De ondergang der Eerste Wareld
Part 8
Aanbiddend buigen wy, en kussen alle slagen Der hand, wier roede ons treft; want Gy geeft ze ons te dragen. Ja, tref ons, Vader! tref, doorgrief 't verdorven hart! Doorlouter 't uit genade, en reinig 't door de smart! Maar neem, Algoede, ô neem onze onderworpen beden, Neem deze onze offers aan! ach, enkle nietigheden, Maar die Gy heiligt door den boezem waar Ge in straalt! Wy, wormen uit het slijk, beneden 't slijk gedaald, Wij weten 't: eens zal de aard met de aardsche lust verdwijnen, De heemlen opgaan als gescheurde tentgordijnen, En Uwe ontzachtbre wraak zal dondren door 't Heelal, Wen Uw geheiligd Recht de vierschaar spannen zal. Dan sterft de boosheid, de verworpene in uw toorne! Dan werpt Ge in eeuwig vuur den distel met de doorne, En sticht het Godlijk Rijk, vol waarheid, deugd en plicht! ô Heilige! beveel; en daag dat heuchlijk licht!"--
De Koning blijft een wijl als van een droom bevangen. "Neen, Régol (roept hy)! neen, dit zijn geene Aardsche zangen! Die Godheid, die gy meldt, gaf ze in. Die Godheid leeft! Die is het dat ik eer; die, voel ik, dat me omzweeft! Ik wil die vromen zien, uit Enos voortgesproten: Ontbied hen. 'k Heb voorlang die valsche Goôn verstoten Die gruwlen dulden, ja bevelen. 'k Bid geen Maan, Geen Starren. 'k roep geen Zon tot mijn bescherming aan: Mijn arm was my genoeg. Maar in deze oogenblikken Gevoel ik me aangetast door onverwinbre schrikken. Neen, de arm eens stervlings is te nietig: en ons lot Drijft zeker op den wenk van één beschermend God, Die wreken, straffen zal, en weldaân voor, te jammeren Des levens spreiden wil. Hem koomt het bloed der lammeren, Hem 't smokend rundervet op 't heilig outer toe! Hy zij des aardrijks God, wanneer ik 't bukken doe!"--
In yver rijst hy op. "Ja (zegt hy), ijdle spoken, Vergaan zy, die voortaan op uw altaren rooken!"--
"Mijn Vorst (zegt Régol)! 'k Heb Argostans val gezien.
Gy met my. Welk een macht deze aarde moog gebiên, Geen stervling is in staat met hooger kracht te strijden. De Goden in de lucht verdelgen en bevrijden. Vier eeuwen voert mijn arm de legerknots met roem Vergun my, dat ik u de waarheid niet verbloem'! 'k Zag duizendmaal de kracht bezwijken: duizendmalen Den moed bedrogen, en de zwakheid zegepralen! Ja, 's menschen arm is stof. Hy trotsch' de Geesten niet, Wier ongeziene hand de kans des strijds gebiedt!"
Dus sprak hy, week ter zijde, en Segol bleef verzonken In mijmring.--'t Vuur verging in gloeiende asch en vonken. Zijn hoofd boog neder op zijn boezem, en de rust Besloop zijn leden met een zachte sluimerlust. Nu stond hem 't achtbaar beeld van Hanoch weêr voor oogen, Maar, 't lichaam niet verzwakt noch op den staf gebogen. En helder licht straalde uit zijn boezem op hem af, Alsof de omwolkte maan haar zilvren schijnsel gaf; En de uitgebreide palm der opgeheven armen Scheen zeegnende uitgestrekt met vaderlijk erbarmen. De Vorst knielt neder, vol van eerbied en ontzag; Maar 't ratelt om hem heen van bliksemslag op slag; Zijns vaders oog ontroert. Hy ziet zijn handen vallen, Zijn aanzicht afgekeerd; en, nieuwe donders knallen, Wanneer een nachtzwerm van gevogelt' door de lucht Zich opheft en die glans omnevelt met zijn vlucht. Thands hoort hy 't scherp gesis van schuifelende slangen, Die slingrende om zijn lijf, zich aan zijn leden hangen, Zijn horst benaauwen, en met ijsselijken beet Hem 't hart verknagen dat steeds aangroeit onder 't leed.-- Hy siddert, hy ontwaakt, met doodzweet overdropen.-- Maar de akelige nacht is midd'lerwijl verloopen. Hy ziet den schemer van den morgen; wekt het heir; Breekt op; en daalt, door 't woud, naar Hemaths laagte neêr.
