De Ongelikte Beer

Chapter 3

Chapter 33,961 wordsPublic domain

"Dan ben ik bang, dat ik mijn knokkels zal moeten breken," glimlachte Pat. "Ik weet welken stoot ik in me heb, en als ik daarmee raak, moet er iets wijken. Als _hij_ 't niet is, dan mijn knokkels."

"Denk je dat je er hem nu onder zoudt kunnen krijgen?" vroeg Stubener aan het eind van de dertiende ronde.

"Wanneer ik wil, zeg ik u."

"Nu Pat, laat 't dan tot de vijftiende doorgaan."

In de veertiende ronde overtrof de Vliegende Hollander zichzelf. Bij den gongslag stormde hij door den ring naar den tegenovergestelden hoek waar Pat langzaam op zijn beenen ging staan. Het publiek juichte, want men wist, dat de Vliegende Hollander loskwam. Pat, die de zaak van de grappige kant opnam, kwam op den inval, den verschrikkelijken nooit-verslagene tegemoet te komen met een gansch lijdelijken afweer en geen stoot toe te brengen.

Gedurende de drie minuten wervelwind die volgden, deed hij geen stoot, noch veinsde een stoot te zullen doen. Hij gaf een zeldzaam staal van afweer, zijn neergebogen gezicht beschermend met zijn linker arm, en zijn onderlichaam met zijn rechter; dan weer veranderend als het aanvalspunt veranderde, zóó dat beide handschoenen aan weerskanten van zijn gezicht werden gehouden of beide ellebogen en voorarmen zijn maag beschutten; en steeds in beweging, schouderend of half uitvallend naar zijn tegenstander om diens pogingen te verijdelen; zelf stoote hij niet, noch dreigde te stooten, en nu en dan wankelde hij door de kracht van de stormachtige stooten, die zijn afweer door een duivelschen taptoe zochten te overwinnen.

Zij, die vlak bij den ring zaten, zagen en waardeerden het, maar de rest van het publiek stond als dol op, en brulde zijn toejuichingen uit in de verkeerde meening dat Pat hulpeloos een verschrikkelijk pak slaag opliep. Aan het eind van de ronde, ging het publiek zwijgend weer zitten, terwijl Pat langzaam naar zijn hoek ging. Het was niet te begrijpen. Hij had tot moes moeten zijn en er was hem niets overkomen.

"Hoe krijg je hem neer?" vroeg Stubener angstig.

"Binnen tien seconden," was Pat's geruste verzekering. "Let maar op."

Er was niets van slimheid of streken bij. Toen de gong luidde en Pat op zijn voeten sprong, was het hem ontwijfelbaar aan te zien dat het hem voor de eerste maal in de partij, er om te doen was, zijn tegenstander te kloppen. Geen enkele toeschouwer of hij begreep het en de Vliegende Hollander las de aankondiging ook in Pats' uiterlijk en toen zij in het midden van den ring tegenover elkaar kwamen te staan, aarzelde hij voor 't eerst in zijn boksers-loopbaan. Gedurende een deel van een seconde keken zij elkaar in gevechtshouding aan. Toen sprong de Vliegende Hollander op zijn tegenstander toe en Pat, met een op het juiste oogenblik toegebrachte rechts-zijdelingschen stoot, deed hem neervallen in zijn sprong.

Na dit gevecht begon Pat Glendon's vlucht naar den roem. De sportmenschen en bladen sloegen acht op hem. Voor 't eerst was de Vliegende Hollander neergeslagen. Zijn overwinnaar had bewezen een heksenmeester in den afweer te zijn. Zijn vroegere overwinningen waren geen toeval geweest. Hij had een stoot in beide handen. Reus die hij was, zou hij 't ver brengen. De tijd was voor hem reeds voorbij, schreef men, om zijn kracht te verspillen tegen derderangsboksers.

Waar waren Ben Menzies, Rege Rede, Bill Tarwater en Ernest Lawson? 't Werd tijd dat zij uitkwamen tegen dezen jongen beginner, die plotseling getoond had een bokser te zijn waarmede te rekenen viel. Waar was zijn manager, dat hij geen uitdagingen publiceerde?

Toen was hij in één dag beroemd; want Stubener onthulde het geheim, dat zijn beschermeling niemand anders was dan de zoon van Pat Glendon, Oude Pat, den vroegeren held van den ring. "Jonge" Pat Glendon was hij werkelijk gedoopt en sportlui en schrijvers zwermden om hem heen om hem te bewonderen en te helpen en over hem te schrijven.

