De ondergang der Eerste Wareld

Part 7

Chapter 7 4,005 words Public domain Markdown

Geen morgenzon had nog het hoofd weêr opgebeurd: De nevel van de nacht was naauwlijks nog gescheurd: Reeds zweeg het nachtgespuis: nog zwegen de orgelkelen Der bosschen. Nacht en dag scheen door elkaâr te spelen; Niet, als de roos der wang, met donzig lelieblank, Of 't git der oogen, met des levens flonkersprank Versmolten, maar als 't groen der gladgeschubde slangen In 't zilver zich verliest, met weemlend beurtvervangen: Als Segol, brandend van ontembren oorlogsgloed, Des uchtends traagheid door zijn voorspoên blozen doet. Hy schaart zijn benden; deelt haar wapens. Boog en pijlen, Geschouderd, en gepaard met knots en akkerbijlen, In riemen vastgehecht, en aan de heup gegord, Bewaapnen elk soldaat in ieder krijgskohort: Een zesmaal twintigtal, de bloem der Hanochieten, Vervult de stoute vuist met zware pijnboomsprieten, In Arbal-zelf gehakt, ontbloot van tak en schors, Onwrikbaar in hun arm, en als die armen, forsch. Dees zijn des Legers kracht, op wie zijn hoogst vertrouwen Zich vest. Zy treffen 't oog by 't staatlijk wapenschouwen, Als stieren, breed van hoofd, met kromme hoornenpracht En breedgewelfde borst, de roem van hun geslacht, In 't midden van een drift van rundren, in de weiden Zich door hun fiere schoft en houding onderscheiden, De wolf verwachten op een voorhoofd van metaal, En trots biên aan de knots als aan de vlijm van 't staal; Zoo pralen ze in de rij. De standaart van hun koning Maakt in hun middelpunt een schrikbre prachtvertooning, Door 't afgehouwen hoofd eens luipaarts, op een spits, En strekt heel 't leger op hun wapentocht ten gids. Hy splitst zijn oorlogshoop in drie verscheiden drommen, In rijen opgestuwd tot buigende kolommen. Een aandeel, met den bijl in d' elboog, streeft vooruit, Waaraan zich 's legers kracht op kleinen afstand sluit, Met Segol-zelv' aan 't hoofd, verzeld van legergrooten. Van achtren wordt de stoet door schuttren opgesloten, Wier pijlen ramm'len in hun kokers, of den moord Reeds aâmen, drillende op het half gespannen koord.

Dus trekt men Noordwaart aan langs Gihons kronkelstroomen; Doorwaadt ze, en naakt het woud van olm- en beukenboomen, Dat boven d' oorsprong van de kruipende Esch zijn kruin Verdicht, en 't veld bekleedt met schaduwachtig bruin En lommer, waar geen straal van zonlicht door kan breken. Hier gaârt men kondschap uit de bygelegen streken, En wint berichten, dat de vijand wijd uit één, In kleene hoopen zwerft, door boschjens afgesneên, Op aanval onbedacht, en min, op zelfverweeren: Hier, sluimrend uitgestrekt; daar, wolf en winterbeeren Vervolgend door 't gebergt'; of, zwelgensmoê van 't bloed Der lamm'ren, versch geslacht aan 't wed van Gezers vloed.

De Vorst beveelt een deel den Gezer om te trekken, En langs den heuvelgrond zich Noordwaart uit te strekken, Terwijl de legerkracht den Pizon oversteekt, En, van den lager grond, in Arbals landpaal breekt, Den Reuzen opdaagt, als een donder, uit het Zuiden Gebliksemslingerd eet de wolken samenkruiden: Daar de achterhoede haar aan d' uitgang van het woud De rug moet dekken en den hertocht veilig houdt.

Nu toont zich de Arbaliet, die, achtloos by zijn feesten, Het bloed en merg verslond van slacht- en offerbeesten, Uit Hemath weggevoerd. De wapenschreeuw gaat op; De schichten vliegen: daar, van elken heuveltop; Hier, midden uit den drom der naderende troepen, Die Hanoch, Segol, Wraak, en Bloed, en Doodslag roepen.

