De Ongelikte Beer

Chapter 6

Chapter 63,986 wordsPublic domain

"Natuurlijk wil ik het wèl, Groote Man. Ik houd van mijn Grooten Man om hemzelf en om zichzelf te zijn, moet hij zichzelf zijn. Als jij dit wilt, dan wil ik het voor jou en voor mijzelf ook. Veronderstel eens, dat ik naar het tooneel wilde of naar de Zuidzee of naar den Noordpool."

Hij antwoordde langzaam, bijna plechtig.

"Dan zou ik zeggen: vooruit. Omdat jij _jij_ bent en jezelf moet zijn en doen moet wat je wilt. Ik houd van je omdat jij _jij_ bent."

"En wij zijn een mal paar verliefden," zeide zij toen zijn armen haar los lieten.

"Is het niet groot?" riep hij uit.

Hij stond op, mat de zon met zijne oogen, en strekte zijn hand uit over de dichte wouden, die de aaneengesloten, purperen heuvelketenen bedekten.

"We moeten daar ergens gaan slapen. Het is dertig mijlen naar de dichtbij gelegen kampplaats."

X.

Wie, van al de sportlui, die er bij tegenwoordig waren, zal ooit den gedenkwaardigen avond vergeten in de Golden Gate Arena, toen Jonge Glendon, Tom Cannam en zelfs een grooteren dan Tom Cannam, tot zwijgen bracht; toen hij het talrijke publiek, dat op het punt stond in getier los te breken, een uur lang geboeid hield, en achter elkaar de afzetterijen aan den dag bracht van de promotors en de managers; de eigenaars der gebouwen, en de contractmakers in staat van beschuldiging stelde, en de geheele bokssport vrijwel uit elkaar rafelde.

Het was een volkomen verrassing. Zelfs Stubener had niet het flauwste vermoeden van wat gebeuren zou.

Het was waar, dat Pat Glendon obstinaat was geweest na die kwestie met Nat Powers, en weggeloopen was en getrouwd; maar dat alles was voorbij. Jonge Pat had gedaan, wat te verwachten was, hij had de onvermijdelijke knoeierijen van den ring geslikt en was er nu in teruggekomen.

De Golden Gate Arena was nieuw. Dit was de eerste match, die er gehouden werd en het was het grootste gebouw van dat soort, dat ooit in San Francisco was opgericht. Er waren vijfentwintighonderd zitplaatsen en elke plaats was ingenomen. Sportlui waren uit de geheele wereld komen aanreizen om er bij tegenwoordig te zijn, en zij hadden vijftig dollars betaald voor hunne plaatsen bij den ring. De goedkoopste plaats in 't huis was voor vijf dollar verkocht.

De oude bekende uitbarsting van applaus klonk op, toen Billy Morgan, de veteraan onder de aankondigers, door de touwen kroop en zijn grijze hoofd ontblootte. Toen hij zijn mond opendeed om te spreken, deed zich dichtbij hem een luid gekraak hooren en verscheidene rijen lage banken vielen in elkaar. Het gekraak van de banken en het uitbundige gelach gaf den dienstdoenden inspecteur van politie aanleiding, één van zijn onder-inspecteurs aan te kijken met opgetrokken wenkbrauwen, ten teeken dat zij hun handen vol zouden hebben en een drukken avond.

Eén voor één, verwelkomd door luidruchtig applaus, kropen zeven dappere oude helden van den ring door de touwen om voorgesteld te worden. Het waren allemaal vroegere zwaargewicht-wereldkampioenen. Billy Morgan deed elke voorstelling aan het publiek vergezeld gaan van een prijzend zinnetje. De één werd genoemd als "John Eerlijk" en "Oude Getrouwe" een ander was "de eerlijkste twee-vuisten bokser, die ooit in den ring was geweest." En van anderen: "de held van honderd gevechten en nooit één verloren en nooit gelegd"; "de meest sportieve van de oude garde"; "de eenige, die altijd terugkwam"; "de grootste strijder van allen" en "de hardste noot in den ring om te kraken."

