De Ongelikte Beer

Chapter 7

Chapter 74,136 wordsPublic domain

Wat er daarna in de Golden Gate Arena gebeurde, konden geen kolommen in de dagbladen voldoende beschrijven. De politie hield den ring vrij, maar de Arena kon zij niet redden. Het was geen wanorde, het was een orgie. Geen bank werd op zijn plaats gelaten. Met alle kracht duwend en dringend, om balken en planken machtig te worden, sloeg de menigte alles in de groote zaal kort en klein. Prijsboksers zochten bescherming bij de politie, doch er waren niet genoeg agenten om hen naar buiten te geleiden, en boksers, managers en promotors werden afgeranseld en geslagen. Alleen Jim Hanford werd gespaard. Die genade werd hem betoond ter wille van zijn vreeselijk gezwollen kaak. Toen de menigte eindelijk uit het gebouw was gedreven, viel zij buiten aan op een nieuwe auto van zevenduizend dollar, die aan een welbekende bokspromotor toebehoorde en vernielde de car tot een hoopje oud roest en brandhout.

Glendon, die zich niet kon kleeden te midden van de ruïne der kleedkamers, bereikte zijn auto nog in bokscostuum in een badmantel gewikkeld, maar slaagde er niet in te ontsnappen. Door de macht van het aantal hield de menigte zijn machine tegen. De politie had het te druk om hem ter hulp te komen en eindelijk werd er een compromis gesloten, waarbij de car voort mocht gaan in wandelpas, en begeleid door vijf duizend lawaaiende opgewonden schreeuwers.

Het was middernacht toen deze storm over Union Square heenstreek naar St. Francis. Kreten om een speech klonken op en ofschoon hij voor den ingang van het hôtel was gekomen, werd Glendon vriendelijk verhinderd te ontsnappen. Hij trachtte zelfs er uit te springen op de hoofden van de opgewondenen, maar zijn voeten raakten de straat niet. Op hoofden en schouders, omklemd en opgetild door iedere hand, die zijn lichaam kon bereiken, ging hij door de lucht terug naar zijn machine. Toen hield hij zijn speech en Maud Glendon, die uit een bovenraam neerkeek op haar jongen Herkules, staande op de bank van de automobiel, wist, zooals zij 't altijd had geweten, dat hij het meende, wanneer hij herhaalde, zijn laatste partij gebokst te hebben en voorgoed uit den ring te gaan.

EINDE.

JACHT OP EEN MAMMOUTH

Door Jack London.

Laat ik beginnen met te vertellen dat ik niet voor hem in sta. Ik kan niet zeggen dat zijne verhalen waar zijn en ook wil ik er niet verantwoordelijk voor wezen. Let wel, ik maak bij het begin dit voorbehoud als wachter voor mijn eigen rechtschapenheid. Ik bezit een zekere vaste eenvoudige positie en een vrouw; en voor de goede naam van de maatschappij die mijn bestaan eert met zijn goedkeuring en ter wille van haar voorspoed en de mijne, kan ik niet dezelfde kansen loopen van vroeger, noch mogelijkheden scheppen met de onverschillige zorgeloosheid de jeugd eigen. Dus ik herhaal ik sta niet voor hem in, voor deze Nimrod, deze machtige jager, deze huiselijke, blauwoogige, sproeterige Thomas Stevens.

Nu ik recht heb gedaan aan me zelf en aan alle mogelijke olijftakken met welke mijne vrouw mij in de toekomst plezier zal hebben me te vereeren, kan ik mededeelzaam zijn.

Ik zal de verhalen mij door Thomas Stevens verteld niet beoordeelen, en ik zal geen oordeel vellen.

En waarom zal ik geen oordeel vellen? Omdat ik er geen heb. Lang heb ik gewikt en gewogen doch geen enkele maal waren mijne beslissingen dezelfde. Waarom? Omdat Thomas Stevens een grooter man is dan ik. Als ik de waarheid heb verteld, goed; als ik onwaarheid heb verteld, om 't even. Want wie kan het bewijzen? of wie het tegendeel? Ik oordeel niet, terwijl ongeloovigen kunnen doen als ik deed--zoek Thomas Stevens op en bespreek met hem de verschillende voorvallen welke, als het geluk dient, ik vertellen zal. Waar hij te vinden is? De aanwijzigingen zijn eenvoudig: ergens tusschen 53° N. breedte en de Noordpool en verder op het meest wildrijke jachtveld tusschen de oostkust van Siberië en uiterste Labrador. Dat hij daar ergens is, daar geef ik mijn woord op van eerlijk man die gewoon is eerlijk te leven en recht te spreken.