Te beginnen met Ben Menzies en eindigend met Bill Tarwater daagde hij de vier tweederangs-boksers uit, bevocht en versloeg hen. Om dit te doen was hij gedwongen te reizen, daar de matches in Goldfield, Denver, Texas en New-York plaats vonden. Om dit te volbrengen waren maanden noodig, want de grootere matches waren niet zoo gemakkelijk te regelen en de boksers zelf hadden meer tijd noodig om zich te trainen.

Het tweede jaar zag hem uitkomen om het half dozijn groote boksers, saamgegroept juist onder de zwaargewicht ladder, te bevechten en te overwinnen. Hier op de top stond stevig geplant: "Groote" Jim Hanford, de nooit verslagen wereld-kampioen. Hier langs de hoogste sporten vorderde men langzamer, ofschoon Stubener onvermoeid was in het publiceeren van uitdagingen en in het gebruiken van de critiek om de boksers tot vechten te bewegen. Will King was in Engeland bezet en Glendon volgde Tom Harrison halfweg de wereld rond om hem op den boks-dag in Australië te verslaan.

Maar de beurzen werden grooter en grooter. In plaats van een honderd dollar, die zijn eerste gevechten hadden opgebracht, ontving hij nu twintig tot dertig duizend dollar per gevecht, en even groote sommen van de bioscoop-opnemers. Stubener nam zijn percenten als manager van dit alles, volgens de bepalingen van het contract, door ouden Pat opgemaakt en hij en Glendon waren, ondanks hun groote onkosten, bezig rijk te worden. Dit vond zijn oorzaak, meer dan in iets anders, in het solide leven dat zij leidden. Ze waren geen verkwisters.

Stubener belegde zijn geld bij voorkeur in vaste goederen en zijn bezittingen in San Francisco, bestaande uit étagewoningen en huizen met appartementen, waren grooter dan Glendon ooit gedroomd had. Doch er was een geheim syndicaat van gokkers die wel ten naastenbij konden raden, hoe groot Stubeners bezittingen waren, omdat er ééne groote som na de andere, waar Glendon nooit iets van hoorde, aan zijn manager betaald werd door de filmopnemers.

Stubeners gewichtigste taak was, de onschuld van zijn jongen gladiator te behoeden. Moeielijk was dit niet. Glendon, die niets te maken had met den zakenkant, stelde er weinig belang in. Bovendien bracht hij, waar hij op zijn reizen ook kwam, zijn vrijen tijd door met jagen en visschen. Hij kwam zelden in aanraking met de lui uit de sportwereld, was buitengewoon schuw en gesloten en verkoos musea en verzenboeken boven praatjes over sport. En aan zijn trainers en partners bij het sparren was door den manager op het hart gedrukt, hun mond te houden over de minste toespelingen op verdorvenheden van den ring. In elk gevecht plaatste Stubener zich tusschen Glendon en de wereld. Hij werd zelfs nooit geïnterviewd als in bijzijn van Stubener. Slechts ééns werd aan Glendon een geheim aanbod gedaan. Het was vlak vóór zijn strijd met Henderson en een aanbod van honderdduizend werd haastig gedaan in vlug gefluisterde woorden in een hôtel-corridor. Het was gelukkig voor den man, dat Pat zijn drift beheerschte en hem schouderophalend voorbij liep zonder te antwoorden. Hij vertelde het aan Stubener, die zeide:

"Het was maar gekheid, Pat. Ze probeerden je voor de mal te houden." Hij merkte op hoe de blauwe oogen vonkten. "En misschien erger dan dat. Als zij je hadden kunnen vangen, zou er een groot sensatiebericht in de couranten zijn gekomen en 't was met je gedaan geweest. Maar ik betwijfel dit. Zulke dingen gebeuren niet meer. 't Is een legende, anders niet, die uit de vroegere geschiedenis van den ring stamt. Vroeger werd er geknoeid maar geen bokser of manager, die een goeden naam heeft, zou in dezen tijd zoo iets durven doen. Neen Pat, de mannen in de bokswereld zijn even eerlijk en oprecht als de beroeps-baseballspelers en iets eerlijkers en oprechters bestaat er niet."

En den geheelen tijd dat hij sprak wist Stubener, dat het aanstaande gevecht met Henderson niet korter dan twaalf ronden zou duren--dit ter wille van de film--en niet langer dan de veertiende ronde. En bovendien wist hij, zoo groot was de inzet, dat Henderson zelfs omgekocht was het niet langer dan tot de veertiende te laten duren.

