Chapter 2
Eens, bij 't vastgrijpen, sloeg de manager den achterkant van zijn handschoen op den mond van jongen Pat; en er was iets oneerlijks in de manier waarop hij het deed. Een oogenblik later, bij de volgende greep, kreeg Sam de bovenkant van Pat's handschoen op zijn eigen mond. Er was niets in van drift, maar de drukking, hoe loom die ook was, bracht zijn hoofd naar achteren tot de gewrichten kraakten en hij een oogenblik dacht dat zijn nek breken zou. Hij liet zijn lichaam verslappen en zijn armen neervallen ten teeken dat de strijd geëindigd was, voelde dadelijk verlichting en stond een oogenblik op losse beenen te wankelen.
"Hij is goed--hij is goed," hijgde hij en zijn oogen spraken de bewondering uit, waar zijn adem voor te kort schoot.
De oogen van ouden Pat blonken vochtig van trots en triomf.
"En wat denk je dat er gebeuren zal als één van de gemeene lui zijn knuisten op hem wil probeeren?" vroeg hij.
Stubener's uitspraak luidde: "Hij zal hem doodmaken, stellig."
"Neen, daar is hij te koelbloedig voor. Maar bezeeren zal hij hem wel voor zijn vuilheid."
"Laat ons het contract opmaken," zei de manager.
"Wacht tot je heelemaal weet wat hij waard is," antwoordde de oude Pat. "Ik wil royale bepalingen van je hebben. Ga met de jongen op een hertenjacht over de heuvels en maak kennis met zijn longen en zijn beenen. Dan zullen wij een stevig, goed geregeld contract maken."
Stubener was twee dagen op de jachtpartij geweest en hij leerde alles wat oude Pat beloofd had en meer dan dat en hij kwam terug als een heel vermoeid en heel nederig man. De onbekendheid met de wereld van den jongen man bracht den manager, die door de wol geverfd was, in verbazing, maar hij had ontdekt dat de jongen zich niet voor den gek liet houden. Ongerept als zijn geest was, onberoerd behalve door wat zijn weinige ondervinding in het bergland hem geleerd had, gaf hij ondanks dat bewijzen van natuurlijk intellect en scherpzinnigheid, ver boven het middelmatige. In zekeren zin was hij een mysterie voor Sam, die zijn volkomen gelijkmatigheid van humeur niet begreep. Niets wond hem op of bracht hem in verwarring en zijn geduld en lijdzaamheid waren als van geen ander. Hij vloekte nooit, zelfs niet met de luttele flauwe krachtwoorden, die heel jonge jongens plegen te gebruiken.
"Ik zou best kunnen vloeken als ik wou," had hij verklaard op een vraag van zijn metgezel. "Maar ik denk niet dat ik 't ooit noodig zal hebben. Als ik 't noodig heb, zal ik wel vloeken, denk ik."
Oude Pat, die vast bleef bij zijn besluit, nam afscheid van hen in het blokhuis.
"'t Zal niet lang duren, Pat, jongen, of ik lees over je in de couranten. Ik zou graag meegaan maar ik vrees dat ik tot m'n endje in de bergen zal blijven."
Toen trok de oude man den manager ter zijde en stormde bijna woest op hem in.
"Denk aan wat ik je allemaal van hem verteld heb. De jongen is zuiver en hij is eerlijk. Hij weet niets van al het geknoei in de bokswereld. Ik heb 't allemaal stil voor hem gehouden, dat zeg ik je. Hij weet niet wat bedrog is. Hij weet alleen van de dapperheid en het romantische en de glorie van het vechten en ik heb hem volgestopt met verhalen over de oude helden van den ring, ofschoon dit hem maar weinig in vuur heeft gebracht, dat weet God. Man, man, ik zeg je, dat ik de boksberichten uit de couranten heb geknipt om ze voor hem weg te houden--hij dacht dat ik ze noodig had voor mijn album. Hij weet niet dat er lui zijn die afspraken maken en geld inleggen. Dus haal hem nergens in waar het niet eerlijk toegaat. Maak den jongen niet misselijk. Daarom heb ik die clausule in het contract gezet wanneer het van nul en geener waarde wordt. Eén gemeenheid en het contract is vanzelf verbroken. Geen vooraf afgesproken verdeeling van de buit; geen geheime afspraken met de menschen van de bioscoop over den afstand.
