De ondergang der Eerste Wareld
Part 10
Bekeerde, of hield zijn ziel dier gruwelen onbesmet
"Dier gruwlen" is hier de gebogen (3 e.) n. v., die in de plaats treedt voor "aan die gruwlen", terwijl het b. v. n. "onbesmet" de plaats, in dichterlijke taal, inneemt van "onschuldig."
IIe Zang, vs 276, bl. 23, rl 2 v. b.
En de Engel zweeg in 't hart, door 't maagdlijk schoon geroerd.
Deze vorm is virgiliaansch: Excussaque pectore Juno, wordt in de Enéis (V. 679) gezegd van de booze inblazingen van Juno, die uit het hart der trojaansche vrouwen geweken waren.
IIe Zang, vs 368, bl. 25, rl 15 v. o.
En dan, dan danke ik 't lot; het heeft mijn ramp volwrocht.
Uitdrukking van uiterste wanhoop aan den Orestes van Racine ontleend:
J'étais né-- Pour être du malhenr un modèle accompli. Hé bien, je suis content, et mon sort est rempli
Onze groote dichter schatte dit treurspel van Racine, de Andromaque, zeer hoog, en noemde het mij eenmaal "het juweel van het fransche tooneel".
IIe Zang, vs 389, bl. 26, rl 6 v. b.
Het kroost der englen zal met dat der stervelingen Niet wriemlen over de aard.--
Met deze woorden worden niet de Paradijsgeesten bedoeld, als D. C. meent, maar de Reuzen uit de Paradijsgeesten gesproten; welke geesten hier door den minnaar van Elpine met trotsche zelfverheffing "Engelen" genoemd worden: verg. vs. 405, volgg.
IIe Zang, vs 416, bl. 26, rl 6 v. o.
Zijn open oog vertrok.
Men zou "betrok" willen lezen; maar de dichter kan hier eene archaïsme bedoeld hebben met verwante beteekenis.
IIe Zang, vs 435, bl. 27, rl 14 v. b.
(Een opstand) die misschien Geheel het menschdom, in dien gruwelbond begrepen In 't eindeloos verderf onredbaaar mee zal sleepen.
Hier worden de gevolgen van de roekelooze voornemens van haar minnaar door Elpine voorzien, zooals de dichter die in zijn gedicht meende te ontwikkelen.
IIe Zang, vs 449, bl. 27, rl 9 v. o.
Neen, de almacht heeft voor ons--uw Eden toegesloten.
Hier op antwoordt, met aandoenlijke tegenstelling, wat in het 458e vers gelezen wordt:
Dit zal zijn Eden zijn, dit is zijn eeuwig leven.
IIe Zang, vs 455, bl. 27, rl 3 v. o.
Verbeiden wij het uur, dat Gods geheimenis. Onthult, en in de rij der toekomst zeker is.
Als variante wordt opgegeven: "Onthult, maar in de rij." In de eerste uitgave staat "Onthuld". Ik vermoed, dat de variante niet goed gelezen is, en dat de dichter er aan dacht te schrijven, met het oog op Handel. I, vs 7:
"dat Gods geheimenis,-- Omhuld, maar in de rij der toekomst zeker--is."
IIe Zang, vs 468, bl. 28, rl 11 v. b.
--Aan 't stervend aardsch geslacht.
Deze uitdrukking herinnert het "moriturus" bij Horatius Od. I, 28, 6, II 3, 4; en het treffend gezegde eener merkwaardige fransche vrouw, op haar sterfbed: "je ne laisse ici que des mourants."
IIe Zang, vs 475, bl. 28, rl 18 v. b.
De wachter van het licht, heraut der uchtendstond. Had reeds door Bethurs dal den nieuwen dag verkond.
D. C. denkt hier, in zijne aanteekening, aan den haan, die, naar ons voorkomt, als verkondiger van het daglicht meer in de idyllische dan in de epische wereld thuis behoort; en in deze laatste nog veel min gepast optreedt met een zoo hoogdravende omschrijving. B. bedoelde, naar mij voorkomt, de morgenster, die als een heraut den zonnewagen voortreedt, als om zijn komst aan te zeggen. Zie den Ien Zang, vs 394, volgg.
IIe Zang, vs 480, bl. 28 rl 16 v. o.
