De ondergang der Eerste Wareld

Part 5

Chapter 5 3,946 words Public domain Markdown

Hem andwoordt Fuäl; hy, die kwijnende en verslagen, Gods vonnis wettigde, en zijn borst weêrhield van klagen, Maar de oogen neêrsloeg met een ziel vol naberouw; Gevallen, maar in 't hart aan God en plicht getrouw. Hem kon in ballingschap geene eerzucht troost verschaffen. Hy voelde de Almacht slaan, en, in die slagen, straffen. Vaak wandelde hy 's nachts in stille mijmering Van dwaal- tot dwaalstar, of door uitgestrekter kring Waar hooger zonnen, van hun warelden omvangen, Uitschittren, en met die in 't perkloos ijdel hangen: Doch nimmer koos hy zich verblijf of zetel uit.

"Neen (zegt hy), 't waar te veel op's Hoogsten raadsbesluit Voor uit geloopen. Neen, wat zouden we ons vermeten? Hangt 's warelds noodlot niet geschakeld aan één keten, Die de Almacht in heur hand, en elk omneveld, houdt? Wie 't heerschen werd ontzegd, is vruchtloos sterk en stout. My bloedt het hart als u: wy voelen vaderzorgen-- Maar ... God-alleen regeert--Zijn wil is ons verborgen! En--wat Hy ooit bestemm', die ons door 't harte ziet, Na de eens begane schuld, verlokt me een tweede niet."

"Lafhartige," roept straks Pinéhel, verontwaardigd, Die d' andren 't voorbeeld gaf (zoo 't voorbeeld ooit rechtvaardigt!) Van wetteloozen gloed, en nog met wuften zin Door vrouwlijke armen vloog, van de eene in de andere min: "Verrader van uw bloed, duik neder! red u-zelven, En zie uw telgen dan in 't bloedig stof bedelven Indien 't u lust! Zie hen vertreden door den worm Des dals, van kracht ontaart, verbasterd van zijn vorm; En graaf hun zelf het graf, onteerd, gesmaad, mishandeld; Nu sluimerlaauw, welhaast in d' eersten klei verwandeld Waar uit ge wierdt! Voor my,--wat is my aarde of hel Of (zelfs) vergruizing! 'k Zei mijn vaderland vaarwel; Mijne afkomst is my 't al. Zy kost my God en Eden, En, zou ik ze ongestraft door d' Aardling zien vertreden? Dat hoede Hy, om hoog, die--my verplettren kan, Maar ook dat hart mij schiep het geen ik nooit verban!"

De zachte Fuäl zweeg, en deinsde, en week ter zijde.

Nu juichte 't woest dooreen! "Ten oorlog! ja, ten strijde Ons kroost verdedigd!"--Ja 't geliet zich; aan 't gedruisch, Als wierd de lucht vervuld met worstlend golfgebruisch. Reeds stond men op het punt om de onderaardsche stormen Te ontbreidlen in hun hol; om bliksemen te vormen Uit dampen zwavels, in de wolken opgegaârd, En neêr te storten op het leger, over de aard.

Maar een der Duivlen, uit den jammerpoel geschoten, Vloog op, en riep hun toe: "Wat wilt gy, Stamgenooten Der aarde! Laat aan my, erfvijand van den mensch, 't Verdelgen over, mijn' en 's Afgronds heetsten wensch!-- Wat zoudt gy, Adams kroost, en niet voor 't kwaad geboren; Wien 't misdrijf poging kost, en poging, steeds verloren In wroeging?--Lafaarts, ons, ons voegt het, ons alleen!"

Hij spreekt en snort op 't woord voorby en door hen heen. Hy zweeft, en blaast de Hel uit neus en muil. Nu rooken De dalen als een oogst, op d' akkers aangestoken, Eer 't vuur nog veld wint, en het smeulen van den gloed In vlammen om zich grijpt en zonder teugel woedt. Het was het vuur der twist, verdelgendste aller rampen, Dat rondsloop onder 't Heir, verborgen in die dampen, En 's vijands zegepraal beloofde zonder slag.

