De ondergang der Eerste Wareld

Part 9

Chapter 9 4,125 words Public domain Markdown

Maar meerder had het heir aan 't uiterst punt te duchten, Waar derdhalf-honderd reeds in 't bloed der jaagren baadt, Wier smaldeel, eens bereikt, geen oogenblik weêrstaat. Vergeefs had Segols last den plicht hun voorgeschreven, Te wijken, en den Reus hun slagorde op te geven, Om in de ruimten van der vleuglen tweede rij Zich weêr te vormen en te sluiten zij' aan zij'. Zy stonden: vloden straks; maar, woest uit een geschoten, Verspreiden zy hunne angst door al hun strijdgenooten. Geheel die vleugel schokt, en trekt zich thands in een, En 't wordt een zwakke hoop, wat eerst een leger scheen. Hier voerde Choch de knots aan 't hoofd der reuzen. Dapper, Als ginds Argebar was, en in den arm niet slapper, Stijft hy zijn menigte door 't voorbeeld, en vergruist Wat nek of schedel biedt aan de opgeheven vuist. De slagen regenen om 't dichtst op een, en spelen Door 't om zich spattend brein en open bekkeneelen, En brijzlen arm en boog in 't rekken van de pees, By 't menglen van 't gejoel van razerny en vrees.

De Koning ziet de vlucht, de wanorde, en 't verwarren, En knarstandt van de spijt. Als duizend ijzren harren Of grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt, Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt. Hy kent der Reuzen kracht en de onmacht van zijn strijderen, En hoe zijn zege hangt aan d' afstand en 't verwijderen. "Wie uwer (roept hy uit), gy, spanners van den boog, Is zeker van zijn hand en onbedrieglijk oog? Hy spreke, en trede voor!"--Slechts vijftig mannen treden De slagorde uit.--"Genoeg! (dus zegt hy) 'k ben te vreden; Gy, volgt my! 't overschot des legers sta hier pal!"-- Flux spoedt hy aan hun hoofd door 't uitgebreide dal En valt de reuzen met een pijlzwerm in de lenden.

Geen schicht díe 't doelwit mist. Zy vallen, worst'len, wenden, Vertrapplen zich, terwijl een tweede bui reeds treft, En, van den zelfden kant, de derde zich verheft. Een derde hunner ligt verslagen. Driewerf dertig Verzaamlen zich, terwijl de meesten meer flaauwhertig Een vrijburg zoeken in hun bosschen. Maar die hoop Snelt op den Koning toe, onstuitbaar in zijn loop. De schutters sidderen. De Koning ziet hen naderen; Het vuur des ongedulds woelt bruischend door zijne aderen; En mooglijk dat hy thands, in overmaat van moed, Zijn bloed gemengeld had aan 't laauwe reuzenbloed, Zoo niet een sterker macht van uit de hooger kringen Zijn schedel had bewaakt. De taaie koorden springen Nog eenmaal los, en wat zich bloot gaf, ligt geveld, Terwijl de ontzachbre troep als voor het oog versmelt. Nog naakt zy, en de knots in de opgeheven armen Wankt over Segols hoofd en wie dat hoofd beschermen. Hy-zelf ontzet niet, maar de heirbijl in zijn hand Houwt d'arm die hem bedreigt met eenen slag in 't zand, En klooft de breede borst aan drie paar forsche reuzen, Wier hand de boom ontvalt waarmeê zy hersens kneuzen. Choch nadert, alles beeft. Een pijl doorboort zijn strot. Hy rukt hem woedende uit; wanneer een tweede schot Door de eigen hand bestierd, hem plotsling neêr doet zijgen In 't lillend hart geraakt. Men hoort zijn adem hijgen En 't borr'len van zijn bloed dat uit zijn wonden welt. Doch 's Konings keurtroep wordt van rondom fel bekneld; De boog wordt werkeloos, en oog noch handgreep baten. Geen jagers eischt dees nood; geoefende soldaten. Dan, Segol strijdt, en zy, door 't voorbeeld aangespoord, Bezwijken niet, maar staan, in 't midden van den moord. Thands wordt de pijl een dolk, in 's schutters vuist gesloten, Waarmeê zy elk die naakt in buik en boezem stoten. Men valt, maar wreekt zich-zelv' terwijl men nederstort, En 't ijzren reuzendom schiet by hun kunst te kort. De vlugheid (op de jacht geoefend) van hun leden Wijkt hier de slagen uit, duikt elders naar beneden, Ontspringt den vijand, of verbijstert hem 't gezicht, Of lamt hem arm of knie in 't ledend beengewricht. Men dringt zich driftig voor den Koning, die in 't strijden Nu her- dan derwaart vliegt, de dood aan alle zijden Verdeelt, en overal dat wapen schittren laat, Dat nergens keerbaar is, maar bliksemslagen slaat.

