De Ongelikte Beer

Chapter 5

Chapter 54,215 wordsPublic domain

Powers volgde de taktiek om zijn tegenstander van oogenblik tot oogenblik en van ronde tot ronde op te jagen en Glendon nam er genoegen mee aan dit programma mede te werken. Zijn verdediging was bewonderenswaard en hij bracht er juist genoeg aanvalstooten in om de belangstelling van het publiek te prikkelen. Ofschoon hij wist dat hij voorbestemd was, te verliezen, had Powers te veel ondervinding van den ring om te aarzelen zijn tegenstander neer te slaan als de gelegenheid zich aanbood. Hij was te dikwijls uitgekomen als de bedrogen bedrieger om zich te ontzien, wanneer hij er anderen in kon laten loopen. Als hij er kans toe zag, was hij bereid den ander neer te slaan en de gokkers te laten stikken. Dank zij slimme courantenberichten, heerschte het denkbeeld, dat Jonge Glendon eindelijk zijn meester had gevonden. Maar in zijn hart wist Powers, dat hij 't was, die tegenover zijn meerdere stond. Meer dan eens bij het vlugge invechten, voelde hij het gewicht van stooten, waarvan hij wist, dat ze met opzet niet zwaarder aankwamen.

Wat Glendon betreft, er waren vele oogenblikken, waarin de kleinste vergissing in zijn oordeel hem blootgesteld zou hebben aan één der voorhamer-stooten van zijn tegenstander, waardoor hij den strijd zou verliezen. Doch hij bezat de bijna wonderlijke macht om precies tijd en afstand te berekenen en zijn vertrouwen werd niet geschokt door de vele malen, dat hij maar nauw ontkwam. Hij had nooit een partij verloren, was nooit neergeslagen door een eindstoot en hij was altijd zoo volkomen de meerdere geweest van elken tegenstander, dat zulk een mogelijkheid ondenkbaar was. Aan het eind van de vijftiende ronde waren beide mannen in goede conditie, ofschoon Powers ietwat zwaar ademhaalde en er mannen vlak bij den ring waren, die wedden dat hij "'t op zou geven."

Even voordat de gong voor de zestiende ronde sloeg, fluisterde Stubener van achteren af over Glendon heenleunend, hem in:

"Neem je hem nu?"

Glendon gaf zijn hoofd een duw naar achteren, schudde neen en lachte spottend in het gespannen gezicht van zijn manager.

Bij den gongslag voor de zestiende ronde, zag Glendon in verbazing, hoe Powers loskwam. Van de eerste seconde af was het een stormwind van aanvallen en Glendon had groote moeite aan ernstig letsel te ontkomen. Hij blokte, greep vast, dook, deed zijstappen, werd achteruit gedrongen tegen de touwen en met nieuwe aanvalstooten ontvangen, toen hij naar het midden zocht te komen.

Verscheidene malen gaf Powers kans op een eindstoot, maar Glendon weigerde den bliksemsnellen stoot toe te brengen, die zijn tegenstander zou doen neervallen. Dien stoot bewaarde hij voor twee ronden later. In het gevecht had hij geen oogenblik zijn volle kracht ingespannen of zoo zwaar gestooten als hij kon.

Twee minuten lang, zonder eenige tusschenruimte, ging Powers hem met volle kracht te lijf. Een minuut later zou de ronde voorbij zijn en het wed-syndicaat leelijk gedupeerd. Maar die minuut zou niet komen. Zij waren tezamen in het midden van den ring. Het was een gewone clinch als meer in het gevecht was voorgekomen, alleen maakte Powers het ieder oogenblik woester en ruwer.

Glendon bracht zijn linkerhand in een zijdelingschen maar lichten stoot tegen het gezicht van den ander. Het was een stoot, zooals hij er al twintig in den loop van het gevecht had toegebracht. Tot zijn verbazing zag hij Powers slap worden in zijn armen en ineenzakken op wankelende, doorknikkende beenen, die weigerden zijn gewicht te dragen. Hij viel met een doffen slag op den grond, rolde half op zijn zijde en lag roerloos, met gesloten oogen. De scheidsrechter boog over hem heen en telde luid op.