Dit alles nam tijd in beslag. Van elk hunner werd een toespraakje verwacht en zij mompelden en fluisterden in antwoord met een blos van trots en angstig bevende stemmen. De langste speech was die van den "Oude Getrouwe" en deze duurde bijna een minuut. De ring liep vol met beroemdheden, met worstelkampioenen, beroemde trainers en veteranen onder de tijd-opnemers en scheidsrechters. Licht- en middel-gewichten dromden samen. Iedereen scheen iedereen uit te dagen. Nat Powers was er en vroeg een revanche-match met Jonge Glendon en zoo deden al de andere stralende sterren, die door Glendon in de schaduw waren gesteld. Ook daagden zij allen Jim Hanford uit, en deze moest van zijn kant daar iets tegenover stellen, wat daarin bestond, dat hij de volgende partij zou boksen met den overwinnaar in de match, die stond te gebeuren. Het publiek kwam dadelijk in beweging om den overwinnaar te noemen; de helft schreeuwde woest: "Glendon" en de andere helft "Cannam". Te midden van dit pandemonium zakte opnieuw een rij zitplaatsen in elkaar en er vonden een half dozijn vechtpartijen plaats tusschen bedrogen houders van kaarten en de opzichters, die een vetten oogst hadden binnengehaald. De hoofdinspecteur van de politie zond een depêche naar het bureau met de details voor het politie-rapport.

Het publiek had het naar zijn zin. Toen Cannam en Glendon de ring binnen kwamen, geleek de Arena een nationaal politieke vergadering. Elk werd volle vijf minuten lang toegejuicht. De ring was nu vrij. Glendon zat in zijn hoek, omringd van zijn secondanten. Als gewoonlijk stond Stubener achter hem. Cannam werd het eerst voorgesteld en nadat hij gebogen had en geknikt, was hij gedwongen om de kreten met een toespraak te beantwoorden. Hij stamelde en stokte, maar slaagde er ten slotte in, eenige zinnen te bedenken.

"Ik ben er trotsch op vanavond hier te zijn," zeide hij en terwijl het applaus donderde, vond hij tijd op een nieuw idee te komen. "Ik heb eerlijk gevochten. Ik heb mijn leven lang eerlijk gevochten. Niemand kan dat tegenspreken. En ik zal vanavond mijn best doen."

Luide kreten weerklonken, als: "Dat's best Tom!" "Dat weten wij!" "Goede jongen, Tom!" "Jij bent de man om 't er vanavond goed af te brengen!"

Toen kwam de beurt aan Glendon. Van hem werd eveneens een toespraak gevraagd, ofschoon het een ding zonder weergâ was in den ring, dat één der hoofdpersonen een toesprak hield. Billy Morgan stak zijn hand op om stilte te verkrijgen en Glendon begon met heldere, krachtige stem:

"Iedereen heeft gezegd dat zij trotsch waren hier vanavond te zijn," sprak hij. "Dat ben ik niet." Het publiek schrikte op en hij wachtte lang genoeg om het tot stilte te doen komen.

"Ik ben niet trotsch op mijn gezelschap. U wilt een toespraak. Ik zal u een echte geven. Dit is mijn laatste match. Na vanavond ga ik voorgoed heen uit den ring. Waarom? Ik heb 't u reeds gezegd. Ik houd niet van mijn gezelschap. De prijsring is zoo bedorven, dat ieder, die er bij betrokken is, zoo verdraaid wordt als een kurketrekker. De ring is verrot tot in zijn hart, vanaf de kleine clubs, waar de beroepsboksers zich oefenen, tot de zaak van heden avond."

Op dit oogenblik barstte het zachte gemompel van verwondering, dat opgestegen was, uit in een geloei. Er werd luidop gesist en gefloten en velen begonnen te schreeuwen: "Ga door met het gevecht!" "We willen boksen zien!" "Waarom vecht je niet?" Glendon wachtte even en merkte op, dat de voornaamste rustverstoorders bij den ring promotors waren en managers en boksers. Tevergeefs spande hij zich in om zich verstaanbaar te maken. Het gehoor was verdeeld, de helft schreeuwde: "Vechten!" en de andere helft: "Spreken! Spreken!"

Tien minuten vergingen onder hopeloos lawaai. Stubener, de scheidsrechter, de eigenaar van de arena en de promotor van de match verzochten Glendon, door te gaan met de match. Toen hij weigerde, verklaarde de scheidsrechter, dat hij de partij ten gunste van Cannam zou verklaren, daar Glendon niet vocht.

"Dat kan je niet doen," hernam Glendon. "Ik zal je voor alle rechtbanken vervolgen, als je zoo iets probeert en ik durf je niet beloven, dat dit publiek je levend weg zal laten gaan als je het de partij ontneemt. Bovendien, ik zal boksen. Maar eer ik dit doe, wil ik mijn toespraak beëindigen."

