De Ongelikte Beer

Chapter 4

Chapter 44,026 wordsPublic domain

"'t Moet heel interessant zijn, het leven van een beroepsbokser," zeide zij, en voegde er met een glimlach aan toe: "Ik wou, dat ik er meer van wist. Zeg me: waarom vecht u?--O, behalve om geld. (Het laatste tot Stubener.) Houdt u van boksen? Vuurt het u aan als u op uw tegenstander los gaat? Ik weet niet goed, hoe ik moet uitdrukken wat ik bedoel, dus u moet geduld met mij hebben."

Pat en Stubener begonnen tegelijk te spreken, maar ditmaal duwde Pat zijn manager weg.

"Eerst gaf ik er niet om--"

"Ja, ziet u, 't was zoo dood gemakkelijk voor hem," viel Stubener in.

"Maar later," ging Pat voort, "toen ik tegenover de betere boksers uitkwam, de werkelijk groote en knappe in het vak, waar mijn..."

"Eer mee gemoeid was?" vulde zij aan.

"Ja, dat is 't, waar mijn eer mee gemoeid was, toen ontdekte ik, dat ik 't prettig vond--heel prettig zelfs. Ziet u, ofschoon iedere strijd een soort van probleem voor mij is, dat ik met mijn verstand en met mijn spieren moet uitwerken, is toch de uitslag nooit twijfelachtig voor mij.--"

"Hij heeft nooit een partij gebokst waarbij hij zijn tegenpartij gewoon onderkreeg," verklaarde Stubener.

"Hij wint altijd door den eindstoot."

"En die zekerheid omtrent den uitslag neemt er van weg, wat ik mij verbeeld, dat de fijnste trillingen moeten zijn," besloot Pat.

"Misschien zul je wel wat van die trillingen voelen, als je tegen Jim Hanford uitkomt," zei de manager.

Pat glimlachte, maar sprak niet.

"Vertel mij nog wat meer," verzocht zij; "meer over wat u voelt terwijl u vecht."

En nu bracht Pat zijn manager, Miss Sangster en zichzelf in verbazing, door uit te barsten:

"Ik geloof, dat ik met u niet over die dingen moest praten. 't Is of er voor u en mij veel belangrijker dingen bestaan om over te spreken. Ik--."

Hij stokte plotseling, zich bewust van wat hij gezegd had, maar onbewust waarom hij het gezegd had.

"Ja," riep zij gretig uit. "Dat is zoo. Dat maakt een goed interview, de ware persoonlijkheid, ziet u."

Maar Pats tong bleef gekluisterd en Stubener dwaalde naar een statistische vergelijking over het lichaamsgewicht en de maat van zijn kampioen en dat van Sandow, de Terrible Turk, Jeffries en andere sterke boksers van den laatsten tijd. Hier stelde Maud Sangster weinig belang in en zij liet merken, dat het haar verveelde. Toevallig viel haar oog op de Sonnetten. Zij nam het boek in de hand en keek vragend naar Stubener.

"Zoo is Pat," verklaarde hij. "Hij is dol op die dingen en op kleurfotografie en kunsttentoonstellingen en zoo. Maar schrijf daar in 's hemelsnaam niets over. Zijn reputatie zou naar de maan zijn."

Zij keek verwijtend naar Glendon, die dadelijk verlegen werd. Zij vond het verrukkelijk. Een schuchtere jonge man, met het lichaam van een reus, één der koningen in het vuistvechten en die gedichten las en naar kunsttentoonstellingen ging en proeven nam met kleurfotografie. Neen zeker, hier was geen Ongelikte Beer. Zijn schuchterheid, begreep zij nu, kwam voort uit fijngevoeligheid en niet uit domheid. Shakespeare's Sonnetten! Hier was een aanleiding om verder te vragen. Maar Stubener stal de gelegenheid weg en was alweer aan het opdreunen van zijn eeuwige statistieken.