Der zit 'n hoop geld voor jullie allebei in. Maar speel eerlijk of je bent alles kwijt. Begrepen?"
"En wat je ook doet, neem je in acht voor de vrouwen," was de afscheidswaarschuwing van ouden Pat, terwijl jonge Pat te paard zat en plichtmatig de teugels inhield om te kunnen luisteren. "Vrouwen, dat is dood en vervloeking, onthoud dat. Maar als je de ééne vindt, de eenige ééne, houd haar dan vast. Die is meer waard dan roem en geld. Maak dat je eerst zeker bent en als je zeker bent, laat haar dan niet tusschen je vingers uitglippen. Grijp haar beet met je twee handen en houd vast. Houd vast, al gaat de heele wereld aan flarden. Pat, jongen, een goede vrouw is een goede vrouw. Dat is het eerste woord en het laatste."
III.
Toen hij eenmaal in San Francisco was, begonnen de moeilijkheden voor Sam Stubener. Niet dat jonge Pat een lastig humeur had of dwars was, zooals zijn vader had gevreesd. Integendeel, hij was verwonderlijk zacht en vriendelijk. Maar hij had heimwee naar zijn geliefde bergen. Daarbij was hij innerlijk ontsteld door de stad, ofschoon hij schijnbaar onbewogen door de drukke straten liep als een roode Indiaan.
"Ik ben hier gekomen om te boksen," begon hij toen de eerste week om was. Waar is Jim Hanford?" Stubener floot.
"Een eerste kampioen als hij, zou je niet aankijken," antwoordde hij. "Ga eerst naam maken," zou hij zeggen.
"Ik kan hem kloppen."
"Maar dat weet het publiek niet. Als je hem klopte zou je wereldkampioen zijn en niemand werd kampioen in zijn eersten strijd.
"Ik wèl."
"Maar het publiek weet dat niet, Pat. Ze zouden niet naar je komen kijken. En 't is de menigte, die het geld binnen brengt en de gevulde beurzen. Daarom zou Jim Hanford jou niet als tegenstander willen hebben. Er zou niets aan zitten voor hem. Bovendien krijgt hij nu juist drieduizend dollar per week in de vaudeville, met een contract voor vijf en twintig weken. Denk je dat hij dat op zal geven om met een man aan den gang te gaan van wien niemand ooit gehoord heeft? Eerst moet je iets doen, een record maken. Je moet beginnen tegen de plaatselijke boksertjes, waar niemand ooit van gehoord heeft--schooiertjes als Chub Collins, Rough-House Kelly, en de Vliegende Hollander. Als je die geklopt hebt, dan ben je nog maar één sport van de ladder op. Maar daarna vlieg je de lucht in als een ballon."
"Ik zal met de drie, die u opnoemt, allemaal achter elkaar in denzelfden ring vechten," was Pat's besluit. "Maak de overeenkomst op die manier."
Stubener lachte.
"Is dat niet goed? Denkt u dat ik ze niet kloppen kan?"
"Ik weet dat je 't kunt," verzekerde Stubener. "Maar op die manier kan geen overeenkomst gemaakt worden. Je moet tegen ieder op een anderen tijd uitkomen. Bovendien, bedenk, dat ik alles weet van de wedstrijden en dat ik je uitbreng. We moeten je er in werken en ik ben mans genoeg om te weten hoe. Als wij geluk hebben, kan je in een paar jaar bovenaan staan en kampioen zijn met een schep duiten."
