Chapter 8
"Maar op het laatst staakte hij zijn kabaal en begon te jammeren en huilen als een klein kind. Hij raakte buiten zichzelf en hij werd een beverige geleiberg van ellende. Hij kreeg last van hartkloppingen en wankelde heen en weer als een dronken man en dan viel hij en schaafde het vel van zijne knieën. Dan begon hij weer te jammeren maar aldoor voort strompelend. O, kerel de goden zelf zouden over hem geweend hebben en jijzelf en iedereen. Het was jammerlijk, het was zoo'n zielige vertooning, maar ik versteende mijn hart en liet hem slechts harder loopen. Ten laatste putte ik hem geheel uit en hij viel neer, geheel op, met gebroken hart, hongerig en dorstig. Toen ik bemerkte dat hij zich niet meer verroeren kon, sneed ik zijn hielpezen door en besteedde het grootste gedeelte van den dag met op hem in te hakken met mijn handbijl, tot ik diep genoeg in zijn lichaam was doorgedrongen om hem dood te maken. Tien meter lang was het dier en zeven hoog en een man kon een kooi spannen tusschen zijne slagtanden en er lekker in slapen. Hoewel ik al zijn vet uit hem had gejaagd, was hij toch goed eetbaar en zijn vier pooten zouden gebraden een man wel een jaar eten genoeg hebben verschaft. Ik bracht den geheelen winter bij hem door.
"En waar is die vallei?" vroeg ik.
Hij wuifde met zijn hand naar het noord-oosten en zei: "Je tabak is goed. Een goed deel er van heb ik nu in mijn eigen tabakszak maar de herinnering eraan zal ik tot mijn dood bij me dragen. Ten teeken van mijn waardeering en in ruil voor de moccasins aan jouw voeten, geef ik je deze muclucs ten geschenke. Zij zullen je doen gedenken Klooch en de zeven blinde jongen. Zij zijn ook souvenirs van een onvergelijkelijke gebeurtenis in de geschiedenis, namelijk van de verdelging van het oudste en het jongste ras op aarde. En hun grootste verdienste is dat zij onverslijtbaar zijn."
Het schoeisel verwisseld hebbend klopte hij de asch uit zijn pijp, greep mijn hand ter afscheid en verdween door de sneeuw. Met betrekking tot dit verhaal, voor hetwelk ik de verantwoordelijkheid niet draag raad ik de ongeloovigen aan een bezoek te brengen aan het Smithsonian Instituut. Wanneer zij de vereischte geloofsbrieven meebrengen en niet in de vacantietijd komen, zullen zij zonder twijfel worden toegelaten bij Professor Dolvidson. De muclucs zijn in zijn bezit en hij zal bevestigen niet de wijze waarop zij verkregen zijn, maar het materiaal van hetwelk zij zijn samengesteld. Wanneer hij verklaart dat zij gemaakt zijn van Mammouth huid, aanvaart de geheele geleerde wereld zijn oordeel.
En wat wilt gij meer?
EEN DRANK UIT DE POOLSTREKEN
Door Jack London.
Thomas Steven's waarheidsliefde mag niet te doorgronden zijn en zijn verbeeldingskracht die van gewone menschen tot de macht maar het moet gezegd worden dat hij nooit iets vertelde dat gebrandmerkt kon worden als een besliste leugen ... Hij kan met de waarschijnlijkheid gespeeld hebben en zich bewogen hebben op de grens van het mogelijke, maar in geen van zijne verhalen piepte de machine. Dat hij de Poolstreken kende als een boek, zal niemand ontkennen. Dat hij een groot reiziger was en onnoemelijk veel onbekende tochten had gemaakt, konden velen bevestigen. Buiten hetgeen ik persoonlijk van hem wist, kende ik mannen die hem overal hadden ontmoet, maar meestal in het hooge verlaten Noorden.
Daar was Johnson, de agent van de Hudsonbaai maatschappij, die hem gehuisvest had in een factorij in Labrador tot zijne honden op kracht waren gekomen en hij weer in staat was verder te trekken. Dan Mc. Mahon, agent van de Alaska Handel maatschappij, die hem ontmoet had in Dutch haven en later tusschen de Alentian eilanden groep. Het was buiten twijfel dat hij als gids gediend had bij de eerste expedities uitgerust door de Vereenigde Staten en de geschiedenis bevestigt dat hij in een zelfde hoedanigheid de Western Union diende bij de poging om door Trans Alaska en Siberië een telegraaflijn aan te leggen naar Europa. Verder was er Joe Lamson, de walvischvaarder, die toen hij met zijn schip in de mond van de Mackenzie rivier vastgevroren zat, een bezoek van Stevens kreeg op zoek naar tabak.
