De ondergang der Eerste Wareld
Part 4
Waar nooit dan Englenzang den weêrklank had doen hooren Der Hemelmelody van de onbevlekte Choren. t Was of ons Paradijs, al schuddende op zijn' grond, Verbrijzelde op de puin van 't lager wareldrond. 't Was vuur, verterend vuur, met buldren, kraken, donderen, Met rook en zwavelvlam, dat Eden af moest zonderen; 't Was stikdamp, dien de hel van ondren opjoeg, om Ten muur te strekken van der zaalgen heiligdom. 't Ontzag, de vrees, de schrik, hield tong en oog gebonden. Wy strekten de armen uit, of wy ze omhelzen konden. Ons harte vloog hen na.--Vergeefs! een zwarte nacht Verzwolg het dierbaar paar dat ons had voortgebracht. Hoe schetse ik u den staat van ons, ontzette telgen! Gods Almacht daalde omlaag met alverwoestend belgen Wij sidderden, van liefde en deernis aangedaan, Maar offren ons gevoel, en bidden zwijgend aan. Ja, heel de schepping zweeg, en cederstam en heester Hing loverkruin en tak om 't jammer van zijn' meester; Het Paradijsooft bleekte, en 't vooglenzangchoor zweeg, Dat dwars door 't bladgewelf ten hoogsten hemel steeg.
"Ik maal u 't ijslijk niet van Adams aardrijkploegen; Zijn leven niet, verteerd in 't rustontbeerend zwoegen; Nog 't scheuren van den schoot dier Moeder, die haar leed Met dubblen weêrzin torschte om 't geen zy zich verweet. Gy kent hun echt, en wee-, en rouw-, en moordgeschichten, Hun uitzicht en hun troost in wrange levensplichten. Hun jamm'ren, met één woord; en waarom die herhaald! ô Oogenblik van lust, wat werdt gy duur betaald!
"Maar, dierbre Elpine, ik heb nog andre ramp te melden. 't Waar weinig, zoo de ploeg moest snijden door de velden, En 't voedsel door de spa' gedolven uit het zand, De prijs des arbeids was van de onvermoeide hand. 't Waar weinig, van een' grond, met bloetzweet overdropen, Den mondvol smaakloos brood voor pijn en angst te koopen:
Maar 't lichaam zelf ontaardde, uit groven klei gevoed, Verdierlijkt, en hersteld uit rund- en lamm'renbloed. 't Verloor den hemelgeest, die 't eenmaal door mocht stralen, 't Oorspronklijk weefsel zelfs, in 's aardrijks woeste dalen, Die veêrkracht, die 't verhief en uitbreidde in de lucht, En 't nam die logheid aan, waar onder 't velddier zucht. Wy mogen, met een lijf, uit fijner stof geweven, Op d' adem onzer borst door lucht en ruimte zweven, En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroom Des Ethers, heemlen door, tot 's warelds buitenzoom En waar 't oneindig Niet de nooit beklimbre bogen Van 't levenvol Heelal met nevels houdt omtogen. Wy spannen 't lichaam uit, en schenken lucht en licht Een' doorgang, die 't verbergt voor aangreep en gezicht: Of doen het, meer verdikt door stoflijk samentrekken, En, weer biên aan 't gevoel, en, 't oog ten voorwerp strekken, Gelijk ik thands aan U my aanbiê, schoone Maagd.
"Zoo zag, zoo minde ik u, daar gy te rusten laagt, Voor u onzichtbaar, tot, van heete drift aan 't blaken, Mijn ziel zich uitstortte op uw boezem, op uw kaken, In kussen, daar uw hart onwillig deel in nam. Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam! Hoor eerst de strenge wet des Hemels.--Afgesneden Van 't Godlijk menschenkroost, bewoners van zijn Eden, Bleef Adam nog de schuts der Englen toegezegd, En, by die Englen, ook der spruiten van zijne echt. Wy zweefden om zijn koets, die van de lamm'renvachten Gespreid was, die zijn hand op 't veldaltaar moest slachten Als 't eerste zuiglam blaatte aan moederlijke speen, En smolten onze beê met zijn gebed in één. Wy waakten by zijn' slaap, en telden, by 't ontwaken, De zuchten, die zijn borst aan Evaas borst mocht slaken. En samenklotsen met de snikken van haar hart. Wy hoorden 't noodgeroep by Evaas barenssmart, En hielden, onbemerkt, haar kniën onder 't kermen, Of steunden 't wringend lijf, en vingen 't kroost in de armen, Dat eens de onzalige aard die 't in zijn kommer voedt, In weêrvergelding, met zijn lijken spijzen moet.