Pat zuchtte bij het vooruitzicht; toen leefde hij weer op. "En dan kan ik mij terugtrekken en naar huis gaan naar den ouden man," zeide hij.
Stubener was op het punt te antwoorden, maar hield zich in. Al was dit kampioenmateriaal wat vreemd, hij vertrouwde dat het, als de top bereikt was, in allen deele zou gelijken op al de anderen, die hem vóór waren gegaan. Bovendien, twee jaar was nog een heel eind en er was veel te doen in dien tusschentijd.
Toen Pat de gewoonte begon aan te nemen, in zijn kamers op en neer te loopen, terwijl hij eindelooze rijen boeken en romans uit de bibliotheek las, zond Stubener hem naar buiten om in een boerderij aan de Baai te wonen onder het waakzame oog van Spider Walsh. Na een week fluisterde Spider, dat het karweitje dreigde te mislukken. Zijn beschermeling was van tot het licht werd tot aan het duister weg over de heuvels; hij zocht de stroomen af naar snoek, schoot kwartels en konijnen, en vervolgde den éénen eenzamen, slimmen reebok, beroemd omdat hij aan tien jagers had weten te ontsnappen, en de Spin werd vadsig en lui terwijl zijn beschermeling in conditie bleef.
Zooals Stubener verwacht had, werd zijn onbekende uitgelachen door de managers van de boks-club. Waren de wouden niet vol onbekenden, die altijd uitkwamen met 't idee dadelijk kampioen te worden? Een inleidend partijtje, van vier ronden bijvoorbeeld--ja, daar wilden ze wel op ingaan. Maar een ernstige match nooit. Stubener had besloten, dat jonge Pat zijn debuut zou hebben in niets minder dan een ernstige match, en door het prestige van zijn eigen naam kreeg hij het ten laatste gedaan. Na lang aarzelen stemde de "Missionclub" er in toe dat Pat Glendon vijftien ronden zou boksen met Rough-House Kelly voor een beurs van één honderd dollars. Het was de gewoonte, dat jonge boksers den naam aannamen van oude ring-helden, dus vermoedde niemand, dat hij de zoon was van den grooten Pat Glendon en Stubener hield zijn mond. Dat was een goede verrassingsbom om later te doen springen.
Na een maand wachten kwam de avond van het gevecht.
Stubener's angst was hevig. Zijn naam als manager stond er bij op het spel, dat de jonge man een goed figuur zou maken en hij ontstelde, toen hij zag hoe Pat, die vijf minuten stilletjes in een hoek zat, zijn gezonden kleur verloor, terwijl zijn wangen ziekelijk geel-bleek werden.
"Moed houden jongen," zeide Stubener, hem op den schouder kloppend. "De eerste keer in den ring is altijd vreemd en Kelly heeft er een handje van, zijn tegenstander op hem te laten wachten, in de hoop dat hij plankenkoorts zal krijgen."
"Dat is 't niet," antwoordde Pat. "'t Is de tabaksrook. Daar ben ik niet aan gewend en ik word er gewoon misselijk van."
Zijn manager voelde een schok van verlichting. Een man, die misselijk werd uit zenuwachtigheid, zou nooit overwinnen in 't prijs-gevecht, al was hij ook zoo sterk als Simson. Maar tabaksrook ... daar moest de jongen aan wennen, dat was al.
Het binnenkomen van Jonge Pat in den ring werd in stilte aangezien, maar toen Rough-House Kelly onder het touw doorkroop, werd hij met luid gejuich begroet. Hij deed zijn naam geen oneer aan.
Hij was een man met woest uitzicht, donker en harig met kolossale, knoestige spieren, en volle tweehonderd pond gewicht. Pat keek nieuwsgierig naar hem en werd beantwoord met een norschen blik. Nadat beiden aan het publiek waren voorgesteld, drukten zij elkaar de hand. En toen hunne handschoenen elkaar aanraakten, gromde Kelly iets tusschen zijn tanden, zijn gezicht werd rood alsof hij woedend was en hij mompelde:
"Je hebt je zenuwen meegebracht." Hij slingerde Pat's hand ruw van zich af en siste: "Ik zal je opvreten, schaap dat je bent!"