Reeds stond het Heir geschaard van de aanbraak van den dag, En 't Priesterdom had nu zijn rijmen en gebeden Voleindigd, als de Vorst, aan 't voorhoofd opgetreden, Dees taal een' doorgang gaf door 't blikkerend gebit:

"Spitsbroeders (roept hy uit), voor 't ouderlijk bezit, Voor haard- en legersteê gewapend opgetogen! U danke ik heirvoogdy en schittrend Rijksvermogen. Gy weet het, of mijn arm verslapte, waar men streed: En u, u verge ik niets dan 't geen ge u schuldig weet. Een gruwzaam Reuzenrot, verwant aan hemelgeesten, Verstoort ons eigendom, en jacht- en offerfeesten, En dreigt verdelging aan heel Adams nageslacht, Vermetel op hunn' stam en ongelijkbre kracht. Gij kent hen, en 't gewicht van hun ontzachbre slagen! Wat wilt ge? 't harde juk der onderwerping dragen?

Van jonger broeder slaaf, uws vaders schande zijn, En blozen voor u-zelv', voor's hemels zonneschijn? Wy, eerstelingen in des aardrijks eenzame oorden; Wy, zwervers over de aard, bevolkers harer boorden, Door wie haar dorren schoot, met oudren zweet gedrenkt, Het voedsel wierd ontperst, dat zy den stervling schenkt: Wy zuiverden 't gewest van Leeuw- en tijgerklaauwen; Wy veiligden dat erf, waarop zy ons benaauwen; En, felle bastaartteelt uit Kaïns eigen zaad, Verwoesten ze onzen grond, en moorden wie weêrstaat. Dit lijdt uw recht, uw moed, dit kan uw hart niet lijden: Vergaan wy, zoo 't moet zijn; maar sneuvlen we in het strijden! Nog weegt ons aantal aan hun sterkte dubbeld op, Wat toeft men, tot hun list der bergen engten stopp', En zy, van hooger grond, uit ontoegangbre wallen, Ons, ingesloten wild (dan redloos)overvallen? Ja, Kaïns overschot, heel 't menschlijk kroost, heeft uit, Ten zij één stoute daad hun woesten moedwil stuit. 'k Vergaderde u daar toe, en durf die van u wachten. Beleid en dapperheid zijn meer dan reuzenkrachten. Die leeuwen temmen kan en tijgers sluit in band, Is vrijheer van zijn arm, en duldt geen Dwingeland."

Hy sprak, en wierp zijn' staf verachtlijk in den hoogen. "Gy Geesten (ging hy voort), die in de wolkenbogen De nevels samenperst, en op den wind gebiedt! Gaat, staat uw afkomst by; Argostan vreest u niet."--

Nu zweeg hy. 't Voorhoofd rookte, en 't schuim der breede lippen Stoof ziedende om den mond! Men hoort geen' adem glippen: 't Stond alles, als ontzet. Een zacht en flaauw gebrom Verhief zich, groeide, en liep den kring des legers om. Nu steeg een holle kreet ten wolken: "Ja te wapen, Maar 't Geestendom ontzag!"--Met palmblad om de slapen, Trad een der Grijzaarts voor, der zonnedienst gewijd:

"Vermeetle (riep hy uit) die tegen Geesten strijdt! Wat wilt ge? 't wis verderf op onzen schedel storten?

De Goden van de lucht in 't aardbestier verkorten? Herroep die gruweltaal, en ken, gy Legervoogd, De palen van uw recht, en wat het mijn gedoogt!"--

De gramme Vorst, van spijt aan 't blaken, gaf een teeken Tot zwijgen.--"Heldenschaar (dus ving hy aan te spreken)! Hoe! daar wy 't Reuzenvolk manmoedig tegentreên, Zal 't muitende verraad ons kankren door de leên! Men durft uw Legerhoofd hier aan uw heirspits honen! Gij lijdt dit?--Krijgers, neen! gy zult my trouw betoonen. Ik terg den Zongod niet, maar wie mijn vijand staav', Dien zeg ik oorlog aan. Beproef het, Outerslaaf!"