En Glendon, die er niet meer over aangesproken werd, zette de zaak uit zijn hoofd en ging uit om den middag door de brengen met het nemen van kleurphotografieën.

De camera was zijn liefhebberij van den laatsten tijd. Omdat hij van schilderijen hield, maar zelf niet schilderen kon, zocht hij een hulpmiddel door te photografeeren. In zijn handkoffer was een vak volgepakt met boeken over dit onderwerp en hij bracht vele uren door in de donkere kamer om voor zichzelf proeven te nemen met de verschillende processen.

Nooit had er een groot bokser bestaan, die zoo los was van de bokserswereld als hij. Omdat hij weinig wist te praten met de menschen, die hij ontmoette, werd hij norsch en ongezellig genoemd en hieruit ontstond een reputatie in de nieuwsbladen, die geen overdrijving was, maar een volkomen misvatting.

Volgens de gedrukte berichten, was zijn karakter dat van een onspraakzame domme, ruwe kerel met spieren als een os, en een baardeloos schrijvertje over sport gaf hem den bijnaam van "De Ongelikte Beer". De naam sloeg in. De overige leden van de broederschap namen hem met gejuich over en hierna verscheen Glendon's naam nooit meer in druk zonder die bijvoeging. Dikwijls in een opschrift of onder een photografie verscheen "De Ongelikte Beer", alleen in hoofdletters en zonder aanhalingsteekens. De heele wereld wist wie die Beer was. Dat maakte dat hij zich meer dan ooit in zichzelf opsloot, omdat hij een bitter veroordeel tegen krantenmenschen koesterde.

Wat het boksen zelf betreft, groeide zijn vroegere belangstelling nog aan. De mannen tegen wie hij nu uitkwam, waren alles behalve stumperts en de overwinning werd niet zoo gemakkelijk behaald. Het waren boksers van naam en ondervinding en de eersten in den ring en elke strijd was een probleem. Er waren gelegenheden waarbij het hem onmogelijk bleek, hen buiten gevecht te stellen in de afgesproken ronde. Zoo met Sulsberger, den reusachtigen Duitscher; hoe hij zich ook inspande in de achttiende ronde, hij kreeg hem niet onder, in de negentiende was het dezelfde geschiedenis en eerst in de twintigste gelukte het hem door den afweer van den ander heen te breken en hem te doen vallen. Glendon's groeiende vreugd in de bokssport bracht ernstiger en langer training mede.

Nooit overdrijvend en terwijl hij veel van zijn tijd doorbracht met jagen over de heuvels, was hij practisch altijd in conditie en anders dan bij zijn vader, werd zijn carrière niet belemmerd door ongelukkige toevalligheden. Hij brak nooit een been of bezeerde ook maar een knokkel. Een ding, dat Stubener met geheime vreugd opmerkte was, dat zijn jonge bokser er niet meer van sprak, voor goed naar zijn bergen terug te gaan als hij Jim Hanford het kampioenschap ontnomen had.

VI.

Het hoogte-punt van zijn loopbaan kwam snel naderbij. De groote kampioen had in het publiek bekend gemaakt, dat hij bereid was tegen Glendon uit te komen, zoo gauw deze laatste de drie of vier aspiranten voor het kampioenschap die er tusschen stonden, overwonnen had. In zes maanden slaagde Pat er in, Kid Mc Grath, Jack Mc Bride uit Philadelphia te kloppen en alleen Nat Powers en Tom Cannem bleven nog over.

En alles zou goed gegaan zijn, wanneer niet een zeker meisje uit de voorname wereld het in haar hoofd had gekregen in de journalistiek te gaan en wanneer Stubener niet toegestemd had in een interview met de vrouwelijke reporter van de Courier Journal van San Francisco. Haar werk was altijd onderteekend met den naam van Maud Sangster, en dit, tusschen twee haakjes, was haar eigen naam. De Sangsters stonden bekend als een rijke familie. De grondlegger van het geslacht, oude Jacob Sangster, had zijn dekens opgenomen en was gaan werken als knecht op een farm in het Westen.