't Gejammer bij den dood diens Abels, dien Gods liefde Ter dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde, Klonk ons in de ooren en doorsneed ons 't ingewand: Maar 't was ons niet vergund, de kinderlijke hand Den vader of zijn kroost ooit zichtbaar toe te strekken. Hy stierf. Ik zag het zand zijn zielloos rif bedekken. 'k Zag zes geslachten na hem opstaan, en vergaan. Maar de aard nam middlerwijl een ander aanschijn aan: De velden tooiden zich, dank 's stervlings rustloos wroeten: De dalwind scheen allengs zijn' adem te verzoeten; De zon, met minder gloed te drukken op het hoofd, Terwijl zij eetbaar kruid en volle halmen stooft. De lucht, van bloem en plant met nieuwe geur doortogen, Werd zachter; en 't gedierte, in 't menschelijk juk gebogen, Verloor zijn' schuwen aart, werd minzaam en gedwee, En gaf, in 's menschen dienst, verlichting aan zijn wee: 't Gevogelt'-zelf, gelokt door de uitgeworpen koornen Des akkers, zocht zijn hut, en hupte door de doornen; Gaf voor zijn slaapsteê dons, en zong zijn zorg van 't hart; Of zalfde door 't muzyk de reeds verdraagbre smart. Ja 't scheen, of Adams val door heuvels en valleien Het Eden, hem bestemd, op 't aardrijk uit moest breien.
"Doch, Adam was geweest; zijn weêrhelft daalde in 't graf, En brak den band der aard met Edens burgren af. Ons, meer verheven tak der zwakker menschlijke orden, Was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden. De stervling werd steeds meer vertrouwlijk met zijn lot, En wischte 't denkbeeld uit van Englendom en God. Wij vonden 't grover hart van onze stamgenooten Voor d' invloed onzer zorg vereeld en toegesloten: Wy gaven 't de Almacht op, en, aan Heur eer verknocht, Niet een, die Adams kroost op 't aardrijk meer bezocht.
"Nu rezen moord, geweld, en bloeddorst!--'s Afgronds Koning Sloeg de ijzren valdeur op der Helsche gruwelwoning, En aâmde een' pestdamp uit die alles overtoog! Ja, de aarde werd een poel, afzichtlijk in ons oog.
Men zag 't verdwaasd geslacht, zijn' Schepper afgevallen Dat Goden zocht om laag, gehuisd in aarden wallen: Hun kniên gebogen voor 't gewelfde firmament; En, die hun 't aanzijn gaf, in blinde drift, ontkend.
"Een enkle tak hield stand in de algemeene boosheid. God zag 't, en stelde een perk aan 't woên dier zinneloosheid. Zijn Engel daalde en riep! en 't waardig kroost van Seth Bekeerde, of hield zijn ziel dier gruwlen onbesmet, En zocht zijn' Schepper weêr, geloovend, brandend, hopend. Nu scheen ons de aaklige aard weêr dierbaar en geopend: Nu dwaalden we op een nieuw zijn ruime vlakte door; En 't menschdom kwam in eens ons weêr beminlijk voor.
"'t Was, ja, de tijd niet meer, dat Adam, forsch van spieren, Den nek bedwingen kon der ongetemde stieren, Den leeuw zijn kaken brak, den groven elefant Voor 't dreigen siddren deed van de op geheven hand: Dat Eva, als vorstin, den tijger aan haar voeten Zag knielen, 't pantherdier haar siddrend kwam begroeten; Dat de arend uit de lucht zich neêrvleide aan heur schoot: En de aanblik van haar oog, wat adem had, gebood. Doch 's menschen heerschappy, in enger kring omschreven, Leed door verzwakking niets, maar werd door geest gesteven, En 't schouwspel van zijn rijk was Englen toezicht waard: Ja, 't scheen dat God in hem zich zetelde over de aard.