Thomas Stevens kan verbazend gespeeld hebben met de waarheid, 't is mogelijk, doch toen wij elkaar voor 't eerst ontmoeten (dit moet ik even aanstippen), dwaalde hij in mijn kampement op een oogenblik dat ik mezelf duizend mijl wegdacht van de uiterste wachtpost van het beschaafde gebied. Op den aanblik van zijn menschelijk gezicht, het eerste in eenzame lange maanden, had ik op kunnen springen en had ik hem in mijn armen kunnen drukken (hoewel ik geen mensch ben van uiterlijk vertoon), maar hem scheen zijn bezoek het meest gewone gebeuren onder de zon. Hij slenterde eenvoudig binnen de lichtcirkel van mijn kampvuur, schopte mijn sneeuwschoenen naar eene zijde en een paar honden naar den anderen kant en maakte zoo voor zich zelf ruimte bij het vuur. Hij zei dat hij even aankwam om een beetje soda en om te zien of ik wat fatsoenlijke tabak voor hem had. Hij scharrelde een oude pijp op, stopte die met bijzondere zorg en zonder blikken of blozen schudde hij de helft van mijn tabakzak in de zijne. Ja, de tabak was goed. Hij zuchtte met de zelfgenoegzaamheid van den eerlijken mensch en zoog letterlijk de rook van de knetterende geele blaadjes, en het deed mijn rookers hart goed hem zoo bezig te zien. Jager? Wevervanger? Goudzoeker? Onverschillig haalde hij de schouders op, neen; alleen maar wat rondscharrelen. Hij was eenige tijd geleden van het groot Slavenmeer gekomen en was van plan over te steken naar de Yukon. De postbeambte te Koshim had hem verteld van de ontdekkingen aan de Klondike en hij was van plan daar eens te gaan kijken. Ik bemerkte dat hij over de Klondike in de taal van de Poolstreken sprak als van de Rendier rivier; een van zelf ingenomenheid sprekende gewoonte, welke de Ouderen gebruiken tegenover de "che-cha-quos" (nieuwelingen) en tegenover alle groenen in 't algemeen. Maar hij deed het zoo naïf en zoo als vanzelf sprekend, dat het niet wondde en ik vergaf het hem dan ook. Ook dacht hij er over, vertelde hij, voor hij de vlakte naar de Yukon overstak even aan te gaan op 't Fort de Goede Hoop.

Nu is 't naar 't Fort de Goede Hoop een lange reis om en nabij de Poolcirkel, in een gebied waar maar weinig menschen ooit zijn geweest; en wanneer een onbekende, rare kerel uit de lucht komt vallen bij je kampvuur en spreekt over "rondscharrelen" en een "uitstapje" wordt het hoogtijd op te staan en je droombeeld van je af te schudden. Daarom keek ik rond zag de pijnboomen en de varens, ik zag mijne zakken met voedsel, de camera, de adem van de honden en boven het licht van de aurora in een lange streek van het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen. Ik rilde. De nacht van het Noordland heeft iets tooverachtigs, dat iemand bekruipt als de koorts uit een moeras. Daarna keek ik naar mijne sneeuwschoenen, welke overelkaar heen lagen zooals hij ze geschopt had. Ook keek ik naar mijn tabakzak. Op zijn minst de helft was er uit. Dat deed de deur dicht. Ik droomde niet.

Gek geworden door ontbering, dacht ik terwijl ik de man strak aankeek, een van die wilde gelukzoekers ver verdwaald en dwalende als een verloren ziel over groote uitgestrektheden en onbekende diepten. Best, laat hem begaan tot wellicht hij zijne zinnen weer bij elkaar zou scharrelen.

Dus liet ik hem praten en 't duurde niet lang of ik stond verbaasd, want hij sprak over het groote wild en over hare gewoonten. Hij had gejaagd op de Siberische wolf van West Alaska en op gemzen in de Rocky Mountains. Hij beweerde te weten waar de laatste buffels leefden, dat hij de caribou had nagejaagd toen ze nog rondtrokken in kudden van honderd duizend, en dat hij geslapen had op de Great Barrens terwijl hij het muskusdier vervolgde.

