De Oogst

Part 1

Chapter 14,242 wordsPublic domain

DE OOGST

DOOR

STIJN STREUVELS

VIERDE DRUK

L. J. VEEN--AMSTERDAM

Rik lag plat uitgestrekt in 't gras onder de linde en Wies zat, over de knieën gebogen, op het bol van een gevelden eik. De jongens rookten hun pijp in den avondstond. Nu en dan maar zegden zij, halfstil, een woord, meest over dingen die ze wisten en evengoed ongezegd konden laten. Maar zij trokken gestadig nieuwe kuilen blauwen rook uit hun pijp, die opspiraalden uitdunnend, hoog in de lucht boven hun hoofd. Achter de openstaande huisdeur in 't donker, wrocht Lida met moeder aan 't schoonkuischen van schotelgerief en ze koutten stil onder elkaar.

Rik wendde dikwijls het hoofd naar het donker deurraam dat zwartvlekte in den witten muur en hij dacht wel:

--Waarom blijft Lida vanavond zoolang in huis?

Hij voelde of had iets te kort of verlangde onbewust naar iemand die moest komen gezelschap houden. Maar nog altijd ging het gleiertikken van tellooren en kommen met gefoezel van halfduidelijke, zacht gesproken woorden. Nu wisten de knapen niets meer en ze zwegen.

--Waarom is Wies haar broeder en is Lida mijn zuster niet? dacht Rik.

Als hij weer 't hoofd wendde stond het meisje in 't donker deurgat en was aan 't afbreien van een langzwarte kous. De jongen rechtte zich halfop met de handen en hij keek hoe zij met stillen tred naderde en ging zitten rechtover hem, nevens Wies, op het bol van den eik. Hij rustte het hoofd op de voorarmen en zóo, gemakkelijk uitgestrekt, bleef hij haar liggen bezien. Hij voelde een nieuwe tevredenheid in haar bijzijn: het invullen eener leemte, waarnaar hij lang gewenscht had.

--Nu is het goed in den avond, zei hij stil.

Niemand en antwoordde maar 't deed hem deugd dat ze nu zwegen, en hij verlangde naar niets tenzij daar te mogen liggen en kijken naar Lida en eenzaam smakken aan de welligheid die hij daarbinnen voelde opkomen, iets als zwemmen in ongerimpeld water zonder einde.

Zie, hoe de heldere mane daar zit boven in de lindekruin tusschen de kromknoestige halfnaakte takken! de jonge bladeren vlekken zwart op dat gouden veld lijk ongedurig, wemelende inkteklaters. Binnen huis ging het geslof van Wies zijn moeder die daar in 't donker alleen bleef;--anders en repte er geen geruchte in heel den omtrek.

Rik bleef welvoldaan omdat zij allen zoover uitgepraat waren en niemand een woord en vond dat 't zeggen weerd scheen. Hij luisterde naar het tikken van Lida's overeenwerkende breinaalden. Daar van omlaag gezien, zat heur wezen vol donkerte en op 't einde twijfelde hij of heur oogen zoo vriendelijk stil in de zijne keken of dat ze halftoe op heur werk waren gericht. De wellust kwam in hem op als een kriezeling zoo dat hij de oogen neerwaards dwong en niet meer opkijken durfde. Daar in 't gras nevens hem lag het bolleken zwarte wolsajette dat gestadig versnokte en opsprong telkens heur klein vingerke den draad deed inkorten.

--Morgen krijgen we weer een schoonen dag, fazelde Wies tusschen de tanden.

--De zomer komt vroeg, wederzegde Lida, en wat later:

De smoor hangt uit, 't is versterking, zie, en zij rechtte het hoofd en keek wijd uit over 't veld.