Bij den kreet "Negen!" beefde Powers en deed een vergeefsche poging om op te staan.

"Tien!--en uit!" riep de scheidsrechter.

Hij nam Glendon's hand en hield die omhoog naar het juichende publiek, ten teeken dat hij de overwinnaar was. Voor het eerst in zijn boksers-leven was Glendon als verbijsterd. Het was geen eindstoot geweest. Daar kon hij zijn leven onder verwedden. Hij was niet tegen de kaak aangekomen, maar tegen de kant van het gezicht en hij wist dat de stoot daar had geraakt en nergens anders. Toch was de man gevallen, had laten tellen en had 't alles prachtig gesimuleerd. Die slag op den grond was een overtuigend meesterstuk geweest. Voor het publiek was het ontwijfelbaar een eindstoot geweest en de films zouden den leugen verder brengen. Ten slotte had de redacteur den juisten loop voorspeld en er zat geknoei achter.

Glendon schoot een vluchtigen blik door de touwen naar het gezicht van Maud Sangster. Zij keek hem recht aan, doch hare oogen waren koud en hard en er was noch herkenning noch eenige andere uitdrukking in. Zelfs terwijl hij haar aankeek, wendde zij zich onverschillig af en zeide iets tot den man naast haar.

Power's secondanten droegen hem naar zijn hoek, in schijn een slap wrak van een man. Glendon's secondanten kwamen naar hem toe om hem geluk te wenschen en zijn handschoenen uit te trekken. Maar Stubener was hen vóór. Zijn gezicht straalde, terwijl hij Glendon's rechterhandschoen in zijn beide handen nam met den uitroep:

"Beste jongen, Pat! Ik wist wel, dat je 't doen zoudt."

Glendon trok zijn handschoen weg. En voor het eerst in de jaren, dat zij samen waren geweest, hoorde zijn manager hem vloeken.

"Je kunt naar de hel loopen," zeide hij, keerde zich om en stak zijn handen uit naar zijn secondanten om zijn handschoenen te laten uittrekken.

VIII.

Dien avond, nadat de redacteur haar nog eens afdoende gezegd had, dat er geen eerlijk boksen bestond onder de prijs-vechters, zat Maud Sangster een poosje in stilte te schreien op den rand van haar bed, werd toen boos, en ging slapen met een gevoel van ontzettende walging van zichzelf, prijs-boksers en de wereld in het algemeen.

Den volgenden middag begon zij een interview met Henry Addison uit te werken, dat bestemd was, nimmer tot een einde te komen. Het was in de aparte kamer, die haar was afgestaan op het bureau van de Courier Journal dat _het_ gebeurde. Zij hield een oogenblik op met schrijven om een blik te werpen op een berichtje in de middageditie, dat Glendon uit zou komen tegen Tom Cannam, toen één van de loopjongens een kaartje binnenbracht. Het was van Glendon.

"Zeg, dat ik niet te spreken ben," zeide zij tot den jongen.

In een minuut was hij terug.

"Hij zegt, dat hij in elk geval binnenkomt, maar hij wou 't liever met uw toestemming doen."

"Heb je gezegd, dat ik aan 't werk was?" vroeg zij.

"Ja, maar hij zei dat hij tòch binnenkwam."

Zij gaf geen antwoord en de jongen ratelde voort met oogen blinkend van bewondering voor zoo'n gewichtig bezoeker.

"Ik ken 'm. 't Is 'n verschrikkelijke groote kerel. Als hij goed te keer gaat, slaat hij alles op 't kantoor kort en klein. 't Is Jonge Glendon, die gisteravond gewonnen heeft met boksen."