En ik veranderde mijn oordeel (voor 't eerst, doch niet voor de laatste maal) en geloofde hem geheel. Waarom ik het deed, weet ik niet, doch ik voelde mij gedwongen hem het verhaal te vertellen van een man die zoo lang in de Poolstreken had rondgedwaald dat hij waarheid niet meer van verdichtsel wist te onderscheiden. Het was een verhaal van een grooten beer, die de steile hellingen van St. Elias bewoonde doch nooit afdaalde tot den vlakken grond. Nu schiep God dit beest zoo, als bewoner der berghellingen, dat de pooten aan de eene zijde een voet langer waren dan die aan den anderen kant. Iedereen zal toegeven dat dit buitengewoon gemakkelijk was voor het dier. Ik vertelde het verhaal alsof ik er zelf op had gejaagd, beschreef de omgeving, gaf het de noodige bijzonderheden en verwachtte dat mijn toehoorder verstomd zou staan door mijn verhaal.

Doch dit was geenszins het geval. Had hij aan mijne woorden getwijfeld dan zou ik hem zulks vergeven hebben. Had hij gezegd dat het niet gevaarlijk was op zoo'n beest te jagen door de onmogelijkheid voor het dier om om te draaien en den anderen kant uit te gaan--had hij dit gedaan zeg ik, dan had ik hem sportief de hand gedrukt. Maar hij deed het niet. Hij snifte, keek me aan en snifte nog eens; trok daarna hard aan zijn pijp duwde een voet op mijn schoot en verzocht mij zijn schoeisel te bekijken. Het was een "mucluc" van het Inmuit model, dichtgenaaid met pezen. Maar het was het vel zelf dat opviel. Omdat het een halve duim dik was, dacht ik eerst aan walrus vel; maar daar had het niets van, want geen walrus droeg ooit zooveel haar. Aan de kanten en aan de enkels was het haar vrijwel geheel weggeschuurd door de sneeuw en kreupelhout, doch bij de knie en op meer beschermde plaatsen was het hard, vuil zwart en erg dik. Ik scheidde het met moeite en zocht onder het dikke haar naar het fijne bont dat bij alle dieren uit de noordelijke streken te vinden is maar in dit geval was er geen spoor van te bekennen. Dit gemis werd echter ruimschoots vergoed door de lengte van het haar. Waarlijk, de plukken welke het gebruik hadden overleefd waren wel anderhalve decimeter lang.

Ik keek den man aan terwijl hij zijn voet weg trok en me vroeg: "Had jouw St. Elias-beer zoo'n vacht." Ik knikte van neen. "Noch eenig ander levend wezen heeft zoo'n vacht," zei ik beslist. De dichtheid en de lengte van het haar brachten me in de war.

"Dat" zei hij, en hij deed dit zonder blikken of blozen, "dat kwam van een Mammouth."

"Nonsens!" schreeuwde ik, want ik kon het protest van mijn ongeloof niet onderdrukken. "De Mammouth, beste vriend, verdween lang lang geleden van deze aardbodem. Wij weten het dat die dieren eens moeten hebben geleefd door de fossielen welke zijn opgegraven, en door een bevroren geraamte dat de Siberische zon heeft te voorschijn gesmolten uit een gletscher maar ook weten we dat er geen meer bestaan. Onze ontdekkingsreizigers..."

Bij dit laatste woord viel hij me ongeduldig in de reden. "Jullie ontdekkers? Pfh! Zwakkelingen. Laten we over hen niet meer spreken. Maar vertel me. Gij mensch, wat weet je van de mammouth en zijn leefwijze. Zonder twijfel leidde dit tot een verhaal van hem, en daarom zette ik me schrap door mijn geheugen bij elkaar te schrapen om alles te kunnen opdisschen wat ik over dit onderwerp wist. Om te beginnen, bracht ik te berde dat het dier pre-historisch was en haalde al mijne bewijzen aan om dit te bevestigen. Ik noemde de Siberische zandvlakten die vol zaten met mammouth beenderen, sprak van de groote hoeveelheden fossiel ivoor dat door de Alaska Handel maatschappij van de Inmiets werd gekocht: en verklaarde dat ik zelf in de Klondyke-kreeken uit den bodem beenderen had opgegraven van twee meter grootte. "Allemaal fossielen" besloot ik "gevonden in aardlagen onnoemelijke eeuwen oud." "Ik herinnerde me toen ik een kind was" Thomas Stevens snifte (hij had een ergelijke manier van sniffen) "dat ik eens een versteende watermeloen zag. Bestaan er daarom geen watermeloenen of verbeelden de menschen die ze kweeken alleen maar dat het watermeloenen zijn?" "Maar hoe zouden die beesten zich nu nog kunnen voeden," verweerde ik me. Moeder aarde moet toch voedsel in enorme hoeveelheden voortbrengen om zulke monsterachtige schepsels te onderhouden. Nergens in de heele poolstreek is de grond zóó vruchtbaar. Ergo, de Mammouth kan niet bestaan."