Men spoedt.--De dagvorst steekt het voorhoofd uit de kimmen. Men zag den Gihon thands van zilversprenkels glimmen; Het Leger' won den stroom; doorwaadde 't; en terstond Vertoont zich 't groen tapeet van Hemaths vruchtbren grond.
Nu ging de blijmaar op van 't zegevierend Leger In Hemath weêrgekeerd. Geen stem, geen adem zweeg er: 't Juicht alles. Alles streeft den Koning in 't gemoet, En strooit hem rozen, strooit narcissen voor zijn voet. "Wees welkom (roept men), Vorst, in 's Hemels gunst gegeven! Verwinnaar! Heldenhoofd, voor wien de Reuzen beven! Verheug uw volken met uw aanblik weêr, en straal Ons gunstig toe. Keer weêr, in Godenzegepraal!" Men biedt hem versche room, geschept in zilvren nappen; Verkwikkend boomgaardooft met balsemige sappen; Met geurige citroen, in schalen uitgeperst, En wat het brandend hart des dorstenden ververscht.
Hy neemt een gullen dronk; aanvaardt die dankbre gaven Met minn'lijkheden, die der volken hart verslaven; En spreekt: "Mijn volk, ô ja, ik keer, ik zegevier: Maar ach, die zege staat het hart uws Konings dier. Ook wy, wy stortten bloed. Een deel van onze Helden Bedekken met hun lijk de vijandlijke velden. Wat vreugde geeft den arm die 't oorlogswapen zwaait, Een tas van dooden, in verwoedheid afgemaaid, Voor broedren bloed gekocht! Dat bloed zij felgewroken, Dit hart blijft onvoldaan, blijft van verwoedheid koken, En vliedt den dag te moet (waar toeft; waar blijft hy, ach!) Die d' allerlaatsten Reus mijn woede leevren mag. Gaat echter, viert dees dag met jubel, met gezangen! 'k Bestemme 't. Laat de doôn uw dank, hun recht, ontfangen! De huppelende tred der maagden streele 't hart! Voor my, mijn boezem voelt niet anders dan zijn smart. Doch hoort me, en offert thands geen mindren Hemelmachten! Geen stargevonkel, doof voor menschelijke klachten; Maar 't Wezen dat omhoog op al wat is gebiedt: Hem eere onze outerdienst! De Luchtgoôn achte ik niet!"
Men gaat. Het leger wordt ontbonden; 't Veldheerteeken Voor Segols tent geplant.--Hy, voelt zijne oogen leken, Herdenkt het nachtgezicht, nog warend voor zijn geest, En walgt van 't vreugdgejuich en dartlend zegefeest, In 't diepste van zijn tent, van alles afgesloten,
Ontbiedt hy voor zijn sponde een trits van Hemaths Grooten: "Gy, die in 't olmenbosch het bloedig schouwspel zaagt Der slachting, die ons hart met dieper smart beklaagt Dan 't immer vreugde smaakt om zege of welkomzangen! Gy weet het, welk een schok mijn boezem moest ontfangen. Gy zaagt mijn siddren toen voor dit ons Vaderland, En de onrust woelt my nog door 't kloppende ingewand. Ik zie dit Hemath weêr; niets anders vliegt my tegen, Dan blijdschaps welkomkreet, ten hemel opgestegen; Maar Beth-ur trekt my 't hart. Daar ga, daar vliege ik heen. Mijn afzijn blijv' bedekt! Gy zult mijn plaats bekleên!"--
Hy zweeg.--Men hoort op eens de tentgordijn verschoven, En Iram toont zich daar, met stof en asch bestoven. Zijn hol gezicht verraadt verschrikking, en 't gelaat Staat bleek. 't Geronnen bloed kleeft rondsom op 't gewaad; Zijn kniën schokken aan elkandren van het beven; En naauwlijks weet zijn borst een heesch geluid te geven. Hy valt op 't aanzicht: "Vorst (dus zegt hy), spoed ter hulp'!-- Het vuur der Reuzen weidt door hut en herderstulp.-- Een drieste menigte vervult de Zuiderstreken. Wy streden,--bogen voor hun overmacht,--en weken.-- De zeekust staat in bloed;--en Bethurs burcht vloog leêg.-- En--Zilfa...."