De reuzen ploffen straks door 't vliegende geweer By menigte, in de vlucht, of eer zy opstaan, neêr; Doormengen met hun bloed het bloed der runderdieren, En sterven, met den tand in 't vet der lamm'renspieren; Vertreên elkander in verwarring, schrik en vrees, Onwetend van wat kant dit baldrend onweêr rees. De slachting hoopt de vlucht. Reeds storten lijk by lijken, En stervende, op elkaâr, die in hun bloed bezwijken; Hier, door een felle schicht genageld aan den grond; Daar, maehtloos uitgestroomd in 't vloeien van hun wond; Met knie of heup verlamd, en kruipende op de handen, Of worstlend met de dood, gehaakt in de ingewanden; En brakende in den gulp die keel en gorgel stikt, De long en 't purpren bloed, tot éénen klomp verdikt. Een deel ontvlood alreeds, maar vliegt, in nieuwe pijlen De dood weêr in 't gemoet, terwijl zy haar ontijlen. Nu breidt het heir zich uit: en vaart op 't doodlijk veld Afgrijslijk rond, terwijl de bloedstroom telkens zwelt. Men trappelt met den voet, men kneust, en splijt, en plettert, Wat nog de leden krimpt of met de tanden knettert. En knots en polaxt zwaait meêdoogenloos, en treft, Wat uit dien poel van moord nog hoofd of arm verheft. Reeds vleit zich 't grimmig hart met lichtbehaalde zege. Het overvallen rot verstrooit zich allerwege, En wijkt te bergwaart heen, in 't brullen van "verraad", Terwijl 't verwinnend heir wat stand houdt, nederslaat.

Zoo deed Beäldar: hy, in d' opgang van zijn leven, De schoonste jongling uit den Reuzenstam; gesteven Door vijftien knapen, op zijn oorlogsroof vergast, En, met hem, wapenloos door 't pijlgegons verrast. Dees vat een boomtronk; die, wat de afgeknaagde schenkels Hem leevren tot geweer. Het bloed omspat hun enkels, En alles dreunt in 't rond van 't snorren van den boog, En nog geen vijand, die zich aanbiedt aan hun oog! In dolheid vliegen zy d' onzichtbren aanval tegen. Vijf hunner waren reeds doorboord en neêrgezegen, Eer 't opwaart rukkend heir van Segols oorlogsvolk Zich toonde, en uitbrak uit een stof- en nevelwolk. 't Verschijnt. Zy vliegen toe met de ijsselijkste slagen, Om, elk, met zich in 't graf een vijand meê te dragen, En alles davert. Een van Segols krijgshoop sneeft; En heel zijn legerspits bewondert hen en beeft. Hun wapen echter zwicht. Omringd van alle zijden, Zijn 't leeuwen, die met tand en bloote klaauwen strijden, En, in een breeden kring van jagers dicht omzet, Met vijftig knotsen in een oogenblik verplet.

Slechts enklen vallen nog, in 't vlieden rondgedreven, Den Kaïniet in d' arm; verdedigen hun leven, Of zoeken, stervend, wraak: Maar welk een wederstand, Van strijdren, reeds vooraf door doodschrik overmand!