Zoo koutten ze stilaan voort in schaarsche half ingehouden woorden, over land en weêr en spel en leven, heel gewoon; lijk broêr en zuster. Rik had ook iets willen inbrengen maar al zocht hij ook rond, er was niets dat goed scheen. Zijn oogen snuisterden weer in de donkere haarkroezeling om Lida's hoofd en naar hooger op; daar zocht hij in den bleeken hemel naar de eerste sterren die, lijk pas ontstoken kaarslichtjes, van langerhand kwamen uitpinken. Ginder te westen, ver over de velden, tegen 't uitveegsel van 't vergane zonnegoud, zwommen er witte wolkjes lijk groote bloemen zonder stengel. Daarbij werd de stilte zoo rein dat 't staaltikken van Lida's naalden nu duidelijk geruchte miek.

--'t Is alsof wij gedrieën alleen op de wereld waren, dacht Rik, en die wereld werd nu zoo vreeselijk wijd, zoo groot! en hij voelde zich meêzwellen en zag hoe Wies en Lida daar en de gevelde boomstam, eendlijk uitgroeiden. Nu en schafte noch en zocht hij meer van waar die voldaanheid uitkwam die evenals de goede dauw, rijkelijk rond hem neerviel. Hij dronk en zwolg zijn geluk als deugdelijke zeupen water bij grooten dorst en lag daar te verlangen: naar meer, altijd meer en dat het eeuwig zóo duren mocht! Daar rustte een zware goedheid op de boomen, op het land hier, over al om dat huis bij Lida en Wies--elders was 't de dood en daar dacht hij niet aan, nu. Naarmate het donkerde, vernauwde die wijde kring in een goede omheining rondom hen.

Lida liet haren brei in den schoot vallen; zij rok de armen hoog uit en legde haar hoofd achterover geleund tegen den lindestam. De deemstering vervaagde de lijnen van haar wezen en vulde de diepten met wondere schaduwen. Rik zocht nog altijd om dingen te zeggen die hij heel traag wilde laten neerleken in de stilte. Dat speelde rond in zijn hoofd, maar zoo gauw hij 't in woorden wilde vastgrijpen, hervormde dat zoo vreemd.... Wies zou lachen om zijn gezegde en Lida verbaasd opkijken en hem ongeloovig bezien met wijde, vragende oogen; lachen zou ze niet, dat was hij heel zeker, te meer dat 't nu zoo stille, zonderling avond was. Ze zat beeldstijf te staren.--Waarom hield zij die armen zoo hoog en haar lijf zoo uitgespannen?--Zij deed dat veel en die houding bracht bij Rik zoo een naar gevoel vol onrust, dat hij haar verstolen met half toegenepen oogen bezag, met vrees dat ze hem betooveren zou.

--Van den nacht zal ze mij weer berijden als een kwade mare, en toch kon hij den wellust van haar zicht niet laten.

Nu had hij haar, met een stil woord, willen doen verkijken uit die verte, om dien langen blik naar zijn oogen te doen komen.

--Hoor dien krekel, hier onder 't gras.

Wies noch Lida en zegden daar iets op en ze luisterden of telden de flauwe kriepgilletjes van dien krekel. En als dat luisteren weer zoo uitgerokken lang duurde dan werden die kriepjes als zooveel scherpe scheersneden die 't stilzwijgen in gelijke eindjes korf. Rik werd bang op 't laatst, niet voor zichzelf, om de verdrietigheid of verveling, maar hij vreesde voor 't gene die effene vlakstilte zou komen breken en dat glazen kasteel ging doen invallen. Dan kwam onvoorziens uit de opene huisdeur, zoo stoorscheurend gewoon, moeders:--Lida, we zijn slapen, kom!

Dat was het plotsinvallende teeken dat 't uit was voor vandaag. Lida schoot wakker uit haren droom, liet de armen zinken en nu ging er tusschen hun drieën een gesprek aan over de dingen uit 't dorp, over 't werk; Rik vertelde van Dirk Koole die zou trouwen met een vreemde; dat Pikkaert zondag laatst gevochten had tegen drie felle boschkanters. Lida vroeg gewone dingen over Riene en Tielde--Rik zijn zusters--en eindelijk rechtten zij zich alle drie tegelijk op, rokken de leden uit al geeuwend en wenschten elkaar een goên avond.