Hij had een onuitputtelijk borax-gebied ontdekt in Nevada en nadat hij begonnen was het te ontginnen met behulp van muildieren, had hij een spoorweg aangelegd voor het vervoer. Daarna had hij voor de winst, met de borax gemaakt, honderden en duizenden vierkante mijlen boschgrond gekocht in Californië, Oregon en Washington. Nog later had hij de politiek gecombineerd met zaken, kocht staatslieden, rechters en machines, en werd een held op 't gebied van gecombineerde industrie. En daarna was hij gestorven vol eer en vol pessimisme, zijn naam nalatend als een moddervlek, die toekomstige historieschrijvers nog konden aandikken; tevens liet hij een paar honderd millioen na, waar zijn vier zoons om konden kibbelen. De wettelijke, industriëele en politieke gevechten die volgden, ergerden en vermaakten Californië een generatie lang en bereikten hun toppunt in doodelijke haat tusschen de vier zoons, die elkaar niet meer wilden kennen.

De jongste, Theodore, kwam op middelbaren leeftijd tot inkeer, verkocht zijn farms en zijn stallen met race-paarden en wierp zich in een strijd tegen al de verderfelijke machten van zijn geboorteland, waartoe de meeste millionairs behoorden, in een Don-Quichot-achtige poging het te zuiveren van den smet er door den ouden Jacob Sangster opgeworpen.

Maud Sangster was de oudste dochter van Theodore. Het geslacht der Sangsters bracht geregeld twistzoekers voort onder de mannen en schoonheden onder de vrouwen. En Maud was geen uitzondering op den regel. Ook moest zij iets geërfd hebben van den lust naar avonturen, den Sangsters eigen; want toen zij volwassen werd, had zij een massa dingen gedaan, die voor een vrouw in haar positie niet te pas kwamen. Eén geval uit tienduizend: zij was nog ongetrouwd gebleven. Zij had Europa bezocht zonder een adellijk heer als echtgenoot mede te brengen en had thuis een gansche stoet pretendenten uit haar eigen kring afgewezen. Zij had liefhebberij in openlucht-sport: won het tenniskampioenschap van den Staat; deed de wereld elke week nieuwsgierig uitkijken naar nieuwe onconventioneele dingen van haar, liep voor een weddenschap op tijd van San Mateo naar Santa Cruz en veroorzaakte sensatie door bij een match polo te spelen in een mannenteam.

Onverwachts was zij zich voor kunst gaan interesseeren en hield er een atelier op na in het Quartier Latin van San Francisco.

Dit alles kwam er niet op aan vóór haar vaders plotselinge bekeering. Aangelegd met een hartstochtelijk gevoel voor onafhankelijkheid, terwijl zij nooit den man ontmoet had, aan wien zij zich met vreugde zou onderwerpen en zij zich ergerde aan de pretendenten naar haar hand, wees zij haar vaders bemoeiïngen met haar manier van leven af en zette de kroon op al haar maatschappelijke verkeerdheden door werk te gaan zoeken bij de "Courier Journal." Begonnen met twintig dollars per week, was haar salaris spoedig geklommen tot vijftig. Haar werk was voornamelijk muziek-, tooneel- en kunst-critiek, ofschoon zij zich niet verheven voelde boven gewone journalistieke artikelen, wanneer zij maar genoeg interessants beloofden. Zoo versloeg zij het groote interview met Morgan op een oogenblik, toen hij door een dozijn journalisten uit New York op kleinzielige wijze bespot werd; ook daalde zij in een duikerpak naar den bodem van den Golden Gate en vloog met Rood, den manvogel toen hij alle records voor lang volgehouden vluchten versloeg door Riverside te bereiken.

Nu moet men niet denken, dat Maud Sangster een hoekige Amazone was. Integendeel, zij was een tengere jonge vrouw van drie of vier en twintig jaar, met grijze oogen en van middelmatige gestalte en zij had buitengewoon kleine handen en voeten voor een vrouw, die aan openlucht-sport deed en trouwens voor elk soort vrouw. Ook wist zij veel beter dan de meeste sport-vrouwen liefelijk vrouwelijk te zijn.