Nu was 't geen strijden meer van krijgren, geen slagorde, Maar leeuw- en wolvenmoord in de overvallen horde Van herders, wie de nood, van allen kant omringd, Tot weêrstand in de dood, tot moed en wanhoop dwingt. Met nagels, tand, en vuist, weêrstaat men klaauw en kaken Van 't grimmig roofgediert' en de uitgerukte staken Der schaapskooi strekken voor de jachtspriet of voor 't zwaard; En worstlend stort de leeuw by die hem worgt ter aard. De Reuzen, in getal verminderd, eerst bespringers, Zijn thands besprongenen: De knots ontvalt hun vingers, En treft te langzaam om den stoet die hen bestookt Te keeren, daar hun 't bloed uit al de poren rookt! Zy werpen 't wapen weg, en grijpen met de handen De jagers by de keel, of zetten heete tanden In 's vijands spieren, dien hun woeste kop rammeit En neêrploft, dan vertrapt in dolle grimmigheid, Of woedend opscheurt met gekromde nagelspitsen, Meer scherp en meer gepunt dan Segols jaagrenflitsen, Waarvan hun eigen borst de doodkwetsuur ontfangt, Terwijl 't gedrochtlijk lijf zijn overwonn'ling prangt En d' adem uitperst of den gorgel breekt.--De Koning- Alleen, ontzachlijk, staat in schrikbre machtvertooning Met d' opgeheven bijl in 't midden van een wal Gesneuvelden, gelijk een hooge ceder, pal. Iets Godlijks schijnt dit uur als uit zijn oog te stralen! Zijn fiere boezem wordt verwijd in 't ademhalen: "Op, Helden (zegt hy)! op! voltooit uw zegepraal!"

Die stem doorklonk het veld, en ('t scheen) een bliksemstraal Vloog teffens door de lucht. Zy treft den Reus in de ooren Hy geeft den weêrstand op en acht zich-zelv' verloren, En, nietig overschot, bedekt met wond en buil, Ontvliedt hy 't schriktooneel in angstig noodgehuil.

Men volgt, en zet het woud, waarin zy schuilplaats vinden, In vuur. De vlam stijgt op, by 't bruizen van de winden, En 't vijandlijk geslacht, verdreven door den brand, Keert, als vertwijfeld weêr, en zoekt zijn vaderland.

De strijd gaf zege en moed; de moed, vernieuwde krachten. Men leert den schrikbren stal des Arbaliets verachten, En 't gantsche leger roept van uit de volle borst: "Ten vijand! naar den strijd! geleid ons, Wareldvorst!"

De Koning kent den aart van 't bruischend driftvermogen: Hy vreest den geest des volks, als vlottend zand bewogen, Dat, naar de wind zich wendt, dan her- dan derwaart drijft, En weemlende in zijn ko'*k geen zeekren kring beschrijft. Hy zucht. "Mijn vrienden, neen! (dus spreekt hy) staakt uw schreden; Uw arm voldeed zijn plicht. Men rust' de moede leden, En spaar zich voor het heil der wareld, tot de dag Verkoele, en 't bloed verfrisch', nog kokend van den slag. Ververscht u in dit oord: het biedt u rijpe olijven, Met dadel, druif, en vijg. Tot nieuwe krijgsbedrijven Gesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet, Die by zijne eerste proef reeds zulk een poging doet!"