--Tot morgen, wist Lida nog en ze keerde weer zoo genegen haar hoofd naar hem. Dan was zij met heur broêr in huis en Rik wandelde alleen door den avond. Nu had zij duidelijk naar hem gekeken met haar donkere oogen zoo vreemd vragend, dat hij al zijn bloed voelde verkruipen en had willen huilen van geluk. Nu zou hij naar huis, maar eerst wat zinnen nog over al 't geen er in zijn hoofd omwoelde. Hij stond daar nog en hoorde hoe Lida met heur heldere belstem het gebed voorlas. Dat ging lijk muziek over 't veld en dan eerst, als heur zangzeggend gebed uit was en niets meer en roerde rondom, werd hij gewaar dat 't nacht was bijkans en dat hij nu naar huis moest. O, hij droeg een rijkdom en blijheid in zijn hoofd en dat danste over op al die zwaar zwarte boomen daar en door heel den hemel onder 't groot blauw geluchte, vol! Lida, Lida zag hem geern! Zijn leute moest hij uitjubelen in een schallend koewachters "halarialo"! maar hij durfde de rust niet breken rond zich en hij haastte en verlangde daar boven op zijnen zolder te zijn, alleen om traag al de beeldschatten uit te pluizen, te her-overdenken: al de woorden die ze zei, en met toegenepen oogen te kijken op het gouden schemerbeeld dat in zijn hoofd geschilderd stond.

Thuis viel er een smachtende adem op hem; zoo dof, ongezellig waren hier al de dingen: moeder zat daar zoo suffig ineen gezonken met de oogen vol vaak; de broers, zij lagen lang, moede uitgestrekt over den vloer op tafel of banken, en Riene met Tielde, zijn zusters, zaten onder den blaker van 't blikken lampje, te naaien. Hij zegde hun allen een stillen goên avond en schreed den zoldersteeger op. Daar sloot hij met zorg de deur om goed alleen te zijn en al het vreemde ver van zich weg te hebben. En nu strekte hij lang zijn leden op het stroobed, beet op de tanden en voelde een warme krijzeling over zijn lijf loopen,--zijn beenen krimpten op en dan strekte hij zich weer uit om kalm te smakken aan zijn gedachten.

Hij zou nog bijlang niet slapen en zooveel hij kon, liggen denken.

--Lida, Lida, Lida! "Tot morgen!" had ze hem gezeid!--Morgen mocht hij weerkeeren, en zoo voort zou dat geluk in een ronde draaien en nooit uit zijn! Morgen nog een avond. Later kon hem niet schelen.

--Wacht, wat zal ik haar zeggen, morgen? waarom ben ik altijd zoo beteuterd, verlegen als ik onder die linde lig en zij daar vóór me zit?

O, er waren zooveel dingen die hij haar zeggen zou, maar zijn opgemaakte voornemens vielen meestal uiteen als zij hem bekeek of zelf aansprak, zoo dat 't gesprek voor een heelen avond op een ander wegelken bleef.--Dat ze nu zei wat ze wilde, 't was hem altijd even aangenaam en hij hield het zijne verduldig uitgesteld: later zou hij wel tijd vinden, om haar heel zijn voorraad te vermonden.