Enkele minuten later en zonder dat zij er zich van bewust was, bracht zij het zwaarste geschut in het vuur. De eerste sterke aantrekkingskracht, die zij gevoeld had bij haar binnenkomen, begon opnieuw te werken na de ontdekking van de Sonnetten. Zijn prachtige lichaamsbouw, zijn knap gezicht, de kuische lippen, de heldere oogen, het mooie voorhoofd, niet verborgen door de korte blonde kuif, de indruk van lichamelijk welzijn en zuiverheid, die hij maakte--dit alles en meer nog een innerlijk gevoel, trok haar tot hem zooals zij zich nooit tot eenigen man aangetrokken had gevoeld en toch bleven in haar hoofd de leelijke geruchten die zij den vorigen dag nog gehoord had op het bureau van de Courier Journal.

"U hadt gelijk," zeide zij. "Er zijn belangrijker dingen om over te spreken. Ik heb iets in gedachte, dat ik graag door u zou opgehelderd zien. Heeft u er op tegen?"

Pat schudde het hoofd.

"Als ik soms vrijpostig ben?--verschrikkelijk vrijpostig? Ik heb mannen soms hooren spreken over bijzondere boksmatches en over de kansen van het wedden en terwijl ik er toentertijd niet veel op lette, scheen mij toe, hoe iedereen het er over eens was, dat er heel wat bedrog en truc's aan die sport vastzitten. En als ik u nu bijvoorbeeld aankijk, kan ik moeielijk begrijpen, hoe u in zulk een bedrog betrokken zoudt kunnen zijn. Ik kan begrijpen, dat u van de sport houdt om de sport en ook om het geld, dat ze inbrengt, maar ik begrijp niet--."

"Er valt niets te begrijpen," viel Stubener in, terwijl om Pat's lippen een vriendelijk lijdzame glimlach trok. "Allemaal sprookjes, die verhalen over bedrog, over tevoren vastgestelde partijen en al die rotrommel. Dat bestaat niet, Miss Sangster, ik verzeker het u. En laat mij u nu eens vertellen, hoe ik Mr. Glendon ontdekt heb. 't Kwam door een brief, dien ik van zijn vader kreeg--."

Maar Maud Sangster weigerde, zich te laten afleiden en wendde zich tot Pat.

"Luister. Ik herinner mij één geval in 't bijzonder. 't Was bij een match, die eenige maanden geleden plaats vond--ik ben de deelnemers vergeten. Eén van de redacteuren van de Courier Journal zei aan me, dat hij een aardig winstje zou maken. Hij _hoopte_ 't niet: hij zei, dat hij 't _zou_ maken. Hij beweerde, dat hij op de hoogte was en wedden zou op het aantal ronden. Hij vertelde, dat de partij bij de negentiende zou eindigen. Dit was de avond tevoren. En den volgenden dag riep hij triomfantelijk mijn aandacht in voor het feit, dat de partij werkelijk bij die ronde was geëindigd. Ik dacht er toen niets bij. Ik stelde geen belang in prijsgevechten. Maar nu doe ik dat wel. Toentertijd scheen het precies in overeenstemming te zijn met de vage denkbeelden, die ik over boksen had. Dus u ziet, 't zijn toch niet allemaal sprookjes, nietwaar?"

"Ik weet welke partij het was," zeide Glendon. "Owen en Murgweather. En die eindigde met de negentiende ronde, Sam. En zij zegt, dat zij die ronde den dag tevoren heeft hooren noemen. Hoe verklaar je dat, Sam?