"Ik vergeef je je onwetendheid omtrent vele dingen van het Noorderland, want je bent jong en hebt weinig gereisd; maar toch moet ik je één ding toegeven. De mammouth bestaat niet meer. Hoe of ik dat weet? Ik zelf doodde de laatste met mijn eigen rechterhand."

Zoo sprak Nimrod, de machtige Jager. Ik gooide een brandend stuk hout naar de honden en verzocht hen hun heiligschendend gehuil te staken en wachtte. Ongetwijfeld zou deze leugenaar van buitengewone bekwaamheid zijn mond openen en me mijn verhaal van de St. Elias beer betaald zetten.

"Het kwam zoo," begon hij ten laatste, nadat de eerbiedige stilte lang genoeg geduurd had. "Ik kampeerde eens--"

"Waar?" viel ik in de rede.

Hij wuifde met zijn hand vaag in de richting noord-oost, waar een onbekend land zich uitstrekte in welk uitgestrektheid zich nog slechts weinig mannen hadden begeven en waaruit er nog minder waren teruggekeerd.

"Ik kampeerde eens met Klooch. Klooch was een van die mooie kleine kamooks als er maar weinigen in het gareel hebben geloopen. Haar vader was een volbloed Malemut uit Russisch Pastilik aan de Bering zee, en ik fokte haar met kennis van zaken uit een groote reuzenhond van het Hudsonbaai ras. Ik zeg je, man, ze was een prachtcombinatie. En nog geloof ik dat ze jongen moest van een geheel wilde wolf uit de bosschen--, grijs en met sterke pooten met geweldige longen en een onmetelijk uithoudingsvermogen. Zeg! Heb je ooit van zoo iets gehoord? Het was nieuw ras dat ik aan 't fokken was en ik kon groote dingen verwachten.

"Zooals ik zei, ze bracht de jongen voorspoedig ter wereld. Ik zat op mijn hurken gebogen over het jonge goedje--zeven stevige blinde scharrelaars--toen van achter me plotseling een vreeselijk trompetgeschal kwam als van een olifant begeleid door het kraken van takken en jonge boomen. Er kwam een wervelwind en ik was half opgestaan toen ik voorover op mijn gezicht werd gesmeten. Op hetzelfde oogenblik hoorde ik Kooch zuchten als een man die een stomp in zijn maag krijgt. Je kunt snappen dat ik stil bleef liggen, maar ik draaide mijn hoofd om, en zag een reuzengevaarte boven mijn hoofd zweven. Daarna kwam gelukkig de blauwe lucht weer in 't gezicht en ik stond op. Een harige vleeschberg verdween juist in het kreupelbosch op de grens van de open plek waar ik mijn kamp had opgeslagen. Ik zag zijn achter gedeelte voor een oogenblik, met een stijven staart, zoo dik als mijn lichaam, recht achteruit staande. Het volgend oogenblik was er nog slechts een groot gat in het dichte bosch, doch nog steeds hoorde ik het lawaai als van snel wegstervende tornado, het kreupelhout kraakte en boomen knapten af en vielen om.

"Ik greep rond me heen om mijn geweer. Het had naast me gelegen op den grond met den loop tegen een blok hout; maar de kolf was gebroken, de loop krom en de grendel was in duizend stukken. Toen zocht ik naar het nest honden en--en wat denk je?"

Ik schudde mijn hoofd.

"Mijn ziel mag in duizend hellen braden als er nog iets van over was! Klooch, de zeven stevige blinde jongen--weg, heelemaal weg. Waar ze gelegen had was een slijmerige bloederige kuil in den zachten bodem, een meter in diameter en aan de kanten een beetje haar."

Ik paste een meter af in de sneeuw, trok er een cirkel rond en keek Nimrod aan.