Zoo sprak hy, en de knots vloog ijlings uit zijn vingeren Den Priester op de borst. De Legerrijen slingeren En woelen door elkaâr. Één woeste schreeuw van "moord" En "heiligschennis" wordt door heel het heir gehoord. De Grijzaart smoort in 't bloed, zijn' gorgel uitgevloten. Een deel der Offraars raapt, wanhopig toegeschoten, De palmkroon van zijn hoofd, met bloed en slijk bemorst, En toont haar aan het volk, en wijst het op den Vorst.

Nu vliegt het al in roer. De woeste pijlen gieren En snorren door de lucht; de legerkolven zwieren. Men eischt des priesters wraak, des heiligschenners bloed, Omsingelt, en bevecht zijn Krijgsvoogd dol te moed! Hy strijdt, verweert zich 't lijf; en honderd slagen breken Op 't wapen dat hy grijpt.--Reeds honderd zijn bezweken, En, door zijn dappre vuist op 't aardrijk uitgestrekt, Ten wal geworden die hem 't halve lichaam dekt: Nog twintig om hem heen, van de eersten in 't bespringen, Zijn thands die leeuwen niet, die hem naar 't leven dingen, Maar aangevallenen, wiet arm zich 't lijf verweert In slagen op zijn knots al splintrend afgekeerd, En deinzen; als een schicht ten peesboge afgedreven, Hem treft, en onverhoeds een eind maakt aan zijn leven. Hy zinkt gevoelloos, en zijn voorhoofd toont, verbleekt, De Heldenfierheid nog, in 't bruischend hart gekweekt.

Thands schijnt een sombre schrik het vorstlijk lijk te omzweven.

't Zwijgt al. Men hoort geluid noch 't minst geritsel geven. Het leger blijft versteend en starende op den grond, Of rolt een aaklig oog door al de benden rond.

Één flaauwe stem alleen in 't midden van de troepen Waagt, uit een enge borst den Offraars heil te roepen: "Heil, priestren!"--Alles brult en knarstandt op dit woord, En 't wordt, zelfs in den mond, op 't oogenblik gesmoord. Tien knotsen heffen zich, één schedel spat in gruizelen, En 't gonzen van dien slag doet alle hoofden suizelen.

Die slag scheen tot de leus van grooter moord bestemd. Reeds ziet men lijk by lijk dat in een bloedstroom zwemt. De Krijgsliên vallen hier de kermende Outerpapen, En daar, elkandren aan. Het opgevatte wapen Den Reuzen toegedacht, slaat eigen spitsbroêrs neêr, In wraak, in wederwraak, in weer, in tegenweer. De woede en razerny stijgt immer onder 't woeden; Geen doodslag dien de dood niet tienwerf moet vergoeden! Geen onderscheid, geen keur van vijand of van vrind; Met wien, voor wien men strijdt! 't is offer wat men vindt. Geen rij of legerspits, geen teeken, geen banieren! Men valt verwoed door een als aangehitste stieren, En moordt en wordt gemoord, vertrappeld, en vertreên, En nergens veiligheid dan in den moord-alleen.

Zoo weidt dat wapentuig dat sabel, speer, en degen Vervangt. De vloek van 't staal is thands in 't hout gelegen. De pijl rust werkingloos. Het wapen heeft geen doel; 't Treft wat naastby is, en 't treft blindlings, by gevoel. De naaste is vijand, is gevaarlijkst, moet voorkomen: De laatste-alleen bestaat; al 't oovrig bloed moet stroomen: Men vecht voor zelfbehoud, geen Vorst- noch outerhoon.

Dus woedt, dus raast men in bedwelming. Stapels doôn Staan, als in 't barre duin de heuvels, opgeheven. 't Gestalde en lillend bloed, waarin de voeten kleven, Verbreidt zich als een meir by zwellend springgetij', En kent noch peil noch boord, maar streeft zich steeds voorby.

Doch, even als de vlam, door d'adem van de winden In 't dichte woud gejaagd, niet ophoudt van verslinden, En, strevende in het rond, de stammen nederslaat; Maar echter hier en ginds een boomtronk overlaat, Die by de walmende asch de ontblaârde kruin en takken Of, stout verheffen blijft, of moedloos neêr laat zakken; Zoo stond het in het dal van Nival met het heir. Daar was geen legermacht, daar was geen bende meer. Driehonderd strijders slechts, door lijken afgezonderd. Braveerden 't sterflot nog, uit dertigmaal driehonderd En hieven, afgemat, op heuvelen van doôn Een uitgeputten arm en knikkend hoofd ten toon.