Het was op haar aanwijzing, dat zij van den uitgever de opdracht kreeg, Pat Glendon te interviewen. Behalve dat zij eens Bob Fitzsimmons een oogenblik had gezien in avondtoilet in Palace Grill, had zij nooit in haar leven een prijs-bokser gezien. Zij was ook niet verlangend er een te zien--ten minste zij had er niet naar verlangd totdat Jonge Pat Glendon naar San Francisco kwam om zich te trainen voor zijn partij met Nat Powers. Toen had zijn couranten-reputatie haar belangstelling gewekt. De ongelikte Beer! die moest zeker de moeite waard zijn om te zien. Uit wat zij over hem las, maakte zij op, dat hij een man-monster moest zijn, ongelooflijk dom en met de kwaadaardigheid en de woestheid van een beest uit de wildernis. Wel is waar bleek dit alles niet uit de photo's, die van hem gepubliceerd werden, maar wel bleek daaruit de reusachtige spierkracht, die verwacht kon worden er mede samen te gaan. En zoo begaf zij zich, op het uur door Stubener vastgesteld, en vergezeld van een photograaf voor het blad, naar de training-appartementen in Cliff House.

De eigenaar van de appartementen had moeite met Pat. Hij stribbelde tegen. Met zijn ééne reusachtige been bengelend over den kant van zijn leunstoel en Shakespeare's sonnetten op zijn knie, zat hij te oreeren tegen de moderne vrouw.

"Wat hebben zij met boksen te maken? vroeg hij. "Daar is haar plaats niet. En wat weten zij ervan? De mannen zijn al slecht genoeg. Ik ben geen heilige om aan te komen gapen. Die vrouw komt hier om zoo iets van mij te maken. Ik heb mij nooit met de vrouwen bemoeid, die bij de training-appartementen staan te wachten en 't kan mij niet schelen of zij reporter is."

"Maar zij is geen gewone reporter," wierp Stubener tegen.

"Heb je wel eens van de Sangsters gehoord? millionairs!" Pat knikte.

"Zij is er één van. Ze hoort tot de hoogste kringen en zoo. Als ze wou kon ze met de Blingum's omgaan inplaats van voor haar brood te werken. Haar oude is vijftig millioen waard zoo als hij een cent waard is."

"Waarom werkt zij dan aan een courant?--en neemt een of anderen armen duivel een baantje af?

"Zij en de oude zijn niet goed met elkaar, ze hebben ruzie gehad of zoo iets, in den tijd toen hij San Francisco schoon begon te vegen. Zij ging van hem weg. Dat is alles--ging uit huis en zocht een baantje. En laat mij je één ding zeggen, Pat: ze kan Engelsch neerkrabbelen. Er is geen pennelikker in 't land die haar aan kan als ze zich laat gaan."

Pat begon belangstelling te toonen en Stubener sprak haastig voort.

"Zij schrijft verzen ook--van die fijne liedjes, net als jij. Alleen denk ik, dat de hare beter zijn, want zij heeft er eens een heel boek vol van uitgegeven. En ze schrijft over het tooneel. Ze interviewt elken grooten acteur, die hier op de planken komt."

"Ik heb haar naam in de courant gezien," gaf Pat toe.

"Natuurlijk. En 't is een eer voor je, Pat, dat zij je komt interviewen. En 't geeft je niets geen last. Ik ben er bij en geef zelf de meeste inlichtingen. Je weet, dat ik dat altijd gedaan heb."

Pats oogen spraken dankbaarheid.

"En nog iets Pat: vergeet niet, dat je je aan dat interview moèt onderwerpen. 't Is een deel van je werk. 't Is een groote advertentie en gratis. Wij kunnen 't niet koopen. Het interesseert de menschen, trekt het publiek en het is het publiek, dat de groote ontvangsten in je zak brengt." Hij zweeg en luisterde; keek op zijn horloge. "Ik geloof, dat zij daar is. Ik zal haar wel zeggen, dat zij 't kort moet maken; 't zal niet lang duren. In de deur keerde hij zich om. "En wees beleefd, Pat. Houd je mond niet dicht als een klem. Praat een beetje tegen haar als zij wat vraagt."

Pat legde de sonnetten op tafel, nam een courant op en was schijnbaar verdiept in den inhoud ervan, toen het tweetal de kamer binnenkwam en hij opstond.

De ontmoeting gaf een wederzijdschen schok. Toen de blauwe oogen de grijze ontmoeten, was het bijna alsof de man en de vrouw triomfantelijk elkaar iets toeriepen, alsof elk onverwachts iets had gevonden, dat lang gezocht was. Doch dit duurde slechts een oogwenk. Ieder had in den ander iets zoo totaal anders verwacht, dat in het volgend oogenblik de heldere kreet van herkenning plaats maakte voor verlegenheid.