"Goed dan. Breng hem binnen. Ik wou liever niet dat alles op het bureau kort en klein geslagen werd."

Toen Glendon binnentrad, werden geen groeten gewisseld. Zij was koud en ongastvrij als een grauwe dag en noodigde hem niet uit te gaan zitten of toonde niet met hare oogen hem te herkennen; zij zat half van hem afgewend vóór haar lessenaar in afwachting dat hij zou zeggen, waarvoor hij kwam. Hij liet niet merken, hoe deze hooghartige ontvangst hem aandeed, maar begon dadelijk over zijn onderwerp.

"Ik wil u spreken," zeide hij kortaf. "Die partij gisteravond, die eindigde toch in die ronde."

Zij haalde haar schouders op.

"Ik wist dat dat zou gebeuren."

"Dat wist u niet," viel hij scherp uit. "U wist 't niet. Ik wist 't niet."

Zij keerde zich om en keek hem aan met een gezicht alsof de zaak haar verveelde.

"Wat doet het er toe?" vroeg zij. "Prijs-boksen is prijs-boksen en wij weten allemaal wat dat beteekent. De partij eindigde in de ronde, die ik u genoemd had."

"Dat is zoo," gaf hij toe. "Maar u wist 't niet vooruit. In de heele wereld waren u en ik tenminste twee menschen, die wisten, dat Powers _niet_ neergeslagen zou worden in de zestiende."

Zij bleef zwijgen.

"Ik zeg, dat u 't niet vooruit wist." Hij sprak op dringenden toon en toen zij nog weigerde te spreken, deed hij een stap naar haar toe. "Geef antwoord," gebood hij.

Zij knikte.

"Maar hij werd verslagen," hield zij vol.

"Dat is niet waar. Hij was in 't geheel niet verslagen. Begrijpt u dat? Ik zal u er alles van vertellen en u zult luisteren. Begrijpt u dat? Ik heb u niet belogen. Ik was een dwaas en ze hielden mij voor den gek en u met mij. U dacht, dat hij werd neergeslagen. Maar de stoot, dien ik toebracht, was daarvoor niet zwaar genoeg. En ik raakte hem niet eens op de goede plaats. Hij deed iedereen gelooven dat 't zoo was. Hij simuleerde dien eindstoot."

Hij zweeg en keek haar verwachtend aan. En op een of andere wijze wist zij, met een schok en een trilling, dat zij hem geloofde, en zij voelde zich doordrongen van warm geluk nu deze man, die niets voor haar beteekende en dien zij maar tweemaal in haar leven gezien had, in hare oogen in zijn eer hersteld was.

"Nu?" vroeg hij en opnieuw beefde zij voor zijn dwingenden toon.

Zij stond op en haar hand ging naar de zijne.

"Ik geloof u," zeide zij. "En ik ben blij, héél blij."

Haar hand werd langer vastgehouden dan zij bedoeld had. Hij keek haar aan met glanzende oogen, waarop de hare onwillekeurig het antwoord gaven. Nooit heeft er zoo'n man bestaan, dacht zij. Zij sloeg 't eerst de oogen neer en de zijne volgden, zoodat, evenals den vorigen keer, beiden keken naar de handen, die in elkaar lagen. Hij maakte een beweging van zijn geheele lichaam in haar richting, impulsief en onwillekeurig alsof hij haar naar zich toe wilde trekken; toen, blijkbaar met inspanning, schokte hij terug. Zij zag het en voelde den dwang van zijn hand toen deze haar naar zich toe wilde trekken. En tot haar verwondering voelde zij het verlangen om toe te geven, het bijna overweldigende verlangen om in de sterke ronding van zijn armen te worden getrokken. En wanneer hij aangehouden had, wist zij, dat zij niet weerstreefd zou hebben. Zij was bijna duizelig toen hij terugschokte en met een greep van zijn vingers, die de hare bijna verbrijzelde, haar hand liet vallen, ze wegslingerde bijna. "God!" hijgde hij. "Je bent voor mij gemaakt."