Dit laatste bewijst de identiteit van Thomas Stevens afdoende. Zijn zoeken naar tabak was eeuwigdurend en onvermoeid. Voor we goed met elkaar bekend raakten leerde ik reeds hem te verwelkomen met de eene hand en hem mijn tabakszak te geven met de andere. Maar de avond dat ik hem ontmoette in de kroeg van John O'brien te Dawson had hij zich gehuld in een wolk rook van een vijftig dollarcent sigaar, en in plaats van mijn tabakszak vroeg hij om mijn zak met stofgoud. We stonden bij een faro tafel en onmiddellijk wierp hij de zak op de hoogste kaart. "Vijftig" zei hij en de croupier knikte. De hoogste kaart werd gekeerd en hij gaf me mijn zak terug en trok me naar de weegschaal, waar de weger hem onverschillig vijftig dollar in stofgoud uitwoog.
"En nu geef ik een rondje," zei hij en later bij den toonbank terwijl hij zijn glas neerzette. "Dit doet me denken aan een brouwsel dat ik in Tarratat maakte. Neen, je weet niet waar dat is en 't staat ook niet op de kaart. Maar 't is aan de kust van de Gazee, niet meer dan een paar honderd mijl van het Amerikaansche grensgebied en daar wonen een paar honderd ongeloovige zielen, die onder elkaar trouwen en tusschen beiden doodgaan. Ontdekkingsreizigers hebben ze vergeten en je zult ze ook niet vinden in de volkstelling van 1890. Een walvischvaarder leed daar eens schipbreuk doch de bemanning die over het ijs het land bereikte trok naar het zuiden en liet nooit weer iets van zich hooren.
"Maar 't was een heerlijke drank die wij daar maakten Moosu en ik," voegde hij er even later met een zucht bij.
Ik wist dat er groote daden achter die zucht verborgen waren en daarom trok ik hem in een hoek tusschen een roulet tafel en een pokerpartijtje en wachtte tot zijn tong zou ontdooien.
"Een ding had ik tegen Moosu," begon hij, zijn hoofd meewarig schuddend, "een ding en ook slechts een. Hij was een Indiaan uit Chippeway, maar het beroerde was dat hij wel eens gehoord had van de "Schrift". Hij was een kampgenoot geweest met een Fransch Canadeesche afvallige die theologie gestudeerd had. Moosu had nooit christelijkheid in de praktijk gezien en zijn hoofd was volgestampt met mirakels, gevechten en biechten en van alles waarvan hij niets begreep. Voor de rest was hij van een goed soort, handig onderweg of bij het kampvuur.
"We hadden een zwaren tijd achter den rug en waren er slecht aan toe, en uitgeput toen we Tarratat aandeden. We hadden onze geheele uitrusting met honden en al in een sneeuwstorm verloren, onze magen kleefden aan onze ruggegraat en onze kleeren hingen als vodden aan ons lijf, toen we het dorp binnen strompelden. Ze waren niet erg verwonderd ons te zien van wege de bemanning van den walvischvaarder--en gaven ons de beroerdste hut in het dorp om in te verblijven, en de slechtste restjes om van te leven. Wat me direkt opviel was dat ze ons geheel aan ons zelf overlieten. Maar Moosu legde het me uit. Hij zei dat de medicijnman jaloersch was en dat hij zijn volk den raad had gegeven zich niet met ons in te laten. Van het weinige dat hij vroeger van de zeelui gezien had, had hij geleerd dat wij van een sterker en ontwikkelder ras waren dan hij zelf.
"Deze menschen hebben een wet" zei Moosu, "die vleesch wil eten moet jagen. Wij zijn onbekend, meester, met de wapens van dit land; wij kunnen geen boog spannen noch een speer werpen zooals zij dat kunnen. Daarom hebben de medicijnman en Tummasook, het opperhoofd, de koppen bij elkaar gestoken en zij hebben uitgemaakt dat wij de vrouwen en kinderen zullen helpen in het binnensleepen van het gejaagde vleesch en in het voorzien van de jagers van alles wat ze noodig hebben."
