Chapter 9
Moosu hield ook een toespraak en door het verstrekken van voedsel werd ik tot opperhoofd uitgeroepen. Moosu die het hoofd van de kerk was doopte mij met vischtraan en daarna schonk ik drank uit en er werd gefeest tot laat in den nacht.
"Zoo zie je, dat ik op een troon heb gezeten, den purperen mantel heb gedragen en geregeerd heb over een volk. En nog zou ik koning zijn, als de tabak niet was op geraakt en als Moosu een grooter domoor en een minder groote schavuit was geweest. Want hij had een oogje op Esanetuk, de oudste dochter van Tummassook, en ik weigerde mijn toestemming.
"O, broeder," zei hij, "je sprak over een plan om nieuwe instellingen in te voeren onder het volk en ik heb geluisterd en ben wijzer geworden door uwe woorden. Gij regeert bij de gratie Gods en bij de gratie Gods zal ik trouwen."
Het viel me op dat hij me met "broeder" aansprak en dat maakte me boos en daarom bleef ik op mijn stuk staan. Maar hij beriep zich op het volk, hield drie dagen achtereen godsdienstoefeningen waarbij de geheele bevolking tegenwoordig was en daarna, na een dialoog met God, voerde hij polygamie in bij enkel besluit. Maar hij was een slimmerd want hij regelde het aantal vrouwen, die iemand bezitten mocht, naar den rijkdom, aangezien hij boven alle anderen gezegend was met goederen. Ik kon niet anders dan hem bewonderen hoewel het duidelijk was dat zijn macht hem het hoofd op hol had gebracht en hij was dan ook niet tevreden voor alle macht en alle rijkdom in zijn handen waren.
Hij zwelde op van trotsch, vergat dat ik hem in zijn positie had gebracht en maakte toebereidselen om mij van mijn troon te stooten. Nu trok ik, door mijn drankverkoop een goed inkomen in vleesch en andere provisie, waarin ik hem niet meer liet deelen. Maar hij wist raad en kwam op zekeren dag aan met een belasting op het bezit en op alles waarvan hij maar ooit in zijn leven had gehoord. Ook dit duldde ik zonder tegenspreken, maar toen hij een inkomstenbelasting wilde gaan invoeren protesteerde ik omdat ik wel begreep wat zijn bedoeling was. Daarop riep hij het volk bijeen om te beslissen, en deze uit afgunst op mijn groot inkomen en zelf reeds zoo zwaar belast gaven hem gelijk.
"Waarom zouden wij betalen en gij niet?" riepen zij. Spreekt niet de stem van God door Moosu, de opperpriester? Ik moest toegeven maar tegelijkertijd verhoogde ik de prijs van den drank en daarop verhoogde hij de inkomstenbelasting.
Van dit oogenblik af was het openlijk tot oorlog gekomen. Ik stookte Neewak en Tummassook op, hun wijzende op hunne traditioneele rechten, doch Moosu won hun aan zijn zijde door het priesterschap af te kondigen waarbij hij aan de twee hooge ambten gaf. Alles ging voor hem gemakkelijk en daar schuilde mijn fout, ik had opperpriester moeten worden en hem opperhoofd laten worden; doch ik zag liet te laat in en in den twist tusschen geestelijke en wereldrijke macht moest ik het onderspit delven. Er brak twist en tweedracht uit doch deze was spoedig beslecht, het volk herinnerde zich dat Moosu mij op den troon had gezet en het was hun duidelijk dat de oorsprong van mijn macht lag niet bij mij, doch bij Moosu. Slechts enkelen bleven mij trouw, van welke Angeit de voornaamste was; terwijl Moozu de grootste aanhang had en bovendien praatjes rond strooide dat ik van plan was hem zijn macht te ontnemen en met niet echte Goden een nieuwe godsdienst wilde stichten. En hierin was de slimme schavuit me voor, want het was werkelijk mijne bedoeling mijn wereldlijke macht eraan te geven en geest tegen geest de zaak te doen uitmaken. Daarom maakte hij het volk bang met de boosaardigheid van mijne goden, waarvan de God Biz-e-Nass de voornaamste was en sloeg me mijn heele plan uit de handen.