Hy zwijgt. Men zet zich neêr in afgeperkte rijen, Van 't zonlicht afgekeerd. Hy plaatst ter wederzijen Een drom van schutteren tot wachters. Slechts een deel Gaârt ooft en lafenis langs 't groenend veldtooneel, En wisselt telkens af, om op zijn beurt te rusten.

Maar welk een sappig ooft kan Segols hart gelusten, Zijn smaaktuig streelen? Ach! gespleten van de dorst, Verhardt gehemelt', tong, by 't gloeien van de borst. Doch 't is geen boomvrucht, 't zijn geen ruime waterteugen Die 't koelen, die den brand zijns boezems dempen meugen. Dat vuur zit dieper. 't Wee om Zilfaas deerlijk lot Doorvlamt zijn aderen en ronkelt door zijn strot. Hem walgt van rust en spijs. Hy stapt met wijde schreden 't Verpoozend leger langs. Zijn straffe vuisten kneden De lucht; zijn adem bruischt; zijn boezem rijst omhoog; En 't schijnt een stroom van vuur die uitbarst uit zijn oog. "ô (Roept hy hijgende uit) Gy, eenig hoogst Vermogen! Gy, zoo Gy beden hoort, ô sla uw heilige oogen Op Segol--op dit stof dat Segols ziel omkleedt! Geef kalmte aan 't lijdend hart, dat wegsmelt in zijn leed!

Ach! 'k wilde 's aardrijks kroon, 'k hergeef haar, God der Goden. U zij ze, en U-alleen, geen' stervling aangeboden! Geen middelbaar gezag op lucht of firmament! Maar toon u, sterke God, word Segols hart bekend!"

Hy zwijgt. Een zachte koelte omstroomt zijn moede leden. Een nevelachtig licht omwemelt hem in 't treden, Als of een wolk van damp zijn stappen onderving. Zijn statig voorhoofd bloost, omschenen met een kring Van stralen, die hun glans om 't rijzig lichaam spreiden, Dat, vonklende als een vuur, zich thands schijnt uit te breiden, En 't purper bleeken doet, dat om zijn schouders drijft, En slingrende in de lucht een golvend welf beschrijft. Zijn voeten raken thands geen grond, maar opgeheven Van de aarde, schijnt hy als een hemelgeest te zweven. Zijn leger siddert, valt op 't aanzicht, en verwacht Stilzwijgend d' uitslag van een aanblik, zoo vol pracht.

Gy, Dichtkunst, reine Geest des Hemels, my by 't leven Tot zalfster aller weên, geleide, en schuts, gegeven; Gy, hangende aan de borst op moederlijken schoot, My zoeter dan de melk die uit heure aders vloot; En, trouwe gezellin door ballingschap en plagen; Mijn wellust tot aan 't eind der my bestemde dagen! Meld, meld my, geef my in, verkondschap door mijn mond, Het wonder dat ik zing, zoo Gy 't verklaren kondt. Maar ja, Gy kunt het, die in hooger kring geboren, Niet naspoort, maar doorziet; geen onbetrouwbare ooren, Maar 't eigen zelfgevoel tot waarborg hebt: Ai spreek, En spiegel in mijn zang (gelijk een heldre beek De drift der wolken in de rimpling van het water Met golven naspeelt) wat ons ijdel klankgeklater Der denkkracht voorstelt: Dek het kleed der heemlen op; En kleure uw zon heur licht in onzen regendrop!

[1810.]

[In de 3e. Uitgave van het Dichtstuk, onder den titel van BILDERDIJKS EPOS, leest men nog de volgende regels, gevonden op een strook papier, met des Dichters hand beschreven en geplaatst in een HS, waarin de zestien laatste regels tusschen teksthaakjes staan:

Nu hief een wervelwind hem hooger dan de wolken. Hy zag de drijvende aard en waterblaauwe kolken Zich wentlen in de verte, en 't scheemrend licht der maan Bescheen hem van omlaag. Een siddring greep hem aan Wen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde, Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde, En Segol, Segol, riep!...

[Noot van den Uitgever.

AANTEEKENINGEN OP ENKELE PLAATSEN VAN BILDERDIJKS EPOS.