't Gerucht stijgt middlerwijl, en weêrkaatst door de bergen, Dat Kaïn d' Arbaliet op eigen grond koomt tergen, In 't bloed zijn stappen zet, en moord, en schrik verspreidt; En 't Reuzenhart zwelt op met dubble grimmigheid. Een aantal jaagren vliegt, verzameld in de bosschen, En laat den ever daar, en hertebok, en losschen, Vereenigt zich, en trekt geregeld op en stout, Maar stort door 't booggeschut in d' uitgang van zijn woud. Een sterker krijgshoop schiet van d' Oostkant uit spelonken En holen op, gevoed met raauwe menschenschonken, En niet dan menschlijk in gedaante: tijgerfel, Verscheurende of verscheurd, en helscher dan de hel. Dees stuiven woedend aan, van stuivend stof omgeven. De Koning zag een wolk ten hemel opgeheven: Hy ziet haar naadren, en een uitgebreide rij Zich opdoen, brullende van schrikbre razerny. Hy schaart zijn bende op nieuw, beveelt haar toe te treden, En voert zijn speerhoop aan, verdubbeld in geleden, Die met gevelde spriet in welgesloten drom Den schok ontfangen moet van 't grimmig reuzendom. Vijf rijen voor elkaâr, van aangelegde speeren Verdedigen hun spits om d' aanval af te keeren, Waarachter 't boogvolk met den uitgerekten pees Den pijl reeds toelegt, voor hun vijand vrij van vrees. De Reus veracht dien hoop, zoo dicht in één gedrongen, En waant haar even snel verpletterd als besprongen; Vliegt toe. Een pijlzwerm snort; stijgt uit dien krijgsdrom op; Valt als een hagel neêr; bestelpt hun hals en kop; En treft in ribbe en borst: en twintig hunner bijten In 't zand, en spuwen 't bloed met d' adem onder 't krijten Van "wraak"; en 't woord van wraak wordt duizendwerf herhaald, Terwijl op 't oogenblik een tweede hagel daalt. Nog vijftien tuimlen by hun broeders. Nieuwe woede Bezielt die tijgers thands. Zy storten dol te moede Op 't leger, met een vaart, door niets te wederstaan, De knotsen in de lucht, gereed om toe te slaan. Zy vallen schaatrende in. De fiere Hemathieten Ontfangen ze op de punt van hun gevelde sprieten, Dat borst en borstbeen knorst, en knarst, en barst, en kraakt, En de opgereten buik zijn ingewanden braakt, Terwijl de slagen flaauw op 't taaie pijnhout breken. Zy zijgen spartlend neêr, en grijnz'len en verbleeken. Men werpt zich andermaal op de ondoordringbre spits, In nieuwen aanval en met dubbel volkgemis; Herhaalt het zevenwerf met steeds verdubbeld pogen, Terwijl de lijken vast tot stapels doôn verhoogen, 't Gedarmt' zich kronklend aan de legerspeeren hecht, Of, over de aard gesleurd, zich om de voeten vlecht Des strijders, die, verward, en in hun plooi benepen, Zich, struiklend, in den dood zijns makkers meê voelt sleepen. 't Gekerm verdooft het oor, en 't woedende misbaar Loeit dwarlend door 't gegil. Men worstelt door elkaâr, Vertrappelt, wat er viel, en glibbert in de plassen Van 't uitgestroomde bloed, die steeds onmerkbaar wassen. Men breidt zich uit en valt den krijgstroep in de zij'.-- Vergeefs! dezelfde punt verdedigt ieder rij; En, als een egel, die, met uitgestoken pennen, Den dashond bassen hoort en op zich af ziet rennen, Zich als een hairbol in zijn stakklen samentrekt, En 't lijf den tanden biedt, van alle kant gedekt, Hoedt Segols schrandre vond zijn bende voor 't bespringen. 't Is heirspits, wat men ziet, onvatbaar voor 't doordringen. Het rot der Reuzen grimt in 't rond, gelijk een leeuw Die, brullende uit den buik met hongers scherpen schreeuw, Den schaapsstal omvliegt en geen open weet te vinden. Zijn brandend oog en muil aâmt moorden en verslinden; Hy zweept zijn lenden met den geessel van zijn staart, En bonst op deur en muur, en tuimelt over de aard, En mat zich woedende af, met opgesparde tanden En nagelkrommen klaauw, op de onbeweegbre wanden. Zoo brult en briescht men om de speerbende; ijlt uit één; Vliegt nogmaals toe; en deinst in wanorde; en stuift heen By hoopen, smal gedund; en proeft op nieuw in 't wijken De schichten, die op nieuw een menigt' doen bezwijken. Vierhonderd laten zy op 't slagveld in hun vlucht; En Kaïns zegekreet klinkt daavrend door de lucht.

