De ondergang der Eerste Wareld

Part 3

Chapter 3 3,921 words Public domain Markdown

Het nageslacht van Seth, aan Abels spoor getrouw, Was veeteelt meer geneigd dan straffen akkerbouw, En plach, van erfgrond wars en vaste landverblijven, Door 't onbeheerschte veld zijn kudden om te drijven; Maar stond den Kaïniet, op zoetheid van 't bezit Verslingerd, en weldra op roofgenot verhit, Ten doel, wen deze, stout in 't aangeschoten wapen, Den herder dolend trof, onweerbaar als zijn schapen, En, als een wreede gier of havik, op zijn prooi Geschoten, nederwierp in 't midden van zijn kooi, En plonderde, of verdreef, of in zijn bloed deed baden, En de opgevangen roof, den schouder opgeladen, Zich eigende, als het recht der strijdkolf in zijn vuist; Of wen hy, met een' troep van roovren, onbesuist, In plaats van in 't gebergt den woudos af te jagen, De velden afliep, kudde en manschap voor zijn slagen Als slachtvee henendreef en omdeelde als zijn buit, Wie drukt de onmenschlijkheid der dolle hebzucht uit, Of schildert d' overmoed, als ze eenmaal, losgebroken, De teugels afschudt? als in 't bruischend hart aan 't koken, De drift zich uitzet en het zuizlend brein besmet! Dan gaat ze in stroomen bloeds, in bloed en brein, te wed, En holt zich-zelven blind, en stoot op post en wanden Het hoofd te barsten, om den Hemel aan te randen, Tot eens de Godswraak, door die gruwlen afgemat, Den bliksem aangrijpt en het schuldig brein verspat! Zoo heb ik Nederland, sints overmaat van weelde Brooddronken moedwil en verdwaasden waanzin teelde, En bandloosheid den klem der wetten had verkracht, Zien opstaan in geweld, en moord, en broederslacht. Zoo zag ik 't van zich-zelv', van plicht, en eer verbasteren, Den God die 't steeds behield, verzaken, honen, lasteren, Zijn dienst verschoppen en vertrapplen met den voet, En hen door wie 't bestond, mishandlen in hun bloed: Hem eindlijk, die 't, verplet, van 't wis verderf behoedde, Voor weldaân wrevel biên en opgezette woede; Tot de Almacht, afgetergd, het overgeve aan 't zwaard, En wegvage uit den rang der volken van deze aard.

Zoo ging 't in Kaïns stam.--Om have en lijf te dekken, Sethiet, bestondt ge ook u met wal en rest te omtrekken, Of mengde uw afkomst met des broedermoorders tak, En koost hun veiligheid voor 't zwervend herderdak, Naamt in hun spelen deel, hunn' roof, hun dartelheden En, werdt gelijk aan hen in inborst, hart en zeden; Haalde op uw broedren buit, vergat u-zelv' en God, En huwde aan Kaïns zaad uw smeltend overschot.

Het aardrijk walgde toen van 't menschenbloed te slorpen, En torschte 't zwaar gevaart' van steden, sterkten, dorpen, Met weêrzin: 't riep tot God.--Ook de Almacht hield altaar Noch offer meer. Men zag verdwaasde schaar by schaar Zich Goden zoeken in Gods dienaars, in de lichten Des hemels, en voor hen de rookende outers stichten, Die, afgevallen, God bestormden tot hun straf, En wien de ontzinde mensch zich roekloos overgaf.

