# De ondergang der Eerste Wareld

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-ondergang-der-eerste-wareld-8468/index.md

Maar vooral wordt de overeenkomst treffend, wanneer men zich herinnert, dat Prometheus bij Eschylus daarom vooral als bij der goden opperhoofd gehaat en gevreesd wordt voorgesteld, omdat hem bekend is, wie eenmaal de regeering van Zeus en der zijnen met eene onweêrstaanbare kracht zal te niet doen, en hij daarom op de macht van Zeus, als op iets voorbijgaands en kortstondigs, neêrziet [38]; terwijl de Segol van B., na eerst voor de dienst der goden die in de lucht heerschen, en wier vereering de Paradijsgeesten zich aantrekken, [39] onverschillig geweest te zijn, die eindelijk veracht, omdat hij een grooter en machtiger God heeft leeren kennen, voor wien de gansche wereld bukken moet. Zegt dan Prometheus bij Eschylus: [40]

Gaat, bidt, demoedig smeekend, elk gebieder aan! Door mij wordt Zeus nog minder dan een niet geacht. Hij moog zich machtig toonen voor een korten tijd, Zooveel hij wil: beklijven zal zijn rijksmacht niet.

Wij hooren den weerklank bij Segol: [41]

Doch hoort me, en offert thands geen mindren Hemelmachten, Geen stargevonkel, doof voor menschelijke klachten; Maar 't Wezen dat omhoog op al wat is gebiedt: Hem eere onze outerdienst! De luchtgoôn achte ik niet.

en waar hij dus spreekt: [42]

--ijdle spoken, Vergaan zy die voortaan op uwe altaren rooken!

Heeft nu, bij liet ontwerpen van het beeld van den weldoener des menschdoms op aarde, en des bestrijders der hemeltergende Reuzen, de persoon van Prometheus Bilderdijk voor den geest gestaan, zooals ik meen, dat verschillende samenloopende trekken aanwijzen; dan is het geen wonder, dat hij daarbij ook gedacht heeft aan eene bijzonderheid dezen mythologischen persoon betreffend, die wel van Eschylus niet vermeld, maar zoo algemeen bekend is, dat men nauwelijks aan Prometheus denken kan, zonder zich deze te herinneren, ik bedoel de fabel, die wij reeds bij Hesiodus, in de Werken en Dagen, [43] vinden, volgens welke de weldaden door Prometheus aan de menschen bewezen, verijdeld werden door de tusschenkomst eener vrouw, die de goden, om hem te verschalken, met allerlei gaven en bekoorlijkheden begiftigd hadden. Deze vrouw, deze Pandora, zag, indien ik mij niet bedrieg, B. in Zilfa; en hij had haar zoodanig karakter gegeven, dat zij eenmaal, in de hand van hoogere wezens, het noodlottige werktuig kon worden om Segol ten val te brengen, en wat hij voor de menschen deed onvruchtbaar te maken tot hun behoud. De eerste schakels dezer keten zijn, om zoo te spreken, gesmeed in het bestaande gedeelte van het gedicht, het bezit van Zilfa wordt Segol ontnomen, en hij ontvangt een onvolledig en afgebroken bericht, dat zij uit de verwoesting, die haar verblijf getroffen heeft, "gered is". [44] Is mijn vermoeden gegrond; heeft het gezag der Paradijsgeesten, als van goden, de woede der Reuzen, op welke wijze dan ook, beteugeld, en Zilfa, als eene Iphigenia, aan het offerfeest door hen bereid onttrokken, om in haar een middel machtig te worden ter omzetting van het hart van Segol, wanneer zij het noodig zullen oordeelen; dan is het ook eene dankbare verdichting, dat het in de macht dier bovenmenschelijke wezens lag, Zilfa tot het uitoefenen van dien invloed door bijzondere gaven bekwaam te maken. Hiertoe moest het karakter van Zilfa medewerken, en zooals wij zeiden, de sporen der zwakheid, die haar en haar echtgenoot noodlottig zullen zijn, zijn reeds duidelijk aanwezig in hetgeen wij van het gedicht bezitten. Die zwakheid moest Segol de aanleiding worden tot het begaan van een enkelen, zijn groot karakter niet onwaardigen en niet onvergeeflijken misstap, maar van de ontzettendste en de verst grijpende gevolgen. Voorbeduidsels dezer rampen vinden wij in de droomgezichten, die, op onderscheidene plaatsen van den Epos, aan de beide echtgenooten voorkomen. Het een en ander verdient eene nadere beschouwing.