Hij wilde haar zien, enkelijk zien; daarom neep hij nu weer de oogen dicht, duwde diep het hoofd in het kussen en ze kwam daar: op den boomstam onder de linde, 's avonds; opweg naar de kerk, aan 't putten van een emmer water, of stond gebogen aan 't groensel plukken in den lochting. Hij zag haar levend met al de natuurlijke plooiïngen van haar lijf, in haar gewoon doen, maar zoo onzeggelijk schooner nu, beschenen met dien goudglans, veel anders dan bij dage in de werkelijkheid. Nu wilde hij heur traag bekijken, heelegansch: heur haar, oogen en mond, de lijn langs haar heup, den val van heur nijdlijken blauw-netten voorschoot,--maar die dunne nevelsmoor kwam heur weer omwinden, zoodat hij niets meer duidelijk herkennen kon. Hij zag enkel heur twee zwartbruine oogen--de blik die hem vanavond zoo doorkeken had--die blonken lijk twee lichtjes zoo zacht, en spreidden een vreemde klaarte uit zoodat 't werd te zonneglinsteren onder de linde met zoo'n wonderlijke wemeling daar in de bladeren. Groote witte bloemen schoten overal tusschen--vlakronde zonnebloemen met roodbeperelde herten, omkransd met geluwe vlamtongen en beneden groeiden er hooge lischvlimmen met gloeiroode en witte kollebotten die traag wiegelden. Daar midden in troonde Lida heel in blank en ze zat daar stil op den bolleboom en keek meelijdend vriendelijk van uit haar hoogte op hem neêr. Op 't laatst werd die lichtschittering te fel voor zijne oogen en hij voelde zich wegvoeren op een rolwagentje met zoetzingend spel, naar een ander land. Daar zwom hij in een grijze zee, wijd overwelfd met groenigheid, waarachter een groote zon gedoken zat, en een beeld ievers, maar 't was alles zoo overgroot dat hij verzwolg in 't opademen van de veelte van genot. En zachte zonk hij neer in een smachtend gevoel van kriewelende kitteling die hem zeer gelukkig miek.

's Morgens in die kletsheldere zonneklaarte lijk hij daar stond met de drie koeien langs de gracht, zoo nuchter, dan werden de dingen van gister heelemaal anders. Zie, ginder ver op 't glinstergroene veld, in den zonneschijn, wrocht Lida met de andere boerenmeissens. Zij speelden en schatergekten onder 't werk. Lida boog en rechtte haar lijf--o, ze was de schoonste van al, maar zonder droomerij in de oogen: de blijleutige deerne nu, vlug aan de hand, altijd brad en vroolijk, met den klinkhelderen lach gereed op de lippen en de blinkend witte pereltanden bloot. Dat was het blij werkelijke leven, nu. Die menschen verstonden niets van zijn droomen en hij twijfelde of hij ook niet een dutsachtige sul was?

Het was zoo lastig met dien zwaren schat, gedoken rond te loopen tusschen de menschen. Moeder schold hem om zijn droomen voor luiaard en de groote broêrs gebaarden dat ze het keppekind niet en kenden. Daarbij werd hij soms overvallen door een droef gedacht: of er wel iets gemeens bestond tusschen hem en Lida?

Was dat oogenspel wel vattelijk voor dat blijlevend meiske? en kon ze bij éen van zijn woorden raden dat hij zot, razend zot van haar was?--Lida dat werd soms doodeenvoudig de zuster van Wies, en Wies die was zijn makker, en Lida ze knikte en koutte genegen omdat Rik de makker van heur broer was; al 't andere wond hij zichzelf op en haalde 't uit het oude boek van den zolder en uit zijn eigen zieke gedachten. Dat miek hem neêrslachtig en wreed ongelukkig. Waarom deed hij niet lijk Pol en Lieven en Jaak en zijn ander broers?--die wrochten heel de week met blij gemoed zonder aan iets te droomen en 's zondags gingen zij gearmd met hun deerne naar een of andere kermis. Die vroegen er niet naar, of ze wisten toch zeker, geern gezien te zijn. En Riene en Tielde, ze zongen heel de week en ze hadden ook elk een jongen die haar halen kwam om te wandelen.

--Ik zal heur zeggen.... Lida, 'k zie u geern--: haar nooit meer bezien of wel er open naartoe gaan. Maar op den zelfden stond wist hij wel en zeker het haar nooit te durven zeggen.--'t Best was: alles uit zijn hoofd steken, lustig leven en aan niemand denken. Ze was toch veel te hoog voor hem.

