De ondergang der Eerste Wareld

Part 2

Chapter 2 3,687 words Public domain Markdown

"Dus namen zich ook al de overigen in het jaar der wereld 1170"--(Welke berekening, ten aanzien van Jareds leeftijd, met den Hebreeuwschen text gants niet overeenstemt, zoo als men weet dat het in 't algemeen ook met den Griekschen text van het boek van Mozes is)--"vrouwen, en begonnen zich met haar te vermengen tot aan den zondvloed toe: en deze (vrouwen) baarden hun drieërlei menschen. De eerste soort waren de groote Reuzen; en deze reuzen teelden de Naphilim, en uit dezen zijn de Elioth geboren. En leerden zich-zelven en hunne vrouwen kruidmengingen en bezweeringen.

"Het eerst leerde Exaël, de tiende Vorst, zwaarden en pantsers, en alle soorten van wapentuig maken, en de metalen der aarde en 't goud bewerken; en daar maakten zy den vrouwen versiersels en geld van. Zij leerden elkander zich te blanketten en op te schikken, en met kostelijke gesteenten te schitteren; en daar werd vele godloosheid op aarde gepleegd, en daar openlijk roem op gedragen." (Voorts wordt de uitvinding der kunst van tooveren en onttooveren, der sterrenkunst, en voorzeggingskunst uit sterren, lucht, aarde, en maan, gemeld.) "Naderhand vingen de Reuzen aan menschenvleesch te eten, en de menschen begonnen op de aarde te verminderen. Het overig menschdom riep den Hemel aan over hunne boosheid en verval.

"En als de groote Aartsengelen, Michaël, en Rafaël, en Gabriël, en Uriël, dit hoorden, zagen zy neêr uit de heiligheid der hemelen, en veel bloed langs het aardrijk ziende vergieten--traden zy tot God en spraken:--

"--Het overspelig en bastaardgeslacht der Reuzen overstroomt de aarde, en zy is vervuld met ongerechtigheid. En ziet! de geesten der verslagenen roepen luidkeels, en hun kermen is tot de poorten des hemels geklommen, enz.

"Toen nam de Allerhoogste het woord, en de Alheilige sprak, en zond Uriël tot den zoon van Lamech, zeggende: Ga naar Noach en zeg hem in mijnen naam, verberg u-zelven. En maak hem het naderend einde bekend; dat geheel de aardbodem vergaan zal.--Onderricht den rechtvaardige, den zoon van Lamech, wat te doen, en zijne ziel zal in 't leven bewaard worden, en hy zal in der eeuwigheid ontkomen; en uit hem zal een plant geplant worden, die door alle geslachten in der eeuwigheid voortduren zal. En hij sprak tot Rafaël: Ga en werp Exaël met de handen en voeten gebonden in de duisternissen. Ontsluit de woestijn die in de woestijn Dodoël is, en werp hem daar weg, dat hy daar voortleve, op scherpe en ruwe steenen gelegen, en met de duisternissen bedekt.--En tot Gabriël sprak hij: Ga, Gabriël, naar de Reuzen, naar 't bastaard volk, de kinderen der hoerery, en verdelg de kinderen der Wachtëngelen door de handen der menschenkinderen. Doe hen tegen elkander oorlogvoeren ter vernieling; en laat de lengte hunner dagen tot de dagen hunner vaderen niet reiken.--En tot Michaël sprak hy: Ga Michaël, bind Semeïxa en alle zijne medestanders, zoo velen zich door vermenging met de dochteren der menschen besmet, en haar met hunne onreinheid bezoedeld hebben; en als hunne kinderen omgekomen zullen zijn, en zy de verdervende straf hunner gruwelen erkend zullen hebben, zult gy hen, den tijd lang van zeventig geslachten, in verholen plaatsen der aarde vastgekluisterd houden, tot den dag toe, die bestemd is om hen te recht te stellen.--En de Reuzen uit geestelijke en vleeschelijke wezens geboren, zullen op aarde Boze geesten genoemd worden, en hunne woning zal boven de aarde zijn."