Ie Zang, vs. 27, volgg, bl. 2, rl 9 v. b.

--En 't Heil der diamanten zalen Den stervling overbrengt in amethysten schalen.

Da Costa aarzelt, hier iets "gedrongens" te vinden. Ik zou nog verder durven gaan en beweren, dat die geheele aanroep aan de dichtkunst, van vs 19 af, te weelderig is, en in dit opzicht ongunstig afsteekt bij den voorbeeldigen, echt epischen aanhef van het gedicht, vs 1--8.

Ie Zang, vs 36, bl. 2. rl 18 v. b.

----En Godlijk laat beklagen.

B. bedoelt voornamelijk de schoone plaatsen van het Parad. L. III, 150 en 232.

Ie Zang, vs 41, bl. 2, rl 15 v. o.

Waar de aadlaar van het zwerk de wieken druipt.

De aanwending van het w. w. druipt schijnt hier zeer ongemeen; als bedrijvend genomen, in de beteekenis van "nederwaarts laten zakken"; verwant met het Engelsch: to drop. Zoo, in den IIen Zang, vs. 110, "hing" voor "liet hangen".

Ie Zang, vs 55, bl. 3, rl 1 v. b.

Aartsvader Adam had, enz.

Het getal wordt hier bepaald der na Adam reeds uitgestorven geslachten, op het tijdstip waarvan de dichter de gebeurtenissen, vóór de in zijn Epos bezongen handeling verloopen, begint te verhalen. "Twee paar" (vier) "rijen neven" (geslachten) waren Adam reeds in 't graf gevolgd. De omstandigheden uit het verleden dat de dichter hier ophaalt vielen dus voor onder den vijfden Aartsvader, Jered, die, volgens de tijdrekenkundigen, (zie Simsoni Chron.) in het jaar 1422 der wereld, overleed, en onder wiens leeftijd het apocryfe boek van Henoch het ontstaan der Reuzen plaatst: zoodat onze dichter, zonder de afwijkende tijdrekening van dien schrijver te volgen, en zich aan die van den hebreeuwschen tekst houdend, het verschijnen der Reuzen op aarde als reeds vier eeuwen geleden in dit verhaal heeft kunnen voorstellen (vs 239); verg. de aant. op den IVen Zang vs 395.

Ie Zang, vs 104, bl. 4, rl 10 v. b.

--Een walm van balsemige luchten Doorwaaiden uit dien hoek.--

De grammatische onregelmatigheid, die wel elders voorkomt, waar het enk. z. n. eene menigte voorstelt, (verg. Z. IV, vs 531) komt mij hier hard voor. Ik twijfel of B. niet geschreven had of bedoelde te schrijven: "Doorwaaide uit dezen hoek"; dat mij ook deftiger en levendiger (als de onmiddellijke aanwijzing van hetgeen den dichter voor oogen staat) voorkomt, dan: "uit dien hoek." Wat mij echter doet aarzelen deze lezing aan te bevelen, is de plaats in den IVen Zang, vs 632, waar het woord "waterdamp" insgelijks met het w. w. "dalen" (3e pers. meerv.) wordt in verband gebracht.

Ie Zang, vs 111, bl. 4, rl 17 v. b.

De stam van Kaïn hief, in weinige geslachten, enz.

"Hief", dat is, had zich, binnen weinige geslachten, boven den stam van Seth verheven; en vandaar volgt de beschrijving van den toestand zooals die was op het tijdstip waarvan de dichter begint: (vs 55) eerst met een terugblik op hetgeen was voorafgegaan, tot op vs. 215, waar het woord "toen" dit tijdstip nader aanduidt. Vandaar af volgen elkander onafgebroken de onderscheiden vijf historische tijdvakken op, die in ons hierachter volgend betoog, over het ontwerp des gedichts, zijn aangewezen.

Ie Zang, vs 157, bl. 5. rl 12 v. o.

--Had aan 't wraakgeschrei der aard De vloek zijn vaders zich, bij 't misdrijf, niet gepaard.