DERDE ZANG.

Een' dichten zwerm gelijk, van vliegend roofgediert' Dat, als de pestsmet woedt, om 't rijzend kerkhof zwiert En rondgiert onder 't zwerk, en, waar zy lijken rieken, Al schaatrend nederstort en klappert met de wieken; Hief half de Hel zich op by 't klaatrend moordgerucht, En juichte 't bloedbad toe, al hangende in de lucht. Tavoach middlerwijl, die de eerstgezaaide sprenkels Der twist steeds aanblies, en op plat gekneusde schenkels En bekkeneelen trad, als zoo veel krijgstrofeên, Verliet het slagveld, daar een hooger Macht verscheen. Gods Engel toonde zich: Zijn hand droeg purpren koornen Van Hemelsche granaat, de spijs van de eerstgeboornen Der schepping, vredevrucht, en tegengift der twist, Dat wrokken uitroeit en verwoede veeten slist. Thands opent hy de vuist. De gloênde korrels dalen Als regen, en den wind verbiedt hij aâm te halen, Op dat ze in 't vallen niet verstrooien door het ruim. Dus, wen Orions knots het bruischend pekelschuim In golven opklutst, die, van ongeduld aan 't koken, Het hobblend zeekasteel beklautren en bestoken, Dat, van den vloed geperst, naar roer noch teugel hoort; Als dan de Zeeman van zijn aangegrepen boord De rug der baren, tot zijn ondergang vereenigd, Met gulle stroomen van een lichter vloeistof lenigt, En Pallas olie of het bolsterkaf van 't graan By kuipen uitgiet, die heur gramschap nederslaan, De golving breken en met effen pad bevloeren, Om de afgebeukte kiel ten haven in te voeren; Zoo lag op 't oogenblik by 't zich verdelgend heir Verbittring, grimmigheid, en hartstochtbarning neêr. Men reikt zich, zelf verbaasd om de uitgebrande woede, De handen, rookend klam van uitgegoten bloede, Omhelst zich, en vernieuwt in 't aanzien van 't heelal, Dien eed, die niets voortaan op 't aardrijk schenden zal. De tranen vloeien van ontroering, en de harten Hereenden.--De Afgrond zag met onuitspreekbre smarten Den vreê herrezen; maar, 't vooruitgezicht getroost, Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.

Het Edensch Geestendom, nog zwevende in de wolken, Zag thands de burgerschap der onderaardsche kolken Zich naadren in de lucht, en deinsde naar omhoog Met d'afkeer in 't gemoed, en de afschriksblik in 't oog. De Duivlen volgen hen, met wieken uitgeslagen (Als reigers van omlaag de sperwers voor zich jagen), En roepen: "Menschenkroost, meê balling thands, als wy! Wat schuwt ge ons, Englen van geen minder stam dan gy? Legt, legt die fierheid af, die burgers voegt van Eden, Maar geen verlaagd geslacht, als wy in 't stof getreden! Die hooggewelfde borst, die blik ontzet ons niet; De Hoofdstof waar ge in zweeft, behoort tot ons gebied. Geen geur van heiligheid, die waassemde uit uw vlechten, Verwijdert d'afgrond meer, indien ze u wou bevechten. Maar neen, we ontmoeten u als lot en lotgenoot, Wie één belang verbindt in hun gemeenen nood. Reeds zaagt ge ons nog dit uur ter uwer hulp volvaardig. Kent, kent ons als getrouw, en, uw vertrouwen waardig! Wy eischen 't.--Op den top van 't gindsche berggevaart' Vergaadren we, om het lot te reeglen van heel de aard; Vereenigt u met ons. Wy gaan om raad te plegen: 't Geldt wat gy dierbaarst houdt!"--Zy trokken voort, en zwegen.