Dit zal volstaan mogen, om te doen blijken, dat de grond dezer Fabel niet uit mij gesproten is. En het Dichtstuk-zelf zal bewijzen, in hoe verre ik van deze oude Mythologie (om het dus te noemen) gebruik heb gemaakt; of, eigenlijker gezegd, aanleiding genomen heb ter ontsluiting van eene geheel andere, alhoewel daarmede naauw samenhangende wareldmengeling van door één zwevende wezens van geheel verschillenden aart. Ook is by my het Reuzengeslacht niet uit eigenlijke Engelen of ingestelde Wachtgeesten, maar uit menschen, onsterflijke, doch van een verhevener aart, Engelen nabijkomende, en der Engelen speelgenooten, met één woord, Paradijsmenschen, gesproten, wier betrekking tot het vervallen nageslacht van den gemeenen Vader ongelijkbaar nader is, en aan de Verbeelding (dus koomt het my voor) minder tegen kan staan: alhoewel ik voor my, niet inzie, hoe, naar een redelijk begrip van 't gene men geestelijk en lichamelijk noemt, in zijn aart en wezen, ook zelfs de mogelijkheid der vermenging van geesten met menschen niet erkend zou mogen, ja moeten worden.

Niemand, verbeelde ik my, zal mij reden afvergen, veel min ter verantwoording roepen, over de onderstellingen, die ik my aanmatigde ten aanzien van den staat en gelegenheid van dien eersten en vernietigden wareldbodem, met het aardsch Paradijs samenhangende, en rivieren en streken behelzende, waarvan het aandenken by de benoeming des later ontbloten gronds wel heeft kunnen vernieuwd worden, maar die met het geheelal van dien bodem vernield en verbroken zijn. Mijne eigenlijke en byzondere denkwijze-zelve omtrent dien vroegeren wareldgrond, stemt reeds op verre na niet overeen met de Topografie, die ik hier als Dichter vereischt rekende; en hoe zoude ik haar derhalve buiten dat Dichterlijke doel kunnen of willen rechtvaardigen? Die zich met my op het grenzenloos meir der Poëzy inschepen wil, neme in mijn vaartuig, al ware 't een mosselschelp, en even zoo in den koers dien ik verkies te houden, genoegen, al wilde ik met de Grieken een zeer veranderlijk en misleidend gestarnte ten gids nemen. Die beter weet, stappe vrij uit en kieze zich een beter weg; ziedaar zijn recht, en het mijne!

Na deze herinneringen, vertrouw ik geen verdere voorafspraak of inleiding noodig te zijn. Indien ik hier iets by wilde voegen, het zou de versificatie betreffen, die zekerlijk in een Heldendicht ook in hare mechanic (gelijk men het noemt) vrij verscheiden dient te zijn van den gewoonlijken daaglijkschen trant, en niet slechts een hooger en fierder toon, maar daarby ook meer rijkheid, ruimte van omvang, en afwisseling te hebben, dan eenig ander soort van Poëzy hoegenaamd. Maar zal men die, in de thands plaats hebbende wanbegrippen omtrent dit gedeelte der Dichtkunst en de volslagen miskenning harer gronden, opmerken of onderscheiden? En zou zelfs al wat ik hiervan mocht willen aanduiden, niet geheel verloren zijn of misverstaan worden, zoo lang men aan Theoriën vasthoudt, die tegen de gronden tevens van taal, melodie, en natuurgevoel strijden, en die het gelukkig is dat zy, die er meê pronken, doorgaands in hun werk-zelf vergeten of over het hoofd zien? Zoo veel beter is blinde Natuurdrift dan bedorven verstand! Zekerlijk zoekt men hier ook in een Voorrede geen stelsel van Prozodie, dat in dit, als in elk Dichtstuk bestaan moet, en dus ook te vinden zijn voor die de aangeleerde lessen slechts aflegt, en dan onbevooroordeeld wil opmerken. Echter wenschte ik (kon de wensch slechts iets baten), dat men by de lezing niet alleen de verscheidenheden van klanken, die aan ieder der vokalen op zich-zelfs eigen zijn, wel in acht nam, maar ook inzonderheid mede de scheva, (die in onze taal zoo gemeen is,) waar zy niet als vokaal geschreven staat, echter gevoelen, zooal niet hooren, deed, en dus geen trom-len by voorbeeld, geen daaf-rend, geen herin-ren, geen eig-ne, of een-ge, uitsprak, zoo dat konzonant tegen konzonant stoot, en er geen de minste zweem meer van 't dactylische of anapestische (dat onze taal eigenaartig is, en waar al hare zoetvloeiendheid aan hangt,) overig blijft. En ik zeg even het zelfde ten aanzien van de eerste persoon in de werkwoorden, ik word, ik bid, ik spreek, ik zwijg; en dit vooral in de zoogenaamde Toevoegelijke wijze, als: op dat ik hier niet te veel over hoop haal. De belachlijke en alle taal verwoestende dolheid, van de ten opzichte van den klank altijd onvolkomen, en hoe langer hoe meer bedorven schrijfwijze of spelling, te willen naspreken, heeft (en menigwerven beklaagde ik dit,) oneindig veel toegebracht om onze heerlijke moederspraak van de haar eigenaartige kracht, nadruk en welklank te ontzetten, en brengt onze verzen allengs tot een louter geweld doen aan 't teder echt Nederlandsch gehoor, dat van ouds nevens het Italiaansche, het meest zangrig gevoel van alle Europische Natiën had. Wat my betreft; de Hemel behoede mijne schriften voor Lezers van zulk eenen stempel, en ik vrees niets zoo zeer, als dat dezen mijn verzen op hunne wijze welluidend zouden vinden. Ik heb voor omtrent vijftig jaren, die gemaakte, stijve, en in alles valsche uitspraak zien opkomen en veld winnen; en het was niet dan onder begunstiging van de Hoogduitsche domheid en betwetery, dat zy zich vestigde, en met al het overige wat Holland onthollandschte, samenliep, om het mox daturos progeniem vitiosiorem by ons in de onvoorbeeldigste kracht te verwezendlijken.