Maar waarom bekijkt ze mij altijd zoo diep in de oogen? dacht hij, doet ze dat zonder inzicht? zonder te weten dat het aanzet en me betoovert? Waarom legt zij zich altijd in die deemstering zoo met de armen uitgerokken achterovergeleund met halfopene oogen te glariën lijk een luie kat? En dan monkelplooit ze weêr zoo aanvallig heur lippen.

--Doet ze dat voor heur zelf of ook als ik er niet bij ben? En daar hij heur bij dage ontmoette kon zij zoo vreeselijk gewoon groeten en hoofsch lijk een vorstinne, op den kleinen koeier neerzien! of hem ook in 't geheel niet opmerken, was 't dat ze met een buurmeisje aan 't praten was over kleeren of tooisel. Dan viel ineens die gedroomde innigheid weg. Als ze niet heelemaal de zijne wilde worden liet hij haar liever af. En de hooggevierde Lida was een vreemde voor hem; hij zou er niet meer naar omzien, 't was vast nu. Hij werd spijtig om al de gedachten en genegenheid die hij aan heur verspilde; was ze niet wreed ondankbaar en ijdel, daar zij hem niets van 't hare wederzond? Wat gemeens bestond er tusschen hen beiden?--niets dan wat simpel oogenlonksel! 't was al.

Tot tegen den avond leed dat weg- en weerwerpen van beschuldiging en verschoonen.

Met 't stil wegzinken der zon welde de zachte weedom weer op. Dan kwam zij zelf vóor hem staan en hij was weêr aan 't meêdrijven naar de oude droomerij; door een lijntje van haar wezen, het dansen van een slutse haarkrul in heuren hals, of de ronding en plooien van den voorschoot om hare heupen, werd hij razend om haar sierlijke schoonheid, lam geslagen, en al 't andere buiten haar: 't dorp met al de menschen en moeder, verzonk en verdween voor hem in een duistere verte.

't Werk was nog niet geheel af, als hij weeral verlangde en zich gedreven voelde naar buiten, bij de linde.

Want, jammer genoeg, hij durfde daar elken avond niet gaan zitten of voorbijgaan, dat zou te oogschijnlijk uitkomen dat hij Lida vrijde en hij vreesde dat zulke mare in eens heel zijn geluk kon uiteensmijten. Soms miek hij een vast besluit er in lang niet meer heen te gaan; maar met den avond kwam de bekoring weerom sterker, hij gaf stilaan toe, draaide rond en keerde tot hij toch op het onweerstaanlijk plekje aankwam. En als 't gebeurde dat hij daar niemand vond, ging hij gaan dompelen alleen in de velden en hij voelde zich verlaten en droef. Die vereenzaming was hem te zwaar om dragen alleen; hij moest iemand hebben waaraan hij vertrouwelijk zijn ziel kon uitzeggen. Maar dat hij al rondzocht hij vond niemand: zijn broers dat waren grove lummels die meestal met de bende uit gingen werken waar er ievers een vaart te delven of groote hoopen aarde te verbeulen was. Bij Riene en Tielde ook niet,--die en wisten er niets af van 't geen hem lette. Lida alleen, maar 't was de Lida die in zijn hoofd woonde--met haar sprak hij over al die wondere dingen, boven daar hij in zijn bed te denken lag. Dan koutte hij vertrouwelijk even alsof ze hem door den stillen avond waarlijk op dien afstand hooren kon;--en 's anderendags, bij klaren dage, zag hij in haar donkere oogen dat ze hem goed verstaan had.

