gaan halen in de schuur en dan naar 't klaverland, heel de bende. De boer leidde hen achter den wal, bij een uitgestrekte vlakke zee van wiegende groen, bedauwpereld in rijke weligheid. Dat moesten zij afmaaien. Zij lieten eerst nog een stonde hun oogen gaan over de wijdte, bezagen elkaar en monkelden weltevreden om den schoonen arbeid waaraan ze beginnen zouden.--Dan onderzochten zij het alm, gingen op gelijken afstand in reken staan, en in die landelijke morgenstilte dreelden zij vlijtig den wetsteen over 't wreede staal dat 't scherregerrend kletsvijlde over heel de streek.

--Nu beginnen we, makkers! zei Krauwel die om te proeven den eersten slag met zijn zeis in de klaver sloeg.

--Allo, laat ze spelen, het voeder staat malsch en recht, 't snijdt lijk in de boter, 't is een plezier. Ze spogen in de handen en "zoef" alhier, aldaar langs heel de rei ging de ronk van 't staal en de lange klaver boog en viel effenaan plat tot aan den wortel afgeslagen. Met 't eerste ontbinden van hun krachten voelden zij een gezapig geweld in zich opkomen, een fierheid elkaar te zien: die lange rei mannen hoog uitstekend over 't groen, daar zoo zwierig staan zwaaien op hun lange beenen, half doorzwakt en met gelijken wrong het bovenlijf en de breede schouders keerend, rond uitsmijten hun armen en 't blinkend staal dat 't jonge groen omverre dreef eer ze 't raakten schier.--Een bende volk daar, die lijk krijgers met hun alm 't uitzicht van een groot land zou keeren!