De ondergang der Eerste Wareld

Part 11

Chapter 11 3,842 words Public domain Markdown

D. C. schrijft het hier beschreven geluid toe aan de booze geesten: verg. zijn aant. op vs. 335. Er is echter van een onmiddellijk nabij zijn dier wezens niet gesproken: zooals b. v. in den IIen Z. vs. 504; en zoo, op zichzelf genomen, schijnen deze woorden ter tekennengeving van zoodanige bedoeling des dichters niet genoegzaam. Ik meende dat wij hier te doen hadden met eene dier hyperbolische vergelijkingen als soms bij de epische dichters voorkomen, en dat de geheele plaats op het knarstanden des Konings moet worden toegepast.

Ve Zang, vs. 350, bl. 80, rl. 15 v. b.

--Tot nieuwe krijgsbedrijven Gesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet.

Men moet de woorden "Tot nieuwe krijgsbedrijven gesterkt" voegen bij het woord "heldenstoet", als las men: van zulk een heldenstoet, als hij tot nieuwe krijgsbedrijven gesterkt zal zijn, wat mag ik daarvan verwachten.

Ve Zang, vs. 409, bl. 82, rl. 5 v. b.

Wen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde, Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde, En Segol, Segol, riep!

Deze plaats moest anders worden uitgegeven om de bedoeling des dichters uit te drukken. Na het woord "doorzweefde" moest een sterker leesteeken staan. Van daar begon een nieuwe zinsnede, en het onderwerp dat het laatste werkwoord "riep" vorderde, was nog niet geschreven, toen de pen aan den onsterfelijken zanger ontzonk.

Het ontwerp van Bilderdijks epos.

Toen Bilderdijk er toe kwam om de vijf eerste zangen van zijn voor altijd onvoltooid gebleven heldendicht uit te geven, werd dit merkwaardig en geheel eenig gewrocht der nederlandsche poëzy over 't algemeen met koelheid ontvangen. De dichter, als blijkt uit zijne voorrede, had zich niet anders voorgesteld van een publiek, dat van alle werken van kunst en van smaak vooral verlangt, zonder inspanning op eene aangename wijze bezig gehouden te worden. Zij echter die door hun studiën en de richting van hun geest in staat waren het meesterwerk te genieten, stonden verbaasd over de stoutheid van het ontwerp en den reusachtigen greep, die in de gekozene stof gedaan was; en aan hunne bewondering paarde zich een gevoel van weemoed over de afgesneden hoop, dat een zoo verheven kunstgewrocht ooit zou worden voltooid. Het was natuurlijk dat de verbeelding van sommigen van hen niet kon blijven staan aan de grens waar de dichter, door grievende rampen getroffen, moedeloos was neêrgezonken, maar hem zocht vooruit te streven in de nevelen van dat onbekende gedeelte der baan, waar zijn vlucht zich verder in bewegen moest; ja, zoo ver te komen, dat zij, al ware het in een enkelen omtrek, het geheel kon overzien dat hij zich had voorgesteld in het leven te roepen. Indien er iemand in staat scheen dit doel nabij te komen, dat de dichter met zekere achterhoudendheid als onbereikbaar gemaakt had, het was zeker zijn voortreffelijke leerling en vriend, Da Costa. En inderdaad, deze hield zich met de oplossing van het vraagstuk bezig, en in de zeer verdienstelijke uitgave afzonderlijk door hem bewerkt van Bilderdijks Epos [4] vindt men (bladz. 371 volgg.) eene verhandeling, waar het "Ontwerp des Geheels", naar het gevoelen van den schrijver, voor den lezer onthuld wordt. Aan zeer bevoegde rechters voldeed dit werk van D.C., en zij deelden in de door hem uitgesproken overtuiging, dat hij het geheim des ontslapen dichters had geraden. Mijn ontzag voor deze goedkeuring en mijne oprechte bewondering voor het groot en eerbiedwaardig genie van D.C. beletten mij niet, hier onbewimpeld als mijn gevoelen uit te spreken, dat Bilderdijks ontwerp anders dan het naar die gissing wordt voorgesteld, moet geweest zijn: ja, dat zijn leerling, in de voornaamste trekken, die hij daarvan meende te hergeven, heeft misgetast.