"Hoe verklaar je 't als een man een gelukkig lot uit de loterij trekt?" luidde de wedervraag van den manager, terwijl hij zijn brein scherpte om een antwoord te vinden. "Dat is juist het punt van belang. Mannen, die training en conditie en secondanten en regels en zulke dingen bestudeeren, raden dikwijls het aantal ronden, net zooals er menschen zijn, die bij de wedrennen honderd tegen één zetten en winnen. En vergeet één ding niet: tegenover elken man die wint, staat een ander die verliest, een ander die verkeerd heeft geraden. Maud Sangster, ik verzeker u, op mijn eer, dat bedriegen en knoeien bij de bokssport iets is dat niet bestaat."

"Wat denkt u er van, Mr. Glendon?" vroeg zij.

"Net als ik," sneed Stubener het antwoord af.

"Hij weet, dat alles wat ik zeg waar is, elk woord. Hij heeft nooit in zijn leven anders dan een eerlijke partij gebokst. Nietwaar Pat?"

"Ja, 't is waar," stemde Pat toe en het vreemdste scheen Maud Sangster haar eigen overtuiging, dat hij waarheid sprak.

Zij streek met haar hand langs haar voorhoofd alsof zij zich wilde bevrijden van de verbijstering, die over haar denken nevelde.

"Luister," zeide zij. "Gisterenavond vertelde dezelfde redacteur mij, dat van een aanstaande partij alles vooruit bepaald was en precies de ronde, waarin ze zou eindigen."

Stubener verwachtte een uitbarsting, maar Pat's woorden maakten zijn antwoord onnoodig.

"Dan liegt die redacteur." Pat's stem was voor 't eerst toornig.

"Hij loog den vorigen keer niet over die andere partij," daagde zij uit.

"In welke ronde zeide hij dat mijn partij met Nat Powers zou eindigen?"

Eer zij antwoorden kon, was de manager er midden in.

"Nonsens Pat!" riep hij. "Schei uit. Zulke praatjes loopen er altijd. Laat het interview voortgaan."

Glendon luisterde niet; zijn oogen, strak in die van Maud, waren niet langer zacht blauw, maar hard en bevelend. Zij was er nu zeker van, dat zij aan iets ontzettends had geraakt, dat alles zou verklaren, waarover zij zich verwonderd had. Tegelijk beefde zij voor het bevelende in zijn stem en blik. Hier was een mannelijke man, die het leven grijpen zou en er uit zou schudden, wat hij noodig had.

"Welke ronde noemde die redacteur?" herhaalde Glendon zijn vraag.

"In godsnaam, Pat schei uit met die dwaasheden," viel Stubener in.

"Ik wou, dat U mij een kans gaf om te antwoorden," sprak Maud Sangster.

"Ik geloof, dat ik zelf wel in staat ben met Miss Sangster te spreken," voegde Glendon er bij. "Ga jij maar weg Sam. Ga weg en kijk eens naar de photo's."

Gedurende een kort oogenblik van spanning keken zij elkander aan, toen bewoog de manager langzaam in de richting van de deur, deed deze open en keerde zijn hoofd om, om te luisteren.

"En welke ronde noemde hij nu?"

"Ik hoop, dat ik niets verkeerds heb gedaan," zeide zij bevend; "maar ik weet heel zeker, dat hij de zestiende ronde noemde."

Zij zag een trek van verbazing en woede over Glendon's gezicht glijden en de woede en het verwijt in den blik, dien hij op zijn manager wierp en zij wist, dat de slag raak was geweest.

En er was reden voor zijn boosheid. Hij wist, dat hij er met Stubener over gesproken had en dat zij overeen waren gekomen, het publiek een goede partij voor zijn geld te geven zonder den strijd noodeloos te verlengen en er daarom in de zestiende ronde een eind aan te maken. En nu was hier een vrouw, van een courantenbureau, die dezelfde ronde noemde.

Stubener stond bleek en slap in de deur, blijkbaar had hij moeite zich op te houden.

"Ik zal later met je spreken," zeide Pat tot hem. "Doe de deur achter je dicht."

De deur werd gesloten en zij waren alleen met hun beiden. Glendon sprak niet. Zijn gezicht droeg een sprekende uitdrukking van leed en verslagenheid.