B. heeft te recht, als uit de variante blijkt, verbeterd: "des vaders". "Zijns" zou op den "bloedvlek" slaan, waarvan de vermelding onmiddellijk voorafgaat.

Ie Zang, vs 164, bl. 5, rl 5 v. o.

--In honderden van vesten.

Men denke hier niet aan steden; dat buitensporig zou zijn; maar aan versterkte plaatsen: castella, castra. Zooals Segol er een beschrijft, IIIe Zang, vs 555, volgg.

Ie Zang, vs 191, bl. 6, rl 20 v. o.

Dan gaat ze in stroomen bloeds, in bloed en brein, te wed.

Ik twijfel of B. niet geschreven heeft: "in bloedig brein".

Ie Zang, vs 217, bl. 7, rl 8 v. b.

--Ook de almacht hield altaar Noch offer meer.--

"Hield" staat hier voor "behield", naar een taaleige onzer dichters, waardoor het meer gebruikelijk préfix van het w.w. wordt weggelaten; als "minnen" voor "beminnen", en als b. v. vs 111, "hief" voor "verhief"; en in den IIen Zang, vs 111 "bleekte" voor "verbleekte", in den IIIen Zang, vs 425, "schikke" voor "beschikke."

Ie Zang, vs 247, volgg. blz. 8, rl 1 v. b.

Dit schrikbaar reuzenvolk--

Had lang aan 't eenzaam noord aan 't steigren van 't gebergt, De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen.

Het, is moeielijk te zeggen, wat de dichter, met het woord "standmuur" gemeend heeft. Da Costa legt het uit: "steil opgaande hoogte"; zooals hij zich in zijn briefwisseling met mr. Groen van Prinsterer, bl. 89, uitdrukt: "staande muur--natuurlijke muur, die een rots formeert tegen of boven den afgrond". Ik twijfel of deze beteekenis in het woord kan liggen, en of de meening des dichters dus genoegzaam ware uitgedrukt. Geene uitlegging die voldoet schijnt hier mogelijk. Ik meen dat B. geschreven had of bedoelde te schrijven: "strandmuur": d. i. "de rotsketen die als een steile muur het strand afsluit"; waarop dan zeer goed het volgend vers slaat: "En onder zich den storm in d' afgrond hooren grommen". Bilderdijk heeft zoodanige omgeving "'t klippig strandgebergt" genoemd, in de Kathloda, bl. 185 kr., en een weinig verder, in dit zelfde gedicht, die zelfde natuurlijke omwalling van het eiland, waarvan sprake is, aangeduid met de woorden: "Ithormaas strandring." (bl. 188; kr.)

Ie Zang, vs 280, bl. 8, rl 6 v. o.

De grond herbouwde zich.

Ik geef 't in bedenken, of de dichter, in plaats van het nederduitsch: "Men herbouwde den grond", niet een gallicisme gebruikt heeft. Het fransch zegt: "ces fruits se mangent en hiver".--"Les lois se font pour être obéïes". Het Nederduitsch gebruikt hier men of worden, wanneer er sprake is van eene werking die niet van het onderwerp zelf uitgaat, als b. v. wanneer men zeide "de grond bekleedt zich weêr met groen".

Ie Zang, vs 291, bl. 9, rl 6 v. b.

En Hemath stond omringd, van 't heuvlig land der beken, Tot daar m' in 't neevlig west de dagtoorts zag verbleeken.

Met "omringd" drukt de dichter uit wat men, meer gewoon, zou noemen "omcingeld," met het denkbeeld van onveiligheid.

Het schijnt niet overbodig, bij het aanhalen van deze plaats te doen opmerken, hoe B., zelfs in epische taal, geen bezwaar maakt de elisie te gebruiken bij het woord men; daar tegenwoordig sommige critici dit als een niet toe te laten vrijheid beschouwen. Deze uitspraak heeft geen grond en is door geen onzer voornaamste dichters in acht genomen. Reeds Vondel schreef, in Palamedes: (vs 520 v.L.)

--ook heeft m' er in betrokken Het kerkelijk geschil.

en (vs 758 v.L.)

--was met een brief belaên Die m' uit zijn boezem trok.--

en in Hippolytus, vs 637,

daer m' in verdwaelt.