Nu gebeurde het dat ik me aangetrokken gevoelde tot Klutktu, de jongste dochter van Tummassook en ik was haar ook niet geheel onverschillig. Daarom begon ik te onderhandelen doch het gewezen opperhoofd weigerde botweg, nadat ik de koopsom betaald had en vertelde me dat hij haar hield voor Moosu. Dit was te bar en ik had het plan naar zijn hut te gaan en hem af te ranselen toen ik me herinnerde dat mijn tabak haast op was en daarom nam ik de zaak lachend op. Den volgenden dag hield Moosu een rede en vertelde het mirakel van het brood en de visch, doch ik begreep dat zijn geheele toespraak sloeg op het vleesch dat in mijne kisten gepakt was. Ook het volk begreep zijn bedoeling en daar hij hun niet beval op jacht te gaan, bleven de meesten thuis en slechts een paar cariboes en ander wild werden binnen gebracht.
Maar ik had ook een plan, daar ik bemerkte dat niet alleen de tabak doch ook het meel en de stroop bijna op waren. Bovendien rekende ik het tot mijn plicht om de wijsheid van het blanke ras te toonen en Moosu een gevoelige les te geven, die opgeblazen was van de macht die ik hem gegeven had. Dien nacht ging ik naar de vleeschkisten en werkte hard en het viel den volgenden dag op dat de honden van het dorp erg lui en slaperig waren. Niemand koesterde argwaan en zoo werkte ik elken nacht, de honden werden vetter en vetter en het volk steeds magerder. Zij begonnen te mopperen en vroegen de vervulling van hetgeen Moosu voorspeld had, maar Moosu suste hun en wachtte tot hun honger nog grooter zou zijn, daar hij geen flauw vermoeden had van de kool die ik bezig was hem te stoven.
Toen alles op was zond ik Angeit en mijn andere getrouwen, die ik in 't geheim steeds te eten had gegeven rond om een vergadering bijeen te roepen. Het volk kwam voor mijn hut, waarachter de hoog opgestapelde kisten vleesch zichtbaar waren. Moosu kwam ook en nam plaats tegenover mij, begrijpende dat ik iets wilde uithalen doch vast besloten mij te overwinnen. Doch ik stond op en begroette hem ten aanschouwen van het geheele volk.
"O, Moosu, gij, die door God gezegend zijt," begon ik, "zult wel verwonderd zijn dat ik het volk hier te zamen heb geroepen en zonder twijfel zult gij scherpe woorden van mij verwachten. Maar dat zal niet zoo zijn. Er is gezegd dat zij welke de Goden vernietigen willen eerst gek gemaakt worden. En ik ben gek gemaakt. Ik heb u trachten te weerstaan, geschimpt op uwe macht en allerlei slechtheden begaan. Doch van nacht had ik een visioen en ik heb ingezien hoe slecht en verkeerd ik deed. En gij stondt daar als een schitterende ster en in mijn hart erkende ik uw grootheid. Ik zag alles duidelijk. Ik wist dat wanneer gij sprak, God toeluisterde. En ik besefte dat welke goede daden ik ook verricht heb, ik deze verrichtte bij de gratie van God en de gratie van Moosu.
"Ja, kinderen," riep ik, mij tot het volk wendend, "wat ik goed gedaan heb, dat deed ik op raad van Moosu. Als ik naar hem luisterde ging alles voorspoedig, wanneer ik mijne ooren sloot en mijn eigen zin deed ging alles verkeerd. Hij was het die me den raad gaf vleesch op te slaan en, in tijden van honger, de hongerigen voedde. Bij de gratie van hem werd ik tot opperhoofd uitverkoren. En wat deed ik als opperhoofd? Laat ik het u vertellen. Ik deed niets. De macht had me in de war gebracht, en ik vond mezelf grooter dan Moosu en daar heb ik nu berouw van. Mijn regeeren was verkeerd en de Goden zijn boos. Gij allen vergaat van de honger, de moeders hebben geen melk, en de kleine kinderen jammeren den geheelen nacht. En ik, die me tegen Moosu heb gekeerd, weet niet hoe aan voedsel te komen."