"Hemel, ach! (riep Segol, daar hy zweeg) Voleind!"
"Zy is gered," hernam hy; en met eenen Vertrekt hy 't hoofd, zijgt neêr, en de adem is verdwenen.-- De Koning ziet het, ziet den doodstuip om den mond; En werpt zich by het lijk wanhopig op den grond. "Getrouwe!" stamelt hy; meer kon zijn hart niet uiten, En 't scheen hem in de keel den gorgel toe te sluiten.-- In 't eind, hy rijst--"Die weene en vier den weedom bot, Wien eedler plicht niet roept, niet opheft boven 't lot! (Dus roept hy, met dien gloed, die vonkling op de kaken, Waarvan in holle nacht doorgloeide kolen blaken En tintlen.) "'k Trek vooruit, en volg' my wien de borst "Voor Eer, voor Vaderland, voor Vrijheid gloeit en Vorst!" Zijn Grooten volgen hem, en met hun, vijftig strijderen.
Reeds zien zy uit hun oog de legerplaats verwijderen. Reeds werd van 't brandend Zuid, in d' Oceaan gekoeld, Het zoele luchtjen als met golfjens aangespoeld, En 't ruisschen van den Frath, die met gezwinde stroomen Zijn weg naar zee verkort, van naderby vernomen; Wanneer een menigte van uit het deinzend West Zich opdoet, als een wolk, uit nevels saamgeprest, Die wandelt voor den wind.--"Mijn Heirmacht (roept de Koning)! Indien het vijand zij, ik vorder plichtbetooning. Wy sterven, strijdenden en wrekers onzer dood. Maar wacht van dezen kant geen reuzenmacht, zoo groot! Wat zoude een ijdle vrees uw moedig hart vertsagen? 't is hulp, die op mijn last het leger op koomt dagen. Men toev' hen !"--'t Was zoo. 't Was de nieuwgeworven macht Van 't Westen, die, gedoscht in 't wapen van de jacht, Hun arm kwam aanbiên, met den roof der woestenyen Omhangen, om den Vorst der wareld toe te wijen. Dit brachten boden uit hun midden; en de moed Verhief zich met de vreugde in Segols heldenstoet. Hy-zelf, hy treedt ter zij, beladen met zijn kommer, En zoekt een groene olijf, die vruchten biedt en lommer; En 't luttel manschap van zijn heirkracht houdt hier stand, En hukt, naar 't Noord gekeerd, in 't reeds ontgloeiend zand.
Niet werkloos bleef de Hel. Zy had van uit het Noorden Het Reuzenrot gevoerd naar Hemaths zuiderboorden, Door 't Oosten omgeleid. Hier stichtte zy den stoel Des oorlogs thands in 't bloed; en sloeg den Jammerpoel Hier open. 't Bleek haar reeds, hoe woeste kracht der spieren Moest onderdoen voor kunst en schrander krijgsbestieren; En 't Reuzendom, hoe stout, hoe schrikbaar ook in 't eerst, Wierd (zoo 't dus voortging) haast van 't menschenkroost beheerscht. Zy wanhoopte aan 't geweld, ten zij, met eigen handen, De krijgsmacht des Verderfs de menschheid aan koom' randen; En mooglijk had zy reeds dit uiterste bestaan, Had niet eene andre drift die drift te niet gedaan. Zy voelt d' onzichtbren boei zich om de lenden prangen Der keten, die haar bindt, van de Almacht af doet hangen, En, als ze ontzachlijkst holt, te rug houdt en bedwingt Zoo dra zy te onbedacht haar perken overspringt. Zy vreest, zoo ze onvermomd zich vlijt tot menschenslachten. Een weêrstand, die haar fnuikt, van 's Hemels hooger machten: En Zardach streeft op nieuw, met nieuwe last, naar de aard.