Het karakter dezer twee personen en hunne verhouding tot elkander heeft de dichter zeer duidelijk uit doen komen in hun gesprek, door hem in den IIIen Zang [45] geplaatst. Segol, tot het koningschap der Aarde verheven, vat dadelijk het voornemen op om de Reuzen in de bergachtig noordwaarts gelegen streek van Arbal, van waar zij hun uitvallen op de nog door de Kaïnieten bezeten landen doen, te gaan bestrijden. Maar de zorgen die hem als koning en veldheer bezig houden, doen hem zijn echtgenoot Zilfa niet vergeten, aan wie, schoon hij haar bijzijn aan zijn gewichtige plichten op kan offeren, hij eenig en op het teederst gehecht is. Hij vreest dat, indien hij haar in het meer zuidwaarts gelegen Bethur, zijn vaderlijk gebied, achterlaat, zij aan een dier onverhoedsche aanvallen des erfvijands bloot zal staan, als reeds in vroeger tijd dit landschap getroffen hebben: hij wil haar dus in een verafgelegen burcht, in de landpalen van Seth, in veiligheid doen brengen. Op het vernemen van dit besluit wordt Zilfa, verre van zijne zorgzame liefde te erkennen, door eene jaloersche achterdocht aangegrepen, meenende dat hij haar van de hand wijst, omdat zijn liefde tot haar verflauwd is; en zij gaat zoo verre in hare veronderstelling, dat zij zich bereid verklaart, liever dan zijn bijzijn te missen, het huwelijksbed met de haar, als zij waant, voorgetrokken echtgenoot te deelen. Segol stelt haar met waardigheid en teederheid gerust, maar laat zich niet van zijn voornemen afbrengen, en eindigt met als koning te gebieden wat hij tot haar welzijn beslist heeft, en waarin zij, alles behalven tevreden berust. Dit gesprek, dat, vooral in de persoon van Zilfa, juist niet uitblinkt door een hoog epischen toon, zou noodeloos den gang van het verhaal storen, indien hier niet de kiem gelegd was der gebeurtenissen, die zich uit de jaloerschheid van Zilfa en de vurige liefde van haar gemaal tot haar, onder den invloed der in dit gedicht handelende bovenmenschelijke wezens, moesten ontwikkelen. Maar wij moeten, eer wij die gebeurtenissen in hare voorbeduidsels aangekondigd zien, nog een oogenblik bij deze zeer samengestelde epische machine stilstaan.