"En dit is onrechtvaardig," antwoordde ik, "want wij zijn betere menschen, Moosu, dan deze lui, die in onwetendheid leven. Bovendien moeten we uitrusten en aansterken want de weg naar het Zuiden is lang en op dien weg kunnen zwakkelingen niet voortkomen." "Maar wij hebben niets," merkte hij op terwijl hij rondkeek langs de verrotte wanden van de hut, de viese lucht van het oude walrusvleesch met hetwelk we ons maal hadden gedaan nog in zijn neus. "En op dit eten kunnen we niet leven. We hebben niets dan de flesch met cognac dat ons niet vullen kan, dus moeten we ons wel buigen onder het juk en houthakkers en waterdragers worden. En er zijn hier goede dingen waarvan we niets krijgen. Ja, meester, mijn neus heeft me nooit bedrogen en ik heb hem gevolgd naar geheime bergplaatsen en tusschen de balen bont in de hutten. Goeden voorraad bemachtigden de menschen hier van de arme walvischvaarders en die heele voorraad is slechts verdeeld onder een paar menschen. De vrouw Itukuk, die aan 't eind van het dorp woont naast de hut van het opperhoofd heeft veel meel en suiker en ik heb gezien dat ze haar gezicht had ingesmeerd met stroop. En in de hut van het opperhoofd Tummasook is thee. En de medicijnman heeft twee kisten tabak. En wat hebben wij? Niets! Niets!"
Maar ik was sprakeloos door wat hij zei over tabak en antwoordde niet.
Doch Moosu begon uit zich zelf op nieuw.
"En daar is Fukeliketa, de dochter van een groot jager, een welgesteld man. Een aardig meisje, ja een heel lief meisje. Dien nacht lag ik te peinzen terwijl Moosu snorkte, want ik kon de gedachte niet verdragen dat de tabak zoo dicht bij was en ik ze toch niet kon rooken. Het was waar, wat Moosu gezegd had, wij bezaten niets. Maar het werd me helder en toen het morgen was zei ik tegen hem: "Ga, zooals je dat kunt, stilletjes het dorp in en breng een been voor me mee, gebogen als de hals van een gans en hol. Loop kalm rond maar kijk goed uit waar de potten en pannen en 't kookgerei opgeborgen is. En onthoudt dat ik het verstand heb van het blanke ras en doe wat ik je bevolen heb."
"Toen hij weg was plaatste ik de lamp met walvisch-olie in 't midden van de hut en legde de slaapdekens in een hoek om meer ruimte te hebben. Daarna maakte ik den loop van zijn geweer los en legde het bij de hand. Voorts maakte ik kaarspitten van het katoen dat de vrouwen uit het dorp sponnen. Toen hij terug kwam, had hij het been bij zich en vertelde mij dat in de hut van Tummassook een groote oliekan en een grooten koperen ketel stond. Daarop gaf ik hem een pluimpje en zei dat we den nacht af moesten wachten.
"Het opperhoofd heeft een koperen ketel en een oliekan" zei ik, terwijl ik Moosu een grooten steen in de hand gaf. "Het dorp is in rust en het is donker. Kruip nu stil in de hut van het opperhoofd en sla hem zoo hard je kunt met den steen op zijn maag. En moge de gedachte aan het vleesch en al het goede voedsel dat ons in volgende dagen wacht je kracht geven. Er zal een groote opschudding zijn en het dorp zal op stelten staan. Maar wees niet bang en zorg dat je niet ontdekt wordt. En als de vrouw Ipsukuk, dat is de vrouw die haar gezicht met stroop insmeert, in je buurt komt, sla dan haar ook en doe dat bij allen die provisie hebben. Dan moet je zelf gaan gillen van pijn en kermend op den grond vallen ten teeken dat ook jij door de nachtmerrie bezocht bent. En op die manier zullen wij in het bezit komen van al de provisies en van de tabak en jij van Tukeliketa dat zoo'n lief meisje is."
"Toen hij vertrokken was wachtte ik geduldig in de hut en de tabak was al dicht onder mijn bereik. Plotseling klonk een gejammer en gehuil door de lucht. Ik nam mijn flesch cognac en rende naar buiten. Er was een verbazend tumult en een vreeselijk gejammer onder de vrouwen en de schrik was ieder om het lijf geslagen. Tummassook en de vrouw Ipsukuk rolden op den grond van pijn en behalve die twee nog verschillende anderen waaronder Moosu. Ik duwde ieder op zij die in den weg kwam en bracht den hals van de flesch aan de lippen van Moosu. En direkt was hij beter en staakte zijn gejammer, waarop iedereen direkt om de flesch begon te schreeuwen. Maar ik begon eerst te onderhandelen en voor zij proefden had ik Tummassook zijn ketel en kan afhandig gemaakt en had ik Ipsukuk beroofd van haar suiker en stroop en de andere lijdenden van een goed deel van hun meel. De medicijnman gluurde valsch naar het volk rond mij, hoewel hij zijn verbazing moeilijk verbergen kon. Maar ik hield het hoofd hoog en Moosu grinnikte stiekum terwijl hij me naar onze hut volgde.