Doch hooger liep het kwaad. Een volksstam, breed van schouderen, En meer dan menschlijk sterk, onkundig van zijne ouderen, En als de distel, of de rups van 't dorrend blad, Verschenen, onbewust uit wie het oorsprong had, Stond op. De tederheid van vaderlijke zorgen, De moederlijke zucht was dit Geslacht verborgen; En, opgegroeid in 't woud, by berg- en boschgedrocht, Was menschlijkheid hun vreemd en menschelijke tocht: Verworpen bastaartkroost, met de intreê van het leven Uit schaamte of wederwil 't verderf ten prooi gegeven, Maar dat van wolf en beer, bewogen door 't gehuil, De speen gezoogd had met de welpen in hun kuil, Tot dat ze in rijper kracht, by wie zy deernis vonden, Vermoordden, en verwoed hun voedsters zelfs verslonden; En, vijand even zeer aan alles wat bestaat, Niet leefden dan van roof, en moord, en gruweldaad. Een volk, zoo gruwzaam, hief sints twee paar deinzende eeuwen, Den stuggen nek omhoog, onbandig fier als leeuwen. Des aardrijks bodem dreunt op 't bonzen van zijn' voet. 't Rukt eik en ceder om, en lescht met tijgrenbloed De dorst van 't brandend hart; en, van één drift aan 't zieden, Wil heerschen over de aard, wil al wat is, gebieden, Verdelgen naar zijn lust, vertrapplen, nederslaan: En wee, die voor hun bukt, maar meer, die durft weêrstaan!

Dit schrikbaar Reuzenvolk, uit Kaïns zaad gesproten, Was over 's warelds vlak als veldkruid opgeschoten. 't Had lang in 't eenzaam Noord, aan 't steigren van 't gebergt', Den boschstier in zijn hol, de tijgers uitgetergd, De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen, En onder zich den storm in d' afgrond hooren grommen: Maar eindlijk tot één hoop, één legermacht vergaârd, Verspreidde 't schrik en dood door heel de zuchtende aard 't Naburig Arbal zag hun benden nederzakken Als stroomen, van 't gebergt' in onderscheiden takken Afvlietend, maar omlaag hereenigd tot één vloed, Die, door den wind gezweept, al buldrend zeewaart spoedt, En herder, hut, en hond, en lamm'renkooi, en wolven, Op 't hoofd stort, sloopt, en moordt en omkeert in zijn golven. Het bloeiend Nod bezweek voor de overmacht en vlood; 't Omwalde Hanoch zwichtte, en niets, dat weêrstand bood! Niets, dat het dol geweld in d' eersten schok betoomde! Toen gold het Hemaths dal, waar 't bloed by beken stroomde. De weerloosheid van Seth, de roof, op hem behaald, Stond Kaïns trotschheid duur, en werd te wel betaald.

Nu was de dolle Krijg ontketend.--Kaïns Neven, Eerst zenuwloos van schrik, en Westwaart heengedreven, Vergaderden ter wraak, en vormden zich een heir. Men strijdt; grijpt, strijdend, moed; en eischt zijn haardsteên weêr. Van toen was 't staag gevecht. Men sneed ahornen bogen, Gewiekte pijlen, die van 't drillend peeskoord vlogen, En de arm trof verder dan hij reikte, met een vlucht Van steenen, uit een snoer geslingerd door de lucht: Men wapende de knots met ijzren spits of axten: De list vervulde in 't kort de minderheid der zwaksten; En 't grove Reuzenrot met moed en kunst bestreên, Week naar den hooger grond, als in zijn schansen, heen.

Die zege was behaald; het vaderland herwonnen! De grond herbouwde zich! Een reeks van vijftig zonnen Zag Kaïn bloeiender dan eertijds, als het dal Op nieuw weêrgalmde van vijandlijk moordgeschal. Vertalrijkt, rukt de Reus zijn bergkruin af naar onderen, Om 't oud en vruchtbaar Nod te teistren en te plonderen, Rooft vrouwen, kinders, vee, en moordt den Hanochiet,

En vestigt zich van de Esch tot daar de Nilho vliet.

Nu scheen een andre stand voor 't Wareldvlak geboren, De zetel van het Rijk van Kaïn was verloren: Een deel der landstreek lag in ijzren slaverny; Het oovrig, leeg gevlucht, ten doel der roovery; En Hemath stond omringd, van 't heuvlig land der beken, Tot daar m' in 't neevlig West de dagtoorts zag verbleeken.