Afgrijslijk klonk die taal 't gebannen Geestendom In de ooren en door 't hart.--'t Bleef van ontzetting stom, En voelde in d'eersten schok den adem zich ontbreken, Die 't ophield in de lucht. Het had geen kracht tot spreken, En zonk alreeds van uit de hoogte daar 't in dreef, Als drupplen die de wind tot kooglen ijs versteef, En thands, onvatbaar om hun vocht meer uit te zetten, Ter neder storten en den groenen halm verpletten. Een zucht herstelt hen, en een uitroep: "Groote God! Verhoed Gy, dat uw volk met d'afgrond samenrott'! Gebannen zijn wy, en uw doemspraak onderworpen; Maar, de aarde moge ons bloed, indien het zijn moet, slorpen; Wy sterven de uwen steeds."--'t Was Fuäl, die dus sprak, Hy, minder schuldig in zijn schuldvergrijp dan zwak, En, waar' de zwakheid-zelv' geen misdaad in Uwe oogen, ô Gy, die kracht verleent, wellicht het mededogen Des Hartenkenners waard.--Doch! Uw rechtvaardigheid Behoort het oordeel, nooit door valschen schijn misleid.--

Hy sprak.--Pinéhal bromt' "My lust geen samenzweeren Met d' afgrond: Maar 't is plicht, indien we ons kroost verweeren. Men hoor 't ontwerp der Hel, verstoore of wijke 't uit, Of--zie het zwijgend aan! Ziedaar mijn raadsbesluit!"

Nu heft zich Sadon op. "Wat lafheid, hier te beven! (Dus zegt hy). Toeft men nog die helpers na te zweven, Wier bondgenootschap ons verzekert in ons recht? Wat zorg ik, aan wiens zij' of wien mijn arm bevecht?-- Wy, doemelingen, wy, den doemling afkeer dragen! Zijn hulp versmaden; wy, als viel ons iets te wagen! Gods hand onttrekt zich ons, verstoot ons, werpt ons neêr. Welaan, men steun' zich-zelv', niet anders rest hier meer. Ja, roemrijk is 't en groot, met Duivlen-zelv' te deelen, Wanneer ge of slaaf moet zijn, of met hun, kunt bevelen. Men volg' my, heeft men moed. Ik meng my in hun Raad: Ik ken noch afgrond meer, noch plicht noch euveldaad. 't Is Afgrond, waar de spijt een Hel in 't hart doet branden. Hier woont ze, in dees mijn borst. Ik draag ze in de ingewanden. 't Is Hemel, waar ik heul, vertroosting, lichtnis vind, Verdelgen mag, vertreên, en niets my meer verbindt:

Waar ik den sterveling, zijn wellust, zijn genoegen, Zijn' aardboôm, nieuwen vloek by d'ouden toe mag voegen, Den mijnen van mijn hoofd ontlasten door de wraak, En 't sterflijk broederkroost affoltren tot vermaak. Dit wil, dit zal ik, dit! en in deze aardsche dalen Gods straffend banbevel met woekerwinst betalen. Nog eens: ik vlieg."--Hy sprak, en knarstandde, en verdween.

Nu stormde 't in den drom vervaarlijk onder een. Een aantal week te rug van 't Almachtlastrend brullen Des monsters. Andren weêr, als uitgelaten dullen Aan 't schaatren, juichen op die gruweltaal, (gereed Hem na te volgen), met een ijsselijken kreet. De felle Meschomod roept eindlijk: "Geen beraden! Verga hy, die den arm des bystands durft versmaden! En gy die twyfelt, leert, by 't sterflijk aardsch geslacht Ook heel de Hel weêrstaan, wanneer gy haar veracht! Wy strijden voor ons kroost, met Kaïn en Sethieten; Maar wie, wie onzer, deed die bloedrivieren vlieten, Waarvan de laauwe walm nog opgaat door het dal? Wie bracht die dappren met één ademtocht ten val? Wat vrage ik? Toon men my één proef van ons vermogen; Van schrikbaarheid voor hun die ons beoorelogen! Het oorlogswapen dreigt onze afkomst onverhoeds, En wy, van gramschap warm en van de zucht des bloeds, Wy zoeken stormen; wy, wy gaadren donderstoffen Met onbedreven vuist, om krachtloos neêr te ploffen; En, had Tavoach niet ter redding toegesneld, Geen vijand lag dit uur, maar half ons kroost, geveld. Neen, weerloos Krijgrental, begeeft, vergeet uw telgen! Geeft hen aan 't mierennest des aardrijks uit te delgen! Of--treedt met d'afgrond in dat bondschap dat ze u biedt. Voor 't minst, verwekt haar macht ook tegen de Uwen niet."