"Beklaaglijk was 't gezicht, ja, Goden-zelv' beweenbaar, Dier schoonheid, die 't volmaakte, aan 't stertlijke onvereenbaar, Aan dier- en plantaard huwde, en Godlijk samensmolt, Als watervloeibaarheid tot diamant gestold. ô Eva, kunstgewrocht der Godheid, voor wier oogen Gods Englen, als voor God, vernietigd nederbogen, En sluiers zochten om dien gloed te wederstaan Die uitstroomde uit uw schoon! hoe greep u 't jammer aan! Geen roos verwelkt zoo snel, gebroken van haar stengel Hier schreide en Cherubijn en afgevallen Engel! Ja, Satan-zelf werd week, en voelde om u, berouw.
Der schepping heerlijkheid, wat is zy, dan de vrouw? Ach, bloemen van den grond! ach paauw- en fenixvederen! Wat zoude uw vroeg verval de vaste ziel vertederen! Wat zijt gy, siersels, maar geen deel-zelf, waar het hart Aan wortelt! Eva, ja, gy wierdt der Englen smart! Hoe zagen we uw albast verrimplen en verschroeien! Hoe 't morgenrood der kaak, zoo schittrend eens in 't gloeien Verduisterd, weggewischt! het oog van glans beroofd, En 't stralend zonnegoud verzilverd op uw hoofd! Hoe 's levens welbron aan uw' boezem, uit wier togen Wy eens de Onsterflijkheid en Englenfierheid zogen, Verdroogd, verflenst! Ai my, wat wierd die volle borst? Een stroobosch, door den staf des jammers uitgedorscht! Een nevel overtoog, een wreede worm verknaagde Het Godlijkst in 't Heelal, waarop ooit zonlicht daagde. Ja, Evaas ouderdom was aller Englen straf, En trok ons oog en hart van aard en menschdom af!
"Dan, zachter, teêrder lucht met balsemende geuren Doortrokken, sints 't gebloemt' den schedel op mocht beuren, Bedekking van het kleed, van 't hagelkeerend dak, Voor Zomers roostend vuur en winter ongemak, Een stiller levenswijs, aan haard en huis gebonden, Genoegens, die het hart in 't lijden, sterken konden, Ja, 't slijten van dien rouw, die 's lichaams bloei verslindt, En, 't geen gewoonte aan 't leed, in 't leed behaaglijk vindt; Dit al, was vruchtbaar, en vereenigd in vermogen, Herriep de roos der wang, de morgenstar der oogen, 't Aanlokkend lipkoraal, 't yvoor van arm en hals, En 't donzend wolkensneeuw van 't golvend boezemmalsch.
"Een deel van Edens teelt, gewoon zich te onderscheien Als 't Godlijk menschenkroost, zag Kaïns dochters reien, En 't sloot zijn boezem niet voor hare aantreklijkheên: Het Eden, 't Englendom, de Hemel, God, verdween! Elpine was nog niet; en echter, zy bezweken. Zij vielen op die prooi, als in dees lager streken De havik op de duif. Vergeefbrer lust voor 't minst, Dan blozende appels, of gevaarlijke overwinst Van kennis, ons te hoog, vervoerde ons. Ach, Elpine! Hy weet het, die ons kent, de vleklooze Ongeziene;
't Was alles weggesleept, betooverd, zich ontvoerd; En de Engel zweeg in 't hart, door 't maagdlijk schoon geroerd. Nu was hun Paradijs op 't aardrijk, en ze omvingen Wat de aarde hemelscht had, en teelden stervelingen! 't Ontzachlijk Reuzenvolk ontsproot uit deze min, En nam in luttel tijds den hooger berggrond in. Zy, mengling uit het zaad van tweederlei geslachten, In 't sterflijk lijf voorzien van meer dan stervlingskrachten, En blakende in het hart van dien ontembren moed, Die Englen, Goden toont, als d' oorsprong van hun bloed!