"Het monster was tien meter lang en zeven hoog" antwoordde hij "en zijn tanden waren zes meter lang. Ik kon mijne oogen niet gelooven, noch dat ik het beleefd had. Maar als mijn verstand mij parten speelde dan was er toch een gebroken geweer en een gat in het bosch. En bovendien was er--of liever er was geen Klooch en geen jongen. Kerel, het maakt me helsch wanneer ik er nog aan denk. Klooch! Een tweede Eva! De moeder van een nieuw ras! En plotseling komt een woest lollende mammouth als een tweede zondvloed en veegt ze met wortel en tak schoon van de aardbodem! Verwondert het je dat de met bloed doortrokken grond aan God om wraak schreeuwde? Of dat ik mijn handbijl opnam en het monster narende?"

"De handbijl?" riep ik uit, buiten mij zelf van verbazing. "De handbijl en een groote mammouth, tien meter lang, zeven meter--."

Nimrod grinnikte zacht. "Wat zeg je ervan hé," schreeuwde hij. "Is het niet Munichhausen? Ik heb er zelf ook dikwijls om gelachen, maar op dat oogenblik was het geen aardigheid, ik was gek van woede, om mijn geweer en Klooch. Denk eens aan, kerel! Een nieuw ras nog niet erkend en in het stamboek opgenomen en van de aardbodem gevaagd voor het de oogen had geopend! Enfin, 't is niet anders. Het leven is vol teleurstellingen en dat is goed ook. Vleesch smaakt het lekkerste na een hongersnood en een bed is het zachtste na een zwaren tocht.

"Zooals ik zei, ik rende het beest na met mijn handbijl en volgde hem op den voet de vallei in; maar toen hij zich omdraaide en terug rende naar de opening moest ik buiten adem achterblijven. Over eten gesproken is het misschien wel goed dat ik even stop om een en ander uit te leggen. Daar in die buurt te midden van de bergen is een buitengewoon eigenaardige natuur en grondgesteldheid. Daar zijn alsmaar kleine valleien die allemaal op elkaar lijken als erwten in een zaak en allen ingesloten door steile hooge rotswanden. En aan het laagste gedeelte zijn steeds kleine openingen waar de gletschers zich een weg hebben gebaand. De eenige manier om in de vallei te komen is door deze openingen en ze zijn allen nauw en sommigen bijzonder nauw. En voedsel--je hebt zeker weleens rondgescharreld op de van regenwater doortrokken eilanden van de Alaska kust, daar ik kan zien dat je een reiziger bent. En je weet hoe de boel daar groeit--groot en sappig en wild. Wel, zoo was het ook in die valleien. Vette, rijke bodem, met varens en gras en die dingen met bladen die boven mijn hoofd uitstaken. 't Regende drie dagen van de vier gedurende den zomer; en voer erin genoeg voor duizend mammouths, om niet te spreken van het kleine wild voor ons menschen. Maar om terug te komen op mijn verhaal. Beneden in het lage gedeelte van de vallei raakte ik buiten adem en ik gaf het op. Ik begon na te denken, want toen ik niet meer kon werd ik al woester en woester en ik wist dat ik nooit meer tot rust zou komen, voor ik Mammouth vleesch gegeten had. En ik wist ook dat ik dat niet krijgen zou dan na een geweldig gevecht. Nu was de mond van de vallei erg nauw en de wanden bijzonder steil. Hoog boven me lag een groot rotsblok op de rand van den rotswand. Het woog zeker een paar honderd ton en balanceerde boven de opening op haar smalle zijde. Dat was juist wat ik hebben moest. Ik liep terug naar mijn kamp, de vallei in de gaten houdende zoodat het monster niet ontsnappen kon en haalde mijne patronen. Zonder geweer kon ik daar toch niets mee doen en daarom opende ik de hulzen, legde het kruit onder de rots en bracht het door een brandend touwtje tot ontploffing. Ontploffen deed het niet hard maar het blok schudde, wankelde lui en plofte naar beneden juist in de opening tusschen de rotswanden, met ruimte genoeg voor het beekje om rustig door te kabbelen. Nu had ik hem te pakken."

"Maar hoe had je hem dan te pakken?" vroeg ik verbaasd. "Wie heeft ooit gehoord van een man die een mammouth doodde met een handbijl? of met wat ook?"