Hij keerde zich een weinig van haar af en wreef met zijn hand langs zijn voorhoofd. Zij wist, dat zij hem voor altijd zou haten, wanneer hij 't waagde, één stamelend woord van verontschuldiging of verklaring te willen geven. Zij zonk terug in haar stoel en hij in een andere, zoodat hij tegenover haar kwam te zitten aan den hoek van de lessenaar.

"Ik ben gisteravond in een Turksch Bad geweest," begon hij. "Daar heb ik een ouden afgeleefden bokser bij mij laten komen. Hij was in vroeger dagen een vriend van mijn vader geweest. Ik wist, dat er niets was, wat den ring betrof, dat hij niet wist en ik bracht hem aan het praten. Het grappigste was, dat ik alle moeite had, hem ervan te overtuigen, dat ik de dingen niet wist waar ik naar vroeg. Hij noemde mij de baby in 't woud. En ik geloof, dat hij gelijk had. Ik ben opgegroeid in 't woud en het woud is 't eenige, waar ik iets van weet.

Nu dan, ik kreeg gisteravond mijn opvoeding van dien ouden man. De ring is nog veel meer verrot dan u mij gezegd heeft.

Het schijnt dat iedereen, die er mee in verbinding staat, meedoet aan de knoeierijen. De opnemers, die de eerste boksverloven uitreiken bedriegen de promotors, en de promotors, managers en boksers bedriegen elkander en het publiek. Er bestaat een heel systeem voor aan den éénen kant en aan den anderen kant is er altijd--weet u wat "the double cross" is? [2] (Zij knikte.) "Nu 't schijnt dat zij geen kans voorbij laten gaan om elkander "the double cross" te geven.

De vuiligheid, die de man mij vertelde, benam mij den adem. En ik ben er al jaren midden in geweest zonder er iets van te weten. Ik was werkelijk de baby in 't woud.

Maar nu zie ik hoe ze mij zoo voor den gek konden houden. Ik was zoo gemaakt, dat niemand mij onder kon krijgen. Ik was bestemd om te winnen en dank zij Stubener werd al het geknoei van mij gehouden. Vanmorgen klampte ik Spider Walsh aan en bracht hem aan 't praten. Hij was mijn eerste trainer, ziet u en hij volgde Stubener's instructies. Zij hielden mij onwetend. Bovendien ging ik niet om met de sportwereld. Ik bracht mijn tijd door met jagen en visschen en proeven nemen met cameras' en zoo. Weet u hoe Walsh en Stubener mij onder elkaar noemden?--de Maagd. Dat heb ik pas vanmorgen van Walsh gehoord en 't was of hij me een kies trok. En ze hadden gelijk. Ik was een onschuldig lammetje.

En Stubener gebruikte mij ook voor 't geknoei, maar ik wist er niets van. Ik kan 't nu overzien en begrijpen hoe het in zijn werk ging. Maar ziet u, ik stelde niet genoeg belang in de wedstrijden om achterdochtig te zijn. Ik was geboren met een goed lichaam en een koel hoofd, ik werd buiten grootgebracht en ik werd onderwezen door mijn vader, die meer van boksen wist dan eenig ander mensch, levend of dood. Het was te gemakkelijk. De ring nam mij niet heelemaal in beslag. Er was nooit twijfel aan den uitslag. Maar nu heb ik er genoeg van."

Zij wees op het bericht, waarin zijn match niet Tom Cannam werd aangekondigd.

"Dat is Stubener's werk," verklaarde hij. "'t Is al maanden geleden besloten. Maar dat kan mij niet schelen. Ik ga naar de bergen. Ik ben er uitgegaan."

Zij keek naar het onafgemaakte interview op den lessenaar en zuchtte.