"Elpine! melde ik u den overmoed der rooveren? Gy zaagt de helft der aard door hun geweld veroveren; Wat weêrstond, neêrgeveld, verdreven, of vergaan. Gy-zelf naamt in uw wieg hun wreede kluisters aan, Als woeste Ramanoth van Nob- en Gezerstroomen Zijn Leeuwenspitsers dreef naar Bethurs balsemboomen, En de Ur, met bloed gemengd, de lijken zeewaart joeg, Van daar 't verwoestend heir zijn' groenen zoom besloeg. Ja 't aardrijk is te kleen, om onder hen te deelen; Hun zucht is, meester zijn, en heerschen en bevelen, En ach! dit-zelf is niets voor de eens ontruste ziel.
"Van toen de vrome Seth zijn schreiend kroost ontviel, Vergat ik de aarde, en zocht in 't altijd bloeiend Eden 't Genieten mijns bestaan in d' uitvloed der gebeden, En 't streelende onderhoud van 't hooger Geestendom. Doch eindlijk trof 't geruisch van Arbals reuzendrom Den Hemel, en ook ons in 't stoorloost onzer dreven.-- De ontzachtbre Michaël had d' arm reeds opgeheven; Reeds blonk de bliksem ter verplettring in de vuist Eens Engels, en heel de aard ware op die stond vergruisd, Had niet de Serafijn die vóór het Hemeldonderen Der vromen zuchten in zijn reukschaal gaârt van onderen, En de uitverkoornen op zijn vingren telt, den slag Verbeden, en God-zelv' bewogen tot verdrag. Wy hoorden in den Hof den voorknal van 't ontbranden; Den kreet der Geesten, die, met opgeheven handen, Ontzett'en van den schrik, reeds daavrend door 't Heelal, En afgebroken door hun dankend juichgeschal.
Wij deelden in dien dank; ons hart versmolt en weende: 't Gevoelde, welk een band, en ons en de aard vereende, En nooit beproefde ik zoo de teêrheid van dien band. Een dorst, haar weêr te zien, beving my 't ingewand. Wat zag ik--? Moedwil, moord, verdrukking, dartelheden. Hier, de onschuld, zwak van teelt, door overmacht vertreden: Daar wulpsche geilheid, die en ziel en lijf verslond; En arglist, met geweld en onrecht in 't verbond. Ginds gruwbaar ongeloof met bygeloof gesteven, En God verloochend om voor 't ijdel niets te beven; Of de inspraak van het hart versmoord door razerny Van driften; ja, de deugd gedoemd als huichlary. Ik ging!--Maar ach! Elpine, ik, voelde my gekluisterd Door wondre tooverkracht. Mijn oog was als verduisterd; Mijn hemelsch lichaam werd getrokken naar deze aard:-- 'k Had (Hemel!) 'k had Elpine, en menschlijk aangestaard. Haar oog, haar houding, ja de lucht-zelfs die ze omzweefde, Waar in zy adem voud, door wie haar boezem leefde, Was Godlijk in mijn oog, en bond my als den steen. Volschoone, ik minde, en ach! mijn laatste heilzon scheen!