De Vorst beveelt het heir zijn vleugels uit te breiden, En treedt aan 't voorhoofd op. "Gy ziet dees woeste heiden (Dus zegt hy) met het bloed des vijands overstroomd, En d' onbedwingbren leeuw van Arbal ingetoomd. Men steek' den feestklaroen, dien schrandre Jubal smeedde, Ten teeken van triomf, en schenk' het Noorden vrede! Den krijgsplicht is voldaan. Geen vijand was bestand; Thands voeren we onzen roem in 't juichend vaderland. Versterkt uw harten thands." Hy wenkt zijn Legergrooten. "Gaat, (zegt hy), 't is genoeg, de veldtocht zij besloten! Een vlugge bode streef naar Gezers bron en roep' 't Bevel van aftocht aan den uitgezonden troep!"

Hy zwijgt, de bode vliegt.--'t Vermoeide heir hukt neder, En spijst met luttel broods. Een flesch van runderleder Verfrischt, uit Gihons stroom, hun uitgedroogde borst; En 't heir herneemt zijn weg op 't teeken van den Vorst.

Intusschen was een drom van Reuzen uit het Noorden Den bergreep afgevloeid tot aan de Gezerboorden, En had de schutters door zijn menigte afgesneên. Daar streed men. De overmacht der forsche reuzenleên Bestelpte 't siddrend rot, reeds uitgeput van pijlen, En tot zijn knots bepaald en aangegorde bijlen. Het streed, maar, zonder hoofd, in luttel tijds verplet. Slechts enklen, door de vlucht in 't kreupelbosch gered, Ontduiken daar de dood. De krijgsbô ziet hen vlieden, Herkent gestalte en dosch van Segols oorlogslieden, En keert, den schrik in 't hart, naar 't reeds verdwenen heir. Een stofwolk ziet hy nog, maar nergens leger meer. Hy dwaalt, en mist het spoor door 't rijzen van de heuvelen; Ontmoet een vijand, strijdt wanhopig, doet hem sneuvelen; Maar zinkt op 't bloedig lijk en blaast den adem uit.

Het heir, te middlerwijl, was, nergens nog gestuit, Thands op den lager grond den Pizon weêr genaderd, Die honderd banken vormt, met dieper kil dooraderd. De Koning voert het heir van d' oever af in 't nat, By smalle hoopen, en geleidt het over 't wad, Hier plasschend tot de kniên, en elders (naar het glooien Van d' ongelijken grond) tot de opgeschorte plooien Des mantels, in den riem om 't middellijf geklemd; Terwijl een kleene hoop door 't dieper water zwemt, Met de armen om zich roeit, en door de golving spartelt, Of, op zijn vlugheid stout, al duiklend speelt en dartelt, Het vocht met handen schept, en argloos zich vermeidt. De Koning treedt hen voor met fiere staatlijkheid, Wanneer hy, nu gereed op d' overboord te steigeren, Een Reuzenhoop verneemt, die toe- en doorgang weigeren. De schrik verspreidt zich in zijn krijgren op 't gezicht. Hy-zelf, hy grijpt een boog, en drijft den eersten schicht Een' vijand door de borst, die neêrstort voor zijne oogen. Nu vliegen, op zijn stem, tweehonderd legerbogen In éénen adem los, terwijl men opwaart klimt, Zich rugsteunt, opstuwt, en den woestaarts tegengrimt, Die saamgeraapten steen en zware beukentakken Op 't wadend leger uit hun hoogte nedersmakken, En, waar men d' oever zoekt, met knotsen, rood van bloed, De hoofden brijz'len en doen wentlen in den vloed. Vergeefs een kleen getal door borst en hart getroffen, Een menigte ijlt weêr toe voor hun die nederploffen, En groeit op elken stap. Het wagg'lend heir staat stil, En wacht de onfeilbre dood in 't midden van den kil.

De koning staat versuft.--Hij voelt zich 't voorhoofd bleeken. De schaamte ontvlamt zijn borst en doet zijn oog ontsteken. "Op! helden (roept hy), die van's vijands bloed nog druipt! 't Gevaar ligt in de vrees, wanneer zy 't hart bekruipt. Uw Koning streeft u voor; hebt moed hem na te streven, En, sterv' wie strijden kan, en vatbaar is voor beven!"