"Maar het is tegen de regels," protesteerde de scheidsrechter.

"Volstrekt niet. Er staat geen woord in de regels tegen het houden van toespraken. Elke zwaargewicht-bokser heeft hier vanavond een speech afgestoken."

"Een paar woorden maar," schreeuwde de promotor in Glendon's oor. "Maar jij houdt een lezing."

"Er staat niets in de regels tegen lezingen," antwoordde Glendon. "En nu, kerels, ga uit de ring of ik gooi er jullie uit."

De promotor werd rood van woede en onder tegenspartelen, bij zijn kraag gegrepen en over te touwen gezet. Hij was een forsche man, maar Glendon had het zóó gemakkelijk gedaan met één hand, dat het publiek wild werd van genot. De kreten om een toespraak groeiden in kracht. Stubener en de eigenaar bliezen wijzelijk den aftocht. Glendon stak zijn handen op om verstaan te worden, waarop zij, die om een gevecht riepen, hunne pogingen verdubbelden. Twee of drie banken zakten in en degenen, die op die manier hun plaats verloren, verergerden het tumult door allen tegelijk naar de banken, die nog goed waren, toe te vliegen en zich tusschen de menschen dáár in te wringen, terwijl zij, die daar achter zaten en den ring niet konden zien, hun toeraasden te gaan zitten.

Glendon liep naar de touwen en sprak den inspecteur van de politie aan. Hij was gedwongen naar hem over te buigen en in zijn oor te schreeuwen.

"Als ik mijn toespraak niet houd," zeide hij, "zullen de menschen de boel in mekaar slaan. Als ze losbreken, kunt u ze niet tegenhouden, dat weet u. Dus u moet mij helpen. U houdt den ring vrij en ik zal het publiek tot stilte brengen."

Hij ging terug naar het midden van den ring en stak opnieuw zijn handen omhoog.

"Wilt u dat ik spreek?" schreeuwde hij met geweldige stem.

Honderden bij den ring verstonden het en riepen: "Ja!"

"Laat dan iedereen, die hooren wil, den levenmaker naast hem tot zwijgen brengen!"

De raad werd opgevolgd, zoodat zijn stem, toen hij de woorden herhaalde, verder doordrong. Nog eens en nog eens schreeuwde hij het, en langzamerhand, zône na zône, drong de stilte door vanuit den ring, vergezeld door een gesmoorden ondertoon van gesis en geduw en getwist, als de luidruchtigen door hun buren tot zwijgen werden gebracht. Bijna was alle lawaai onderdrukt, toen een rij zitplaatsen bij den ring inzakte. Dit werd begroet met nieuw brullend gelach, dat vanzelf wegstierf, zoodat een zachte stem, ver weg, duidelijk hoorbaar was, toen zij riep: "Ga voort Glendon! We luisteren!"

Glendon bezat als Kelt de intuïtieve kennis van de psychologie der menigte. Hij wist dat, wat vijf minuten tevoren een groote onordelijke bende was geweest, nu als in zijn hand was en om het effect te vergrooten, wachtte hij een oogenblik alsof hij nadacht. Maar het wachten duurde juist lang genoeg en geen seconde te lang.

Dertig seconden lang heerschte volmaakte stilte, en in de stemming hing iets als angst. Juist toen de eerste zwakke teekenen van onrust zijn oor bereikten, begon hij te spreken.

"Als ik uitgesproken heb," zeide hij, "zal ik boksen. Ik beloof u, dat het een echte match zal zijn, één van de weinige echte matches die u ooit gezien heeft. Ik zal mijn tegenstander in den kortst mogelijken tijd leggen. Billy Morgan zal u, als hij voor 't laatst aankondigt, vertellen, dat het een match wordt van vijf en veertig ronden. Laat mij u zeggen, dat het dichter bij vijf en veertig seconden zal zijn.

Toen ik in de rede werd gevallen, was ik bezig te vertellen, dat de ring rot is. Dat is zoo, van top tot teen. Hij is ingericht om er zaken mee te doen en u weet allen wat zaken zijn. Dat zegt genoeg. U zijt de stumperts, ieder van u, die er niets uit haalt. Waarom vallen de banken vanavond in? Bedrog. Evenals de bokssport waren zij gebouwd om er zaken mee te doen." Hij hield nu zijn gehoor vaster dan ooit in de hand en hij wist het.