"Elpine, u heugt de dag, dat eenzaam, droef, aan 't dwalen, En zichtbaar voor uw oog, mijn oor de nachtegalen Beluisterde in dit woud. Het maanlicht scheen, als thands, In statelijke pracht aan de onbewolkte trans, Maar half bezwemen naar het Oosten. 'k Zag u weder. Gy knielde op 't graauwe mosch, en zeegt in weemoed neder, En stortte tranen, die geen Engel ooit moest zien Of, meer dan Engel zijn, ja meer dan God misschien! Ik nader, en--ô God, Gij zaagt het, ben ik schuldig, Wanneer ik in uw werk uw blijkbre Godheid huldig; Aanbidde, en neêrstort, en in de onmacht van mijn' gloed Mij-zelv' en u vergeet, en aardsche lusten voed'? Elpine! 't was geen kus, in sluimring opgedrongen! 't Was, van uw maagdlijk hart de grendels afgewrongen! 't Was 't onbegrijplijk, dat geen Engel smaken mocht; En, voor den hemel zelfs niet duur genoeg gekocht. Geliefde, sints dat uur, en wat dat uur u kostte, Wat leed ik, eer mijn hart zich 't wondre raadsel loste,
Om eeuwig de uwe--ja, voor eeuwig u te zijn; U (sterflijke), in mijn' arm, en zonder einde, mijn!"--
"Ik de uwe, en eeuwig! Gy, ô Engel uit den hoogen, My sterflijke....? ach, laat af! (Dus roept zij, teêr bewogen.) Neen, tot dien oogwenk slechts zij 't leven my verlengd, Dat dees mijn zwangre schoot den moederplicht gehengt. ô Drukk' de onnoozle vrucht, my spartlend tegen 't harte, Mijn borst, mijn lippen eens, en sterve ik dan van smarte! En gy, verlaat my; gy, ô voorwerp al te waard! Laat me over, 't is mijn lot, aan de op my wachtende aard. Haar moet ik met mijn bloed, als met mijn tranen baden. 'k Behoor haar: 'k ben, als zy, met 's Hemels vloek beladen. Die drukt my. Vlied me, ô vlied, of, neem my 't levenslicht Dit uur zelfs, en met een' aan 't ongeboren wicht! Wat zoude 't door zijn lach my 't moederwee verzoeten, Om, nog, by Adams val, ook ons vergrijp te boeten? 'k Verwijt u niets, maar--vlied me, en laat my ademtocht; En dan, dan danke ik 't lot; het heeft mijn ramp volwrocht."--
Zoo spreekt ze, en scheurt zich los, en rukt met woeste vingeren De vlechten uit het hoofd, terwijl haar leden slingeren En schudden. Ach! zy vliedt, maar stort op d'eersten tred Den Jongling weêr in d' arm, als van een schrik verplet. "Onnoozle (roept zy uit), ik ging u dan verlaten! Ik wilde u--minn'lijkste, ach! vermocht ik u te haten! U, die my liefde zwoert, my weêrvindt in mijn' rouw, En zelfs uw Eden liet, voor my onzaalge vrouw! Neen, spreek, ik hoor u. Spreek! Hoe God en vloek verbeden? Hoe, my, aan 't graf verwant, vereenigd met dat Eden? ô Zoo mijn bloed ... de dood ... Ja, 'k wensch haar te ondergaan, Indien ik aan uw zijde eens juichend op mocht staan! Ach, had des Hoogsten gunst u daar toe uitgelezen, Om Heiland van Elpine, en--haar Gemaal te wezen!"--
"Ja (zegt hy) 't is beslist, Elpine! 'k Zweet by Hem (En dees ontzachlijke eed geev' aan mijn opzet klem!) Bij Hem, wiens raadsbesluit, nooit wanklend of verwrikbaar, Ook Geesten siddren doet, aan heel de schepping schrikbaar. Ik zweere 't by uw schoon, by mijne onbluschbre vlam: ik voere u 't Eden in, dat Hij uw' oudren nam. Het kroost der Englen zal met dat der stervelingen Niet wriemlen over de aard met eeuwig handenwringen. Zij Adam om 't vergrijp eens oogenbliks gedoemd, Met wat zich naar den naam van doemling Adam noemt; Zij, wat zijne aardsche koets aan 's aardrijks vloek mocht geven, Tot banneling geteeld, en om als hy te sneven! Ons, afkomst van den Vorst, gesteld in Edens rijk, Van Adam, nog oprecht, zijn Schepper nog gelijk, Ons treft die vloekspraak niet van 't schendig overtreden; Ons kroost behield zijn recht op 't eeuwigbloeiend Eden, Dat graf noch jammer kent; (aanminnige!) en die schoot Die Englen telgen geeft, behoort niet aan de dood.
"Gy siddert! hoor my uit. Die forsche Reuzenkrachten, Die armen, afgericht op dier- en menschenslachten, Die boezems, van een bloed als 't Englendom doorstraald, Maar minder week dan wy, en voor 't gevoel verstaald; In 't kort dat fier geslacht, dat alles kan bedwingen, Is voor deze aard te groot, te groot voor stervelingen. Het lot der dierbre vrucht, die my uw schoot belooft, Verbindt me aan hun belang. Ik stel my aan hun hoofd: Hun zal ik, en die Gâ, die 'k eeuwig zal beminnen, Het erfgoed van hunn' stam, het Paradijs herwinnen."