Het onderwerp van dezen Epos, zooals de dichter zelf, in een brief aan zijn vriend den Hoogleeraar H.W. Tydeman, het uitdrukte, [5] is eigenlijk "de zondvloed" niet: "doch hetgeen den zondvloed verwekte." Deze daad die bezongen moest worden, was de aanval door het menschdom ondernomen ter herovering van Eden, onder voorleiding der Reuzen, gesproten uit sterfelijke menschendochters en onsterfelijke, in het Paradijs geteelde, menschenzonen, met bovenaardsche lichamen omkleede geesten; die, als kinderen van Adam vóór zijn val geteeld, in Eden achtergebleven waren; doch later, om hun verboden omgang met de dochters van het gevallen menschenras, insgelijks uit den zaligen hof verbannen werden, en zich als goden in het luchtruim bewogen. Aan het hoofd van dien opstand zou men een dier Paradijsgeesten zien treden, den verleider van Elpine, eene Kaïnietische maagd door Methusalah in 't geloof aan den eenigen waren God opgevoed. Deze haar minnaar moest zich, als vader van het uit haar te verwachten kroost, aan het belang der Reuzen verbonden gevoelen; [6] en uit verschillende aanduidingen in het bestaande fragment aanwezig, blijkt, als door D.C. is opgemerkt, dat Elpine in bloedverwantschap moest staan tot Segol, het opperhoofd der Kaïnieten, die, zoover als het dichtstuk loopt, voorkomt als de gelukkige handhaver des menschdoms, tegen de overmachtige dwingelandij der Reuzen; die, in dezen kamp kennelijk door God beschermd zich gezind toont Hem te dienen, en, daar waar het fragment eindigt, op het punt staat eene goddelijke openbaring te ontvangen.

Nu is het hoofddenkbeeld van D.C. ter aanvulling van het geheel: dat het kind waarvan Elpine zwanger is bij den aanvang van dezen Epos, een der voornaamste rollen daarin vervullen moet; dat Elpine zelve, in het ontwerp des dichters, bestemd was te sterven bij het ter wereld brengen van dat kind; dat het zou worden opgevoed door Segol, haar halven broeder van moederszijde, en door Zilfa zijn echtgenoot; terwijl dit deugdzaam en godvreezend paar, na de volslagen nederlaag en bijna geheele uitroeiing der Reuzen, onder eene voorspoedige regeering, vrede en godsvrucht over de geheele Aarde, wier troon het beklom, zou doen bloeien: dat dit kind evenwel, tot jongeling opgegroeid, door zijn wraakzuchtigen vader tot de snoodste ondeugd en tot ondankbaarheid jegens zijn pleegouders zou worden opgeleid, om Segol van den troon te stooten en het gansche menschdom, met het inmiddels weder aangegroeide geslacht der Reuzen, in een algemeenen afval van God te wikkelen en tot den lang beraamden aanval op Eden te vereenigen; bij welks verdediging Segol, doodelijk gewond, met zijne echtgenoot, in den inmiddels ter stuiting van den hemeltergenden aanval uitgebroken zondvloed, om zou komen.

Ik vrees niet van bedilzucht beschuldigd te worden, wanneer ik zeg, dat er bij mij gewichtige bezwaren tegen dit denkbeeld bestaan, die het mij onmogelijk maken aan te nemen, dat hiermede het ontwerp des dichters in zijn voornaamste trekken is teruggegeven.--Ik mis vooreerst, en in de voornaamste plaats, die eenheid, die, volgens D.C. zelf [7] overal "maar vooral in zijn Epos het karakter van Bilderdijks streven, aanleg en geest was." Er zijn hier blijkbaar twee heldendichten: het eene bezingt de overwinning op de Reuzen door Segol behaald en zijn verheffing ter wereldmonarchy: het andere zijn val in verband gebracht met de bestorming van Eden. Dat in het begin, in eenige verzen, van het voornemen tot dien aanval gerept wordt, vormt geen band, die de beide onderwerpen tot een geheel vereenigt, waarvan de behandeling, D.C. erkent het zelf, [8] door "een pauze" is vaneen gescheiden; omdat dit voornemen zoo lang op den achtergrond rust, en van geen den minsten invloed is op al de gebeurtenissen, die het eerste onderwerp tot een besliste uitkomst leiden.