Hy zwijgt. Een menigte schoolt samen, op die woorden, En zweeft, op zijn gelei' naar 't hoogomtopte Noorden. Het oovrig deel, verbaasd, zweert, met een duren eed, Dat ze in geen Helschen band met Gods verworpnen treedt. Zy volgen echter, op den voorgang van hun broederen; Maar de angst, de knagende angst doorknabbelt hun gemoederen.

Tot driewerf keeren zy, by 't naadren van 't gebergt'! Tot driewerf, als door 't hart tot stoutheid aangetergd, Hernemen zy hun vaart, en dalen onverschrokken Op 't vlak der hoogste kruin, bedekt met wintervlokken, Waar hen die Raad verwacht, die Helsche gruwelraad, Die, zwanger van geweld, van moord in arbeid gaat.

Gy, Fuäl, gy-alleen bleeft eenzaam, mijmrend achter. Gy zaagt naar Edens Hof en d' onverbidbren wachter Die 't vlammende rapier aan d' ingang opheft, om, Terwijl uw glansloos oog in zuivre tranen zwom. Gy vielt op 't aardrijk, op uw voorhoofd neêr en weende. Neen, 't was uw boezem niet die door de straf versteende: U was zy*[typo?] heiliging. Volhard, ô Adams zoon, Uw beden zijn uit God; zy klimmen voor Zijn throon! Ga, lijdende! in berouw is balsem;--mooglijk, heeling; En--de eeuwigheid verklaart der schepslen lotbedeeling.

In 't middelpunt der aard, in onverstoorbre nacht Van tastbre dampen, die, uit gisting voortgebracht, Met stinkend luchtmoeras haar holle buik doordringen, De borst benaauwen; en den gorgel samenwringen, En vlammen scheppen, maar verschroeiend, zonder schijn, Doch blaakrend voor 't gevoel met onverdraagbre pijn, Daar 't oog by eigen licht, in 't duister uitgeschoten, De jamm'ren scheemrend raamt, hier stroomende uitgegoten. Daar, in dat ijslijk hol, heeft 's aardrijks dwingeland, Hier neêrgebliksemd, zijn afgrijsbren throon geplant. Hier is zijn Hofgezin, zijn tuig en wapensmisse. Hier wordt de pijl gesmeed voor 't dolende Gewisse, Hier, de angel van de lust, die in de boezems haakt, Die meêsleept, en verscheurt, en oprijt, wat zy raakt, En wonden achterlaat, die door geen hand te heelen, De ziel verpesten, en de dood in de aadren telen. Hier wringt men koorden voor de geessels van 't gemoed; En 't scherpend vlijmsnoer, dat, vertaaid in menschenbloed, En in de onzichtbre vuist der Wroeging opgeheven, De beenders brijzelt, en om 't lichaam vast blijft kleven. Hier eindlijk schept men gift en zwadder voor den beet Der slangen, en verscherpt de doornen van het leed Voor 't zuchtend menschdom, van zijn God en plicht vervallen.

De dienaars van zijn macht, bij honderd duizendtallen, Omzwerven rusteloos zijn waggelenden stoel, Die zonder steunpunt hangt in 't midden van den poel. Hy zendt ze als bliksems uit. Zy rijzen uit de kolken, En kruipen over de aard, of zwieren door de wolken; Besluipen listig, of doorbreken met geweld De zwakke boezems. Hun wanschapen klaauw omknelt Een pesttoorts, rookende van Helsche folterdampen, Die in de lucht ontvlamt, en gruwlen spat en rampen; Of, draagt het lokaas bloot dat aantergt tot de schuld, Maar de ijsselijke roê met zacht gebloemt' omhuld.