Dat ik in liet stuk van spelling altijd als tusschen het echte taaleigen en 't gebruik dat ik in mijnen tijd vestigen zag, ingeklemd zat, weet ieder. En ik ben overtuigd, dat eene volmaakte algemeenheid van spellen even zoo belachlijk en onzinnig is, als een algemeen vaststellen van eene bepaalde Staatsvorm, stelsel van belasting en dergelijke, welke alle middelen en geene doeleinden zijn, en dus, in alle opzichten, van allerlei byzondere en zich zeer ongelijke omstandigheden af moeten hangen; en die dus, zoodra als zy anders aangemerkt worden, onzinnige opofferingen zijn van waarheid, van plicht, en van rechten, waaraan men het heiligst ontzag verschuldigd is, en waar boven men niets op aard stellen mag. Maar de razerny dezer eeuw was reeds lang, a priori te willen zien, en dus scheppen, in plaats van, met wijzer tijdvakken, a posteriori te kennen en in te volgen; en daaruit rees noodwendig, dat het doel voor het middel moest onderdoen en de zaak-zelve aan het stelsel ten beste gegeven wierd. De Taal bestaat in geen letterfiguren, maar in levende klanken; deze te kennen te geven, en dit zoo na mogelijk, is al wat het schrijven beoogt, en de byoogmerken waardoor men iets meer wil, hebben altijd de nadeeligste invloeden gehad. En echter wy kunnen er ons, waar zy algemeen zijn geworden, niet geheel van losmaken, maar worden, als in 't Newtonianismus de planeten, tusschen de twee verschillende krachten, van eigen rechtstreeksche beweging, en van aantrekking, in vrij ongelijke kringen gesleept. Die ellips, hoezeer met zich zelve nooit gants eenvormig, houdt echter haar eigen gang, en deze gang is ten mijnen aanzien reeds lang bekend. Ik heb dus omtrent mijne spelling hier niets byzonders te melden, ten zij misschien dat ik ten gemak van den Lezer, den derden naamval (dien wy dan toch eenmaal, het moge in den grond met den aart der taal overeenkomen of niet, gewoon zijn geworden op zijn Latijnsch van den vierden te onderscheiden) waar het geschieden kan, met de apostrofe teekene, die in mijne jeugd bij alle gebogen naamvallen gebruikt werd; het geen ik ter vermeerdering van duidelijkheid, by ruime en somtijds veel omvattende volzinnen, niet onnuttig vind, doch niet te min, als al het willekeurige, gants niet aanprijze.--Liever had ik in de zinsnijdingen meer onderscheiding ingevoerd, daar ons buiten twijfel een minder of flaauwer snede dan het Komma, en een tusschenscheiding tusschen Kolon en Semikolon, ontbreekt, die elk kundig of liever verstandig lezer wel in acht neemt, doch moeilijk by een vaardig lezen, zonder eenige aanwijzing vooraf, weet te plaatsen. Doch in het algemeen is het waar, dat wy, om verzen of proza wel te doen gelden, een duidelijk en licht verstaanbaar teekenstelsel vermissen, het geen ieder zekerlijk voor zich-zelven, zoo wel als by 't onderwijs van de uitspraak der taal, uitdenkt; maar, by de ware muzyk der taal, nog iets meer behelzen kon, om recht nuttig te zijn. Doch dit kan uit den aart voor het algemeen niet geschikt zijn, het geen nogthands meer en bepaalder aanwijzing behoeft, dan onze vier zinteekens met de twee bykomstige van Uitroep en Vraag, opleveren. Het gebrekkige van deze zinteekens maakt ook dat zy van volzin tot volzin geene vaste en volstrekte maat van during aanwijzen kunnen, maar alleen eene betrekkelijke onderling in elken afzonderlijken volzin; zoo dat somtijds het Semikolon niet meer during dan elders het kommateeken heeft, en somtijds in tegendeel zich tot de langere rust van het volkomen kolon (de twee punten) uitstrekt. Dit in acht te nemen, en ieder volzin, als eenigermate een byzondere wijze van interpunctie hebbende, aan te merken, zal aanmerkelijk tot de klaarheid der rede toebrengen. De aanéenschakeling toch der volzinnen aan elkander, en de naamloze verscheidenheid daarin, is alleen uit hun vorm- en inhoud-zelven te kennen.