Ook valt de gerektheid, zooals D.C. zich dien Epos voorstelde, in het oog. Of de dichter had de dorheid der kroniekschrijvers moeten aannemen, of aan zijn werk eene uitgebreidheid geven, die niet binnen de grenzen viel van den klassieken Epos, zooals Bilderdijk zich dien voorstelde, maar veeleer een dier indische Epopéën nastreefde die het getal harer verzen bij tienduizenden tellen. Het gedicht zou een geschiedverhaal behelsd hebben van hetgeen in het laatste tijdperk vóór den zondvloed op aarde was voorgevallen; geen episch drama had het voorgesteld: en dit te minder, omdat de trage ontwikkeling der gebeurtenissen, zich door verschillende levensperioden derzelfde personen uitstrekkend, er een zekere "slaperigheid"--het woord is van Bilderdijk--aan zou gegeven hebben.

Een ander hoofdgebrek in dit plan had, dunkt ons, den indruk van het geheel benadeeld: het gemis van een bevattelijke en het hart bevredigende théodicé. Immers zou, volgens dat bestek, de deugdzame koning Segol, die met zijn deugdzame echtgenoot de aarde gelukkig maakte en tot de kennis van den waren God terugbracht, niet alleen ten gevolge van den opstand tegen dien God van den troon gestooten zijn, maar in de algemeene strafoefening door die misdaad verwekt, niet al de opstandelingen zelven, zijn omgekomen.

Nog minder waarschijnlijkheid toont het bedoeld ontwerp, wanneer wij het met het program dat Bilderdijk zelf in zijn voorrede [9] van zijn plan geeft, vergelijken. Wij hooren hem spreken van dit plan en van "de menigte van Epizodes of byverdichtsels die het insluiten moest, en wier nauwe aaneenschakeling eerst volmaakt in de geheele samenvloeiing mag blijken," en van "de algeheele verwikkeling, die van oogenblik tot oogenblik groeien moet, en hare ontknooping ineens bereikt, als het oogenblik der verdelging daar is," enz. En nu was het van D.C. noch van iemand te vergen, dat hij die Epizodes raden zou, waarvan de personen misschien zelfs nog niet genoemd zijn in het onafgewerkte gedicht; maar het blijft niet te min waar, dat deze woorden, vooral de laatste, iets vrij wat ingewikkelders voorspellen, en iets geschikters om zoovele invlechtingen te ontvangen, dan het zoo effen en eenvoudig verhaal dat D.C. den dichter toeschrijft.

Maar zelfs strijdt het door D.C. uitgedachte ontwerp in sommige opzichten met het afgewerkte gedeelte van het gedicht, en met hetgeen B. er van zegt in zijne voorrede. Zoo kennen wij uit B. den Paradijsgeest, minnaar van Elpine, als een hartstochtelijk wezen, dat alleen door overmaat van liefde voor haar en voor het kroost dat hij van haar wacht, een roekeloos voornemen opvat, waarvan het uitspreken alleen hem bijna bezwijken doet onder een geheimzinnige wroeging. [10] Bij D.C. wordt hij een toonbeeld van kwaadaardigheid, die een boosaardig plan jarenlang kan doen rijpen, om het eindelijk door dien zoon van zijn geliefde Elpine, die hij daartoe tot een zedelijk monster vormt, te doen uitvoeren: een plan waarvan niets blijkt in de bestaande zangen; daar integendeel, op de eenige plaats waar van dit voornemen tot opstand gesproken wordt, de woorden van den Paradijsgeest iets geheel anders doen verwachten. [11] Hij zegt daar tot Elpine, van de Reuzen sprekende:

Het lot der dierbre vrucht, die mij uw schoot belooft, Verbindt me aan hun belang: Ik stel mij aan hun hoofd: Hun zal ik en die Gâ, die 'k eeuwig zal beminnen, Het erfgoed van hunn' stam, het Paradijs herwinnen.

Daarbij komt, dat dit geheele hoofddenkbeeld van D.C. omtrent de rol door dien zoon van Elpine in het gedicht te vervullen, en van het afschuwelijk verraad door hem jegens zijne pleegouders te bedrijven, geheel gebouwd is op de blijkbaar verkeerde opvatting eener plaats voorkomende in den IIIen zang, vs. 359, volgg. Aldaar wordt, onder zekere teekenen, die in het leger der Kaïnieten gezien waren, of althans "geloof" vonden, [12] na andere wonderen ook dit vermeld:

Een slang ontsprong aan 't ei waarop de stroomzwaan broedde;

en D.C. past dit toe op Segol, die het kind van Elpine als een slang aan zijn boezem zou opkweeken; terwijl het daarentegen, voor die met aandacht die plaats in haar geheel verband leest, blijkbaar is, dat de mare dier voorteekenen, wel verre van iets zekers of waars te beduiden, door "het kroost der List," [13] d.i. de duivelen, onder het leger verspreid is.