Zoo Oudaan, aangehaald in het Woordenboek der N.T., op het woord "aftintelen" en op het woord "onderdelven", Zoo Feitama, Telem. IVe Boek, bl. 83 l. r.

--en nooit vermag m' er een Dan jeugdig, hagelwit, en vlekloos aan te voeren

en wederom in het Ve Boek, bl. 99, rl 9 v. o.

Zoo Bilderdijk, Fingal IIe Zang:

Nog strijdt m' een korten wijl.

en in den IVen Zang:

Nu zag m', een wolk gelijk,--

in de Geuzen, XIXe Zang, 1e strofe:

En naauwlijks heeft m' aan wederzij--

en wederom in den XXen Zang, 15e str. en XXIVe Z. 13e str. in de Ziekte der Geleerden, Ie Zang bl. 5 rl 8 v.o.

Men--stoot de kiel in flarden Op de eene of andere plaat die m' overglijden mocht.

ald. bl. 13, rl 8 v.o. en op menige plaats in het Buitenleven, te veel om aan te halen. Men kan hier nog plaatsen bijvoegen van v. Lennep, aangeh. in het Woordenboek der N. T. op het woord "onderhoud" en van Bogaers, aldaar, op het woord "afwenden".

Ie Zang, vs 324, bl. 10, rl 4 v.b.

--Terwijl zy uitkomst baden Aan Goden, doof voor hun.

De goden, die de Kaïnieten aanroepen, worden niet gezegd "doof" voor hen te zijn als ijdele spooksels en niet bestaande wezens, zooals elders wel eens in zoodanig redeverband gemeend wordt; maar in de bedoeling des dichters zijn de uit het Paradijs verdreven geesten, die de hemellichten en de lucht tot verblijfplaats gekozen hebben en zich door de menschen als goden laten aanbidden, "doof" d.i. ongenegen de beden der Kaïnieten te verhooren, omdat deze strijd voeren tegen de afkomst dier geesten, tegen de Reuzen. Verg. den IIen Zang, vs 511, volgg.

Ie Zang, vs 333, bl. 10, rl 13 v.b.

En, zucht voor 't vaderland, voor huwlijkskoets en kroost, Maakt al wat wapen droeg den wissen dood getroost.

Deze plaats is opmerkelijk, om de door D. C. medegedeelde variante, of liever verbetering des dichters. Hij had, den regel volgende, in deze opvolging van substantiven, daar de twee laatste zonder artikel waren, ook het eerste dus gelaten. Later gevoelde hij, dat het eerste, als een bepaald voorwerp (het vaderland der Kaïnieten) het lidwoord behoefde; terwijl de twee laatste, als eene in 't afgetrokken beschouwde algemeenheid voorstellende, zonder lidwoord moesten blijven.

Ie Zang, vs 375, bl. 11, rl 14 v.b.

Wier koude stralen de aard het gift der Akonieten, Bezwangerd van de dood, in nachtschade uit doen schieten.

Volgens de aanteekening van D. C. zou B. hier gedacht hebben aan de "solanum" (nigrum), die bij ons "nachtschade" genoemd wordt. Maar dan zou de dichter geschreven hebben: "en nachtschade"; of liever, hij had moeten schrijven: "en der nachtschade". Doch het kan zijn dat, door de vermelding der "akonieten", hem de naam der plant voor den geest is geroepen, en hij daardoor op het woord gebracht is dat hij bezigt. Het staat hier niet als geslachtsnaam, maar in de beteekenis van "schaduw"; als zeide hij: "in de schaduw der nachten."

Ie Zang, vs 394, volgg. bl. 11, rl 5 v.o.

Gelijk ge, o morgenstar, op 't effen hemelspoor, Den blonden dageraad, of 't heir der vaste starren Ter heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren.

Min juist wordt, naar mij voorkomt, de Morgenstar gezegd de "vaste starren" voor te treden op het hemelspoor, daar deze starren juist met het klimmen van de Morgenstar van den hemel verdwijnen. Ook als Avondstar kan zij niet beschouwd worden als aan 't hoofd der vaste starren voorttredend; daar zij dan in 't Westen staat en de andere starren het eerst in 't Oosten zichtbaar worden.