Doch wat trede ik in dit alles, als of het stuk Lezers, als of het belangstelling genoeg vinden zou, om wel gelezen, wel verstaan, en wel gesmaakt te worden!--Men schrijve dit aan geene zelfmisleiding toe, waarvoor ieders eigenliefde zeer vatbaar is, maar die by my onvereenigbaar zijn zou met den tegenwoordigen toestand onzer Letterkunde, zoo als ik haar in dit oogenblik zelf beschouwe.--Maar, indien geene zelfmisleiding, wat is het dan?--'t Is, Lezers dezer voorrede! eene bloot Dichterlijke omwandeling in de wareld van verbeelding, waarin 't my zoo dikwijls een lust, zoo dikwijls een behoefte is, uit te stappen; en die het zoo geheel vreemd niet is, zoo ik wel eens (men verweet het my somtijds, doch gunne men my deze troost, en misduide men 't niet!) met de werkelijke wareld, waar wy in leven, vermenge.

Leyden;

in Bloeimaand 1820.

DE ONDERGANG DER EERSTE WARELD.

EERSTE ZANG.

Ik zing den ondergang van d' eersten Wareldgrond, En 't menschdom dat, met Hel en Duivlen in verbond, In gruwelen verhard, Gods Hoogheid durfde trotsen En 't aardsche Paradijs beklautren langs zijn rotsen, Tot de Almacht, worstlens moê met Adams zondig bloed, Des aardrijks bodem sloopte en omkeerde in den vloed, Wat adem haalde op 't droog, van d' afgrond in deed zwelgen, Één huisgezin behield in 't algemeen verdelgen, En, op 't verbrijzeld puin in lager lucht verspreid, Het sterflijk kroost vernieuwde, en 't zaad der eeuwigheid.

Wien smeek ik, die mijn oog, ten hemel opgeheven, Die wareld weêr herbouw' en weêr herroep' in 't leven, Die, wat der waatren stroom in 't denkbeeld achterliet, In de eb der eeuwen met heur' afloop dreef in 't niet? Wie voert haar uit die nacht van 't ondoordringbaar duister Te rug?--U roep ik aan, ô Gy, wier hemelluister Tot d' afgrond doordringt, en den dag voert in 't gezicht, Waarheen gy d' opslag van uw Godlijk aanschijn richt!

Gy, Dichtkunst, 't zij ge omhoog aan 't hoofd der Englenchoren Gods lofzang aanstemt, die geen' weêrgalm schept in de ooren, Maar elken zenuwdraad en drupjen hemelsch bloed Bezielt, en op zijn toon welluidend trillen doet, En tot één' enklen zang, één zangtoon samenvlieten, Waar alles by beweegt en wegsmelt in 't genieten: Het zij ge, uitdeelster van Gods weldaân aan 't heelal, De harten hier omlaag met d' eigen hemelval By dropplen laaft, en 't heil der diamanten zalen Den stervling overbrengt in amethysten schalen: Gy! schiet uw Godheid in een' lichtstraal uit! Gebie, Die dart'le klanken niet van aardsche melodie, Waarop de weelde en lust met lichtgeschoeide voeten, In hupplend nachtgebaar den bleeken morgen groeten, En 't lachende vermaak den kommer drukt in 't hart:-- Neen, schep hier klanken, waard den Koninklijken Bard, Wen hy 't Onsterflijk oog, op de aarde neêrgeslagen, 't Gevallen menschdom toont, en Godlijk laat beklagen! Schep tonen, waar de ziel in huppelt tot Gods eer! Of, Dichtkunst, wees my ziel; geen Dicht- geen Zangkunst meer! Gevoele ik slechts door U! beveel, doordring mijn zinnen! Voer, voer my d' afgrond door en hoogste hemeltinnen, Waar de aadlaar van het zwerk de wieken druipt, en geef Den Zanger vleugelen waarop hy zeker zweef; Of, valt hy, laat zijn val die Almacbt niet onteeren, Wier wraak hy zingt!--