Hy zweeg. De schoone beefde, en zag zijn aangezicht Betrokken, en de glans van 't hem omvloeiend licht Op 't heldre voorhoofd als een avondstond verbleeken. Zijn stem verloor allengs haar melody in 't spreken, En nam een schorheid aan, als in de keel beklemd. Zijn open oog vertrok, en wemelde onbestemd, In blikken, die, of 't waar, het daglicht níet verdroegen; En 't hart verried eene angst, die heel zijn borst deed zwoegen. 't Zij dat de Godswraak door die stoute taal verstoord, Hem aangreep op de stond, of 't uitgesproken woord Den boezem siddren deed die 't voortbracht, en vertsaagde,
Of 't innig plichtgevoel aan 's levens ader knaagde; 't Zij dat de Godheid-zelv dien invloed wederhield Die 't hemelzalig mensch- en englendom bezielt; Iets schriklijks scheen in eens zich op 't gelaat te spreien. Elpine schokte, en wilde, en ach! zy kon niet schreien. Haar tong verstijfde. In 't eind "O (riep zy), mijn gemaal, Wat doet ge, en welk bestaan! Wat schrikbre bliksemstraal, Wat donder op dit hart! ô laat my, laat my sterven! God leeft, Hy, eindloos goed, ook hun die Eden derven! Hy weegt ons noodlot met zijn vaderlijke hand: Hem drage ik me op, en hoop, hoe streng Hy vierschaar spant. Hoe wilt gy 't droef vergrijp verdubblen van onze Ouderen? Hoe Satans eeuwgen vloek u laden op uw schouderen; En moet de Hemel hier een' tweeden opstand zien, Die de Almacht naar de kroon ... Wat zegge ik, die, misschien Geheel het menschdom, in dien gruwelbond begrepen, In 't eindeloos verderf onredbaar meê zal sleepen! Te rug, mijn innigste! Keer weder tot u zelv'! Ja, Lucifer bezweek aan 't Hemelsche gewelf; En gy, des menschen kroost, omstuwd van sterflijke armen, Bestrijdt Gods vonnis?--Neen, toon deernis, toon erbarmen, Toon liefde aan uwe Elpine, aan haar, die om u lijdt, Wie ge alles, wie ge meer dan zelfs Gods almacht zijt! Ja, 'k veins niet, heel mijn hart, mijn ziel, mijn gantsche wezen, Hangt thands aan u, aan u. Wat heeft dit hart te vreezen, Daar 't graf nog open staat en God ontferming biedt? Maar neem, ô neem mijn ziel die dierbre toevlucht niet. Neen, de Almacht heeft voor ons, in Adams doem verstoten, Voor 't kroost van onzen schoot, uw Eden toegesloten; Wij erfden vloek van hem, ellende, en ramp, en graf, Niets hoogers: maar--één hoop, één uitzicht bij die straf. Die hoop is Gods genâ, verlossing, en herstelling! Verbeiden wy, getroost, in de engste zielsbeknelling! Verbeiden wij het uur, dat Gods geheimenis Onthuld, en in de rij der toekomst zeker is. Dít erfdeel van mijn vrucht zij nimmer opgegeven!
Dít zal zijn Eden zijn, dít is zijn eeuwig leven! Voor u, keer weder, val Gods grimmigheid te voet! Boet voor uw opzet, keer Zijn wraakvuur eer 't ontgloed'! Vergeet voor eeuwig die u minde, die gy 't harte Verscheurde, en in 't heelal geen' balsem voor haar smarte, Geen troost meer, overliet. Ja, dat ik 't u bezweer'! Verplet Gods wraak me, en u, ziet gy my immer weêr !"
Zoo spreekt ze en ijlt vol drift den Jongling uit zijne oogen. Hy stond, een rots gelijk, ontbloot van denkvermogen, Beweging, en gevoel; en, had de hooger kracht Der Geesten, onbekend aan 't stervend Aardsch gesiacht, Hem 't hoofd niet opgebeurd, zijn lenden niet gesteven, En spier en zenuwdraân een' nieuwen steun gegeven, Hy waar bezwemen, en het aardrijk had voor 't eerst Onsterflijkheid gezien, van 't kil der dood beheerscht.