Thands stond het Reuzenvolk naar 's aardrijks Oppermacht, Als afkomst van een grootsch, een hemelsch Voorgeslacht; 't Was thands dat volk niet meer, dat onbesuisde tanden In wolvenspieren sloeg en runderingewanden, Het zwangere ooi verzwolg met 't onvoldragen lam, Of eikels zamelde op den omgeworpen' stam. Het kende 't voedzaam graan, de vrucht van 't land beteelen, Met Kaïns weelde, en lust, en feestvermaak, en spelen, En wat de schrandre kunst, in dartlen bloeistand, schiep, Of tot verderf van 't hart in samenzweering riep. 't Verslingerde op 't genot dier zoetheên van het leven, Maar machtloos om zich-zelv' dat streelend lot te geven: 't Bood vrede; of eer, 't gebood, op naam van vreêverdrag, Geschenken, cijnsbaarheid, en Opperstaatsgezag.

Wat, Dichtkunst, was die eisch? Vermeld hem op mijn smeeken. Gy weet het. U geheugt, wat 's menschen geest ontweken, In golven wegdreef, die geen oog vervolgen mag, Geen kracht te rug brengt met den weggevloten' dag. Men eischte 't meerderdeel van vee en akkergaven, Ten jaarlijksch schattingrecht, en duizenden van slaven, En maagden, hemelschoon, met trippelenden voet, En wulpsch van zangstem, ter ontsteking van het bloed, Op luitspel afgerecht, en dartle schouwgebaren; En bergen smijdig goud, gezuiverd uit zijne aâren; Robijn uit Pizons kil; en hellen diamant; En d' eêlsten roofschat van het parelvoedend strand. Zoo klonk de wreede wet, der Wareld voorgeschreven! Geen andre keus dan dit: te buigen of te sneven!

Tien stammen hadden reeds, onmachtig af te slaan, Den nood gehuldigd, en hun vordring toegestaan. Eén deel, besluitloos, rekte in radeloos beraden De dagen, onbeslist, terwijl zy uitkomst baden Aan Goden, doof voor hun. Argostan stond alleen Onschokbaar, bracht een heir van strijders op de been, En ging dien vijand op zijn' eigen grond bestoken. Van Hiddekel en Frath naar Hemath opgebroken, Zwoer al wat moed bezat en op zijn krachten fier, Het juk versmaden dorst, Argostans krijgsbanier. Het gloeide in dezen hoop van ijvergloed, van woede, Van wraakzucht die in 't hart op stoute ontwerpen broedde; En, zucht voor 't vaderland, voor Huwlijkskoets en kroost, Maakt al wat wapen droeg den wissen dood getroost.

Verblindend Bygeloof, voor afgoôn neêrgebogen, Dat monster, helsch van stam en bastaartvrucht van Logen, Uit zinlooze Angst geteeld, stak middlerwijl den kop In 't trekkend leger, met verschrikte blikken op. Heur fluisterende stem, die muren door kan boren, Die elken weêrgalm vangt en harder weêr doet hooren, Verhief zich: mommelde eerst als zuizend bij'gebrom, Maar zong weldra 't geluid der oorlogstrompen stom. Zy eischte een plechtig feest ter eer der Hemellichten, Als waarborg in 't gevaar. Flux gaat men de outers richten, En stapelt zoden, of omhangt die met gebloemt' En kruideryen, naar der starren naam genoemd, En slacht by honderden, in 't ruischen der schalmeien, De varren, 't juk nog vreemd, de vaars der klaverweien, Het argelooze lam, van d' uier afgerukt, En 't borstlig ondier, met den snuit in 't slijk gebukt; Den dartlen geitenbok; en 't hoofd der runderstallen, Den stier, na jaren dienst, voor 't kouter neêrgevallen: Ontweidt ze, en wroet om strijd in 't lillende ingewand, En smijt ze, druipende, in den sissende-outerbrand. Men plengt er olie by, en melk, en kroont het offer Met specery van Chus uit gouden wierookoffer, Of lauwerbezie, en welriekend styraxblad, En heft de handen op, van 't sprenklend bloed bespat. Nu prevelt men gebeên terwijl de vlammen steigeren, Roept vloek en neêrlaag uit op vijand en bedreigeren, En smeekt het Englendom, dat ieder Licht beheert,