Maar Gy, die boven 's Hemels sfeeren Aan 's Vaders rechterhand den ongeschapen throon Beklomt: Gy, God uit God, en menschgeworden Zoon! Gy die, in 't graf gedaald, ook d' eersten wareldvolken Uw vrede en zoenbloed bracht in de onderaardsche kolken, Waar ze, in een ijzren nacht gekerkerd, hunnen band Verbroken zagen door uw zegerijke hand! [1] Verlosser! zie, zie neêr op dit vermetel pogen! Begunstig 't, is 't iets meer dan Dichterlijke logen; Maar, stijgt het stouter dan eens Christens Godsvrucht past, Verstoor het uit genade, en leg mijn' waanzin vast!

Aartsvader Adam had, met twee paar rijen neven, Natuur den tol betaald, den stervling voorgeschreven; En 't menschelijk geslacht, het aardrijk overspreid, Zich reeds, naar 't Godlijk woord, vertalrijkt uitgebreid. In steden saamgeschoold, beschut voor 't overvallen Met ondoordringbaar woud of opgeworpen wallen, Bebouwde 't, met een' arm door d' arbeid sterkgespierd, Zijne akkers, zonder vrees voor 't woeste roofgediert'; Of 't zwierf, met draagbre tent, en zuivelrijke lammeren, De bergvalleien langs, te vreden in zijn jammeren. Het fiere Hanoch, 't oudst der burchten, stak het hoofd In 't uiterst Oost omhoog, van d'ochtendgloed gestoofd, En telde, als moederstad, van Land- tot Landgewesten, Een overtalrijk kroost in meer bekrompen vesten, Tot waar de Hiddekel by d'avondgroet der zon, Zijn' Westelijksten tak te rug boog naar zijn bron, Om, dwars door 't steil gebergt', in slorpende aard bedolven, Een' weg te zoeken ter ontlasting van zijn golven. De middelvlakte was van Gihons kil besproeid, Met Pizon, arm in arm, doorstrengeld en doorvloeid, En zag, door cederbosch, en palmen, en olijven, Den Frath zijn' sneller stroom naar de open zeekust drijven Alwaar de middagzon zich spiegelde uit het Zuid, En strekte een heuvlenrij naar Hanochs landpaal uit. Het Noorden, door een' muur van hoog gebergt' omsloten, Weêrhield den stormwind daar, die, 't aspunt afgeschoten, Het landomvaâmend meir van uit zijn kolken joeg, Om 't droog te omspoelen dat des aardrijks rug besloeg.-- Een koopren schild gelijk, dat zwellende uitgebogen, Zich opheft uit zijn rand, met blaauwend staal omtogen. En door 't geweld des krijgs met bult en bluts bedekt, Lag daar 't bewoonbaar vlak, van oost naar west gestrekt. Zijn bodem was graniet, met aardmulm overtrokken. Men zag geen menigte dooreen geworpen brokken Van rots 't eenvormig strand, of, midden in het meir, De golven scheiden, of geen spits het hemelsch heir Verbergen. 't Was één land, van éénen plasch omgeven: Één eiland, in één zee; geen andre kust daar neven. Één bergrij, vlak van kruin, omheinde 't voor het Noord, En bracht den fieren pijn en statige olmen voort.