"Maar man, heb ik je dan niet reeds gezegd dat ik gek was van woede?" antwoordde Nimrod met een zweem van ongeduld. "Absoluut gek, door Klooch en het geweer. En bovendien, was ik niet een jager? En was dit geen nieuw en ongewoon wild? Een handbijl? Pfh! Die had ik niet eens noodig. Luister en je zult hooren van een jacht zooals er wellicht gebeurd zijn toen de wereld pas bestond en holbewoners op jacht gingen met steenen bijlen. Daarmee had ik het ook kunnen doen. Is het geen feit dat een man een hond of paard dood kan loopen? Dat hij ze uit kan putten door zijn volhouden?"

Ik knikte.

"Wel nu dan?"

Daar ging me een licht op en ik verzocht hem verder te vertellen.

"Mijn vallei was misschien een vijf mijl in 't rond. De mond was dicht. Er was geen enkele uitweg. Die mammouth was een schuw beest en ik had hem in mijn macht. Ik zette hem weer na, joeg hem op met steenen en liet hem drie keer de vallei rondhollen voor ik wat ging eten. Snap je? Het was een manége! Een man en een mammouth! Een hypodroom, met de zon, de maan en de sterren als jury!

"Ik had er twee maanden voor noodig, maar ik deed het. En dat is geen ophakkerij. Ik liet hem maar rondhollen, ik had de binnencirkel onder 't loopen gedroogd vleesch en bessen etend en zoo nu en dan een tukje pakkend. Natuurlijk werd het dier soms wanhopig en kwam op me af. Maar dan rende ik naar den moerassigen grond van de beek en sprak de banvloek uit over hem en zijn nageslacht en tartte hem bij me te komen, maar het dier was te slim om zich in het moeras te begeven. Eens sloot hij me in tusschen de rotsen en ik krabbelde buiten zijn bereik in een diep hol en wachtte. Als hij met zijn slurf naar mij tastte sloeg ik er op met mijn handbijl tot hij het ding terug trok met een geschreeuw dat hooren en zien je verging, zoo woest was hij. Hij wist dat hij me had en toch niet had en dat maakte hem razend. Maar 't was een slimmerd. Hij wist dat hij zelf veilig was zoo lang hij me in 't hol hield en hij besloot me erin te houden. En hij had groot gelijk alleen had hij buiten den waard gerekend. Op die plaats was voedsel noch water dus kon hij onmogelijk het beleg volhouden. Uren lang stond hij voor de opening, een oogje op mij houdend en onderwijl met zijne reuzen ooren de muskieten verjagend.

Maar dan beving hem de dorst en begon hij te razen en te brullen tot de grond ervan dreunde me uitmakend voor alles wat leelijk was. Dit deed hij om me bang te maken, natuurlijk; en als hij dan dacht dat ik genoeg onder den indruk was, scharrelde hij zachtjes achteruit en trachtte de kreek te bereiken. Soms liet ik hem gaan tot hij bijna bij het water was--het was maar een paar honderd meter--en dan kwam ik naar buiten en hij weer gauw terug, log waggelend als een lawine. Toen ik dit een paar maal gedaan had veranderde hij zijn taktiek, zonder een waarschuwing rende hij weg, zoo hard hij kon naar het water er op rekenende heen en terug te zijn voor ik gevlucht was. Op het laatst echter vloekte hij me op een afschuwelijke manier uit, brak het beleg op en ging vast besloten naar het water.

Dit was de eenige keer dat hij me in het nauw bracht--drie dagen aan een stuk--maar na dien, stond het hypodroom nooit stil. Rond, rond en rond als een zesdaagsche voor mijn pleizier, want hij had er nooit pleizier in. Mijn kleeren scheurden aan flarden maar ik stopte geen enkele maal om ze te herstellen, tot op het laatst ik naakt rondliep, met niets dan mijn oude handbijl in de eene hand en een steen in de andere. Werkelijk, ik stopte nooit dan alleen om wat te slapen tusschen de rotsen wat hooger op. Wat de Mammouth betreft, die werd magerder en magerder--viel zeker een paar ton af--en zoo zenuwachtig als een schooljuffrouw die is blijven zitten. Wanneer ik naar hem toe kwam en een schreeuw gaf of hem van ver met een kei naar zijn kop gooide, sprong hij op als een bang veulen en beefde over zijn geheele lichaam. Dan begon hij weer rond te rennen met zijn slurf en staart in de lucht, zijn kop over een schouder en met haat spuwende oogen en de manier waarop hij dan tekeer ging tegen mij was afschuwelijk. Het was een buitengewoon immoreel beest, een moordenaar en een godslasteraar.