"Mannen zijn toch heerschers," zeide zij. "Meesters van het bestaan. Zij doen wat zij willen.--"

"Naar wat ik gehoord heb," viel hij in, "heeft u ook tamelijk wel gedaan wat u wilde. En dat is één van de deugden waarom ik van u houd. En wat mij sterk getroffen heeft van het begin af, is, dat u en ik elkander begrijpen."

Hij brak af en keek haar aan met glanzende oogen.

"De ring heeft toch één ding voor mij gedaan," ging hij voort. "Ik leerde er u door kennen. En als je die ééne vrouw vindt, dan is er maar één ding te doen. Haar in je beide handen te nemen en niet los te laten. Kom, laat ons naar de bergen gaan."

Het kwam plotseling, als een donderslag, en toch voelde zij, het verwacht te hebben. Haar hart sprong op, zoodat zij op een vreemde heerlijke manier bijna stikte. Dit ten minste was de wraak van een eenvoudig, oorspronkelijk mensch. En toch scheen het een droom. Zulke dingen gebeurden niet in moderne couranten-bureaux. Liefde werd niet op die wijze gemaakt; zóó gebeurde het alleen op het tooneel of in romans.

Hij was opgestaan en stak haar beide handen toe.

"Ik durf niet," zeide zij fluisterend, half tot zichzelf. "Ik durf niet."

En dadelijk werd zij pijnlijk getroffen door de minachting die door zijne oogen flitste, maar die terstond veranderde in klaarblijkelijke ongeloovigheid.

"U zoudt iets niet durven wat u wilt?" sprak hij. "Ik ken dat. 't Is geen kwestie van durven maar van willen.

Wil je?"

Zij was opgestaan en stond nu te wankelen als in een droom. Het flitste door haar brein of dit hypnotisme kon wezen. Zij had er behoefte aan, om zich heen te zien naar de bekende voorwerpen in de kamer, ten einde zichzelf met de werkelijkheid te identifiëeren, maar zij kon haar oogen niet afwenden van de zijne. En zij sprak niet.

Hij was naast haar komen staan. Zijn hand lag op haar arm en zij leunde onwillekeurig tegen hem aan. Het was alles een deel van haar droom en er viel niets meer voor haar te vragen. Het was de groote durf. Hij had gelijk. Zij kon durven wat zij wilde en zij wilde. Hij hielp haar in haar mantel. Zij duwde de hoedespelden door haar haar. En op hetzelfde oogenblik dat zij er aan dacht, zag zij zichzelf naast hem de open deur uitgaan. De "Vlucht van de Hertogen" en "Het Standbeeld en het borstbeeld" schoot haar door 't hoofd. Toen dacht zij aan "Waring."

"Wat is er van Waring geworden?" mompelde zij.

"Over land gereisd of over zee?" mompelde hij terug.

En dit ingaan op haar volkomen overbodige aanhaling, klonk haar als een rechtvaardiging voor de dwaasheid die zij doen ging.

Bij den ingang van het gebouw stak hij zijn hand op om een taxi aan te roepen, maar werd tegengehouden doordat zij zijn arm aanraakte.

"Waar gaan we heen?" vroeg zij zacht als een ademtocht.

"Naar de Ferry-boot. We hebben juist tijd om den trein naar Sacramento te halen."

"Maar ik kan zóó niet gaan," wierp zij tegen. "Ik ... ik heb niet eens een schoonen zakdoek bij me."

Eer hij antwoordde, stak hij opnieuw zijn hand op.

"Je kunt in Sacramento inkoopen doen. Wij trouwen daar en pakken de nachttrein naar het noorden. Ik zal alles telegrafisch vanuit de trein in orde maken."

Terwijl de cab voorreed, keek zij snel om zich heen naar de welbekende straat en de welbekende menschen, toen met iets als angst in Glendon's gezicht.

"Ik weet niets van je," zeide zij.

"Wij weten alles van elkaar," was zijn antwoord.