Hy spreekt. Hy rukt den spriet een' krijgsman uit de hand, En stoot den sterksten reus, van ondren op, in 't zand:

Een tweeden, dwars door 't hart, een derden in 't verheffen Der knots, door d' oxel heen, eer nog zijn arm kan treffen. Zy vallen; en de Vorst, door nieuwe drift ontgloord, Wint, in één oogenblik, de steilte van den boord.

Hy staat. Zijn gloeiend oog ontzet den moed der reuzen; Zy deinzen. Maar een steen, die 't hoofd hem dacht te kneuzen, Vliegt uit eens vijands hand, en slingert langs zijn borst, En, 't Leger geeft een gil en siddert voor zijn Vorst. Hy duizelt, zinkt te rug, het bloed schuimt door zijn lippen By golven, en zijn hand laat knots en wapen glippen. Men ondervangt hem daar hy neêrzijgt, dringt verwoed Het Reuzendom op 't hart, en steigert uit den vloed; Omringt den Koning, die, met de oogen halfgebroken, "Voort, Hanochs nakroost!" roept, "uws Konings bloed gewroken! Voor u is 't dat het vloeit." Hy eischt een watertoog, Heropent, met een lach, het ingezonken oog, En spoelt den mond van 't bloed, dat borrelde uit de longen: "Neen (zegt hy), zege en kracht zijn Segol niet ontwrongen. Hy leeft nog, tot de straf van 't gruwbre Reuzendom! En gy, mijn dierbaar volk, gy hebt uw Vorst weêrom."--

Hy spreekt, en doet hen flux de pijnboomspietsen vellen, En in driedubble rij den vijand tegen snellen. Zy horten hem op 't lijf, en breken door zijn drom, En werpen met één bots geheel zijn heirspits om. Nu vliedt hy, met den schrik, den doodschrik, op de hielen.-- De boogpijl vliegt hem na, met moorden en ontzielen, En Segol leidt zijn hoop aan 't lommerspreidend woud, Dat de achterhoede by den ingang veilig houdt.

Zoo dacht hy. Maar vergeefs de krijgstromp hier doen hooren! Geen andwoord!--Hy genaakt: wat koomt zijn oog te voren! Geen legerbende meer?--Een aantal lijken dekt Den grond, waar heen hy ziet, zoo verr' het oog zich strekt: Hier, strijdende gedood, met borst en voorhoofdschedel Gespleten; daar den rug, als vluchtende en onedel, Gekneusd: hier, hoopsgewijs, en 't wapen in de hand;

Daar wijd en zijd verstrooid, als weerloos aangerand. Het bloed, op de aard gestald, maar rood, als versch vergoten.-- Het leger zucht, en rilt, en kent zijn tochtgenooten, En, enkle reuzen, meê in wederstand geveld.

Nu voelt zich 's Konings hart van killen schrik bekneld. De hairen rijzen hem te berge van de ontroering; Hy stampt, en slaat de hand in schrikbre driftvervoering Op d' open boezem; rukt de sluierkroon van 't hoofd En geeft een heeschen schreeuw, die lucht en wolken klooft. Men vliegt al siddrend toe: Hy ziet zijn bende beven, Bedwingt zich; tracht zijn borst den adem weêr te geven; En breekt in klachten uit, maar op den sombren toon, Die aan een Koning voegt, het evenbeeld der Goôn. "Goôn (zegt hy)! Kan het zijn? Terwijl we in 's vijands streken 't Gebergte van zijn bloed, zijn stroomend bloed, doen leken, Weidt hier zijn woedende arm door onze broeders rond, En verft, van zijnen kant, den volgezwolgen grond! Wat doen wy?--Keeren we om de moorders na te sporen?-- Maar welk een lot misschien werd Hemaths dal beschoren! Licht heeft zijn moedwil daar....! Verhoed het, gunstig lot! En, sterk mijn arm ter wraak, vermoogt gy 't, Oorlogsgod! Mijn vrienden, spoeden wy ter redding onzer panden! Licht, dat dit oogenblik heel Hemaths daken branden! Licht, dat de ontmenschte Reus en maagd en kinders moordt, En in ons dierbaarst bloed ... (Mijn tong verstijft op 't woord.) Zijn wreede klaauwen wascht!--En wy, in ijdle woede, Wy laten huis en have en telgen zonder hoede? Koomt! vliegen we, of de spoed dat jammer nog voorkwam!"