De Vorst der duisternis had op des aardrijks boorden Een veldwacht uitgezet. Dit was die Raad van 't Noorden. Zy, tot verdelging, tot verwoesting toegerust, Had Kaïn in den stroom van Godvergeten lust, Van gruwlen, broederslacht, en afgodsdienst gedompeld; Zij, Kaïn door den arm der Reuzen overrompeld, En dreef nu d' Arbaliet naar 's warelds rijk te staan, Maar, om hem op zijn beurt in 't bloed te doen vergaan.

Men zat; of eer, men was op't sneeuwdons neêrgelegen, Het lijf verheven; 't hoofd was op den arm gezegen, Met d'elboog rustende op de halfgevouwen kniên. Tavoach was aan 't hoofd. Geschapen tot gebiên: Doorvonkelde zijn oog de dubble rij van Geesten, Hier ordenloos geschaard, de minsten naast de meesten, En hield hen door 't ontzag beteugeld.--Kringsgewijs Stond, schuddende en bedeesd, het kroost van 't Paradijs Op afstand, als, of 't waar, door 't hart te rug gestoten; Gelijk een boschkat, aan de schildpad vastgesloten, Uit ingeschapen schrik zijn keten rekt en spant, En siddrend om haar kruipt aan 't uiterst van zijnband; Of 't staal der zeenaald, van des zeilsteens kracht doortogen, Door tegenstrijdigheid van 't eigenst trekvermogen Wordt afgestoten, wen een andre pool haar naakt;-- En 't hart verraadt door 't oog hoe verr' het zich verzaakt. Slechts enklen naadren, of verheffen schaamtlooze oogen: Zy, wier verhard gemoed zijn aart heeft uitgetogen, De wrekende Almacht niet als Rechter vreest van 't kwaad, Maar met een Duivlenhart en als een vijand haat.

"Gy (riep de Raadsvoogd) die, getrouw en onbezweken, Het Rijk des duisters sticht, en roemrijk uit doet breken! Gy kent den toestand van dees wareld. 'k Melde u niet, Het geen gy, met een meer dan arendsoog, doorziet. Hier strijden om 't Heelal twee sterfelijke machten; Dees moedig op getal, die op heur meerder krachten. Wien eischt het hoog belang des afgronds .... (By dit woord Weêrhield hy zich, en 't bleef ten halve nog gesmoord). "Wien, vraag ik, voegt het ons te staven, te onderschragen, Te sterken? wien den staf des aardrijks op te dragen? Zal Kaïn ...? Maar gy kent de wuftheid van dit volk: 'k Doorlees uw hart alreeds, en vraag geen andren tolk. Of maakt dat stout geslacht, dat uit onsterfelijken Geteeld, in Heldenkracht zich onzer waard doet blijken, Rechtmatige aanspraak op een bystand die beslist? En, waapnen we ons voor hun met krijgsgeweld of list? 'k Heb reeds hun vijand in zijn optocht voorgekomen: Gy allen zaagt zijn bloed door eigen handen stroomen; Maar sterker poging wordt gevorderd.--Biedt u aan, Gy, Hoofden, die verlangt den Reuzen voor te staan!"

Hy zweeg. Arioch rees: "Ik ben gereed te strijden Voor de eer van Lucifer, aan die, aan beide zijden. Ik ken geen vijand, dan als vijand van 't heelal: Gebied, en wijs my aan: wien ik verworgen zal."

Dus sprak hy. IJlings stond Alastor op, en trilde Van bruischend ongeduld, terwijl hy "Doodslag" gilde, En klaauwen toonde, met geronnen bloed omkorst, En 't bliksemteeken des Aartsengels op zijn borst, In d'ijsselijken strijd des hemels weggedragen, Toen Lucifer, vol schriks gedonderd uit zijn wagen, De onthelmde kruin verborg, en leenkroon, en gebied, En morgenstar, verzaakte, en God de zege liet.

Nu klonk het alles "Moord", en weder "Moord", in 't ronde; Dan "List", dan weder "Moord".--Met uitgezworen wonde, Steeds gapende, in den hals, en 't voorhoofd half geplet, Sprak Zardach: 't Is de list die Leeuwen voert in 't net;