"Nu?" vroeg zij.

Hij sprong op en stak als een toren boven haar uit; toen ging hij weer zitten en maakte zijn lippen nat met zijn tong.

"Ik zal u één ding zeggen," sprak hij eindelijk. "De partij zal niet met de zestiende ronde eindigen."

Zij sprak niet, doch haar ongeloovige, fijn spottende glimlach deed hem pijn.

"Wacht maar af, dan zult u zien, Miss Sangster, dat die man van de redactie het mis had."

"U bedoelt, dat het programma veranderd zal worden?" vroeg zij stout weg.

Hij beefde onder de snerping harer woorden.

"Ik ben niet gewend te liegen," zeide hij stijf, "zelfs niet tegenover vrouwen."

"Dat heeft u tegenover mij ook niet gedaan en u heeft ook niet geloochend, dat het programma veranderd zal worden. Misschien ben ik dom, Mr. Glendon, maar ik kan niet inzien wat voor verschil het maakt, welke ronde de laatste zal zijn, zoolang dat te voren is vastgesteld en bekend gemaakt."

"Ik zal de ronde tegen u noemen en anders zal geen ziel ter wereld het weten."

Zij haalde hare schouders op en glimlachte.

"Het klinkt voor mij precies als bij de races gebeurt. Daar worden altijd op die manier van te voren afspraken gemaakt, ziet u. Overigens ben ik niet zoo heel dom en ik begrijp, dat er hier iets niet in den haak is. Waarom werd u boos toen ik de ronde noemde? Waarom was u boos op uw manager? Waarom stuurde u hem de kamer uit?"

Tot antwoord liep Glendon naar het raam, alsof hij naar buiten wilde kijken, waar hij van idee veranderde en zich halverwege omkeerde; en zij wist, zonder het te zien, dat hij haar gezicht bestudeerde. Hij kwam terug en ging zitten.

"U heeft gezegd, dat ik niet tegenover u gelogen heb, Miss Sangster, en daar had u gelijk aan. Ik heb niet gelogen."

"Hij zweeg met pijnlijk tasten naar een juiste bepaling van de situatie. "Denkt u, dat u kunt gelooven wat ik u zeggen ga? Wilt u het woord gelooven van een ... prijsbokser?"

Zij knikte ernstig, keek hem recht in de oogen en was er zeker van, dat, wat hij zou vertellen, de waarheid was.

"Ik heb altijd eerlijk gebokst. Ik heb nooit in mijn leven een vuil stuk geld aangeraakt of een smerige streek toegepast.

"U heeft mij een leelijken schok gegeven met wat u vertelde. Ik weet niet wat ik ervan denken moet. Ik heb er niet dadelijk een oordeel over. Ik weet 't niet. Maar het ziet er leelijk uit. Dat hindert me. Want, ziet u, Stubener en ik hebben over deze match gesproken en tusschen ons was het uitgemaakt, dat ik de partij in de zestiende ronde zou doen eindigen. Nu brengt u hetzelfde woord. Hoe wist de redacteur dat? Niet van mij. Stubener moet het losgelaten hebben..., of..."

Hij zweeg om het raadsel te overdenken. "Of die redacteur is een gelukkige rader. Ik kan 't niet begrijpen. Ik zal mijn oogen moeten openhouden en opletten en leeren. Elk woord, dat ik u gezegd heb, is de waarheid en hier is mijn hand er op."

Weer rees hij hoog op uit zijn stoel en kwam naar haar toe. Haar kleine hand werd in zijn groote gegrepen toen zij opstond en hem tegemoet kwam en na een eerlijken, open blik in elkanders oogen, keken beiden onbewust naar de ineengeklemde handen. Zij voelde, nooit zoo volkomen beseft te hebben, dat zij een vrouw was.

Het sexe-verschil in die twee handen--de zachte en tengere vrouwenhand en de zware gespierde van den man--was verbazend. Glendon was de eerste die sprak.