Daar zette ik mij aan het werk. In de koperen ketel van Tummassook mengde ik drie liter meel met vijf liter stroop en hierbij voegde ik twintig liter water. Vervolgens plaatste ik de ketel bij de lamp, om het op te lossen en te laten trekken. Moosu begon te begrijpen en zei dat mijn wijsheid alle begrip te boven ging, dat ze grooter was dan die van Salomon, die een wijs man moest zijn geweest. De oliekan zette ik boven de lamp en aan zijn tuit bevestigde ik het kromme been. Ik zond Moosu op zoek naar ijs, terwijl ik de loop van het geweer verbond met het been, in 't midden van den loop stapelde ik het ijs dat Moosu gehaald had en aan 't eind van den loop plaatste ik een kleine ijzeren pot. Toen het brouwsel sterk genoeg was en dat duurde twee volle dagen, vulde ik de oliekan ermee en stak de kaarspitten aan. Toen alles gereed was, zei ik tot Moosu: "Ga naar het opperhoofd en zend hem mijne groeten en vraag hem in mijn hut met mij en de Goden den nacht te komen doorbrengen.
Het brouwsel was gezellig aan het pruttelen toen zij naar binnen kropen en ik hoopte maar steeds ijs om de loop. Uit het ondereind druppelde langzaam de drank in de ijzeren pot. Maar ze hadden het nooit gezien en grinnikten zenuwachtig toen ik begon te vertellen van de goede eigenschappen van den drank. Terwijl ik praatte zag ik den jaloerschen blik in de oogen van den medicijnman en daarom zette ik hem toen ik gereed was naast Tummassook en Ipsukuk. Daarna gaf ik hun te drinken en hunne oogen schoten vol tranen en hunne magen verwarmden, tot ze ten laatste niet meer bang waren doch gretig om meer vroegen. En toen ik ze goed aan den gang had, wendde ik me tot de anderen. Tummassook begon op te snijden over een ijsbeer die hij eens gedood had en in het vuur van zijn verhaal sloeg hij bijna zijn oom dood. Maar niemand lette daarop. De vrouw Ipsukuk begon te huilen om een zoon lang geleden in het ijs verloren en de medicijnman sloeg aan het voorspellen en waarzeggen. Zoo ging het voort en voor den morgen lagen ze allemaal op den grond, vast in slaap met de Goden.
Het verhaal vertelt zichzelf, nietwaar? Het nieuws van den tooverdrank verspreidde zich spoedig. Het was te grootsch voor woorden. De tong kon slechts een tiende verhalen van de mirakels die het te weeg bracht. Het stilde pijn, verzachtte verdriet, riep oude herinneringen doode gezichten en vergeten droomen terug. Het was een vuur dat door het bloed kookte en toch niet brandde.
Het sterkte het hart en maakten de gebruikers bovenmenschelijke wezens. Het openbaarde de toekomst en gaf visioenen. Het was doorkneed van wijsheid en openbaarde geheimen. Er was geen eind aan alles wat het kon doen en het duurde dan ook niet lang of iedereen smeekte er om te mogen slapen met de Goden. Zij droegen hun warmste bont aan, hunne sterkste honden, hun lekkerste vleesch; maar ik verkocht de drank in kleine hoeveelheden, en slechts zij kregen ervan die meel, stroop en suiker brachten. En zoo'n toevloed ervan kwam binnen dat ik Moosu order gaf een schuur te bouwen om alles in te bergen want er was spoedig geen plaats meer in de hut. Er gingen geen drie dagen voorbij of Tummassook was bankroet. De medicijnman die er voor gezorgd had dat hij na den eersten nacht nooit meer dan half dronken werd, hield me goed in de gaten en hield dit een week lang vol. Maar na tien dagen had ook de vrouw Ipsukuk haar provisie uitgeput en ging verzwakt en wankelend naar haar hut.