Bevestiging des eeds, dien Hemaths krijgshoop zweert.-- "Gy, Geesten (roept men), die uit de ongenaakbre sfeeren Op stervelingen ziet wier invloên ons beheeren; Wier glans ons toelicht! Gy, het zij ge in ruimer baan Om 't wentlen van onze aard een trager kring moogt slaan, Of nader aan de bron des vuurs, met meer bezieling Van gloed, in sneller vaart herombruischt, in uw wieling! En Gy vooral, die, met uw zilvren aangezicht, Uw hoornen afkeert van uws broeders schitterlicht, De tijden regelt, en de ontembre waterplassen Waarheen gy de oogen wendt, heur boorden uit doet wassen: Nachtfakkel, wie 't geheim der diepste duisternis, Ja, 't hart des afgronds tot zijn binnenst, zichtbaar is: Wier koude stralen de aard het gift der akonieten, Bezwangerd van de dood, in nachtschade uit doen schieten, En 't worgend Geestendom met aaklig nachtgerucht Op vleêrmuisvlederen doen reien door de lucht!-- En Gy, wiens bloedig licht, met blaauwen damp omtogen, Den bliksem van het zwaard doet schittren in onze oogen; Verdelger!--En ook Gy, der starren middelpunt, Die elk rondom uw' throon zijn eigen loopperk gunt, Als wachters, nimmer moê op uwen wenk te zwieren, ô Goddelijke Zon!--Aanschouwt onze offervieren! Wy slachten u den keur van kudde, en kooi, en stal. De vlam stijg' t' uwaart op! 't vereerend feestgeschal Boor' door de wolken heen! de walm der wierookgeuren Doorwaassem' en doorvloei' de onoverstijgbre scheuren Des afstands, die ons van uw zetels scheidt! Verhoort! Wy aâmen rust by wraak; de vijand, bloed en moord. U wijden we onzen arm, wanneer wy monsters slachten, Die zelfs uw Godheên in haar hemelloop verachten.-- Verzwaart de slagen van ons wapen! Trekt ons voor, Gelijk ge, ô Morgenstar, op 't effen hemelspoor Den blonden Dageraad, of 't heir der vaste starren Ter heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren: En velt aan onze spits die Reuzen, wier geweld, Uw grootheid zelfs te trotsch, aan alle boord ontzwelt!"--

Nu slingert men door een, en schaart, en scheidt zich weder, Met staatlijk Kerkgebaar. Men werpt zich beurtlings neder, En rijst, en zingt op nieuw: Geduchte Hemelgoôn, Redt Kaïn en 't Heelal des aardrijks!--op een' toon Van weemoed, of triomf, vertrouwen, hooploos smeeken; Naar de outersmook zich heft, der Goden gunst ten teeken, Of neêrduikt, in zich-zelv' gewenteld; of zijn bocht Wordt afgedreven door der winden ademtocht.

Een rei van Maagden volgt, in linnen statiekleeden, En zwiert door de outers heen met afgepaste treden, Of huppelt, in een' kring, met zon- en maanlicht om, En schudt de sisterroede of doffen rinkelbom, En slaat, terwijl in 't rond de krijgers DOODSLAG galmen, De uit angst gezonken borst met blanke handenpalmen. De Veldheer ziet het aan, en jammert in 't gemoed Om 't kwisten van een' dag, door 't morgen nooit vergoed. Zijn ongeduld ontvlamt; hy steunt op heldenkrachten, Geen hulp, geen' onderstand van ongeziene machten. Zijn spijt verkropt zich; maar het zwellen van 't gelaat Verkondt een hartsgeheim dat zich te wel verraadt.