Het publiek lachte om het gebaar en raadde al lachend naar wat Kelly gezegd moest hebben.
Toen hij, in zijn eigen hoek terug was en op den gong wachtte, keerde Pat zich naar Stubener.
"Waarom is hij boos op mij?" vroeg hij.
"Hij is niet boos," antwoordde Stubener. "Zoo doet hij altijd; hij probeert je bang te maken. Dat is een mondgevecht."
"'t Is geen bokser," vond Pat en Stubener merkte met een snellen blik op, dat zijne oogen even zacht blauw waren als gewoonlijk.
"Pas op," waarschuwde de manager, toen de gong luidde voor de eerste ronde en Pat opstond. "Hij is in staat op je af te komen als een menscheneter."
En als een menscheneter kwam Kelly op hem af, in wilde woede door den ring stuivend. Pat, die op zijn loome wijze slechts een paar passen vooruit had gedaan, nam het oogenblik waar dat de ander aanviel, deed een zijstap en stootte zijn stijf gekromde rechterarm op zij tegen diens kaak. Toen stond hij stil verbaasd te kijken. Het gevecht was voorbij. Kelly was als een neergeslagen os op den grond gevallen, en lag daar onbewegelijk terwijl de scheidsrechter, over hem heen gebogen hardop de tien seconden telde in zijn oor, dat niet hoorde. Toen Kelly's helpers naar hem toe kwamen om hem op te beuren, was Pat hen vóór.
Hij nam de zware onbewegelijke massa in zijn armen, droeg hem naar zijn hoek en zette hem op den stoel en in de armen van zijn helpers.
Een halve minuut later lichtte Kelly zijn hoofd op en zijne oogen lodderden open. Hij keek versuft om zich heen en toen naar één van zijn secondanten.
"Wat is er gebeurd?" vroeg hij heesch.
"Is 't dak op mij gevallen?"
IV.
Als gevolg van zijn gevecht met Kelly, en hoewel de algemeene opinie was, dat hij door een gelukkig toeval gewonnen had, werd Pat tegen Rufe Mason uitgebracht.
Dat had drie weken later plaats en het publiek van de Sierra Club in Dreamland Rink zag niet precies wat er gebeurde.
Rufe Mason was een zwaargewicht, en stond bekend voor zijn slimheid. Toen de gong luidde voor de eerste ronde ontmoetten de tegenstanders elkaar in het midden van den ring.
Geen van beiden stormde in. Ook werd er geen stoot gewisseld. Zij voelden langs elkaar heen, met gebogen armen en hunne handschoenen zoo dicht bij elkaar dat zij elkander bijna raakten. Dat duurde misschien vijf minuten. Toen gebeurde het en zoo haastig dat niet één onder de honderd toeschouwers het zag. Rufe Mason deed een schijnstoot rechts. Het was blijkbaar geen echte schijnstoot, maar een voeler, een prikkelende dreiging van een mogelijken stoot. Op dit oogenblik gaf Pat zijn stoot. Zij waren zoo dicht bij elkaar, dat de stoot van nauwelijks acht duim afstand aankwam. Het was een korte stoot links en ging vergezeld van een schouderdraai. Hij kwam recht op de punt van de kin aan en het verbaasde publiek zag Rufe Mason's beenen onder hem in elkaar zakken terwijl zijn lichaam op den grond zonk. Maar de scheidsrechter had het gezien en hij kwam dadelijk naar voren om de tien seconden te tellen. Weer droeg Pat zijn tegenstander naar zijn hoek en het duurde tien minuten eer Rufe Mason, ondersteund door zijn secondanten, in staat was met knikkende knieën en rollende glazige oogen langs het verblufte, ongeloovige publiek de galerij af te loopen naar zijn kleedkamer.