Nu zag de morgen uit. 't Gevederd choor ontwaakte; Het West verzwolg de nacht: het schittrend Oosten blaakte. De Wachter van het licht, heraut der uchtendstond, Had reeds door Bethurs dal den nieuwen dag verkond, Om 't vadzig menschdom tot den arbeid aan te manen, En 't veldkruid beurde 't hoofd uit de uitgestorte tranen Des nachtdaauws, dien het licht in nevelen verhief. Elpine voerde in 't hart haar nimmer heelbren grief Door 't bloeiend palmwoud rond, dat Arbals zandvalleien Omarmde, en schaduw gaf aan Nivals rundrenweien, Tot daar het eikenbosch zijn kruin boorde in de lucht, En 't koelend windtjen zocht dat uit het Westen zucht.
Hier had, ter rechter zij' van Rigons zoute vlieten, Argostan, opperhoofd der strijdbre Kaïnieten, Zijn legermacht vergaârd, gewapend met de knots En peesboog: 't lichaam met gevlekten tijgerdosch Omhangen, en gegord met tijgren ingewanden, Tot taai en stevig koord gewrongen met de handen. Het aardrijk had tot nog de zwaavlige ijzerschacht Niet opgedolven noch ontledigd van heur dracht, Niet uit de onzuivere erts een rein metaal zien smeden, Het staal was zeldzaam, en geen harnas sloot de leden In banden, noch gaf snede en puntvlijm aan de speer.
De dierenhuid-alleen was deksel; 't hout, geweer. Hy-zelf hy droeg op 't hoofd om hooger uit te steken, Een blaauwe reigerbosch tot kroon en veldheerteeken; En zwaaide, op de eiken kolf, eens evers blanken tand, Aan 't grimmig dier ontrukt met wapenlooze hand. De moed, de woede, en spijt, glom in zijn oog, en vonkte Den ruigen wenkbraauw door, die langs het voorhoofd pronkte En 't licht verduisterde van 't schittrend oogbolgraauw.
Een drom van Geesten zag, van uit het weemlend blaauw, Den Krijgsman, en zijn heir.--Den sterren afgestegen, Hun ingenomen plaats na 't aardsche minneplegen, (Want Eden was ook hun door 's Hoogsten doem ontzegd, En 't zwerven door de lucht tot boetstraf opgelegd, Tot veertig eeuwen, voor één heuchlijk licht verbleekend, Een tijdstip baarden, ter vergifnis afgeteekend.) Ontvlamden ze op 't gezicht. Hun afkomst bleef hun dier, En, schoon men hen om laag met smokend offervier Onthaalde en aanriep als beheerschers der getijden En regelaars van 't lot, wier giften de aard verblijden, 't Belang der Reuzen ging het vaderhart te na. "Mijn Broeders," riep terstond de grimmige Ahila, Die, buiten 's aardrijks baan, en 't aardrijk naast, gezeten: In 't midden van den rei der drijvende planeten, Zich-zelv' gevestigd had op 't rood en vonklend licht, Door de Oudheid naderhand haar Krijgsgod toegedicht: Mijn Broeders, welk bestaan! Gedoogt gy 't?--Wreevle slaven Verheffen tegen ons hun trotsche Legerstaven! Pinéhel, Fuäl, en gy-allen, ziet gy 't aan, En wachten we, uit de lucht hen ijlings neêr te slaan? Mijn vrienden! zal een hoop van nietige Aardelingen Ons dierbaarst, ja ons-zelv' in ons geslacht, bespringen?-- Hoe gloeit de vader niet op 't dreigen van zijn' zoon! Of zien we ons slechts ten spot vereerd als Hemelgoôn? Koomt, wreken we ons gezag, ons bloed; of eer, verweeren We ons recht! Het is aan hen, om de aarde te overheeren: Hun, Koning Adams stam, en van geen sterflijk zaad! Wat is zijn wierook my, die naar mijn glorie staat?"--