Het offer is verricht.--Gy ook, Sethietsche schoonen, Omgingt het in den rei, met bruine myrthenkronen Gehuld? Gy ook, ô gy, tot beter dienst bestemd! Uw zuivrer hand heeft meê den bedetak [3] geklemd, Met bloed besprenkeld, God ten gruwelhoon vergoten! Waar gaat gy thands?--Gy volgt uw feest--, uw speelgenooten, Daar, waar de disch u toeft met dartle tafelvreugd En kozeryen van een bandelooze jeugd. Genoegens, waardig dat Afgodisch offerplegen! Uw deel is met haar: gaat! wellustig aangelegen! Haast zal de onkuische dans.... Uw oog reeds vangt haar aan, En 't hart in 't hupplend oog verbiedt mij voort te gaan. Ach, Seth werd Kaïn in zijne afkomst: uw vriendinnen Gewenden u voorlang aan haar ontuchtig minnen,

En, zwoert ge uw' God niet af, voor 't minst, gy sloot Hem 't hart, En blindling stort ge 't hoofd in 't net dat u verwart.

Maar wie ontbreekt hier by uw avondfeestvermaken?-- Elpine--Elpine-alleen, onvatbaar vreugd te smaken. Elpine, uit Kaïns stam, maar opgevoed by Seth En met geen godendienst, geen wulpsche lust besmet. Zy, schoonste uit heel uw' kring; zy, wees; uit 's vijands banden Verlost, wanneer hy week uit de ingenomen landen; En, door Methuzalah tot tucht en deugd gekneed. Haar lust was 't eenzaam woud. Maar 't algemeene leed Deed thands haar kaken niet van tranen overstroomen. Zy klaagt, dit oogenblik, aan 't lommer van de boomen Den naam van oudren niet, haar veel te vroeg ontscheurd, En daaglijks, maar haar hart nog nooit genoeg betreurd. Helaas! de onnoozle zucht om andren kommer, wreeder Dan kinderlijke smart om oudren dood, hoe teder! Zy zucht om de onschuld van haar kindschheid: om 't gemis Van 't geen haar dierbaarst bleef, maar onherroeplijk is: Zucht, om 't noodlottig vuur, 't betoovrend van een weelde, Die eerst in zoeten droom 't onwillig harte streelde, Daar na, door wonderkracht, der menschheid veel te hoog, Haar overstelpte en dwong, en aan zich-zelve onttoog. Zy zucht om 't geen ze in 't hart, en onder 't hart, voelt woelen; Om, die dat hart de vlam der liefde deed gevoelen, En nergens vindbaar is. Met doodschrik ziet zy uit Naar 't vreeselijk uur dat haar den gordelriem ontsluit, En moeder maken moet, om met een kroost te sneven, Aan wie geen vader ooit den vaderkus zal geven, En dat ze aan 't daglicht moet verbergen met zich-zelv'. Zy heft de handen naar 't vergraauwend blaauw gewelf, Waar reeds de morgenkim 't gestarnt' schijnt op te jagen, En gilt haar wanhoop uit, en heeft geen' moed tot klagen! Nu zinkt ze in felle smart verbleekende op de kniên, En wringt de handen, en vertwijfelt, waar te vliên: Dan verft een nieuwe storm van woede haar de kaken, Vliegt op, en wil een eind aan 't foltrend leven maken Of rent, als razende en met zweepen aangespoord, Onwetend werwaart heen, in éénen adem voort, Kwetst d' al te teedren voet aan struiken en struweelen, En houdt op eenmaal stand, als siddrend voor het kwelen Des nachtegaals in 't woud, of 't knappend uilgesteen, Dat uit een' hollen tronk haar toeroept in 't geween. Zoo ijlt ze en streeft in 't wild door duizend slingerpaden, En wenscht de dood, en schrikt op 't ritslen van de bladen: Tot ze op een' heuvelgrond, door heldere Ur omstroomd, Zich raadloos nederwerpt in 't hangen van 't geboomt'.