Een anderen strijd vindt men tusschen het ontwerp van D.C. en hetgeen B. zelf in zijne voorrede [14] zegt: dat men zich niet licht uit dit voorgedeelte een denkbeeld zal maken "wat gewichtige rol de ongelukkige Elpine of haar hooge minnaar te vervullen heeft". Hoe toch kon B. de rol van Elpine gewichtig noemen, indien zij verder in het gedicht tot niet anders bestemd was, dan om een kind ter wereld te brengen en in het kraambed te sterven?

Zoo ook wanneer B. t. a. p. het als moeielijk voorstelt, "zich een denkbeeld te maken van hetgeen hij met Segol en zijne Zilfa voorhad," schijnt hem wel iets anders voor den geest gestaan te hebben dan het doodeenvoudig denkbeeld van Segol, die reeds in dit voorgedeelte als Koning der Aarde gehuldigd is, op dien troon lang en voorspoedig met zijn echtgenoot,--die volstrekt geen rol vervult,--te doen regeeren.

Zonder twijfel is Segol de held van dezen Epos, de persoon om wien alles zich heenwendt. Is er geen hoop dat men het raadsel oplosse dat B. ons omtrent hem gesteld heeft, dan is het zeker, dat men naar den inhoud van het geheel vruchteloos zal blijven raden.

Het schijnt dan alleen mogelijk in dien doolhof een draad te vinden, indien de Oudheid ons een persoon heeft voorgesteld, die voor de verbeelding des dichters heeft kunnen staan bij de beraming van zijn werk: zoodat men uit de bijzonderheden aangaande dien persoon ons bekend, in verband gebracht met de voorbeduidsels in het onvoltooide gedicht gestrooid, naar de verdere bedoelingen des dichters zou kunnen gissen.

Bilderdijk noemt zelf de overlevering waaraan hij het voornaamste denkbeeld van zijn gedicht ontleende, in zijne voorrede: [15] "eene oude mythologie": hij vergelijkt zijn onderwerp [16] met "de heidensche fabel der Hemelbestormers": zijne Paradijsgeesten vervullen de plaats der grieksche mythologische goden. [17] En er zijn plaatsen aan te wijzen waarin de vindingen des dichters aan de grieksche mythologie ontleend schijnen;--als b. v. waar de onderlinge slachting in het kaïnietische leger den broederkrijg voor den geest roept, die het uit de aarde ontstane volk van Cadmus tot op een gering aantal doet versmelten. [18] Zoo heeft hij dan zijn gedachte kunnen vestigen op een belangrijk mythologisch persoon, die ten nauwste met de verdichting van den reuzenstrijd in verband stond:--op Prometheus:--en nu blijkt het dat, bij het schrijven van zijn heldendicht, een der schoonste gedenkstukken der Oudheid, dat dezen persoon ten onderwerp heeft, hem voor den geest stond, de Prometheus van Eschylus.

Twee plaatsen wilden wij vooral uit dit treurspel aanwijzen, waarvan de woorden, naar 't schijnt, in de herinnering van onzen dichter levendig waren bij de bewerking van zijn Epos. De eerste is, waar, in Eschylus, de Rei der Oceanitische nymfen gewaarschuwd wordt, zich niet roekeloos met Prometheus in 't verderf dat hem wacht te storten [19]:

Zegt dan nimmer, Dat u Zeus in een niet voorzienbaar leed Nedergestort heeft: neen, gij zult dan Wetens, en niet bij verrassing gevangen, In 't onontwarbare net des verderfuurs U verwikklen, verstrikt door uw dwaasheid.

Van deze plaats vindt men een weêrklank terug in het slot der toespraak, waar onze dichter de dochters van het geslacht van Seth verwijt, dat zij zich het verderf van den stam van Kaïn eigen maakten: [20]

En zwoert ge uw God niet af, voor 't minst gy sloot Hem 't Hart, En blindlings stort gy 't hoofd in 't net dat u verwart.

De andere plaats is die waar Iö verhaalt, hoe zij het eerst tot de liefde van den god die haar rampzalig maakte, getrokken was: [21]

Gedurig zweefden nachtgezichten om mij heen, Op 't maagdlijk leger; die, met fluisterende stem, Dus tot mij spraken: o volzalig maagdelijn! Hoe blijft ge uw staat bezwaren, daar de heerlijkste echt U werd beschoren? Immers door een pijl der Lust Moest Zeus voor u ontgloeien; en der minne juk Met u vereend te dragen is zijn wensch. Doch gij Versmaad, o kind! dit hooge huwlijksleger niet; Maar ga waar Lerna op haar welig grastapeet De driften weidt uws vaders. Dat uw aanblik daar Het godlijk oog verblijde dat u smachtend zoekt.