"Drie menschen worden op twee plaatsen gestopt. Dit zie ik overal. Wat beteekent dat? Bedrog. De opzichters krijgen geen loon. Men verwacht van hen dat zij het publiek zullen afzetten. Alweer zaken. U betaalt. Natuurlijk betaalt u. Hoe worden de verlofpapieren om te boksen verkregen? Door bedrog. En laat u mij nu eens vragen: als de mannen die banken maakten knoeien, als de opzichters knoeien, als de autoriteiten knoeien, waarom zouden dan zij die hooger in de bokssport staan niet knoeien? Dat doen zij. En u betaalt.

En laat mij u zeggen, dat het niet de schuld is van de boksers. Zij zetten de matches niet op touw. Dat doen de promotors en de managers; dat zijn de zakenlui. De boksers zijn alleen maar boksers. Zij beginnen heel eerlijk, maar de managers en promotors dwingen hen mee te doen of zij gooien hen er uit. Er zijn eerlijke boksers geweest. En er zijn er nog enkelen, maar die verdienen gewoonlijk niet veel. Ik denk, dat er ook wel eerlijke managers zijn geweest. De mijne is zoo wat de beste van het zoodje. Maar vraag hem eens, hoe hij zoo dik in de vaste goederen en étage-woningen komt te zitten." Hier begon zijn stem te verdrinken in het rumoer.

"Laat iedereen, die hooren wil, zijn buurman's mond dicht houden!" raadde Glendon.

Opnieuw, als het gegrom van de branding, klonk een geluid van smakkende lippen en stompen en gekibbel en het huis werd stil.

"Waarom legt elke bokser er den nadruk op, altijd eerlijk gevochten te hebben?" Waarom worden zij "John Eerlijk" en "Bills Eerlijk" en "Blackmiths Eerlijk" enzoovoort genoemd? Is het u nooit opgevallen, dat zij ergens bang voor schijnen te zijn? Als een man naar je toekomt, al schreeuwend dat hij eerlijk is, dan krijg je achterdocht. Maar als een prijsbokser hetzelfde liedje voor u zingt dan neemt u dat aan.

Laat de beste bokser winnen! Hoe dikwijls heb je dat Billy Morgan hooren zeggen! Laat mij u zeggen, dat de beste bokser niet zoo heel dikwijls wint en dat, als hij wint, het gewoonlijk voor hem zoo beschikt is. De meeste gevechten in ernst, waar u van gehoord heeft of die u gezien heeft, waren ook van te voren opgezet. Het is een programma. Alles is vooruit vastgesteld. Denkt u, dat de promotors en managers het voor hun pleizier doen? Volstrekt niet. Het zijn zakenmenschen."

Tom, Dick en Harry zijn drie boksers, Dick is de beste. Dat kon hij in twee matches bewijzen. Maar wat gebeurt er? Tom slaat Harry. Dick slaat Tom. Harry slaat Dick. Niets bewezen. Dan komen de revanche-matches. Harry slaat Tom, Tom slaat Dick, Dick slaat Harry. Niets bewezen. Dan probeeren zij 't nog eens?. Dick stoot flink toe. Zegt dat hij op de eerste plaats wil komen. Dus slaat Dick, Tom en Dick slaat Harry. Acht partijen om te bewijzen, dat Dick de beste is, waar twee hadden volstaan. Alles vooruit klaargemaakt. Een programma. En u betaalt er voor en als uw banken in elkaar vallen, nemen de opzichters u uw plaats af.

't Is een mooie sport als het maar eerlijk ging. De boksers zouden wel eerlijk zijn als zij maar konden. Maar het geknoei is te erg, als een handjevol mannen bij drie matches driekwart millioen dollars kunnen verdeelen."

Een wilde uitbarsting van lawaai dwong hem te zwijgen.

Te midden van het mengelmoes van kreten, die door het gansche gebouw weerklonken, kon hij enkele onderscheiden als: "Welke millioen dollars?" "Welke drie matches?" "Zeg op!" "Ga voort!" Ook was er gesis en gefluit en kreten van: "Smerige leugenaar! Baantjesjager!"

"Wilt u hooren?" schreeuwde Glendon. "Bewaar dan de orde."

Opnieuw verkreeg hij de indrukwekkende halve minuut van stilte.