"Geen wonder," zeide hij tot een reporter, "dat Rough-House Kelly meende het dak op zijn hoofd te krijgen."
Nadat Club Collins overwonnen was in de twaalfde seconde van de eerste ronde van een vijftien-ronden-match, voelde Stubener zich gedrongen met Pat te spreken.
"Weet je hoe zij je nu noemen?" vroeg hij.
Pat schudde het hoofd.
"Eén--Stoot--Glendon."
Pat glimlachte beleefd. 't Kon hem weinig schelen hoe hij genoemd werd. Hij had een zekere hoeveelheid werk af te doen, dat hij moest afmaken eer hij terug kon naar zijn bergen en hij deed het kalm af, dat was al.
"'t Gaat niet," ging zijn manager met onheilspellend hoofdschudden voort. "Je kunt niet doorgaan met je tegenstanders zoo gauw neer te stooten. Je moet hun meer tijd geven."
"Ben ik hier dan niet om te boksen?" vroeg Pat verwonderd.
Opnieuw schudde Stubener het hoofd.
"Luister, Pat. Je bent sterk en moedig in het boksen. Sla niet al de andere boksers neer. En 't is niet goed tegenover het publiek. Zij willen wat zien voor hun geld. Bovendien zal niemand meer tegen je willen uitkomen. Iedereen wordt afgeschrikt. En je kunt geen publiek trekken met matches van tien minuten. Zeg zelf: zou jij een dollar of vijf dollars betalen om tien seconden te zien boksen?"
Pat was overtuigd en hij beloofde, zijn toekomstig publiek waar voor hun geld te zullen geven, ofschoon hij erbij voegde, persoonlijk liever te gaan visschen dan honderd ronden te zien boksen.
Nog had Pat nergens werkelijk zijn bokskunst vertoond. De sportlui uit de stad lachten als zijn naam werd genoemd. Die riep grappige bokspartijen in het geheugen en de opmerking van Rough-House Kelly over het dak. Niemand wist hoe Pat kon boksen. Ze hadden hem nooit gezien. Waar was zijn adem, zijn lichaamssterkte, zijn behendigheid om het vol te houden tegen ruwe tegenstanders in langdurigen afmattenden kamp? Hij had niets getoond dan de kunst van een gelukkigen eindstoot en een ontstellenden aanleg om door het toeval begunstigd te worden.
Zoo gebeurde het, dat zijn vierde match gehouden zou worden tegen Pete Sosso, een Portugeeschen bokser uit Butchertown, hoofdzakelijk bekend om de verbazingwekkende slimmigheden, die hij in den ring uithaalde. Pat trainde zich niet voor den strijd. In plaats daarvan bracht hij een vluchtig en droevig bezoek aan de bergen om zijn vader te begraven. Oude Pat had wel geweten, hoe het met zijn hart gesteld was en het had hem plotseling begeven.
Toen jonge Pat in San Francisco terug kwam, was de tijd zoo nauw gemeten, dat hij dadelijk zijn reispak verwisselde voor zijn bokskleeding en toen moest het publiek nog tien minuten wachten.
"Denk er aan, geef hem een kans," waarschuwde Stubener toen hij door de touwen kroop. Speel met hem, maar doe het in ernst. Laat hem tien of twaalf ronden zijn gang gaan en sla hem dan neer."
Pat gehoorzaamde de instructie en ofschoon het gemakkelijk genoeg geweest zou zijn, Sosso dadelijk buiten gevecht te stellen, gaf het hem, daar de ander zoo vol streken zat, handen vol werk hem zich van 't lijf te houden zonder hem neer te slaan. Het was een mooie prestatie en het publiek was verrukt. Sosso's aanvallen als een dwarrelwind, zijn wilde schijnstooten, zijn instormen en terugtrekken, eischten al Pat's kunst om zichzelf te beschermen en nog gelukte het hem niet, geheel onbezeerd te ontsnappen.