De Zuiderluchtkreits hangt met waterdamp bezwaard, Die, opgeheveld door den gloed der zonnestralen, Zich zaamlen in een wolk, en weêr in nevels dalen, Wanneer de bron van licht en warmte naar het West Zich aflaat, en haar vlam in 't sissend water lescht. Uit dezen vult de wind zijn opgezette kaken Wanneer hy 't land verfrischt van 't heete middagblaken: Uit dezen spreidt zijn aâm verkwikking langs de kust, En strookt dien 't voorhoofd laauw, die in zijn labbring rust.-- Hier toog de Helgeest heen, in 't neevlig zwerk gedrongen, En stort daar 't vuur der pest in d 'adem van zijn longen, Van d' afgrond zwanger, en vermengt het met den gloed Des middags.--'t Windtjen waait, en 't spreidt de dood in 't bloed.
Een deel des Legers was, met de afgematte leden, Nog door geen rust verkwikt, in zachten slaap gegleden: Een deel lag werkeloos, en dronk met blijden zin Het weemlend koeltjen als een zoeten nektar in. Straks voelt men 't fijn vergift zich om het hart vergaderen, En 't stort, voor vluchtig bloed, een vloeibaar lood door de aderen: Gewricht en spier verstijft; en de adem prangt de borst; Ja, 't hoofd wordt van de hals met wederwil getorscht. De leden zoeken steun en weigren zich 't bewegen. De geest-zelf ligt, verkracht, als machtloos neêrgezegen: En vindt, op 't onverhoedst in 't werktuig aangetast, Het leven pijngevoel, en heel het lichaam, last.
VIJFDE ZANG.
De krijgshoop nadert vast. Twee Grooten treên hun tegen En leiden ze op. De steilte eens heuvels opgestegen, Wacht Segol hen met die ontzachtbre houding af, Die achtbre lijfsgestalt' by 't hart eens Konings gaf. Men buigt zich, legt den schat van 't Westen aan zijn voeten, Roept: "Leven, zege, en heil den Koning dien wy groeten! Den grooten Aartsmonarch, die voor zijn volken strijdt! Aan hem behoort onze arm! ons bloed is hem gewijd!"
De Koning wenkt hun toe.--"Treedt nader, wakkre troepen, Gehoorzaam waar u de eer, de plicht, de glorie roepen! Ja, dierbaar is me uw hulde, en dierbaar dees uw moed, Waarmeê ge in 't hoogst des noods 't Heelal ter hulpe spoedt. Van u wacht de aard haar steun: haar redding uit de banden, Haar vrijheid hangt aan u. De macht der morgenlanden Bezwijkt, ten zij uw arm haar schrage, en op haar boôm 't Geweld der Bloeddorst stuite eer ze alles overstroom'. Welaan, beproeft met my, wat moed en eer vermogen? Wat, armen, die geen juk, geen laffen boei, gedoogen? Die pijl, die 't eenzaam West van monsters zuivren mocht, Vindt hier nog eedler doel in woedender gedrocht. Ploff', ploffe 't voor u neêr!"--Meer had hy nog gesproken, Maar 't bruisehend ongeduld, in 't wellend hart aan 't koken, Beneemt hem d' adem, en de bliksem van 't gezicht Voleindt de rede met een schittring van zijn licht.
Thands wordt de tocht vervolgd.--De pijlbus omgehangen Den peesboog in de vuist, en tripplend van verlangen, Trekt half een duizendtal van Jagers op aan 't hoofd, En Hemaths bende volgt, maar thands van kracht beroofd. Ach! 't werkend gift der lucht heeft hart en levensstroomen Door d' ademtocht verpest, de zenuw ingenomen; Ontspannen, steunt de spier het wagglend lijf niet meer, En stelt den wil te loor door 't lammen van zijn veêr. Het licht bezwaart het oog; het straks nog lieflijk bruizen Van 't West, het gonzend oor, waarin de golven zuizen. Het hoofd hangt moedloos op de schouder, en de borst Klapt angstig onder 't wicht van 't wapen dat men torscht. De boezem schudt en hijgt, en buik en oogen zwellen. Een vuurgloed schijnt het hoofd in laaie vlam te stellen Die tong en mond verdroogt, de dorre keel verschroeit; En--de aarde ontzinkt den voet of houdt hem vastgeboeid. De speer ontvalt de hand; het lichaam, zijn gewrichten; En spraakloos stort men neêr met bleekende aangezichten, Blijf roerloos, of verkrimpt in pijnen, nooit gevoeld; En 't is of dood en hel door iedere ader woelt.