Moosu echter klaagde: "O, meester," zei hij, we zijn nu in 't bezit van stroop en meel en suiker, doch onze hut is er niet beter op geworden, onze kleeren zijn dun en onze slaapdekens uitgerafeld. Mijn maag roept om vleesch en om thee zooals Tummassook drinkt en ik verlang zoo naar de tabak van Neewak, den medicijnman die plannen smeedt om ons te vernietigen. Ik heb meel om ziek van te worden en suiker en stroop in overvloed maar het hart van Moosu is bedroefd en zijn bed leeg."
"Zwijg!" antwoordde ik, "jij bent een stommeling en een idioot. Houdt je bedaard en wacht en we krijgen alles, want als je niet wachten kunt krijgen we weinig en loopt ten slotte alles mis. Jij bent een kind in de wijsheid der blanken. Houdt je mond en kijk uit en ik zal je laten zien hoe mijn rasgenooten doen, en hoe ze zich daarmee rijk maken. Dat noemen zij "zaken doen" en wat weet jij van zaken?"
Doch den volgenden dag kwam hij buiten adem binnen: "O, meester, in de hut van den medicijnman zijn vreemde dingen gebeurd; we zijn verloren en we hebben nog geen warme kleeren noch tabak en dat komt door uw begeerigheid naar meel en stroop. Ga zelf kijken terwijl ik bij de kokerij blijf."
Zoo ging ik naar de hut van Neewak, en werkelijk, hij had zelf ook een brouwerij gemaakt, mooi nagemaakt naar de mijne. En toen hij me zag kon hij zijn vreugde moeilijk verbergen. Want hij was een slimmerd en zijn slaap met de goden in mijn hut was niet diep geweest.
Ik was echter niet van mijn stuk gebracht, want ik wist wat ik wist en toen ik terug was in mijn hut zei ik tegen Moosu: "Gelukkig bestaat onder dit volk het eigendomsrecht hoewel zij spaarzaam gezegend zijn met menschelijke instellingen. En door deze achting voor persoonlijk eigendom zullen jij en ik dik worden en verder zullen we hun kennis laten maken met nieuwe instellingen die andere volken met groote toewijding en lijden uitgewerkt hebben."
Doch Moosu snapte het maar half, tot de medicijnman de hut binnenkwam met bliksemende oogen en met een dreigende stem me vroeg met hem te onderhandelen.
"Want zie je," riep hij, "er is geen meel en stroop meer in het heele dorp. Alles heb je met schrapende hand van mijn volk afgetrocheld, die met de goden hebben geslapen en die nu niets meer hebben dan een zwaar hoofd en zwakke knieën en een dorst die ze niet kunnen lesschen. Dit is niet goed en ik ben machtig onder hen; daarom is het je geraden met mij te handelen, evenals je met hun hebt gedaan om meel en stroop.
En ik antwoordde: "Dit is goede praat en je bent een wijs man. Wij zullen zaken doen. Voor dit beetje meel en stroop krijg ik twee pakken tabak."
Moosu kreunde en toen de koop gesloten was en de medicijnman vertrokken, barstte hij los:
"Ziet u wel, door uw gekheid zijn we nu verloren! Neewak maakt uw drank nu zelf en als de tijd daar is zal hij zijn volk gelasten slechts van zijn drank te drinken. En zoo worden wij uitgeschakeld en wordt onze drank waardeloos en blijft onze hut armoedig, het bed van Moosu koud en leeg!
En ik antwoordde: "Bij God kerel je bent een stommeling en je vader voor jou en je kinderen na jou, tot de laatste generatie. Jouw wijsheid is erger dan heelemaal geen en je oogen blind voor zaken doen, van welke ik sprak en van welke je niets weet. Ga zoon van duizend idioten en drink van den drank die Neeman brouwt in zijn hut en dank de Goden dat de wijsheid van een blanke maakt dat je op een zacht bed zult kunnen slapen. Ga! en wanneer je geproefd hebt kom dan terug, kom met den smaak van het goed op je tong opdat ik weet wat het is. En twee dagen later zond Neewa invitaties rond om in zijn hut te komen. Moosu ging, doch ik bleef achter, de hut vol rook van de tabak van den medicijnman; want de zaken waren slap dien avond en niemand kwam in mijn hut behalve Angeit een jeugdig jager die vertrouwen in mij had. Later op den avond kwam Moosu terug, zijn stem dik van 't grinneken en zijn oogen stralend van pleizier. "U is een groot man!" zei hij, "een groot man meester en dank zij uw grootheid zult u Moosu uw dienaar niet hard vallen, die dikwijls twijfelt en die niet begrijpen kan."