Wanneer wij onze aandacht vestigen op het ons in dezen Epos voorgestelde Geestendom, dan vinden wij: vooreerst den minnaar van Elpine, den in het apocryfe boek van Henoch, door Bilderdijk in zijn voorrede aangehaald, [46] als aanvoerder der Paradijsgeesten genoemden Séméïxas (of Semeaza), die in zijn hart zwanger gaat van het nog niet aan zijne broeders medegedeelde denkbeeld, van Eden, aan het hoofd der Reuzen, met geweld te herwinnen:--vervolgens, de Paradijsgeesten zelven, die, uit wrevel om hun verbanning uit Eden en uit vrees voor het behoud van de uit hun gesproten Reuzen, voor het meerendeel zich niet ongenegen toonen om, ter bestrijding der tegen het gebied der Reuzen opgestane Kaïnieten, met de Hel in bondgenootschap te treden, terwijl sommigen nog weifelen, en alleen de zachtzinnige Fuäl dit denkbeeld volstrekt verwerpt en verafschuwt; [47] en eindelijk de Helsche Geesten, van welke, zoover het gedicht loopt, nog slechts een voorpost, door Satan op aarde uitgezet, ons vertoond wordt, en onder wie een zekere tweespalt heerscht: daar sommigen bloot door moord en verwoesting de verdelging van het menschelijk geslacht beoogen, terwijl anderen, en de meest door hun opperhoofd geachten, door list dit verderfelijk doel zekerder meenen te bereiken. [48] En nu mogen wij hieruit opmaken, dat wanneer eenmaal, door den loop der gebeurtenissen gedrongen, de Paradijsgeesten zich tot verdediging der meer en meer bedreigde Reuzen nauwer aan die Duivelen aansluiten, het middel door hen beraamd, om Segol tot het belang der Reuzen over te halen, uit zal loopen op het verderf der Reuzen zelven en van heel het menschelijk geslacht.

Zoo ontdekt men met eenige waarschijnlijkheid de beteekenis der voorbeduidsels, die in den loop van het gedicht, de beide echtgenooten treffen. Zilfa, [49] in de beslissende nacht, die de ten troon verheffing van haar gemaal voorafgaat, ziet eerst halfwakend, "in mijmering verzonken," woede en moord" die haar bedreigen. Het is de aanval der Reuzen op haar verblijf te Bethur. Daarna, zich zelf "voor 't outer keelen". Dit is het offerfeest der overwinnende Reuzen, waarin zij zelve voor het outer ten offer bestemd zal zijn. Eindelijk "den donder die haar Ega 't hoofd verplet": het is de wraak der op de sterren en in de lucht heerschende [50] Paradijsgeesten, om de nederlaag van hun Reuzenkroost op Segol verbolgen. Maar in een "droom" vervallen, dringt haar gezicht in de verdere toekomst. Zij ziet zich met haar echtgenoot in een woestijn verlaten; het bloed van den door monsters aangegrimden en mishandelden Segol op haar kleven, en zich zelve met hem in de ontzettendste natuurtooneelen, waarin men duidelijk den zondvloed erkent, omkomen.

Ook Segol ontvangt zoodanige waarschuwende teekenen. [51] Eerst, naar 't voorkomt, als werktuig bedoeld door den listigste der Hellegeesten (Sadrach), die in de gedaante van zijn voorvader Hanoch hem verschijnt, en in zijn slaap aanspoort om, na den val van zijn broeder Argostan, naar de opperheerschappij der Aarde te staan, slaagt hij in dit voornemen. Hij wordt door het volk gekozen, met een snoer (let wel!) aan de altaren der valsche goden ontleend gewijd; en beschouwt zich daarna als regeerend door den wil des volks, en, als dien wil vertegenwoordigend, tot aller gehoorzaamheid gerechtigd. [52] Maar zoodra hij onder zijn oorlogsbedrijven, in een kommervolle nacht, door het hooren van een offerzang van Seth, schoon hem die door zijn bloedverwant Regol, een onverschilligen wereldling, wordt voorgedragen, kennis ontvangt van den eenigen waren God, voelt hij zich gedrongen om dien God alleen alle oppermacht op Aarde toe te kennen, en den dienst der Luchtgoden, die hij even als zijn broeder altijd met weêrzin heeft aangezien, te verwerpen. [53] Ook hem wordt het dan in een droom vergund een blik in de toekomst te slaan. [54] Het beeld van Hanoch verschijnt hem opnieuw; niet met de trekken der afgeleefdheid door den Duivel aangenomen, maar als der onsterfelijkheid deelachtig, stralende van heerlijkheid, en hem den zegen des Hemels op zijne bekeering met opgeheven handen verkondigend;--maar dit licht wordt onderschept, door "een nachtzwerm van gevogelt", die de verleidingen van booze machten voorstelt, waardoor zijn ziel weder verduisterd zal worden; en hierop eindelijk volgt de voorstelling der wroeging en der mishandeling, die uit dien val voort moet vloeien, door slangenbeten verbeeld, die zijn hart pijnigen,--"dat steeds aangroeit onder 't leed":--met kennelijk terugzicht op de foltering van Prometheus.