Wat zal de Veldheer thands? Hy, die onzichtbre machten Zijn stout ontwerp weêrstaan, zijn poging ziet verkrachten! De schaamte, woede, en spijt vermeestert zijn gemoed. Knarstandend roept hy uit: "Neem, noodlot, neem mijn bloed! Maar neen, eerst wreken we ons! Ook midden in de flitsen Is nog, waar toorne en wraak zijn krachten samenhitsen, De tijger, schoon alleen, schoon doodelijk gewond, Zijn' vijand schrikbaar in zijn laatste levensstond. 'k Ben tijger, meer dan hy, in 't midden dezer tijgeren, Verwoesters van 't Heelal. Wat hoeve ik macht van krijgeren? Dees arm is my genoeg, dees heirbijl in mijn vuist, En 't vuur dat door mijn borst in stroomen zwavels bruischt! Mijn vrienden, 't waar vergeefsch, hier aan uw zij' te sterven; U wreken is mijn plicht, en dan, het licht te derven. Ja u, mijn gade, en kroon, en 't overstelpt Heelal Dat nooit in kluisters stort, dan met zijns konings' val! Vaart wel--en hoede een God--is alles saamgespannen Tot staving van 't geweld der vloekbaarste aartstyrannen, Daar leeft er één (mijn hart gevoelt het, dat hy leeft) Die in mijn boezem spreekt, mijn hart den adem geeft-- Ja, hoede een hooger God, die Goden kan doen beven, En u en 't zuchtend volk! ik ga voor allen sneven!"
Zoo spreekt hy, werpt een oog door 't flikkren van een traan Vertederd, op zijn bende, en blijft nu roerloos staan. Slechts enklen, door de kwaal min hevig aangegrepen, Staan, om hun Vorst geschaard, van stille smart benepen, En zweeren, zijn gelei' te volgen in den dood.
"Neen (zegt hy), 'k laat mijn volk niet over aan hun nood. Hun krankte eischt lafenis en bystand. Hen verlaten Waar Arbalieten waard, niet, Segols onderzaten! Neen, scheppe uw blik hun troost by 't aaklig stervensbed. En luike uw hand hun oog naar de ouderlijke wet! Of, zoo mijn zuchtend hart een zoeter hoop mag voedsteren.... Maar neen, voldoet Natuur, met lijdenden te koesteren! Dees plicht moet heilig zijn, ook boven 't Vaderland: Dit moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt stand. My roept en huwlijksband en koningsplicht te gader, Vaartwel!"--
Men volgt hem na,--"Uwer volken vader, (Dus roept men) blijf ons by; wy snellen voor u heen, Of duld dat onze moed zich met uw vuist vereen'! Wy kruipen, zoo 't moet zijn, als weerelooze wormen, Om met ons stervend rif uw borst een wal te vormen, En smooren, voor uw oog, met wellust, in dat bloed Dat u geheiligd is, zijn' Koning vlieten moet! Blijf, Koning, blijf!"--Die stem stijgt vruchtloos naar den hoogen. Te laat! reeds is hy 't oog en 't hol gegalm ontvlogen! De helft der weinigen, tot wapendienst in staat, Beeft echter dat hun arm den dappren vorst verraadt, En ijlt hem na op 't spoor. Het hart der min vermetenen Voelt zich door 't streng bevel aan 't krankenleger ketenen, En, siddrend voor het lot dat hun' Monarch verbeidt, Smelt als in tranen weg van angst en tederheid.