Het volk knikte en lachte en stak hunne hoofden bij elkaar en ik begreep dat ze fluisterden over het verhaal van het brood en de visch. Daarom ging ik vlug voort: "Ik zag mijn onwijsheid in en de wijsheid van Moosu. Ik zag mijn onbekwaamheid en de bekwaamheid van Moosu. En daarom beken ik, nu ik niet meer gek ben, dat ik geheel verkeerd gehandeld heb. Ik sloeg ongerechte blikken op Kluktu en zij was bestemd voor Moosu. En is ze niet van mij, daar ik toch Tummassook de koopsom betaalde? Maar ik ben haar onwaardig en zij zal gaan van de hut van haar vader naar de hut van Moosu. Kan de maan schijnen in het schijnsel van de zon? Doch Tummassook kan zijne goederen behouden en zij zal een gift zijn aan Moosu, die door de Goden als haar Heer bestemd is.
En omdat ik mijn rijkdom verkeerd heb gebruikt, en als boetedoening geef ik de oliekan aan Moosu en ook de koperen ketel en de geweerloop. Dan kan ik geen bezittingen meer naar me toehalen en als ge behoefte hebt aan drank zal hij het je geven en je niet bestelen. Want hij is een groot man en God spreekt door zijn mond. Mijn hart is week en ik heb mijn berouw erkend. Ik, die een ezel ben en de zoon van ezels; ik, die de slaaf ben van de slechte God Biz-e-Nass; ik, die uwe hongerige leege magen zie en niet weet hoe ze te vullen, waarom zal ik uw opperhoofd zijn en me boven u verheffen en regeeren tot uwe vernietiging? Waarom zou ik dat doen? Maar Moosu, die opperpriester is en die wijzer is dan wie ook, is zoo geschapen dat hij met zachte rechtvaardige hand kan regeeren. En omdat de dingen gebeurd zijn als ik heb gezegd, doe ik afstand van den troon ten behoeve van Moosu die alleen weet hoe u te voeden terwijl er geen vleesch is in het land.
Hierop was er een uitbundig handgeklap en het volk riep: "Kloshe, kloshe!" dat goed beteekent. Ik had de verbazing gezien in de oogen van Moosu, want hij begreep er niets van en vreesde de wijsheid van den blanke.
Ik had al zijne wenschen voorkomen en zelfs meer, en terwijl ik daar stond, me zelf ontdaan van alle macht, begreep hij dat hij het volk niet tegen me op moest hitsen.
Voor zij uit elkaar gingen zei ik dat, terwijl het brouwtoestel voor Moosu was, alle beschikbare drank door mij aan het volk werd gegeven. Moosu trachtte dit te voorkomen want nooit hadden wij toegestaan dat er meer dan een handje vol tegelijk dronken waren, doch zij riepen: "Kloshe, kloshe!" en begonnen feest te vieren voor mijn deur. En terwijl ze buiten luidruchtig werden van den drank die naar hun hoofd steeg, hield ik binnen krijgsraad met Angeit en de andere getrouwen. Ik zei hun wat ze te doen hadden en zegde hun voor wat ze moesten vertellen. Daarna pakte ik ongemerkt mijne biezen en bleef op een afgesproken plaats in het bosch wachten waar reeds twee goed beladen sleden, met de beste honden bespannen, gereed stonden.
De lente was op komst en dus was het de beste tijd om naar het zuiden te trekken. Bovendien was de tabak op. Daar wachtte ik, want ik had niets te vreezen. Mochten ze me vervolgen, dan waren toch hunne honden te vet om me in te halen en zij zelf te zwak. Dronken als ze waren, konden ze ook niet hard vooruit komen. Eerst kwam een boodschapper vertellen dat er eene groote opschudding in het dorp was en dat niemand wist wat hij deed. Allen waren dronken en er was aan vechten geen gebrek. De tweede berichtte dat hij, zooals ik bevolen had, de menschen herinnerd had aan de goede tijd van vroeger. Vrouw Ipsukuk beweent haar verloren rijkdom en Tummassook verbeeldt zich weer opperhoofd te zijn en het volk is hongerig en trekt woedend rond.