Wanneer men nu gissen wil, langs welk eene reeks van gebeurtenissen de dichter ons tot die uitkomst zou geleid hebben, dan moeten wij eerst den blik op zijn tijdrekenkunde slaan, om eenigszins te bepalen, op welk een afstand wij ons nog van den zondvloed bevinden: eene beschouwing die, naar het mij voorkomt, door Da Costa te veel is uit het oog verloren. Het blijkt ons dan, dat daar waar de dichter de naaste wereldgebeurtenissen ophaalt, die het begin der handeling door hem bezongen zijn voorafgegaan, [55] hij ruim twee eeuwen achteruit treedt; dat is tot dien Aartsvader onder wien het apocryfe boek aan Henoch toegeschreven het ontstaan der Reuzen vermeldt. Maar daar waar de handeling die het eigenlijk onderwerp van het gedicht uitmaakt, begonnen is [56] wordt gezegd, dat reeds "zes geslachten" na Adam zijn voorbij gegaan: hiermede worden wij verplaatst onder het geslacht van Methusalah, die elders [57] als de opvoeder van Elpine genoemd wordt, en die, volgens de tijdrekenkunde van het O. V., in het jaar zelf waarin de zondvloed uitbrak, gestorven is. Zoodat men als waarschijnlijk kan stellen, dat waar de epische handeling begint, men zich op geen verwijderd tijdstip van de groote omkeering bevindt.

Om dit nog juister te beseffen moet men zich herinneren, dat waar de dichter op de twee voorgaande eeuwen een blik slaat, hij tot vijf onderscheidene historische tijdvakken doorloopt, die elk vele jaren behoefden tot hun afloop. Het 1e, van het verschijnen der Reuzen op Aarde uit de noordelijke streken, meermalen Arbal genoemd, en hun allengs zich van daar verheffende macht:--het tweede, van hun uitval uit die streken, gevolgd van de vermeestering van Hanoch, de hoofdplaats van het Rijk der Kaïnieten, en van de verwoesting van het dal van Hemath, de schoone landstreek zich zuidwaarts uitstrekkende naar Bethur, het vaderlijk verblijf van Segol;--het 3e, van de terugwerking der Kaïnieten tegen deze overweldiging en van oorlogvoering tegen de Reuzen, tot deze in het Noorden worden teruggedrongen;--ten 4e, van een vijftigjarigen vrede en van een vernieuwden voorspoed voor de Kaïnieten, met wie het versmeltend overschot der met hen in afgoderij vervallen Sethieten zich vereenigd heeft:--en eindelijk ten 5e, van een nog geduchteren inval der Reuzen: waardoor Hanoch opnieuw veroverd wordt met het land tot aan de Nilho, terwijl het aan de andere zijde van dien stroom gelegen dal van Hemath met Bethur telkens gedreigd en geteisterd wordt door de macht der Reuzen, die zich nu voor goed in het Oosten gevestigd en Hanoch tot zetel heeft, eenige beschaving heeft aangenomen, althans het genot der weelde heeft leeren kennen, en van daar het lot der cijnsbaarheid aan haar gezag aan de gansche Aarde op wil leggen.