Ie Zang, vs 462, bl. 13, rl 9 v.o.

Zy heft de handen naar 't vergraauwend blaauw gewelf. Waar reeds de morgenkim 't gestarnt schijnt op te jagen.

Da Costa heeft in deze verzen eene aanduiding van den morgen meenen te vinden, en zich daardoor voor 't vervolg in moeielijkheden gewikkeld. Het is de avond die beschreven wordt; zooals ook blijkt uit de variante. De dichter had eerst geschreven: "'t verbleekend blaauw gewelf". Dit zou den morgen hebben te kennen gegeven: daar met het rijzen van den dag het donker-blauw van den hemelboog schijnt te verschieten: hij verbeterde toen, zeer juist voor zijne bedoeling: "'t vergraauwend". Immers de hemel neemt deze tint aan met het vallen van den avond, en wel het eerst aan de "morgenkim"; d. i. in 't Oosten; vanwaar het gestarnte als zoovele opschietende vonken te voorschijn komt. Op dezen avond door den dichter beschreven volgt (Z. II, vs 1, volgg.) de nacht; en van deze lichtverwisselingen aan den hemel wordt verder gezegd, (vs 11, volgg.) dat Elpine zoo gevoelloos door overmaat van smart geworden was, dat zij deze veranderingen zelfs niet bespeurd had.

Ie Zang, vs 467, bl. 13, rl 4 v. o.

Dan verft een nieuwe storm van woede haar de kaken, Vliegt op, en wil een, eind aan 't foltrend leven maken.

Ik kan hier een in den tekst te maken verbetering aanwijzen die authentiek mag genoemd worden. In een exemplaar van de eerste uitgave van dezen Epos, op den kataloog der boekverzameling van onzen dichter onder no. 1015 aangeteekend, thands in mijn bezit, had hij eenige drukfeilen op de eerste bladzijde aangewezen, en onder deze dit 468e vers dus verbeterd, dat men leze: "Vliegt ze op;" zooals volstrekt noodzakelijk is; ofschoon deze fout van de eerste uitgave in al de volgende is overgenomen.

IIe Zang, vs 135, bl. 19, rl 9 v. b.

En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroom Des ethers, heemlen door, enz.

Zeer juist verbeterde B., in het door mij vermelde exemplaar: "in den stroom", dat de kracht der zelfbeweging beter doet voelen.

IIe Zang, vs 148, bl. 19, rl 17 v. o.

Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam! Hoor eerst de strenge wet des hemels.

Zeer opmerkelijk voor den beoefenaar der tekstkritiek is hier deze verbetering door D. C. aangebracht, daar men in de eerste uitgaven en in die haar volgden hier las: "Hoor eens": eene uitdrukking van kinderlijke naïveteit, die in den epischen stijl, en hier op deze plaats, wel allerminst te pas kwam. En echter was deze fout den dichter bij het in gereedheid brengen van zijn werk voor de pers, en bij het overlezen, zooals mij uit het gemelde exemplaar gebleken is, ontsnapt: want er kan hier geen twijfel zijn, of D. C. herstelde zijne bedoeling.

IIe Zang, vs 165, bl. 20, rl 1 v. b.

't Gejammer bij de dood diens Abels, dien Gods liefde Ter dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde.

De herhaling van het woord "dood" stuit hier niet; omdat er iets treffends ligt in het ophalen van de oorzaak dier vroegtijdige dood, gelegen in de liefde die God hem betoonde, en die den nijd zijns broeders wekte. Eer zou ik iets min gepast vinden in het vermelden van het "staal" dat Abel zou gegriefd hebben, dat mij hier te modern voorkomt.

IIe Zang, vs 190, bl. 20, rl 11 v. o.

(Ons) was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden.

Uit de variante maak ik op, dat de dichter er over gedacht heeft "allengs meer" te schrijven, misschien daarvan teruggehouden om het in het volgend vers voorkomend "steeds meer".

IIe Zang, vs 208, bl. 21, rl 8 v. b.