"Uw handje zou licht bezeerd kunnen worden," zeide hij en op hetzelfde oogenblik voelde zij de vastheid van zijn greep bijna liefkozend losser worden.

Zij dacht aan de voorliefde voor reuzen van den ouden Pruisischen koning en lachte om de ongerijmdheid van die gedachte-associatie terwijl zij haar hand terugtrok.

"Ik ben blij, dat u vandaag hier bent gekomen," zeide hij en sprak toen onhandig vlug door om er een verklaring aan toe te voegen, die door den warmen glans in zijn oogen werd weersproken. "Ik bedoel, omdat u mij misschien de oogen hebt geopend voor het geknoei, dat er gebeurt."

"U heeft mij verbaasd," zeide zij. "Ik dacht 't zoo algemeen bekend, dat bij prijsboksen allerlei geknoei voorkomt, dat ik niet kan begrijpen, hoe u, één van de voornaamste vertegenwoordigers uit die wereld, er onkundig van kunt zijn. Ik dacht het vanzelf sprekend dat u er alles van wist en nu heeft u mij doen gelooven, dat u er zelfs niet van droomde. U moet anders zijn dan andere boksers."

Hij knikte met het hoofd.

"Dat verklaart het, denk ik. En dat komt daarvan dat ik mij apart houd van de anderen, van de andere boksers en de managers en de sportlui. 't Was gemakkelijk, mij een rad voor de oogen te draaien. Toch staat 't nog aan mij, te zien of mij werkelijk een rad voor de oogen is gedraaid of niet. Ziet u, dat moet ik zelf uitvinden."

"En er dan verandering in brengen?"

"Neen; dan ga ik er uit," was zijn antwoord. "Als 't niet eerlijk is, wil ik er niets meer mee te maken hebben. En één ding is zeker: deze aanstaande partij met Nat Powers zal niet bij de zestiende ronde uit zijn. Als er iets waars is in die voorwetenschap van den redacteur, komen zij allemaal bedrogen uit. Inplaats van hem in de zestiende buiten gevecht te stellen, zal ik het gevecht door laten gaan tot in de twintigste. U zult 't zien."

"En mag ik het den redacteur niet vertellen?"

Zij stond nu klaar om heen te gaan.

"Stellig niet. Als hij er alleen naar raadt, heeft hij dezelfde kans. Als er geknoei bij is, verdient hij zijn heele inzet te verliezen. Dit moet een klein geheim blijven tusschen u en mij. Ik zal u vertellen, wat ik doen zal. Ik zal u de ronde zeggen. Ik ga niet door tot de twintigste. Ik zal Nat Powers in de achttiende neerslaan."

"Ik zal het zelfs niet fluisteren," verzekerde zij.

"Ik zou u graag een gunst willen vragen," zeide hij, haar polsend. "Misschien is het een groote gunst."

Haar gezicht sprak haar bereidwilligheid uit, alsof de gunst reeds was toegestaan en hij ging voort:

"Natuurlijk begrijp ik, dat u niet over dit geknoei zoudt schrijven in het interview. Maar ik verlang meer dan dat. Ik zou willen, dat u in 't geheel niets publiceerde."

Even zagen hare vragende grijze oogen in de zijne; toen verwonderde zij zich over haar eigen antwoord.

"Goed," zeide zij. "Het zal niet gepubliceerd worden. Ik zal er geen regel over neerschrijven."

"Dat wist ik," zeide hij eenvoudig.

Het eerste oogenblik was zij teleurgesteld, omdat hij haar niet bedankte, maar het volgende was zij er blij om. Zij voelde, hoe hij een anderen grondslag bouwde onder dit samenzijn van een uur en zij waagde een onderzoek.

"Hoe wist u 't?" vroeg zij.