Elpine voerde in 't hart haar nimmer heelbren grief Door 't bloeiend palmwoud rond.--
Het rusteloos omdwalen van Elpine, dat, als ik heb doen opmerken, haar eene overeenkomst geeft met de Iö van Eschylus, en met kracht beschreven is in den Ien Zang, vs 467, volgg. vond zijn oorsprong, als de dichter met een enkele uitdrukking doet raden (ald. vs 457) in het zoeken naar dien bovenmenschelijken minnaar: "die het hart de vlam der liefde deed gevoelen, en nergens vindbaar is." Zoo was zij zuidwaarts gedwaald tot de Ur (Ie Z. vs 478 en II, 2); en het was daar dat zij dien minnaar had weêrgezien. Na hem voor eeuwig te hebben afgewezen, schijnt zij weder noordwaarts teruggekeerd en zoo gekomen te zijn in dezelfde streek waar het leger der Kaïnieten onder Argostan zich had neêrgeslagen. Deze streek met juistheid op het door den dichter ontworpen kaartje aan te wijzen is niet mogelijk. De vermelding van "Rigons zoute vlieten," als de plaats waar het leger zich bevindt, wanneer men dien vliet op de kaart zoekt, komt niet overeen met het vervolg, en uit de variante "kronkelvlieten", die op vs 485 vermeld wordt, maak ik op, dat B. wilde gelezen hebben:--"ter rechter zij van Gihons "kronkelvlieten"". Immers is het ook van die "kronkelstroomen" dat de dichter hetzelfde leger, na de gebeurtenissen in den IIen en IIIen Zang beschreven, in den IVen Zang, vs 39, op doet trekken. De Rigon en zijn zoute bron wordt wel weder gemeld in Z. III vs 482, maar slechts als het uiterste punt van het door Segols leger te bezetten landstreek. Moeilijker is met de vermelding van den rechter oever van den Gihon te vereenigen die van het dal van Nival (vs 482 en 719), dat zich op de kaart aan de overzijde dier rivier bevindt, die eerst in den IVen Zang, vs 40, wordt overgetrokken; zoodat ook hier aan eene verzinning des dichters bij het ontwerpen van de kaart schijnt te moeten worden gedacht.
IIe Zang, vs 601, bl. 31, rl 6 v. o.
Een gruwzaam reuzenrot, verwant aan hemelgeesten.
Argostan toont op deze plaats, en vs 630. volgg., het gerucht aan te nemen dat aan de Reuzen een verwantschap met hoogere geesten toeschreef, maar alleen om die geesten, wie ze ook zijn mogen, te trotseeren. Zijn leger daarentegen verwerpt dit denkbeeld volstrekt; (zie Ie Z. vs 391, volg.) althans wat hun afkomst aangaat van de geesten die zij als goden aanbidden. Van daar de tweespalt tusschen legerhoofd en leger, die met het verslaan van Argostan en de daaruit voortvloeiende onderlinge slachting onder het leger eindigt.
IIIe Zang. vs 31, 33, bl. 36, rl 9, 11 v. b.
Men reikt zich--de handen, omhelst zich.--
Men ziet hier herhaaldelijk B. het wederk. v. n. gebruiken, waar, in onze proza althans, elkander vereischt wordt.
IIIe Zang, vs 36, volgg. bl. 36, rl 14 v. b.
--De afgrond zag met onuitspreekbre smarten Den vreê herrezen; maar 't vooruitgezicht getroost, Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.
Het verdient opmerking, hoe hier B. op het woord "Afgrond" het vrouwelijk voornaamw. toepast, niet uit verzinning, zooals genoegzaam blijkt uit den IVen Zang, vs 325; noch door gedachteverwisseling met het woord "Hel"; maar omdat in het nederduitsch, daar waar de persoonsverbeelding de woorden als belichaamt, zij bij voorkeur als vrouwelijk verschijnen.
IIIe Zang, vs 37, bl. 36, rl 15, v. b.
--Maar 't vooruitgezicht getroost, Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.
De Hel, ofschoon voor het oogenblik gekweld door het denkbeeld van vrede, neemt het aan, althans wat hare meer verziende leden aangaat: in "'t vooruitgezicht getroost" op de gevolgen van dien vrede, als kunnende deze leiden tot een meer algemeen verderf over het menschdom te brengen dan uit den ontvlamden burgerkrijg te wachten was.
IIIe Zang, vs 53, bl. 36, rl 9 v. o.
--We ontmoeten u als lot- en lotgenoot.
Eigenaardige spreekwijze, om te kennen te geven; "als deelgenooten van uw lot, zooals gij het van het onze zijt."
IIIe Zang, vs 95, bl. 37 rl 4 v. o.
't Is afgrond, waar de spijt een hel in 't hart doet branden.