Stubener prees hem in de rustpoozen en alles zou goed gegaan zijn, wanneer Sosso niet in de vierde ronde één van zijn prachtigste streken had uitgespeeld. Pat had in een gunstig oogenblik een zijstoot tegen Sosso's kaak gegeven, toen deze tot Pat's verbazing zijn handen liet neervallen en achterwaarts wankelde, met rollende oogen, doorzakkende en knikkende beenen, alsof hij bezwijmde. Pat begreep het niet! Het was geen eindstoot geweest en toch was zijn tegenstander op het punt op de mat te vallen. Pat liet zijn handen vallen en keek in verbazing naar zijn wankelenden tegenstander.
Sosso strompelde weg, viel bijna, herstelde zich en strompelde toen weer schuins vooruit.
Voor de eerste en de laatste maal in zijn boksersloopbaan was Pat niet op zijn hoede. Hij ging op zij om den waggelenden man door te laten. Terwijl hij nog strompelend liep, gaf Sosso plotseling een rechtschen stoot. Pat kreeg hem midden op zijn kaak met een kracht, die zijn tanden deed rammelen.
Uit het publiek ging een gebrul van vreugde op. Maar Pat hoorde het niet. Hij zag alleen Sosso voor zich tandeknarsend en uitdagend, in 't minst niet bezwijmd. De slag had Pat bezeerd, doch veel meer was hij woedend over de schurkenstreek. Al de woede, die zijn vader ooit gevoeld had, laaide op in hem. Hij schudde zijn hoofd als om zich te bevrijden van den schok van den slag en plantte zich vóór zijn tegenstander. Alles gebeurde toen in één seconde. Met een schampstoot, die zijn tegenstander uitlokte, stootte Pat de solar plexus, terwijl hij bijna op hetzelfde oogenblik met zijn rechter een zijstoot tegen de kaak gaf. De laatste slag belandde op Sosso's mond eer zijn lichaam in den val op den grond sloeg. De clubdoktoren hadden een half uur werk om hem bij te brengen. Daarna naaiden zij zijn kaak met elf steken dicht en pakten hem in een ziekenwagen.
"'t Spijt mij," zeide Pat tot zijn manager; "ik vrees, dat ik driftig werd. Ik doe het nooit meer in den ring. Vader waarschuwde er mij altijd voor. Ik wist niet dat ik zoo driftig kon worden, maar nu ik 't weet, zal ik er voor oppassen."
En Stubener geloofde hem. Hij kwam er langzamerhand toe, alles te kunnen gelooven van zijn jongen beschermeling.
"Je hebt het niet noodig je boos te maken," zeide hij; "je bent toch altijd je tegenstander volkomen de baas."
"Elke seconde en elken duim van de partij," gaf Pat toe.
"En je kunt ze elk oogenblik dat je 't wilt kloppen."
"Zeker kan ik dat. Ik wil niet bluffen. Maar ik schijn er de handigheid voor te bezitten. Mijn oogen wijzen mij waar ik zijn moet en dan weet ik altijd hoe ik daar moet komen, en tijd en afstand zijn mij als een tweede natuur. Vader noemde het een gave, maar ik dacht dat hij me vleide. Nu ik tegen deze mannen uit ben gekomen, geloof ik dat vader gelijk had. Hij zei dat bij mij verstand en spieren samenwerkten."
"Elke seconde en elken duim van de partij," herhaalde Stubener peinzend.
Pat knikte en Stubener, die vast in hem geloofde, had visioenen van een gouden toekomst die ouden Pat uit zijn graf zouden hebben gehaald.
"Denk er om, we moeten de menschen wat laten zien voor hun geld," zeide hij. "Wij zullen onder elkaar bepalen, hoeveel ronden de match hebben zal. Je volgende partij is met "Den Vliegenden Hollander." Als je eens alle vijftien ronden afwerkte en hem in de laatste neersloeg? Dan heb je meteen kans om te laten zien wat je kunt."