"Ik weet 't niet." Hij schudde het hoofd. "Ik kan er geen verklaring van geven. Ik wist het als iets dat vanzelf sprak. 't Is mij of ik op een of andere wijze heel veel weet omtrent u en mij."

"Maar waarom het interview niet te publiceeren? Zooals uw manager zegt, 't is een goede reclame."

"Dat weet ik," antwoordde hij langzaam. Maar ik wou u niet op die manier kennen. Ik geloof, dat het pijn zou doen als u het publiceerde. Ik wou er niet graag aan denken, dat onze kennismaking zakelijk was; ik zou aan ons gesprek hier willen denken als aan een gesprek tusschen een man en een vrouw. Ik weet niet of u begrijpt waar ik heen wil. Maar zóó voel ik het. Ik wou hier aan denken als aan een man en een vrouw."

Terwijl hij sprak, lag in zijn oogen heel de uitdrukking, waarmede een man een vrouw aankijkt. Zij voelde zijn kracht en zijn overmacht en zij voelde zich wonderlijk zwijgzaam en schuw tegenover dezen man, die bekend stond als zwijgzaam en schuw. Stellig kon hij meer rechtuit en overtuigender spreken dan de meeste mannen en wat haar 't sterkst trof, was haar eigen innerlijke zekerheid, dat het van zijn kant niets was als naïve eenvoudige openhartigheid en geen aangeleerde kunst.

Hij bracht haar naar haar auto en deed haar opnieuw beven, toen hij afscheid nam. Opnieuw lagen hunne handen in elkaar, terwijl hij sprak:

"Op een of anderen dag zal ik u weerzien. Ik wil u weerzien. Ik heb een gevoel, dat het laatste woord niet tusschen ons gesproken is."

En terwijl de auto wegrolde, werd zij zich bewust van een vreemde gewaarwording. Zij had hem niet voor het laatst gezien, dien geweldigen Pat Glendon, koning der boksers en Ongelikte Beer.

Op den terugweg naar zijn kamers, kwam Glendon zijn vertoornden manager tegen.

"Waarom joeg je mij de kamer uit?" vroeg Stubener.

"'t Is uit met ons. 'n Helsche rommel heb je ervan gemaakt. Vroeger wou je nooit een reporter alleen ontvangen en nu zal je eens wat zien als dat interview voor den dag komt."

Glendon, die hem met een soort koud genoegen had aangehoord, deed alsof hij om wilde keeren en hem voorbijgaan, maar hij veranderde van idee.

"'t Komt niet voor den dag," zeide hij.

Stubener stond versteld.

"Ik heb 't haar gezegd," legde Glendon uit.

Toen barstte Stubener uit:

"Alsof zij zoo'n sappig ding voor zich zou houden!"

Glendon werd ijskoud en zijn stem was kort en snijdend.

"'t Wordt niet gepubliceerd. Dat heeft zij mij gezegd.

Er aan te twijfelen, is haar een leugenaarster te noemen."

In zijn oogen laaide de Iersche vlam en dit tezamen met het onwillekeurige samenklemmen van zijn hartstochtelijk gebalde handen maakte dat Stubener, die de kracht kende van die handen en van den man dien hij tegenover zich had, niet langer durfde twijfelen.

VII.

Stubener had er niet veel tijd voor noodig, te weten te komen, dat Glendon het aantal ronden wilde uitbreiden, maar wat hij ook deed, hij kreeg geen enkele aanwijzing omtrent het juiste cijfer.

Hij verloor echter geen tijd en kwam in stilte een en ander overeen met Nat Powers en den manager van Nat Powers.

Powers had een trouw gevolg van gokkers en aan het weddende publiek mocht de oogst niet ontgaan.

Op den avond van de match maakte Maud Sangster zich schuldig aan iets, dat meer gedurfd dan ooit tegen de conventie inging, ofschoon er zelfs geen gefluisterd woord over naar buiten kwam om de wereld op te doen schrikken.