De Voortocht, middlerwijl, den Vorst vooruit getogen, Trok Zuidwaart; doch, welhaast door 't heuvlig zand bedrogen, Verdoolt ze en raakt verward in 't dichte Palmenbosch, Waar zich de Reus onthoudt, op Beth-urs plondring trotsch. Hier vindt zy zich, op eens, met overmacht van krachten Bestookt, eer ze iets vermoedt of vijand kan verwachten. 't Gezicht dier monsters, hoog van lichaam, woest van blik, Verwekt den jaagrentroep een nooit beproefden schrik. Hun schorre wapenkreet doorklinkt by 't overvallen Het woud, en treft hun 't hart als 't hevigst donderknallen. Zy siddren. Dus bezwijkt de wolfhond, stout van moed, Wanneer de rosse leeuw op 't daavrend jachtgetoet Hem opdaagt uit zijn hol met de opgesparde kaken. Ja, starend zien zy ze aan, als twijflend of zy waken, En grijpen naauwlijks naar hun wapens; eer geslacht Dan op verweering van hun eigen lijf bedacht. Men deinst; men woelt door een; men loopt de dood in de armen, En vruchtloos kromt de boog, nu machtloos tot beschermen. De mengling van 't gevecht maakt ijlings 't fel geschut Hoe vreeslijk in hun vuist, ten wederstand onnut. Zij vlieden. Velen, door de reuzenknots verslagen, Bedekken de aarde met hun lichaam. Meer op jagen Dan oorlog afgericht, beeft hier de zelfde hand Die op 't gediert' des velds geen boogpees vruchtloos spant, En weinig pijlen zelfs, die niet heur doelwit misten; Ja, 't schijnbre van den strijd is hooploos bloedverkwisten. Maar ook de vlucht kost bloed door 't onbekende woud, Daar de angst geen weg herkent, en pad noch voetspoor houdt. Een derde bleef, ontzield, of in der vossen holen De dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen; Het oovrig wint de vlakte, en, van den schrik bekneld, Vliegt ademloos in 't rond door 't onbegrensde veld.
Thands nadert Segol: ziet zijn voorhoede, en aan 't vluchten. Wat, Hemel, moet hy meer in zoo veel rampen duchten! Hy roept. Zijn forsche galm klinkt in de lucht weêrom, En maakt in 's vluchtlings hart de stem der doodangst stom. Men staat.--Hy nadert, spaart, in weêrwil van zijn smarten, De schaamte van 't verwijt aan hun getrotfen harten, Ontveinst zijn ongeduld, en smoort zijn felle spijt. "Spitsbroedren (zegt hij), hoe! gij trokt alleen ten strijd? Gij waandet uwen Vorst te dienen met uw wonden? Neen, met een ander doel waart gy vooruit gezonden. Men strijdt niet, waar hy-zelf de heirspits niet gebiedt:
Waar bloed vergeten moet, ontziet hy 't zijne niet! Getrouwen, 't was te veel; uw hart heeft u bedrogen. Leert onder zijn gelei' de kunst van 't orelogen. Die moed, die u bezielt, waarvan gy 't blijk doet zien, Zal, met hem, wondren doen, als hy u zal gebiên. Hier is hy: voegt u t' saam: herstelt u; schept vertrouwen! Maar wacht u, 't oorlogsperk voor louter jacht te houen. Gehoorzaamheid aan 't Hoofd is wat onwinbaar maakt; Maar breidellooze drift heeft ijlings uitgeblaakt."
Hy zwijgt, verdeelt hun bende, en voert zijn tochtgenooten (Ter wederzijde, van den schuttrendrom omsloten) Naar 't woud, waar uit hun vlucht hem 's vijands macht bewees. Nu druischen Reus aan Reus, bemoedigd door hun vrees Met dubble stoutheid, uit dien schuilhoek, meer tot moorden Dan vechten.--Segol spreekt, en de uitgespannen koorden Der bogen zenden thands, op 't teeken dat hy gaf, Met vaster hand dan eerst, de pijlen op hen af De monsters vallen, en verdunnen steeds in 't naderen, Gelyk by Najaarsstorm de drooggeworden bladeren Van ijp- of olmenhaag. Hun stoute ziel bezwijkt, En de overwinnaar, op zijn beurt verwonnen, wijkt.