Hier, spraakloos, rolt een traan uit de opgezwollen oogen Heur' matten boezem langs. Het boomloof wordt bewogen, Een adem, als een wind, met leliegeur bevracht, Omfladdert ze en hergeeft haar de uitgeputte kracht. Een zachte en teedre stem, gevoeliger voor 't harte Dan merkbaar voor het oor, sprak: "Smoor uw boezemsmarte, Wees kalm, Elpine: uw lot verandert. Wees gedwee, Ik waak, ik zweve om u: ik, oorzaak van uw wee." Ze ontzet. "Gerechte God!" dus roept ze, en kan weêr snikken, Weêr woorden uiten, en weêr tranen die verkwikken. "Wat hoorde ik? welk een stem! bedriegt mijn hart zich, of Ontwaarde ik inderdaad de troosttaal die my trof? Wat Geest, wat Engel huist of waart in deze bladeren, En stort de onheilige dien hemeldaauw door de aderen? Is dan 't onstoflijke ook gevoelig voor ons lot! Vindt menschenbroosheid nog, verpletterd, heul by God! Of, Hemel, zou ook hier een Paradijsslang wemelen, En logen sissen op den waarheidtoon der hemelen, Door 't schom'lend groen bedekt, verhuld in duisternis? Aartsgoedheid, red me, ô red, zoo redding mooglijk is! Is aan 't gevallen kroost, in nieuwen val verloren, Is d' afval van het hart verdelging toegezworen, Verplet me! of stort my in dien afgrond, dien mijn voet, Met overwelvend zand omtogen, overspoedt Zoo lang hy de aard betreedt. Ik kus uwe ongenade! Maar wreek ook de onschuld van de uit slijk gekropen made! Een nieuwe Satan.... Ach, wat zegge ik! Neen, ô neen, Ik smeek geen wraak, ô God! ik smeekbarmhartigheên. Vergeef, vergeef hem, kan uw Heiligheid vergeven, Wat liefde en zwakheid (maar geen wrevelzucht) misdreven! ô Breng hem weder voor mijne oogen! Toon my hem! Wien ik, mijns ondanks, nog in 't bevend hart omklem! Naar wien ik in den slaap nog de armen uitstrek, gloeiend Van schaamte, en van een vlam....! Ja, door mijne aadren loeiend En klaatrend overheert ze en volgt my waar ik 't pand Van zijne omhelzing draag, met onuitdoofbren brand. Mijn God! 'k ontsluit u heel mijn' boezem--zie my lijden, My-zelf, mijn eigen ziel, mijn zelfgevoel bestrijden. Geef, geef verademing, geef uitkomst! 'k kan niet meer."

Dus zegt ze, en zijgt op nieuw in matte ontroering neêr.

TWEEDE ZANG.

't Was nacht. De heldre maan bescheen de breede vlakte Waar langs de kronklende Ur al kabblend nederzakte, En strooide 't rimplend nat met zilvren loverglans, Het koeltjen ging door 't woud op 't huppelend groen ten dans, Of joeg met luchte vlerk de golfjens voor zich henen, En kuste Elpines wang en boezem onder 't weenen. Vergeefs! Die boezem voelt der wroeging felsten prang, En 't traantjen droogt niet op langs de uitgebleekte wang.

Daar zat zy, troosteloos, in diepen rouw verzonken, En scheen een zielloos beeld, uit marmersteen geklonken. De dagtoorts zonk ter kim, door de avond afgelost, En 't heldre nachtgestarnt' betrok zijn hemelpost; Haar oog bemerkte 't niet, en troostloos neêrgeslagen, Had de engbenepen keel geen' adem meer tot klagen, Het hart geen krachten meer tot doorstaan van zijn wee, En 't was haar, of de ziel haar matte borst ontgleê.

Een oogenblik vervloog. Zy vond zich weer in de armen Des Jonglings, voor wiens drift geen deugd haar kon beschermen. Hy wien haar hart aanbad, en 't aan zich-zelf beleed, Terwijl het hem 't verwijt van al haar jammer deed.

Zy voelt het drukken van die armen, voelt het kloppen Van d' eigen' boezem aan haar hart, en vangt de droppen Van 't rozenriekend hair dat om zijn' schedel speelt, En hemelbalsems daauwt, in hooger lucht geteeld. Maar 't schemert voor haar oog, met nevels overtogen. Een druk der lippen sterkt de halfgeopende oogen, En ach! zy ziet, ze erkent den zelfden hemeling, Die eenmaal aan heur borst in dartle omarming hing, Van wien zy 't liefdepand zich onder 't hart voelt leven! Ze erkent hem, en gelooft van enkle vreugd te sneven.