Zooals gewoonlijk het geval is, was de vrouw de eerste, die haar zelfbeheersching terug vond en zij deed het, zonder door eenig uiterlijk teeken te verraden, dat zij die zelfbeheersching ooit kwijt was geweest. Zij liep het grootste eind door van den afstand, die hen scheidde, om bij Glendon te komen. Wat hem betreft, hij wist nauwelijks hoe hij door de voorstelling heen stumperde. Dit was een vrouw, een V.R.O.U.W. Hij had niet geweten, dat er zulk een wezen kon bestaan. De weinige vrouwen, waar hij op gelet had, geleken in niets op deze. Hij vroeg zich af, hoe het oordeel van ouden Pat over haar geweest zou zijn, of zij de soort van vrouw was, aan wie zijn zoon zich volgens zijn raad met beide handen vast moest klemmen. Hij bemerkte, dat hij op een of andere wijze haar hand vasthield. Hij keek er naar, nieuwsgierig en geboeid, verbaasd over de fijnheid ervan.

_Zij_ daarentegen was er in geslaagd ook den naklank van dien eersten helderen kreet tot zwijgen te brengen. Het was een vreemde gewaarwording geweest, zich plotseling aangetrokken te voelen tot een vreemden man: dat was al. Want was hij niet de Ongelikte Beer van de prijsgevechten, het groote, boksende, massale mannetjes-dier, die zijn kameraden van hetzelfde stomme soort neersloeg? Zij glimlachte om de wijze waarop hij haar hand bleef vasthouden.

"Ik wou mijn hand graag terug hebben, Mr. Glendon," zeide zij. "Ik ... ik heb 'm werkelijk noodig, ziet u." Hij keek haar aan zonder te begrijpen, volgde haar blik naar de gevangen hand en liet haar los op een plotselinge lompe manier, die hem het bloed in een duidelijk zichtbare blos naar het gelaat dreef.

Zij merkte den blos op en de gedachte schoot door haar hoofd dat hij toch niet zoo'n phenomenale lomperd scheen te zijn als zij zich had voorgesteld. Zij kon zich niet denken dat een beestmensch ergens over zou blozen. En tevens deed het haar prettig aan, dat hem de radheid van tong ontbrak om een verontschuldiging te mompelen. Doch de wijze waarop hij haar met zijn oogen verslond, bracht haar in de war. Hij staarde naar haar als in vervoering, terwijl zijn wangen àl rooder werden.

In dien tijd had Stubener een stoel voor haar gehaald en Glendon liet zich werktuigelijk in den zijne zakken.

"Hij is in de beste conditie, Miss Sangster, in prachtige conditie," zeide de manager. "Zoo is 't immers, nietwaar Pat? Je hebt je nooit beter gevoeld?"

De woorden hinderden Glendon. Zijn wenkbrauwen trokken zich samen als in ergernis en hij antwoordde niet.

"Ik heb er al lang naar uitgezien, u te ontmoeten, Mr. Glendon," zeide Miss Sangster. "Ik heb nog nooit een vuistvechter geïnterviewd, dus als ik niet met genoeg kennis van zaken spreek, zult u 't mij wel willen vergeven, hoop ik."

"Misschien zou het beter zijn, wanneer u begon met hem in actie te zien," gaf de manager aan. "Terwijl hij zijn bokscostuum aantrekt, kan ik u heel veel over hem vertellen--versch nieuws ook. We zullen Walsh binnen roepen, Pat, en een paar ronden maken."

"Daar gebeurt niets van," snauwde Pat ruw, juist op de wijze als een Ongelikte Beer doen zou. Vooruit maar met het interview."

Het interview begon slecht. Stubener praatte 't meest en gaf aan waarover gesproken zou worden, hetgeen genoeg was om Maud Sangster boos te maken, terwijl Pat uit zichzelf niets zeide. Zij bestudeerde zijn fijngesneden gelaat, de oogen, helder blauw en ver van elkaar staande, de goedgevormde neus, een arendsneus bijna, de vastgesloten, kuische lippen, die iets mannelijk zachts hadden in de omgekrulde hoeken en waar niets aan was, dat op boosaardigheid wees. Zijn uiterlijk was bedriegelijk, besloot zij, als wat de couranten van hem vertelden, waar was. Tevergeefs zocht zij naar kenmerken van een beestmensch. En tevergeefs trachtte zij contact met hem te krijgen. Ten eerste wist zij te weinig van prijsgevechten en den ring en zoodra zij haar lood uitgooide, werd het door Stubener, die klaar stond met inlichtingen, opgepikt.