"Wat zal Jim Hanford doen? Wat is het programma dat zijn menschen en de mijne opmaakten? Zij weten, dat ik hem de baas ben. Hij weet, dat ik hem de baas ben. Ik kan hem in één partij leggen. Maar hij is wereldkampioen. Als ik mij niet schik naar het programma, krijg ik nooit een kans om tegen hem uit te komen. Het programma vraagt drie partijen. Ik zal de eerste winnen. 't Zal in Nevada plaats hebben als er in San Francisco geen gelegenheid voor is. Wij zullen er een eerlijke partij van maken. Om ze eerlijk te doen zijn, legt ieder van ons twintig duizend in. 't Is echt geld, maar 't is geen echte inleg. Elk van ons krijgt zijn eigen inleg stiekem weer terug. Hetzelfde met de beurs. We deelen hem eerlijk, ofschoon het in de oogen van het publiek gaat tusschen vijf en dertig en vijf en zestig. De beurs, de films, de advertenties en al het andere dat hangen blijft, is geen cent minder dan tweehonderdvijftig duizend.

Wij verdeelen dat en gaan aan het werk voor de revanche-match. Hanford wint en wij gaan opnieuw aan het verdeelen. Dan komt de derde partij; ik win, waar ik volkomen het recht toe heb; en wij hebben het boks-publiek driekwart millioen uit den zak geslagen. Zóó is het programma, maar het is vuil geld. En daarom ga ik vanavond uit den ring."

Op dit oogenblik stootte Jim Hanford een politieagent op zij, zoodat hij tusschen het publiek viel, en wrong zijn kolossale lichaam door de touwen heen, brullend:

"'t Is een leugen!"

Als een woedende stier stormde hij op Glendon in, die terugsprong en toen, inplaats van den stoot af te wachten, behendig wegdook. Niet in staat zich in te houden, stoof de zware man voort tegen te touwen. Terug gegooid door het terugspringen ervan, keerde hij zich om om opnieuw in te stormen, toen Glendon hem raakte. Glendon, kalm, helderziende, mat precies den afstand naar de kaak van zijn tegenstander en voor 't eerst in zijn loopbaan als bokser, stootte hij met volle kracht. Al zijn kracht, alle latente kracht trok zich samen in die ééne harde uitbarsting van spierkracht.

Hanford hing dood in de lucht, in zoover als bewusteloosheid op dood gelijkt. Wat hem betrof, staakte hij het gevecht op het oogenblik toen hij met Glendon's vuist in aanraking kwam. Zijn voeten gingen van den grond en hij hing in de lucht tot hij het bovenste touw raakte. Zijn kolossale lichaam spartelde er tegenaan, boog in het midden door en viel door de touwen heen buiten den ring en op de hoofden van de mannen op de pers-plaatsen.

Het publiek barstte los. Het had al meer gezien dan waarvoor het betaald had, want de groote Jim Hanford, de wereldkampioen, was verslagen. Het was niet officieël, maar het was met één stoot gebeurd. Nooit was er zoo'n avond geweest in vuistvechtersland. Glendon keek verdrietig naar zijn bezeerde knokkels, blikte even tusschen de touwen door naar de plaats, waar Hanford wankelend te land was gekomen en stak zijn handen omhoog. Hij had zijn recht om gehoord te worden, bevochten en het publiek werd stil.

"Toen ik begon te boksen," zeide hij, "noemde men mij "Eén Stoot Glendon". U heeft een oogenblik geleden dien stoot gezien. Die kende ik altijd. Ik liep op mijn tegenstander toe en sloeg hem neer, ofschoon ik altijd zorgde niet met alle kracht te stooten. Toen werd ik opgevoed. Mijn manager zeide, dat het niet eerlijk was tegenover het publiek. Hij raadde mij, langere partijen te maken, zoodat het publiek wat te zien kreeg voor zijn geld. Ik was een dwaas, een onnoozel schaap. Ik was een groene jongen uit de bergen. Moge God mij bewaren. Ik nam het als waarheid aan. Mijn manager besprak gewoonlijk met mij, in welke ronde ik mijn man leggen zou. Dan bracht hij het over aan het gok-syndicaat en het gok-syndicaat maakte er gebruik van. Natuurlijk betaalden zij. Maar om één ding ben ik blij. Ik heb nooit een cent van het geld aangeraakt. Zij durfden het mij niet aanbieden, omdat zij wisten, dat het voor mij dan uit was met de matches.

U herinnert u mijn match met Nat Powers. Ik heb hem niet verslagen. Ik had achterdocht gekregen. Dus maakte de bende het met hem in orde. Ik wist er niets van. Ik was van plan de partij een paar ronden over de zestiende heen te laten duren. De laatste stoot in de zestiende gooide hem niet om. Maar hij speelde toch den verslagene en hield jullie allemaal voor den gek."