Zoo spreekt hy, leunt zich aan een halfontblaârden stam, En zegt: "Gy offers van uw plicht! Ik zal u wreken: Ja, schoon mijn woedende arm den afgrond op zou breken, Haar, wapens vordren, meer verdelgend dan het zwaard Des Engels, dat om hoog ond Edens poort bewaart!

Rijs, vader Hanoch: rijs ter grafsteê uit! Omwemel Uw afkomst met uw schim! Omnevel' zy den hemel! Neem uw bescherming weêr, maar, schaf my 't zoet dier wraak, Dat de allerlaatste Reus van mij den doodslag smaak!"

Hy zwijgt; treedt peinzend voort. Het leger volgt zijn schreden in sombre mijmering en nare angstvalligheden. 't Draagt thands den schedel, 't draagt de borst niet meer zoo hoog; Geen vonkling meer dier vreugd, die tintelde in hun oog: Hun schrede klinkt niet meer, als wilden ze onder 't stappen Het aardrijk door 't gewicht van 't fiere lijf vertrappen, Daar de opgeheven blik zich uitbreidde in het rond, En tuige voor zijn roem in ieder voorwerp vond. Neen, sleepende van tred, met neêrgeslagen blikken, Schijnt de adem in de borst van heimlijke angst te stikken. En moedloos hangt het hoofd, als wilde 't aan den dag Ontduiken. 't Hart beklemt een halfversmoorend ach Voor 't vrolijke gejuich, waar 't straks van overvloeide, En 't schijnt een ander heir dan eerst uit Hemath spoeide, Den dood in Arbal spreidde en uit des Pizons vloed Verwinnaar wederkeert. De spijt doorwoelt het bloed, Doch bruischt en kookt in 't hart, en doet de kaken bleeken Van radelooze drift by onmacht zich te wreken. De nacht daalt middlerwijl, en valt, als plotsling neêr; En 't dichtbewassen woud heeft zelfs geen schemer meer. Hoe fel ook 't harte dringt, hoe heet de boezems blaken, De duisternis verplicht den legertocht te staken. De Koning geeft bevel. Men kiest een rijzend vlak, En sticht een avondvuur van kruid en heestertak, En houwt een beuk om verr' tot voedsel voor de vlammen. Nu velt men wijd in 't rond een aantal oude stammen Met breedgetakten top, en werpt ze met hun kruin Naar buitenwaart, en vlecht hun armen als een tuin Te samen, om het heir voor overval te dekken, Of (licht) de ontstoken gloed een vijand aan deê trekken Of woedend roofgediert' dat omdwaalt by de nacht. Een deel der krijgren houdt aan alle hoeken wacht: Het oovrig strekt zich uit. De Koning, warsch van slapen, Zit op een boomtronk neêr, en houdt zijn bloedig wapen In d' arm. Zijn schouder drukt met zijlings hangend hoofd Een jeugdig appelhout, dat nog geen vrucht belooft. Dus mijmrend, roept hy een der dappre Legergrooten ('t Was Régol, met hem uit Mechujaël gesproten): "Mijn Régol (zegt hy)! deel, in dit zoo aaklig uur Mijn nachtwaak, by den glans van 't koestringaâmend vuur. De rust is voor 't gemeen, dat niet dan d' arm kan roeren; Geen Vorsten, die 't bevel van rijk of leger voeren. Ons lost van onze wacht geen nacht, geen duister af; Voor ons geen andre slaap dan in den schoot van 't graf! Zit neder.--Grijzaart, aan wiens witbesneeuwde hairen De winters zichtbaar zijn, u over 't hoofd gevaren, 't Zwijgt alles om ons heen. Alleen de zorg in 't hart Waakt met ons in 't gevoel des angels van de smart. Meld, meld my (want gy dronkt de wijsheid onzer vaderen Met gretige ooren in, en zwelgt haar in uw aderen), Wat lot, wat gruwbre macht, die lust in tranen schept, Dees schrikbare aard regeert, zoo gy 't vernomen hebt. Waar, waarom treedt de Reus, uit bastaartzaad geboren, De wareld op den nek? Wat Godheid in haar toren Bracht ons, ons menschen, voort, en doemde ons weêr tot stof? Wat dicht men van de lust van d' ongezienen hof, Dien vader Hanoch nooit, dien Kaïn nooit aanschouwde, Maar dien (gelijk men wil) de hand van Adam bouwde? Wat zwoegen we op deze aard, en moorden, en vergaan Door eigen handen, wy? en bidden Goden aan Die niet verhooren? Spreek."--De Grijzaart schudt zijn lokken Die glinstren by het vier, als verschgesneeuwde vlokken, Terwijl zijn voorhoofd bloost. "Mijn Koning (roept hy uit), Neen, waan niet dat ik die verborgenheid ontsluit'! Ik zag Mechujaël, mijn Grootvaâr, in zijn grijsheid; Maar lijden: maar geduld, niets anders, was zijn Wijsheid. Hy drong niet verder in 't ontzachlijk Albewind; Maar boog het needrig hoofd, in lot en hemel blind. Dit echter leerden my der vaadren Dichtverhalen: Één Wezen, 'tgeen geene aard, geen hemel kan bepalen, Wrocht alles, en regeert het geen Hy oorsprong gaf. Dit aardrijk werd vervloekt, der menschlijkheid tot straf. Onze Oudren vielen af, van uit een hooger orden. Dat Eden, Adams Hof, is hun ontzegd geworden.