"En waarom dat? vroeg ik. "Heb je te veel gedronken? En slapen ze vast in de hut van Neewak, de medicijnman?"
"Neen, ze zijn boos en opgeblazen en het opperhoofd Tummassook heeft Neewak bijna gekeeld en bij het gebeente van zijn voorzaten gezworen hem niet weer aan te kijken. Want hoort! Ik ging naar de hut en het brouwsel pruttelde en borrelde en de stoom kwam uit de tuit als de stoom van uw brouwsel en evenals bij u kwam onder uit de pijp vloeistof en werd opgevangen in een pot. En Neewak liet ons drinken en brr, het was niet als uw drank want het beet niet op de tong noch prikkelde de oogen, want het was water. Zoo dronken we, en we dronken te veel en toch zaten we met koude harten. En Neewak was verstomd en een donkere wolk kwam over zijn gezicht. En hij nam Tummassook en Ipsukuk terzijde en verzocht hun te drinken, als maar te drinken. En zij dronken en dronken en dronken doch ze bleven stil, tot Tummassook woedend opstond en zijn bont en thee terug eischte, die hij vooruit had betaald. En Ipsukuk verhief schril en boos haar stem en iedereen vroeg zijne goederen terug.
"Hondsvot denk je dat ik een walvisch ben?" vroeg Tummassook, het vel voor de ingang van de hut op zij schuivend, zijn gezicht blauw van ingehouden toorn. "Waarom heb je me als een vischblaas gevuld met water tot barstens toe, totdat ik bijna niet meer loopen kan door het gewicht dat ik in me heb. Ik heb gedronken als nooit te voren en toch is mijn oog helder, mijne beenen sterk, mijn hand vast."
"De medicijnman kan ons niet met de Goden laten slapen" klaagde het volk dat op dit oogenblik onze hut binnen kwam, "slechts in uw hut kan dat gebeuren."
Ik lachte in mijn vuistje op dit bericht en deelde drank uit en maakte mijne gasten vroolijk. Want in het meel dat ik Neewak verhandeld had, mengde ik een goede dosis soda, die ik van de vrouw Ipsukuk gekregen had. Hoe kon dan ook zijn brouwsel verhitten. terwijl de soda de drank verzachte? Of hoe kon zijn drank wijndrank zijn als het niet kon gisten?
Hierna werden we overladen met allerlei provisie. We hadden een ontelbare hoeveelheid vellen, al de thee van het opperhoofd en een geweldige hoeveelheid vleesch. Eens op een dag verhaalde Moosu ten mijnen behoeve de geschiedenis van Josef in Egypte, maar dat bracht mij op een idée en spoedig was de halve bevolking druk aan 't werk om vleeschkisten voor me te maken. En van al hun jachtbuit kreeg ik het leeuwenaandeel en dat pakte ik in. Maar Moosu zat ook niet stil. Hij maakte een spel kaarten uit boombast en leerde Neewak pandoeren. Ook den vader van Tukelikete wijdde hij in. En op een goeden dag trouwde hij haar en den volgenden dag trok hij in de hut van den medicijnman, de mooiste hut van het dorp. De val van Neewak was volkomen, want hij verloor alles wat hij bezat, zijne trommels van walrusvel, zijne toovermiddelen, alles. En op het laatst werd hij houthakker en waterdrager voor Moosu.
En Moosu maakte zich zelf tot medicijnman en hoogepriester en uit zijn "Heilige Schrift" schiep hij nieuwe Goden en liet hij voor dezen nieuwe altaren bouwen.
Ik vond het uitstekend want het leek mij goed dat kerk en staat hand in hand gingen, en ik had zekere plannen betreffende den staat. Alles ging zooals ik had gedacht. Het goede humeur en lachende gezichten waren uit het dorp verdwenen.
De menschen werden ontevreden en lui. Den ganschen dag en nacht werd er gevochten en gekibbeld. De kaarten van Moosu werden nagemaakt en de jagers begonnen onder elkaar te kaarten.
Tummassook ranselde zijn vrouw af en op zijn beurt deed zijn zwager het hem en maakte het opperhoofd voor zijn volk tot schande. Natuurlijk kwam er door al de uitspattingen niets van den jacht en er ontstond hongersnood. De nachten waren lang en donker en zonder vleesch konden ze geen drank koopen, en daarom begonnen de menschen over hun opperhoofd te mopperen. Hierom was het mij te doen geweest en toen ze hongerig genoeg waren, riep ik het volk bijeen, hield een lange rede, poseerde als weldoener en gaf de uitgehongerden te eten.