Hier volgen dan de gebeurtenissen waar het eigenlijk onderwerp van den Epos zich aan vastknoopt, en die men aandachtig in het fragment volgen moet, zal men zich een juist denkbeeld maken van de voortzetting van het geheel. Tegen de tyrannieke eischen der Reuzen is het dat Segols broeder van moederszijde, Argostan, aan het hoofd van een Kaïnietisch leger zich verzet. Maar hij bezwijkt in een oproer en onderlinge slachting, onder zijn leger, door zijne oneerbiedigheid jegens de afgoden, verwekt; en Segol volgt hem op, door het volk daartoe gekozen, dat zelfvernietiging vreest uit de onderlinge twisten. De krijgsbedrijven van Segol, tegen Arbel, het broeinest der Reuzen, gericht, vervullen grootendeels het overige van het epische fragment. Het behelst zijne eerste overwinningen, door krijgskundig beleid op blinde kracht en woede behaald; de vreugde over dit voordeel gestoord door een aanval, achter zijn leger om uit het Zuiden volvoerd, waardoor Zilfa hem ontroofd wordt; zijn besluit om aan het hoofd van een gering aantal strijders heimelijk zich naar Bethur te begeven, dat op die wijze verras is; zijn tocht daarheen en zijn ontmoeting met de jagers uit het Westen, die zijn dagvaarding als hulptroepen had opgeroepen; maar waarvan hij de helft, met zijn keurtroep door de pest aangetast, aan de oevers van den Frath achter moet laten, terwijl hij met de andere helft stuit op den zegevierenden hoop der Reuzen, die Bethur geplunderd heeft, maar door hem overwonnen en verstrooid wordt. Zoo is dan het leger der Kaïnieten, daar waar het fragment eindigt, op drie plaatsen verspreid: als ten 1e, het gros van het leger dat in het dal van Hemath is teruggebleven; ten 2e, de door de pest met de jagers gedeeltelijk aangetaste keurtroep, die bij den Frath is achtergelaten, en ten 3e een gering gedeelte van die strijdkrachten, die met de Reuzen, die het Zuiden geplunderd hebben slaags geweest is. Het is na dien slag, dat Segol, als hij voor deze zijne krijgsmacht volmondig het oppergezag van den Eenigen God erkend heeft, voor aller oogen in een meer dan menschelijk voorkomen verheerlijkt wordt en, waarschijnlijk, tot een hooger aanschouwing der waarheid hemelwaarts wordt opgenomen; waaruit men mag afleiden, dat het in de bedoeling des dichters lag, hem na dit gezicht, dat de onsterfelijke pen niet ten einde toe beschreven heeft, op een ander tooneel te verplaatsen.

De veronderstelling biedt zich aan, dat door deze verplaatsing de held in aanraking gekomen zou zijn met Noach, naar wiens ontmoeting hij het verlangen reeds geuit heeft [58]; welke opwelling van Segol Bilderdijk in zijn voorrede [59] heeft aangeduid, als een voorbereiding om Noach te doen "optreden." Men moet evenwel dit woord, naar alle waarschijnlijkheid, niet opvatten in dien zin, alsof de Aartsvader zelf gemengd zou zijn geraakt in de gebeurtenissen, die de zanger zich voorstelde te doen hooren. Het blijkt uit de aanwijzing, aan Segol gedaan [60], der woonplaats van het aartsvaderlijk gezin, dat het zich niet meer in de gemakkelijk te bereiken landpalen van Seth, aan de Westkust der Aarde, maar aan den tegenovergestelden kant, op het hooge gebergte achter de velden van het door de Reuzen onveilige Arbal bevindt; waar het, van het menschdom afgezonderd, bijkans vergeten leeft. Men kan zich voorstellen, hoe de Aartsvader, als later met Abraham geschiedde, om niet in de afgoderij zijner stamgenooten te vervallen, verre van hen is afgeroepen, onder een geheel hem vreemde, doch voor hem niet gevaarlijke woestheid: en de dichter heeft aanleiding gevonden tot die voorstelling in het door hem vermelde apocryfe boek aan Henoch toegeschreven, waar God den Aartsengel Uriël tot Noach zendt met den last: "zeg hem in mijnen naam: verberg u zelven: en maak hem het naderend einde bekend, dat geheel de aardbodem vergaan zal." [61] Ook valt het niet moeielijk wanneer men het door den dichter ontworpen kaartje van de, ik mag zeggen, door hem geschapen eerste wereld inziet, te bevroeden, dat zich op de N. Oostelijke kust dier wereld de geschikte bosschen bevonden, op de teekening afgebeeld, die tot den bouw der Arke geschikt waren.