Met vindt hier als den oorsprong van hetgeen onze dichter van Elpine zingt: [22]

Zy zucht om de onschuld van haar kindschheid: om 't gemis Van 't geen haar dierbaar bleef, maar onherroeplijk is; Zucht om 't noodlottig vuur, 't betoovrend van een weelde, Die eerst in zoeten droom 't onwillig harte streelde; Daarna door wonderkracht, der menschheid veel te hoog, Haar overstelpte en dwong, en aan zich zelve onttoog.

Maar de geheele persoon van Iö, de tweede hoofdpersoon in het treurspel van Eschylus, heeft overeenkomst met die van Elpine; en dit kan geene bevreemding wekken, wanneer men bedenkt, dat haar verhouding tot den Paradijsgeest, die haar door zijn min rampzalig gemaakt heeft, dezelfde is als die van zoo vele sterfelijke vrouwen, waar de grieksche mythologie van gewaagt, die tegen haar wil door de goden bemind zijn, en wier toestand zoo aangrijpend door Eschylus in Iö is voorgesteld. Men vergelijke b.v. de treffende plaats in den Ien zang, vs. 462, volgg, met plaatsen als deze in Eschylus [23]:

Gij kent de kwaal die mij verteert En voortdrijft met haar rustelooze prikkels. Zoo zwichte ik, uitgehongerd door mijn woesten loop, Helaas! voor d'ongestuimen zin Die mij vervolgt. Waar zijn op aard' Rampzaalgen mij gelijk te vinden?

Of waar, nadat in een aanval van woede de wanhopige Iö het tooneel verlaten heeft. [24] het daarop volgend koorgezang het geluk van den sterveling die met zijns gelijke paart, bezingt en het lot van door Zeus bemind te worden afbidt.

Ook die troostende toespraak die Elpine uit het "boomloof" als toewaait [25], herinnert de vertroostende ontmoeting die Iö te Dodone bejegent: [26]

Waar 't onbegrijplijk wonder van der eiken taal:

(zoo herinnert haar Prometheus:)

U onverholen als de wijdberoemde Gâ Heeft toegesproken, die met Zeus gepaard zal zijn.

En de zoo aandoenlijke uitstorting van wanhoop, die wij bij B. (ald. vs. 501, volgg.) lezen, vinden wij bij Eschylus in uitdrukkingen als deze [27]:

Uw vlam verteer me, of de aard verzwelge mij; Of 'k zij een prooi der zeegedrochten. Verwerp, o God! mijn bede niet. Te lang reeds heb ik omgedoold; En 'k zie niet waar 't mij is vergund Zooveel smart te ontvluchten.

...

[28]Wat wacht ik nog van 't leven? waarom stort ik niet Mij zelve neder van de steile rots? Waar, op den grond verpletterd, ik van al mijn wee Bevrijd zou zijn 't Is beter eens voor al den dood Te ontmoeten dan dat leed van elken dag.

Men vindt bij de beide in kracht wedijverende dichters wel niet dezelfde woorden, maar de vlucht der tragische wanhoop in de beide personen, die zij als onder een voor den sterveling onweerstaanbare macht bezweken opvoeren, is dezelfde.

Eer ik tot de beschouwing van den persoon van Prometheus overga, moet ik nog op het verband wijzen, waarin de persoon van Iö, in het stuk van Eschylus, tot hem staat; omdat, indien de overlevering juist is die tot mij kwam, een dergelijk verband, dat tusschen Segol en Elpine bij B. zou bestaan hebben, een treffend bewijs te meer moest leveren, dat B. het treurspel van Eschylus voor den geest zweefde. Ik bedoel de voorspelling die in den Prometheus voorkomt, dat het een der afstammelingen van Iö zijn zou,--namelijk Hercules, de groote beschermer der menschheid,--die Prometheus eenmaal van zijn vreeselijke foltering zou verlossen: [29] en nu is mij door iemand, die het voorrecht genoot van lang en zeer vriendschappelijk met B. om te gaan, in vroeger jaren medegedeeld, dat Elpine, volgens het denkbeeld des dichters, bestemd was om met haar vrucht in het Paradijs aan den dood onttogen te worden, en dat het onsterfelijk wezen door haar te baren in een zeker verband zou staan tot de menschwording des Heilands der wereld, of, zooals het mij aannemelijker voorkomt, tot zijn verzoeningswerk ten opzichte van het menschdom der eerste wereld, waarop B. reeds doelt in den Ien Zang, vs. 47, volgg. Maar liever dan hier verder in te treden geef ik toe aan de vrees van, door een verkeerde opvatting of onjuiste herinnering, iets aan den oprecht gemoedelijken dichter toe te schrijven, omtrent een punt, waar hij zelf misschien geschroomd heeft, een al te stouten blik, dien hij in de geestenwereld geslagen had, vol te houden.