God trok zijn invloed van het aardrijk, en een stoet Van mindre Goden heerscht op 't lichaam en 't gemoed. Zy storten, naar 't hun lust, verdelging uit en woede, En nemen hier de deugd, daar boosheid, in hun hoede. Wy offren hun.--Maar in mijn kindschheid nog bestond De stam van Kenos, die, met de Almacht in verbond, Haar eenig rookte, aanbad en offerde op de altaren. Wat zoude ik u hun leer van 's menschen val verklaren? Van Hemelgeesten? van gedoemden? van den staat Der zielen, als heur walm het stervend lijf verlaat?-- Ik volg het voorbeeld na, en 't voorschrift van mijne Ouderen, En nimmer nam ik 't juk dier dweepers op mijne schouderen, Dat boete, onthouding, eischt, en afstand aller vreugd. Ik zag hun aanhang ook verdwijnen sints mijn jeugd. Één huisgezin alleen bestaat nog, naar 't vermelden Van 't loopende gerucht, niet verr' van Arbals velden, En schuilt in nevelen by 't steeds omwolkt gebergt'.-- Zie daar het gene ik weet van 't geen uw weetlust vergt! Doch, wilt gy, 'k zinge u een van Enos offerzangen, Uit de oudheid, eeuwen door, van hand tot hand ontfangen?"

De Vorst bestemt het; en de Grijzaart ving dus aan: "Gy, ongeschapen bron van leven en bestaan! Gy, onbegrijpbre, die uw ontoegangbre glansen Omnevelt met de zon: wiens lof de morgentransen Verbreiden met het licht! Gy, Almacht, Gy gebiedt En 't is er; roept, en 't wierd, entsprongen uit het niet. Gy breidt uw handpalm uit; 't is weldaad en bezieling! Gy sluit ze, en al wat is, stort ijlings in vernieling! De Duivlen siddren, en het Englendom ontzet, Waar heen Ge uw opslag wendt, die bliksemend verplet. De Cherubijn bedekt het aanzicht voor den luister Des zetels dien Gy drukt, omvloeid met vlammend duister. De starren wandlen op uw wenken. Dag en nacht Eerbiedigen uw wet. Maar 't zondige geslacht Der aarde onteert uw naam door schuldige euveldaden. Genadige! Zie neêr: zie ons in tranen baden! Ons! afgevallen--ons! van U verwijderd kroost, Maar in uw heilbelofte, in al uw wil, getroost.