Dit evenwel zij in 't algemeen omtrent het gebruik van dit kaartje opgemerkt: dat het niet overal, aandachtig beschouwd, met het gedicht is overeen te brengen; hetzij de dichter onder het bewerken van zijn plan daarvan afging; hetzij hij het later voor de uitgave van het fragment ontwierp, toen alle deelen van zijn bestek hem niet even levendig voor den geest stonden. Want ook dit behoorde tot de redenen, die hem van het wederopvatten van zijn meesterwerk afschrikten, ja, die het hem "onmogelijk" maakten, als hij eens den schrijver dezer regelen betuigde, toen deze, met jeugdige vrijmoedigheid, zich veroorloofde hem daartoe aan te sporen.

Het was naar diezelfde streken van Arbal dat de dichter de stappen van Elpine richtte, daar waar zij voor't laatst in het fragment vermeld wordt. [62] Hij voert haar aldaar, nadat zij haar minnaar voor eeuwig van zich heeft afgewezen, door "het palmbosch" dat zich van den Nival noordwaarts tot de "zandvalleien" van Arbal uitstrekte; en geeft te kennen dat zij in die richting voortging, door de vermelding der eikenbosschen tot welke zij kwam, die, in tegenstelling met de palmen, een meer noordelijke streek voor de verbeelding roepen. En wat was ook natuurlijker, wanneer men eenmaal vasthoudt dat het aartsvaderlijk gezin zich reeds in Arbal bevond, dan deze beweging aan Elpine toe te schrijven, met de bedoeling van zich weder onder de hoede van haar pleegvader Methusalah te begeven, om in zijn schoot den ontzachlijken vijand van haar rust te vergeten, die haar verleid had om in zijne liefde te deelen, en bij wien het denkbeeld rijpte van zich in opstand tegen God te begeven.

Wanneer men in 't oog houdt dat de dichter dus zijn beide hoofdpersonen naar de streek door het aartsvaderlijk gezin bewoond gelijktijdig richtte, ligt het voor de hand te veronderstellen, dat zij zich daar ontmoeten zouden, en dit met een bepaald oogmerk des dichters, dat ook Da Costa geraden heeft, om hen aldaar bekend te maken met den band van bloedverwantschap die tusschen hen, naar zijn ontwerp, bestond. D. C. veronderstelt, [63] dat Elpine als de volle zuster van Argostan, Segols halven broeder, zou zijn erkend geworden; maar hetgeen B. zelf heeft te kennen gegeven, doelt op een nauweren band tusschen Segol zelf en Elpine. Immers Segol was de zoon van den Vorst van Bethur; [64] en het was uit dit Bethur dat Elpine, als een kind in de wieg door de Reuzen geroofd, [65] en vermoedelijk naar Arbal vervoerd was, waar zij, kunnen wij ons voorstellen, door Methusalah aan hunne handen onttrokken was, met het gezag dat soms op de meest barbaarsche volken hooge ouderdom met heiligheid van zeden gepaard uitoefende, waarvan de geschiedenis der invallen der noordsche volken in het Romeinsche Rijk, als die der middeleeuwen, merkwaardige voorbeelden heeft opgeteekend.