"En vanavond?" riep een stem. "Is dat een afspraak?"

"Ja," was Glendon's antwoord. "Waarop wed het syndicaat? Dat Cannam het tot de veertiende zal houden."

Gehuil en gesis klonk. Voor 't laatst hield Glendon zijn hand op om stilte.

"Ik ben bijna klaar. Maar ik wil u nog één ding zeggen. Het syndicaat heeft een strop vanavond. Dit zal een eerlijke partij zijn. Tom Cannam zal het niet tot de veertiende ronde houden. Hij zal 't niet één ronde houden."

Cannam sprong op in zijn hoek en riep woedend uit: "Dat kan je niet! Er leeft geen mensch die mij in één ronde klopt!"

Glendon lette niet op hem en ging voort:

"Eens in mijn leven heb ik nu met al mijn kracht gestooten. U heeft dat een oogenblik geleden gezien toen ik Hanford sloeg. Vanavond zal ik voor de tweede maal met alle kracht stooten--dat is te zeggen, als Cannam niet nu dadelijk door de touwen springt en er vandoor gaat. En nu ben ik klaar."

Hij ging naar zijn hoek en stak zijn handen uit voor de handschoenen. In den tegenovergestelden hoek zat Cannam te razen, terwijl zijn secondanten tevergeefs trachtten hem tot kalmte te brengen. Ten laatste slaagde Billy Morgan er in, de laatste aankondiging van den strijd te doen hooren.

"Dit zal een gevecht zijn van vijf en veertig ronden," schreeuwde hij. "Regels van de Marquess of Queensbury! En moge de beste bokser winnen! Vooruit!"

De gong sloeg. De beide mannen kwamen naar voren. Glendon stak zijn rechterhand uit voor den gewonen handdruk, maar Cannam weigerde ze met een boos hoofdschudden. Tot algemeene verbazing viel hij niet aan. Woedend als hij was, vocht hij toch voorzichtig; zijn gewonde trots dwong hem, alle krachten in te spannen om het de ronde uit te houden. Verscheidene malen stootte hij toe, doch hij stootte behoedzaam en vergat een oogenblik af te weren. Glendon joeg hem op door den ring, steeds vooruit dringend met het onbarmhartige gestamp van zijn linkervoet. Doch hij stootte niet en beproefde ook niet te stooten. Hij liet zelfs zijn handen neerhangen langs zijn zijden en joeg den ander op zonder zich te verdedigen, waarmee hij een poging deed hem te lokken. Cannam grijnsde uitdagend maar zag er van af, voordeel te trekken uit de dus geboden kans.

Twee minuten gingen voorbij en toen kwam er een verandering over Glendon. In elke spier, in elken trek van zijn gezicht sprak hij uit, dat het oogenblik voor hem was gekomen om zijn tegenstander onder te krijgen.

Het was een daad en het werd goed gedaan. Hij scheen een ding van staal geworden, hard en onmeedoogend als staal. Cannam reageerde er op door zijn omzichtigheid te verdubbelen. Glendon werkte hem vlug in een hoek en hield hem daar onder bewaking. Nog stootte hij niet, noch poogde te stooten en de onzekerheid werd pijnlijk aan Cannam's kant. Tevergeefs trachtte hij zich uit den hoek te werken, terwijl hij niet besluiten kon op zijn tegenstander in te stormen en een poging te doen dezen vast te grijpen.

Toen kwam het--een snelle reeks van eenvoudige schijnstooten als spierschichten. Cannam werd er duizelig van. En het publiek eveneens. Geen twee van de toeschouwers waren het er later over eens, wat er gebeurd was. Cannam ontdook één schijnstoot en bracht tegelijk zijn handen naar zijn gezicht om een nieuwen schijnstoot naar zijn kaak af te weren.

Hij trachtte ook zijn beenen van positie te doen veranderen. Getuigen, die vlak bij den ring zaten, zwoeren, dat zij Glendon een stoot zagen toebrengen vanuit zijn linkerheup terwijl hij vooruitsprong als een tijger om zijn lichaamsgewicht er aan toe te voegen. Ware dat als het wil, de slag raakte Cannam op de punt van zijn kin in het oogenblik, toen hij van positie veranderde. En evenals Hanford, hing hij bewusteloos in de lucht eer hij tegen de touwen aansloeg en er doorheen viel op de hoofden van de verslaggevers.