De derde vertelde dat Neewak het altaar van Moosu tegen den grond had gegooid en een godsdienstoefening ging houden voor de vroeger geƫerde goden. En het heele volk herinnert zich de overvloed van vroeger. Eerst vocht Esauetuk met Kluktu en daarna beide tegen Tukeliketa, en toen vielen de drie vrouwen samen Moosu aan en gooiden hem uit zijn eigen hut waarop hij door het volk bespot werd omdat hij zijne vrouwen niet baas kon.
Tenlaatste kwam Angeit vertellen dat Moosu in het nauw zat. Ze begonnen met om eten te roepen en vroegen de vervulling van zijn voorspelling hun vleesch te geven. Daarom verzocht hij stilte en bracht de hongerigen bij uwe vleeschkisten. En hij verzocht te kisten te openen en het vleesch rond te deelen. Maar och, alle kisten waren leeg. Er was geen vleesch. Zij stonden sprakeloos daar het volk bang was en in de stilte sprak ik "Moosu waar is het vleesch? We weten dat er vleesch was. Hebben wij het wild niet zelf geschoten en het vleesch hier naar toe gesleept. En niemand heeft er van gegeten. Waar is het vleesch, Moosu? Gij hebt het gehoor van God. Waar is het vleesch?"
Het volk schreeuwde en brulde om het vleesch. En zij staken de hoofden bijeen en waren bang. Daarom begaf ik me tusschen hen net zoo lang angstig sprekend over de geheimzinnige verdwijning van het vleesch, over de dooden die verrezen en kwaad deden tot alle het uitgilden van vrees en als bange kinderen zich tegen elkaar aandrongen.
Neewak hield een toespraak waarin hij alle schuld gaf aan Moosu. Toen hij geeindigd was ontstond er een groot tumult en ieder haalde zijne wapens voor den dag. Maar Moosu rende naar zijn hut en daar hij niet dronken was zooals de anderen, konden ze hem niet inhalen en toen ik weg ging werd hij in zijn hut belegerd."
Ik beval Angeit terug te gaan met een leege slede en de honden en zei hem onverwacht voor het volk het in de gaten had Moosu uit zijn hut te halen, op de slee te gooien en hem bij me te brengen.
Ik wachtte tot Angeit terug kwam met Moosu op de slee en ik zag aan de krabbels welke hij op zijn gezicht had dat zijne vrouwen hem geducht te pakken hadden gehad. Zoo gauw hij me zag viel hij voor me op de knieen, terwijl hij om vergiffenis smeekte. Ik pakte hem beet, gooide hem voorover op de slee en nam de hondenzweep in mijn hand. Toen kreeg hij een pak slaag en bij elken slag vertelde ik hem waarvoor hij dien kreeg. Deze voor je algeheele ongehoorzaamheid! En deze voor al je ongehoorzaamheden! En deze voor Esauetuk en deze voor het heil van je ziel. Ik sloeg net zoo lang tot ik er moe van was en schopte hem toen van de slee af en beval hem vooruit te gaan om de sneeuw plat te trappen.
Thomas Stevens glimlachte rustig terwijl hij zijn vijfde sigaar aanstak en kringetjes naar de zoldering blies.
"Maar hoe is het afgeloopen met het volk van Tattarat?" vroeg ik. "Een beetje onmenschelijk, niet? om hen in hongersnood achter te laten?"
Doch hij antwoordde lachend tusschen twee kringetjes door "waren er dan niet de vette honden?"
AANTEEKENINGEN
[1] Zware schoenen zooals de Indianen dragen.
[2] "The double cross" een onvertaalbare uitdrukking, die zooveel beteekent als "de bedrogen bedrieger." (vert.)