Wanneer men het eerst den persoon van Segol met dien van Prometheus in vergelijking brengt, dan stuit men op een verschil. Immers is de held van B. een mensch, de gelukkige bestrijder der Reuzen, die later als de hoofdaanvoerders der Paradijsbestorming zullen optreden. Prometheus is van hetzelfde geslacht als de Titanen, die de goden op den Olympus aanvielen. Maar in Eschylus vinden wij spoedig eene overeenkomst, daar volgens het verhaal dat Prometheus bij hem doet, [30] de aangevallen goden, alleen door zijn wijzen raad geleid, de Titanen overmochten even als, in onzen Epos, de menschen, door de krijgskunst van Segol voorgegaan, de overmacht der Reuzen gelukkig bestrijden.

Ook staan, in de grieksche mythologie, de Titanen tot de goden in eene andere verhouding, dan bij B. de Reuzen tot de Paradijsgeesten. De Titanen zijn zelven goden, en van een ouder en sterker geslacht dan de goden die onder Zeus regeeren; de Reuzen van B. zijn de afkomst der Paradijsgeesten, en als zoodanig door hen beschermd en geliefd:--en uit dit verschil van verhouding ontwikkelt zich de voorname overeenkomst, die men tusschen Segol en den éschyléïschen Prometheus opmerkt. De hoofdtrek van Prometheus is, dat hij de weldoener der menschen en daarom bij de goden gehaat is: [31] zoo is Segol, als de beschermer der door de Reuzen verdrukte menschheid, haar weldoener, en juist om die reden aan den haat blootgesteld der Paradijsgeesten [32] In 't vervolg van het gedicht zou Segol nog meer, door zijn weldadigen invloed en schrandere vonden ter behoeding der menschheid, zijn overeenkomst met Prometheus hebben getoond. Men herinnert zich dat B. in zijne voorrede [33] zegt, dat hij "byzondere redenen" gehad heeft "om de zeldzaamheid van het staal, het nog niet invoeren van het gebruik des paards, en dergelijken meer, te veronderstellen." Segol namelijk moest, in den loop van het gedicht, de verbeterde aanwending en de zuivering der metalen, door middel des vuurs, aan de menschen leeren, en reeds vindt men een toespeling daarop gemaakt in den IVen Zang, vs. 323, volgg. Prometheus, als degeen die de menschen tegen den wil der goden met het vuur begiftigde, wordt bij Eschylus voorgesteld als de uitvinder aller nuttige kunsten, en ook in 't bijzonder van de behandeling der metalen [34] Ook door hen in het temmen der dieren, en in 't bijzonder der paarden, te onderwijzen, had hij zich verdienstelijk bij hen gemaakt: [35] en zoo zoude ook deze vond in 't vervolg aan Segol zijn toegeschreven. Immers komt het natuurlijker voor, dat de menschen hierdoor hun gesteltenis tegenover de Reuzen zouden hebben verbeterd, dan met D. C. [36] aan te nemen, dat die reeds overmachtige wezens op paarden "als Centauren" zouden te voorschijn zijn gekomen;--maar, naar het voorkomt, als wanstaltige en half belachelijke Centauren; tenzij men ook een reusachtig en aan hun gestalte geëvenredigd geslacht van paarden zich voorstelle.

Op het eind van den IVen Zang van den Epos, doet de dichter een gedeelte van Segols leger door de pest aantasten: men doorziet nog niet, met welk oogmerk. Het kan zijn, dat ook hier Segol, door goddelijke wijsheid en krachten bijgestaan, moest uitkomen bij de genezing, en ook in dit opzicht stelt Prometheus, bij Eschylus, zich, als verdrijver der ziektekwalen der menschen, en dus als hun weldoener voor. [37]