Zij voelde, hoe zijn armen haar omvatten en steunden en zette haar voet op de treeplank. Het volgend oogenblik was het portier gesloten, hij zat naast haar en de cab reed Market Street uit. Hij legde zijn arm om haar heen, trok haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen zij hem weer in het gezicht keek, was zij er zeker van, dat het door een lichten blos werd gekleurd.

"Ik ... ik heb gehoord, dat kussen een kunst is," stamelde hij. "Ik weet er zelf niets van, maar ik zal het leeren. Zie je, jij bent de eerste vrouw, die ik ooit gekust heb."

IX.

Waar een getande rotspunt uitrijst boven het wijde maagdelijke woud, zaten een man en een vrouw en rustten. Beneden hen aan den boschrand, waren twee paarden vastgemaakt. Achter elk zadel lagen een paar kleine zadeltasschen. De boomen waren als één reusachtige massa. Honderden voeten oprijzend in de lucht, besloegen zij van acht tot tien en twaalf voet in diameter. Verscheidene waren nog veel dikker. Den geheelen morgen hadden zij zich voortgewerkt langs het pad door dit onafgebroken woud en deze rotspunt was de eerste plaats, waar zij uit het woud konden komen om het woud te zien.

Beneden hen en in de verte, zoo ver zij zien konden, lag keten na keten van bergen in purperen nevel gehuld. Er was geen einde aan de rijen. Zij rezen de één na de ander op tot aan de flauwe, verre horizon, waar zij wegwaasden met een vage belofte van zich nog oneindig veel verder uit te strekken. Er waren geen open plekken in het woud; ten noorden, ten zuiden, ten oosten en ten westen, ongerept, onafgebroken, bedekte het 't land met zijn machtigen groei.

Zij rustten en lieten hunne oogen genieten van het vergezicht, haar hand omsloten door één van de zijne; want dit waren hunne wittebroodsweken en dit waren de roode wouden van Mendocino. Dwars door het woud waren zij van Shasta gekomen, met paarden en zadeltasschen, langs de wildernis van het kustland, en zij hadden geen ander plan dan om verder te rijden tot hun een ander plan in het hoofd kwam. Zij waren grof gekleed; zij in khaki, vuil door de reis; hij in kiel en wollen sporthemd. Het laatste hing open aan zijn door de zon verbranden hals en met zijn reusachtige gestalte scheen hij een geschikte metgezel voor de woudreuzen, terwijl aan haar, als zijn gezellin, niets op te merken viel als geluk.

"Nu, Groote Man," zeide zij, zich op haar elleboog heffend om hem te kunnen aankijken, "'t is nog heerlijker dan je beloofd hebt. En wij trekken er samen door heen."

"En er is nog heel wat meer in de wereld, waar wij samen doorheen zullen trekken," antwoordde hij, zijn houding zóó ver veranderd, dat hij haar hand tusschen zijn beide handen kon houden.

"Maar niet, eer wij hier klaar mee zijn," sprak zij.

"'t Lijkt mij of ik nooit genoeg van de groote wouden zal krijgen ... en van jou."

Hij ging zonder moeite in zittende houding over en nam haar in zijn armen.

"O, liefste," fluisterde zij. "En ik had alle hoop opgegeven zoo'n liefste te vinden."

"En ik hoopte er heelemaal niet op. Ik moet altijd geweten hebben, dat ik jou eens vinden zou. Ben je daar blij om?"

Haar antwoord was een zachte druk, waar haar hand op zijn nek rustte en minuten lang keken zij uit over de groote wouden en droomden.

"Je weet wel, dat ik je verteld heb, hoe ik wegliep voor die schooljuffrouw met rood haar?" Dat was voor 't eerst, dat ik dit land zag. Ik was te voet, maar veertig of vijftig mijlen per dag was kinderspel voor mij. Ik was net een Indiaan. Toen dacht ik niet aan jou. Wild was vrij schaars in de roode wouden, maar er waren veel mooie forellen. Toen heb ik op deze rotsen gekampeerd. Ik droomde niet dat ik hier nog eens met jou zou komen, met JOU!"