Geen heuvels, dan alleen waar zachte beekjens gleden, Die, wellende uit den grond zijn bovenkorst doorsneden, En in de vlakte zich verloren, of hun nat Den stroomen huwden, eerst in Edens Hof ontspat. Één hooger grond alleen, in nevelen en wolken Gehuld, verborg dien Hof aan 't kortziend oog der volken, Waar nog des Levens boom zijne appels, maar de tronk Der Kennis, bladers en onvruchtbre bloesems schonk, Sints 't doodelijk vergrijp der Oudren, door zijn vruchten Verlokt. Een zoete walm van balsemige luchten Doorwaaiden uit dien hoek de lager liggende aard, By wijlen zoeter dan de Lenterozengaard Waar 't bietjen honig puurt en dartle nachtegalen In zwijmen van vermaak; maar de omgelegen dalen Erkenden 't aan dit merk noch aan de onzichtbre wacht Van Hemelingen die 't omzwierden dag en nacht.

De stam van Kaïn hief, in weinige geslachten Zich boven 't zaad van Seth. Door meerderheid van krachten, Door yver, altijd schrap op voordeel, buit, of baat, Niet sluimrend in de rust, noch zorgloos tegen 't kwaad, En, door een' schrandren geest, by 't forsche lijf, gesteven, Scheen de eerstling na den val nog in zijn kroost te leven: Die zoon, dien Eva groette als nieuwgeboren' God, Die de aard verzoenen zou van 't doodlijk proefgebod! [2] Hoe blind in 't lot, helaas! Wat zaagt ge, ontroerde Moeder, In hem den moorder niet van zijn' godvruchten broeder, Gods lust en de uwe? Maar Gods goedheid spaarde uw hart Het aaklig voorgevoel der grievendste oudrensmart; Te vroeg nog trof zy u.--De wakkre Kaïnieten Bedekten de aard weldra, sints Abels bloedvergieten Hunn' stamheer, met den vloek geteekend van dien moord, Naar 't diepst van 't Oosten dreef en Pizons slinkerboord, Om aan der heuv'len voet, waar Ur en Ets zich voegen, In eenzaam zelfverwijt een ledig erf te ploegen. Dat erf werd eigendom, en dierbaar, zelfs door 't zweet Dat druppelde op zijn zand; maar dierbrer nog om 't leed Des zwervens, daar verpoosd; hoogst dierbaar, door de panden

Van 't vruchtbaar huwlijksbed. Met opgeheven handen Riep Kaïn, toen zijn zoon, zijn Hanoch, hem gewierd, Den God des zegens toe: "Gy hebt gezegevierd! 'k Verhard mijn borst niet meer, ik zink in tranen neder, ô Almacht! ja 'k versmelt, mijn ziel werd week en teder, Ze is menschlijk. 'k Ben, ô God, 'k ben vader, 'k voel het bloed Van vader in dit hart, 't verandert my 't gemoed. Twist' kinderlooze met uw Almacht! Vloek' verwaten Zich-zelf' en U, en dwing' zijn boezem zich tot haten, Die in 't aanvallig kind zich-zelven niet herteelt, Geen hemel aanblikt in den aanblik van zijn beeld! Ik kan niet langer.... niet verstokt zijn, Uw genade Niet trotsen; neen, mijn God! Ik heb en kroost en gade; ô! Wijt hun 't misdrijf niet van vader en gemaal! Straf, straf me, ach! niet in die in wie ik ademhaal! Dit: dit-alleen is straf, dit, lijden voor een' Vader! 'k Aanbid U, God! genâ voor d' eersten plichtversmader! Mijn oudren zondigden; ik trapte in dollen zin My-zelven, U ter spijt, het hart, de ribben in, Ik doodde, in Abels dood, my 't leven van het leven. ô! Zegen thands mijn kroost, en 'k zal, u dankbaar, sneven."

Hier zeeg hij spraakloos neêr, in tranen als versmoord. Men zegt, een Engel stortte, op 't uitgesproken woord, Een' hemeldaauwdrop op zijn voorhoofd, die het teeken Des bloedvleks, als een schim by d'ochtend, deed verbleeken, En 't uitgewischt had, had aan 't wraakgeschrei der aard De vloek zijns vaders zich, by 't misdrijf, niet gepaard.

Hoe 't zij, hij rees verkwikt, en aâmde een ander leven, Aan Hanochs voedstergrond werd Hanochs naam gegeven. En 't uitgestrekte Nod, tot d'oever van den Frath, Werd één vereenigd Rijk met Hanochs bakermat. Sinds zette 't volkrijk land, tot aan den boord van 't Westen Langs elken landstroom uit, in honderden van vesten. Gelukkig, zoo hun ziel bij overvloed en macht Geen' God vergeten had, geen zede en deugd verkracht; Of zoo de dartelheid der ongebonden weelde In gruwlen maat behield, noch snood- uit snoodheên teelde!