"All right Sam," was het antwoord.
"'t Zal een proef voor je zijn," waarschuwde Stubener.
"Misschien lukt het je niet, hem in die laatste ronde te kloppen."
"Luister." Pat wachtte een oogenblik om zijn belofte gewicht bij te zetten en nam een deel van Longfellow in de hand. "Als 't mij niet lukt, lees ik nooit meer verzen en dat zou wat zijn."
"Voor jou wèl," riep zijn manager schaterend, "ofschoon ... wat je in die rommel ziet ... dat gaat boven mijn verstand."
Pat zuchtte, maar antwoordde niet. In zijn heele leven had hij maar één mensch ontmoet, die om gedichten gaf, en dat was de roodharige schooljuffrouw, voor wie hij naar de bosschen was gevlucht.
V.
"Waar ga je naar toe?" vroeg Stubener verwonderd, terwijl hij op zijn horloge keek.
Pat, met zijn hand op de deurknop, bleef staan en keerde zich om.
"Naar de Academie," zeide hij. "Daar is een professor, die vanavond een lezing houdt over Browning en Browning is een schrijver, waar je hulp bij noodig hebt. Soms denk ik, dat 't goed zou zijn als ik naar de avondschool ging."
"Maar groote goedheid, kerel!" riep de manager uit. "Je moet vanavond uitkomen tegen den Vliegenden Hollander."
"Dat weet ik wel. Maar ik kom geen oogenblik vroeger dan half tien of kwart voor tienen in den ring. De lezing is om kwart over negen afgeloopen. Als u zeker wilt zijn, kom dan even langs en neem me mee in uw car."
Stubener haalde met hulpeloos gebaar de schouders op.
"U hoeft u niet ongerust te maken," verzekerde Pat. "Vader heeft mij dikwijls gezegd, dat de ergste tijd juist was die laatste uren vóór een match, en dat menige partij verloren werd, nadat iemand den moed verloor in dien tijd, dat hij niets te doen had als denken en zich angstig maken. Nu, voor mij hoeft u daarover nooit ongerust te zijn. U moest blij zijn, dat ik naar een lezing kan gaan."
En later op den avond, terwijl hij vijftien prachtige ronden voor zich zag, grinnikte Stubener meer dan eens in zichzelf bij het denkbeeld, wat het sport-publiek er wel van denken zou, als ze wisten dat de prachtige jonge prijs-bokser zóó van een lezing over Browning in den ring was gekomen.
De Vliegende Hollander was een jonge Zweed, die een ongewonen ijver voor het boksen bezat en gezegend was met een wonderlijk uithoudingsvermogen. Hij rustte nooit, viel altijd aan en stormde in en vocht van de ééne gongslag naar den andere. Bij de zwaaislagen draaiden zijn armen rond als dorschvlegels, bij het invechten gaf hij altijd schouderstooten of worstelde half en bracht stooten toe zoo gauw hij maar een hand vrij kon krijgen. Van 't begin tot het einde was hij een wervelwind, vandaar zijn naam. Zijn gebrek was gewis een oordeel over tijd en afstand. Toch had hij heel wat partijen gewonnen doordat bij de oneindige fusillade van stooten die hij toebracht, er licht één in elk dozijn raak was. Pat, onder den strengen eisch, zijn tegenstander niet neer te slaan, had zijn handen vol. En ofschoon hij aan ernstig letsel ontkwam, kon hij toch niet geheel en al vrij blijven van die eeuwig rondvliegende handschoenen. Maar 't was een eerlijk gevecht en hij genoot ervan op zijn gemoedelijke wijze.
"Zou je hem nu onder kunnen krijgen?" fluisterde Stubener hem in 't oor in de minuut rust na de vijfde ronde."
"Stellig," was Pat's antwoord.
"Je weet, hij is nog nooit in den eindstoot neergeslagen," waarschuwde Stubener een paar ronden later.