Morgen, als ik haar alleen vind, zal ik het haar wezenlijk zeggen, dacht hij. Met één ding te eenegaar zou hij beginnen tot het, op 't einde, al was klaar gelegd. Maar zoo gauw liet Wies hen alleen of hij wierd benauwd om zijn woorden en hij zegde meestal niets tenzij gewone dingen, zoo dom dat hij er spijt over voelde, zoogauw ze gezegd waren. Ze moest een vreemd gedacht van hem hebben, Lida, en z'en zou er wellicht nooit een woord af weten van al zijn wonderlijke gevoelens. 't Ware best dat hij verre van hier weg was en met andere menschen leefde. Er lag hier zoo'n gemoedelijke kalmte over al de dingen.--Zie, die koeien daar hoe lam ze den kop rechtten en voorttrakelden in den avond, en al dat rood van de zon achter de tronken,.... z'en zal in lange nog niet zinken, dacht hij. De dagen, ze winden zoo gezapig en de tijd spint zoo staag zijn kluwen uit! Als hij nu liever voor zijn eigen genot beminde en verheugd was in 't stille om haar schoone oogen, was dat geen geluk om bij te dansen! en zag hij een einde aan zijn zaligheid!? De zonnewarmte kwam zoo goed en 't groen van de versche lente stond overal uit.

Moeder vroeg wat er heuren jongen scheelde, of hij ziek was, waarom hij treurde? Maar z'en vermoedde niets, de goede vrouw, van zijn inwendige doening. Eenigheid en wat rust, dat alleen miek hem gelukkig; als hij maar ver weg kon kruipen waar hem geen mensch vinden kwam, en zitten zinnen bij zichzelf, dan wenschte hij van niemand eenige hulp. En nu ging dat veel beter thuis. Gister liepen al de grootste kerels van 't dorp over straat en zij zongen. Toen Rik thuis kwam vond hij Teune, Carpus, Klaas, Pol, Lieven, Jaak, die hun pakken mieken en mede vertrokken naar een groot aardewerk ievers in 't noorden. Tegen den avond was het dorp en 't huis heel stil en Rik was er blij om, nu alleen te zijn met zijn zusters, in deugdelijke verenkeling. Nu kon hij verstolen naar zijn zolder sluipen en daar heele stonden zitten lezen in het oude boek met al die wondere dingen die hem zoowel bevielen. Daar was een prentje in dat hij bovenal geern bekeek: in een heerlijk priëeltje wandelden een slanke prins gearmd met een vorstinne heel in wit; zij gingen zoo traag onder die heimelijke diepten vol lommer van hooge boomen, en ze moesten zij toch malkaar aangename dingen weten te vertellen. En die warme zonneklaarte scheen hem, in dat lommerland, zonder einde. Dat zou hij Lida eens toonen later en heur vragen of ze 't ook zoodanig mooi vond.

Hij pluisde geern in zijn gedachten om te achterhalen hoe dat met Lida begonnen en die koorts in hem gekomen was. Wanneer had ze den eersten ooglonk geworpen die hem zoo ontstelde? Toen ze kind nog en klein meiske was, had hij met haar gespeeld zonder eens te merken dat z'er anders dan al de jongens uitzag. Later--en nu verdoolde hij in 't menigvuldige der feiten--had hij beginnen verlangen om haar te zien en te ontmoeten. Den eersten keer, 't was van in zijn zoldervenster dat hij haar zag, en merkte: heur ranken, witten hals onder de glooiing van de bruine haarkroezels--dan was zijn hert beginnen kloppen en sedert dien ging Lida van heele dagen uit zijn gedachten niet meer, en hij wenschte altijd tot het avond werd om haar te vinden bij Wies onder de linde.

Nu ook sleepte die dag zoo lang en 't was of wilde de zon, met langs om min goeden wil, onder gaan; de avond kwam niet.