"En dat je bokskampioen zoudt zijn er bij," voegde zij er achter.

"Neen; daar dacht ik in 't geheel niet aan. Vader had mij altijd gezegd, dat ik het worden zou, dus ik beschouwde het als zeker. Je ziet, hij was heel wijs. Hij was een groot man."

"Maar hij heeft niet gedacht, dat je weer uit den ring zou gaan."

"Dat weet ik niet. Hij was zoo bezorgd om het geknoei voor mij verborgen te houden, dat ik vermoed hoe hij er bang voor was. Ik heb je verteld van het contract met Stubener. Vader zette er die clausule in over geknoei. Eén oneerlijkheid, van mijn manager en het contract was verbroken."

"En toch ga je nog tegen die Tom Cannam vechten. Is het de moeite wel waard?"

Hij keek haar vluchtig aan.

"Wou je liever, dat ik het niet deed?"

"Liefste, ik wil, dat je alles zult doen wat je wilt."

Zoo sprak zij en terwijl de woorden nog naklonken in hare ooren, verwonderde zij er zich in stilte over, dat _zij_, lang niet de minst eigenzinnige en onafhankelijke onder de eigenzinnige en onafhankelijke afstammelingen der Sangsters, ze had gesproken. Toch wist zij, dat zij de waarheid waren en was er blij om.

"'t Zal een grap zijn," zeide hij.

"Maar ik begrijp al de grappige bijzonderheden er niet van."

"Ik heb ze nog niet uitgewerkt. Daar kun jij me bij helpen. In de eerste plaats zal ik Stubener en het syndicaat van gokkers "het dubbele kruis" geven. Dat is een deel van de grap. Ik zal Cannam in de eerste ronde "leggen". Voor 't eerst zal ik werkelijk boos zijn als ik vecht. Die arme Tom Cannam, die even gemeen is als de rest, zal het voornaamste slachtoffer zijn. Zie je, ik ben van plan in den ring een speech te houden. 't Is ongewoon, maar het zal een succes zijn, want ik ga het publiek alles vertellen van de geheimen der bokssport. 't Is een mooie sport, maar zij maken er een zaak van en dat heeft 't bedorven. Maar nu begin ik de speech tegen jou te houden inplaats van in den ring."

"Ik wou, dat ik er bij kon zijn om het te hooren," zeide zij.

Hij keek haar aan en overlegde.

"Dat zou ik ook graag willen. Maar het zal zeker een ruwe boel worden. 't Is niet vooruit te zeggen wat er gebeuren zal, als ik mijn programma begin af te werken. Maar ik kom dadelijk naar je toe als het afgeloopen is. En het zal de laatste verschijning zijn van Jonge Glendon in den ring, in welken ring ook."

"Maar liefste, je hebt nog nooit in je leven een toespraak gehouden," wierp zij op. "'t Kon wel mislukken."

Hij schudde stellig het hoofd.

"Ik ben een Ier," hernam hij, "en is er ooit een Ier geweest, die niet kon spreken?" Hij hield op en lachte vroolijk. "Stubener denkt, dat ik gek ben. Hij zegt, dat een man zich niets als last op den hals haalt door een huwelijk. Hij weet nogal wat af van het huwelijk of van mij of van jou of van iets behalve vaste goederen en vooruit vastgestelde bokspartijen. Maar ik zal hem dien avond aan de kaak stellen dien armen Tom ook. Ik heb heusch medelijden met Tom."

"Mijn lieve Ongelikte Beer gaat zich hoogst ongelikt en hoogst beerachtig gedragen, vrees ik," fluisterde zij.

Hij lachte.

"Ik ga er ten minste een flinken gooi naar doen. Beslist mijn laatste optreden, weet je. En dan is 't jou, jou. Maar als je dat laatste optreden niet wilt, spreek dan maar één woord."