De Jongling spreekt haar toe, terwijl een morgenlicht Hem afstraalde uit den blos van 't vlekloos aangezicht. "Elpine, ô teergeliefde! ô bloem, het zalig Eden, (Der vaadren erfgrond) waard, ja waardig aangebeden! Heradem! zie mij weêr, die voor uw schoonheid kniel, En d' Englenrei ontzeg, waar uit ik nederviel, Om u, om u-alleen mijn' boezem op te dragen. Herken hem, die in d' arm, om uwe heup geslagen, Het hoogste heil omvat dat aard en hemel heeft, En zelfs de onsterflijkheid voor uwe liefde geeft! Maar neen! Hy geeft haar niet, dan om haar weêr te winnen, En eeuwig in uw' arm te leven en te minnen."

Dus sprak hy en de roos van 't uitgebleekt gelaat Heropende om haar kaak een' nieuwen dageraad. Een parel blonk in 't oog, en rolde langs de wangen, En, stollend op den mond, bleef aan heur lippen hangen. Haar oog ontvonkte, en schoot door 't wolkjen van de smart Het waatrig licht der hoop die weer ontglimt in 't hart. Dan, spraakloos bleef haar tong; haar boezem stikte in 't wellen Van zuchten, zonder tal, die naar den gorgel zwellen, Wier worstling onderling den doorgang zich verbiedt. Zy drukt des Jonglings hand, en meer vermag zy niet.

"Elpine (vangt hy aan)! ontfang my als uw' Gade! Vergoed my, 't staat aan u, des Hemels ongenade. Mijn noodlot is beslist. Ik deel met uw geslacht De ballingschap der aard, vrijwillig, zonder klacht. Of--gy, gy zult met my den heilstand uwer vaderen Hernemen. Hemellucht zal stroomen door uwe aderen, En, door mijn' arm hersteld in 't leven zonder dood, Zal Godlijk Englenkroost ontspruiten uit uw' schoot. Doch hoor my! 'k zal u meer, en wonderen, verhalen.

"Elpine! 't Is één stam, waar uit wy beide dalen. Ja, de eerste stervling gaf ons 't aanzijn uit zijn bloed: Maar my, in Edens hof, van fijner geest doorvoed Dier Heemlen, welker lucht dien blijden Hof doorwemelt; En hun, wier spruit gy zijt, reeds balling en onthemeld. Gy weet: dat eerste paar, der Englen zorg en vreugd, Leefde opgehoopt met heil, in onvergangbre jeugd, Onvatbaar voor 't besef der eensbezuurbre kommer: En sleet zijn eeuwigheid in Edens zuivre lommer, In volle zaligheid en onbeperkt genot. De hooger Geesten zelfs benijdden 't heerlijk lot. Het viel, het overtrad en werd naar de aard verdreven, Om aan d' ondankbren grond zijn drupplend zweet te geven. Het vlammend zwaard der wraak, en meer, 't besef der schuld, Sloot allen rugkeer af, en 't vonnis werd vervuld, Dat, van dat uur af aan: zijn ongeboren loten Uit Godenheerlijkheid in jammer neêr moest stoten. ô Kroost, rampzalig kroost, dat voor uwe Oudren boet! ô Oudren, die dat kroost uw' wangreep nooit vergoedt!

"'t Gedoemde paar vlood heen, van wanhoop ingenomen. Nog had de troost geen plaats van nokkend tranenstroomen; Nog wist de zucht geen' weg te vinden naar om hoog. 't Vlood siddrend, hand in hand, met zwartbeneveld oog, Vergat zich-zelf en 't kroost dat in hun bruiloftsweelde Een nog onwraakbre min in Godenreinheid teelde, En wachtte, elkaâr aan 't hart, in één', één' zelfden nood, 't Nog onbegrijpbre leed der hun bedreigde dood.

"Wy, vruchten van hun koets, wy, spruiten uit hun lenden, Wat zagen we op die stond, daar zy zich dalwaart wendden! Onzalig Oudrenpaar, hoe bleef uw kroost verstomd! Nog hoor ik 't bliksemvuur dat door de wolken gromt,