Men kan zich eenigszins verbeelden hoe Segol, uit die heilige omgeving op het woelige tooneel der Aarde teruggekeerd, als een Mozes van den Sinaï, geërgerd als deze zou worden door de afgoderij, en tegen haar dien kamp zou aanvangen, waartegen de voorzichtige en op dit punt onverschillige grijsaart Regol hem gewaarschuwd had. [66] Maar ook hoe zijn hart verdeeld en getrokken zou zijn door de gedachte aan Zilfa, die hij zou kunnen veronderstellen dat, om hare bekoorlijkheden, naar Hanoch, thans den hoofdzetel en hofstad van het Reuzenrijk, vervoerd was. Immers dit Hanoch, "'t omwalde Hanoch" genoemd, [67] dat de dichter reeds in den aanhef van zijn verhaal dus beschrijft: (Ie Z. vs. 65, volgg).

Het fiere Hanoch, 't oudst der burchten, stak het hoofd In 't uiterst Oost omhoog, van d'uchtendgloed gestoofd; En telde als moederstad, van Land- tot Landgewesten, Een overtalrijk kroost in meer bekrompen vesten:

die hoofdstad was voor de tweede maal in handen der Reuzen gevallen, die daar den zetel hunner macht gevestigd hadden en zich de weelde der Kaïnieten hadden laten welgevallen. Het was aldaar, als de dichter zingt, [68] dat hun volk

Verslingerde op 't genot der zoetheên van het leven; Maar machtloos om zich zelv' dat streelend lot te geven: 't Bood vrede, of eer, 't gebood, op naam van vreêverdrag, Geschenken, cynsbaarheid en Opperstaatsgezag------ Men eischte 't meerendeel van vee en akkergaven, Ten jaarlijksch schattingrecht; en duizenden van slaven, En maagden; hemelschoon, met trippelenden voet, En wulpsch van zangstem, ter ontsteking van het bloed, Op luitspel afgerecht en dartle schouwgebaren; En bergen smijdig goud, gezuiverd uit zijne aâren; Robijn uit Pizons kil en hellen diamant; En d' eelsten roofschat van het parelvoedend strand.

En reeds "tien stammen" hadden zich aan dien eisch onderworpen.

Het was ook in dit Hanoch dat de dichter voor ons dien vorst der Reuzen zou hebben doen optreden, wiens naam in het gemelde boek van den Pseudo-Henoch gespeld wordt; dien Exaël, [69] aan wien verschillende uitvindingen daar worden toegeschreven: als in de eerste plaats die tot de verbetering van wapentuigen en het smeden der metalen betrekking hebben, die, als uit het voorgaande waarschijnlijk is geworden, de dichter voor het krijgskundig genie van zijn held gespaard had; maar ook daarenboven die daarmeê strijdige uitvindsels van verregaande weelde en pracht, die blijkbaar door den dichter zijn in 't oog gehouden bij den zooeven vermelden eisch van cijnsbaarheid. En wanneer wij nu hierbij opmerken dat Bilderdijk, in zijne aanhaling uit het apocryfe boek, ook niet verzuimd heeft op te teekenen, dat onder dien Exaël "de uitvinding der kunst van tooveren en onttooveren, der sterrekunst enz." vermeld wordt, dan valt het in 't oog hoe, in den offerzang der Kaïnieten, [70] de Maan, met bijzonderen zwier van woorden, als eene Hécaté wordt aangeroepen, en men vindt grond tot de veronderstelling, dat ook eenige verdichting aan deze overlevering ontleend den Epos zou versierd hebben.

Na de vooropzetting van deze opmerkingen en veronderstellingen, wagen wij het, als in een ruwen omtrek, den vermoedelijken inhoud te doen volgen der zangen, waarin deze Epos zich verder zou hebben ontwikkeld. Niet, dat wij dit kort-begrip willen beschouwd hebben als noodzakelijke slotsom uit het voorafgegane op te maken; maar als de mogelijke, en misschien in sommige deelen waarschijnlijke gevolgtrekking, door de dichterlijke logica uit deze prémissen afgeleid.

Slot van den 5en Zang.