Vandaag zou hij haar willen zien in 't klare licht. Heur beeld stond, door 't altijd kijken met die deemstering tusschen haar en hem, zoo wazig en onduidelijk in zijnen kop en hoe hij ook pijnde om de strepen van haar wezen met zware lijnen te omtrekken, dat ging niet. Hij zou haar lang bekijken om niets van 't geziene te vergeten. Daarom zette hij, zoo aanstonds het schemeren begon, uit naar heur huis. Maar hij hoorde, van ver nog, groot gerucht van veel stemmen onder den boom, Lida zat er en Wies ook maar nog veel makkers uit het dorp. Hij verkende Sneyer, Pinne, Fons Zeurkel, de drie Boelen, Krotse en Sieper die vertelden van den oogst in 't Zuidland. Hij kwam stil bij geschoven en liet hun luide stemmen gaan zonder naar iets te luisteren van 't geen ze zegden. Gedoken bachten Sneyers rug keek hij naar Lida,--ze zag er blijgestemd uit vandaag en lijk preusch daar alleen meisje te zijn bij al die kerels. Tusschen de rookdrendels van den opvunzenden tabak, keek haar aangezicht zoo lief en nu zag hij het heel duidelijk: de wolle kroezeling zoo zwartbruin om haar wit voorhoofd--geen meisje wist met zoo'n zwierigen wrong haar hoofd te sieren.--Dan volgde hij de lijn langs haren neus, maar zijn zinnen verdoolden door een blik uit haar diepe oogen, waar hij heel die wereld in zag! en ze wierd weer de goede Lida, ál schoonheid, en hij dacht er niet meer aan, te zoeken waar de toovering van heur wezen begon of eindigde. Zij koutte leutig met de gasten die om het meest hun werkdaden vertelden van 't verre land. Rik had maar een enkel ding opgemerkt uit heel hun gesprek, 't was: dat groote Krauwel zijn ronde deed achter pikkers, en dat al de makkers hem toegezegd hadden den oogst te gaan doen naar 't Zuiden. Als 't donkerde zat Lida nadenkelijk voor zich uit te staren en z'n zegde niets meer.

Nu was ze weer het wazige schepsel met die rozige krullipjes en den zonnigen glimlach, uit zijn droomen. Hij en hoorde noch en zag niets meer rond haar. De laatste was hij die goên avond zei en vertrok. Hij slenterde voldaan naar huis even als na een langen blijdag vol leute. De velden geurden goed en de maan dreef zoo zacht, zie, in een hemel hoe blauw! hoe groot! 't Was of al de dingen voort waren, weggenomen, en hij daar alleen gelaten stond met dien stillen avond. Bij den gevel thuis hoorde hij moeders stem luide aan 't kijven. Als hij bij de deur bleef staan luisteren hoorde hij hoe Tielde weende en moeder luide zei:

--O, gij zot schepsel! wat gij denkt! Verschafel lacht met u, 'k en wil bovendien niet dat ge nog naar hem omziet. Wat, hij zou u vragen te trouwen!? O, gij simpel schaap! die dat gelooft! Weet ge niet dat hij een begoede boerezoon is? en gij, Tielde Busschaert, een meisje zonder iets? Waar zou ik het halen om u wat te geven? Uw vader, de goede Segher, is zeven lange jaren ziek geweest en heeft al opgeëten en vermeesterd wat we bezaten. En uw broers, wat brengen zij naar huis? Wacht, kind, tot de trotsche Verschafel het weet, hij zal zijn zotten zoon doodranselen! ha, ge luistert gij naar jongens liflafferije!

Tielde ademsnokte gedoken onder haar voorschoot toen Rik binnentrad en moeder deed maar altijd voort:--Maar, hij vest u blauwe bloemkes op; hij zal een tijd leute met u maken om u dan te laten zitten! en u uitlachen, gij lichtekooi! zoek ievers een armen duts om honger meê te lijden, dat zult ge wel vinden. Ha, 't was daarom, dat nieuw kleed en al dat snuistergoed!?

Rik was zeer aangedaan door dien onverwachten storm en hij ging haastig naar zijnen zolder.

Dat was nu weer een breuk in zijne droomen; dat viel lijk eene donkere onweersvlaag over zijn geluk, en al 't ellendige van den werkelijken gang stond daar vóor hem. Nu wist hij het eerst heel klaar: hij was een arme jongen!