Onder bescherming van den redacteur nam zij een plaats in bij den ring. Haar haar en het grootste deel van haar gelaat waren verborgen onder een slappen hoed, terwijl zij een lange mannenregenjas aanhad, die tot op haar hielen hing. Zij bleef in het dichte gedrang en werd zoodoende niet opgemerkt; en zelfs de journalist die, op de plaats van de pers bij den ring, vlak tegenover haar zat, herkende haar niet.

Zooals meer en meer de gewoonte was, gingen er geen andere bokspartijen vooraf; Maud had nauwelijks plaats genomen of luid applaus kondigde de komst aan van Nat Powers. Hij kwam de galerij af te midden van zijn secondanten en zij was bijna ontsteld over zijn geweldige forschheid. Toch sprong hij zoo licht over de touwen als een man, die half zijn gewicht had en beantwoordde met een grinnikkenden lach de rumoerige begroeting, die uit het gansche gebouw oprees. Hij was niet mooi. Twee ooren als bloemkoolen teekenden zijn beroep en de woestheid die er bij behoorde, terwijl zijn gebroken neus zoo dikwijls over zijn gezicht uitgespreid was geweest alsof hij een staal moest geven van de dokterskunst die hem gerepareerd had.

Een nieuwe uitbarsting kondigde de komst van Glendon aan en zij nam hem gretig waar, terwijl hij door de touwen naar zijn hoek ging. Doch eerst, toen de langdurige tijd van voorstellen, aankondigen en uitdagen voorbij was, gooiden de beide mannen hunne mantels uit en stonden tegenover elkaar in boks-kostuum.

Van boven viel de witte glans van vele electrische lampen over hen heen--dit ter wille van de film-opnemers; en terwijl zij naar de twee mannen keek, die zulk een scherp contrast vormden, voelde zij Glendon den beschaafden man en Powers den ongelikten beer. Beiden voldeden aan die benaming--Glendon fijnbesneden van gezicht en gestalte, van een zachte en tegelijk krachtige schoonheid, Powers bijna gelijkmatig ruw van huid en zwaar begroeid met haar.

Terwijl zij hun inleidenden stand innamen voor de camera's, tegenover elkaar in bokshouding, gebeurde het, dat Glendon's blik onder de touwen doorging en op haar gezicht bleef rusten. Ofschoon hij geen teeken gaf, wist zij, en haar hart sprong er bij op, dat hij haar herkend had. Het volgend oogenblik klonk de gong, de aankondiger riep: "Vooruit!" en het gevecht begon.

Het was een mooie strijd. Er was geen bloed, geen geknoei en beiden waren bekwame boksers. De helft van de eerste ronde verliep met aanvoelen, maar Maud Sangster vond het spel en de schijnstooten en de zachte slagen met de handschoenen opwindend genoeg. Gedurende enkele van de woestere aanvallen in een later stadium van den strijd, was de redacteur gedwongen, haar arm aan te raken om er haar aan te herinneren wie zij was en waar zij was.

Powers vocht gemakkelijk en zuiver, zooals behoorde voor den held van een half honderd ringgevechten en een bewonderende claque beklapte elken knappen stoot van hem.

Toch spande hij zich niet noodeloos in, behalve bij enkele vurige aanvallen, die het publiek op deden rijzen in de verkeerde meening, dat hij zijn tegenstander onder zou krijgen.

Het was op zulk een oogenblik, en terwijl het aan haar ongewende blikken ontsnapte, hoe Glendon maar juist aan een ernstige kwetsuur ontkwam, dat de redacteur zich naar haar overboog en zeide:

"Jonge Pat zal best winnen. Hij is een geluksvogel en ze kunnen hem niet onderkrijgen. Maar hij wint in de zestiende, eer niet."

"Of later?" vroeg zij.

Zij lachte bijna om de zekerheid waarmee de ander ontkende. Zij wist beter.