De zege schijnt beslist.--Dit kan uw borst niet lijden, Argebar! Reuzentelg, die opgegroeid in 't strijden, Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd. Gy zwaait een olmentak in de opgestoken vuist, En stuit den Arbaliet, gereed den rug te bieden: "Lafhartigen, houdt stand! Hoe, gy voor Kaïn vlieden? Gy, door Natuur gevormd tot meesters van 't heelal! Ja, vliedt, maar door mijn bloed, als u mijn arm ontvall', Niet eer!--Wat ducht ge?--Een zwerm van hardgespitste rieten! Jaagt die den schrik in 't hart van moedige Arbalieten? Ontzinden! Is 't de pijl, of is 't de zwakke hand Die ze afzendt, die uw kracht ter nederploft in 't zand? Die, waar ge uw knotsen velt in onbedwingbare armen, Hun tengre leden voor uw aanval kan beschermen? Neen, de afstand is 't alleen, waarvoor gy duchten moet; Die stelt uw arm te loor, die kost u wonde en bloed. Dit is hun wapen, dit.--Te naadren, is verpletten.
Snelt, broeders! ons verderf is aarzlen en verletten! Slechts weinig stappen, en die pijlzwerm heeft gedaan. De zwakkre strijdt van verr'; de heldenkracht grijpt aan. Komt, volgt my."--'t Schuim der woede omspat zijn breede kaken En ruiggekroesden baard: zijn nijpende oogen blaken: Hy stampt, ziet driewerf om, en vliegt zijn bende voor; Zy volgt hem, en men streeft den afstand buldrend door.
De Koning, aan het hoofd der zijnen, ziet dit ijlen. Zy naken, en de wolk der afgeschoten pijlen Is reeds min moordend: Maar wat zal hy in dees nood, Met Jaagren zonder moed, van wapenweer ontbloot? 't Is hier dat leger niet, dat op gevelde sprieten Den reus verwachten kon, de bloem der Kaïnieten! Te kleen in aantal tot verdubbling van hun rij, Belemmert zelfs de speer in 't strijden van naby. Reeds ziet hy, in zijn geest, hun bende doorgebroken, Omcingeld, en verstrooid, en Arbals bloed gewroken. Hy peinst een oogenblik. Nu vat hy nieuwen moed, Hy breidt zijn slagorde uit, en deelt zijn schuttrenstoet In hoopen, ordent hun, om 's vijands loop te teugelen, Van af- tot afstand plaats, aan 's legers beide vleugelen, Met tusschenwijdten in een dubble reeks geschaard, Die 't middelpunt des heirs voor d' overval bewaart. Dus sluit zijn kleene macht door 't kunstige verbreeden Een ruimen veldgrond in, die, met een kreek doorsneden, Den vijand ophoudt en steeds blootstelt aan de schicht, Thands uit een halven kring op zijnen drom gericht. Die--vliegt doldriftig toe; maar, onder 't wondengaderen, Om 't spillen van zijn bloed steeds meer verhit in 't naderen, Raakt aan den boord der beek in kreupelhout verward, En gilt van woede en spijt en ongeduld en smart. Men overspringt, doorkruipt, doorwaadt, de hinderpalen, Of baant zich weg door 't nat, met boomen uit te halen En loof en tak en stam te ploffen in 't moeras, En kloutert langs die brug, of smoort zich in den plasch. Een aantal wendt ter zijde, en dreigt met woedend rennen Het laatste schuttrenrot in eens op 't lijf te schennen. Maar de eersten vinden zich van allen kant verrast, En tuimlen langs den grond, by hoopen saamgetast. Argebar nog streeft door, en, wie er om hem sneven, Hy wekt den moed in 't hart van al wie overbleven, En, met een vijftigtal waaraan hy 't voorbeeld gaf, Rukt op het middenvak van Segols heirfront af. De Koning geeft bevel. Zijn speerbende, aan het schudden, Dringt samen, biedt hun spits, gelijk de rundrenkudden Den veewolf stuiten op der hoornen punt. De spriet Doorboort Argebar-zelv', en heel zijn drommel vliedt, En ploft, den rug doorpriemd van pijlen, neêr in 't vluchten.