De "Spijt" is hier het juiste woord om den gekrenkten trots over het, verbanningsvonnis uit te drukken. Maar de laatste verzen dier rede zijn eens duivels, niet van een verbannen Paradijsgeest, en doen te kort aan het onderscheid, dat in de schildering dier verschillende wezens moest bestaan.
IIIe Zang, vs. 255, bl. 42, rl 5 v. b.
Bezadigdheid en list zijn veiligst.--
Hier wordt de aanleg van den knoop des gedichts aangekondigd. De Kaïnieten zullen door de Hel met "list" worden bestreden, daar zij door getal en schranderheid de Reuzen te sterk zijn. Die list zal hun Vorst, Segol, tot werktuig kiezen; die eerst, in zijn slaap "bekropen" zal worden door de eerzucht van naar den hoogsten rang te staan: (zie vs. 336) die daarna, "misleid" en "bedrogen", tot een verdrag met de Reuzen zal toetreden, en "vervoerd", door de eerst hem ontroofde, later teruggegeven Zilfa, het bondgenootschap zal sluiten, door de Paradijsgeesten tot behoud van hun af komst bedacht, en dat door de Hel in een gemeenschappelijken opstannd tegen God zal worden verkeerd.
IIIe Zang, vs. 255, bl. 42, rl. 5 v. b.
Bezadigdheid en list zijn veiligst. 'k Ken dat wapen. Bekruip in vriendenschijn den vijand onder 't slapen; Mislei; bedrieg; vervoer!
D. C. merkt te recht op, dat deze werkwoorden in geen gebiedende wijs staan; maar dan moet ook een minder leesteeken na het woord "wapen" staan, en geen uitroepingsteeken na "vervoer".
IIIe Zang, vs. 267, bl. 42, rl. 17 v. b.
't Belang der hel alleen verbiedt me, uw grootsche daden Te smoren.--
Welke zijn die groote verdiensten van Sadrach (of Zardach), die de leider der helsche vergadering, in tegenwoordigheid van de luisterende Paradijsgeesten, niet openlijk durft uitspreken? De verleiding dier Geesten zelven door de schoonheid der dochteren van Kaïn.
IIIe Zang, vs. 302, bl. 43, rl. 16 v. b.
't Gruwzaam kroost der list.
De Hellegeesten, gereed de Kaïnieten met list aan te randen, storten zich op het dal, waar hun leger zich heeft nedergeslagen, uit. Terwijl hun hoofd, Sadrach het aanstaande legerhoofd, Segol, met een gewaande geestverschijning nadert, om hem aan te sporen, dat hij zich tot opperhoofd opwerpe, wordt het leger door allerlei schrikken (vs. 359-370) ontrust, die het vooreerst tot bijgeloovige vrees stemmen, maar ook de aanstaande oorlogsgevaren aankondigen, waarvan de indruk deze moet zijn, dat zij, op zelfbehoud bedacht, zich aan Segol onderwerpen.
IIIe Zang, vs. 311, bl. 43, rl. 16 v. o.
Zijn schedel nokt en schudt als 't schuddend popellover.
Het komt mij niet onmogelijk voor dat B. hier geschreven heeft of bedoelde te schrijven: "nokt en schokt". Immers versmaadt hij zulke klankherhalingen niet; als b.v. in den IVen Zang, vs. 153: "knarst en barst". De herhaling van hetzelfde woord bij het voorwerp dat men vergelijkt en bij dat waaraan men de vergelijking ontleent, is niet zeer aannemelijk; en men hoort, naar de lezing die wij voorsloegen, nog beter den tred van het nauwlijks gevleeschde geraamte.
IIIe Zang, vs. 322, bl. 43, rl. 5 v. o.
--In Beth-ur had geboôn.
De vermelding van Beth-ur, als ik reeds elders deed opmerken, leidt tot het vermoeden, dat het in de bedoeling des dichters lag een band van bloedverwantschap te doen erkennen tusschen Segol en Elpine, mede eene Kaïnietische (Z. I, vs. 438) en in haar wieg door de Reuzen uit Beth-ur geroofd. Wat aangaat de betrekking van Segol tot Argostan, geloof ik dat B. geen ander doel gehad heeft met de vermelding van dit halve-broederschap der twee Kaïnietische opperhoofden, dan om Segol, na den dood van Argostan, eene aanleiding te geven van in 't licht te treden, zonder eenig recht ter opvolging te kunnen doen gelden, zoodat de vrije volkskeuze bij zijne verheffing in haar zuivere gedaante bewaard bleef. Zoo is de variante op vs. 454 van dit boek merkwaardig; waar B. eerst Segol had doen zeggen, sprekende, ten aanhoore van het leger, tot de strijdakst van Hanoch door Argostan gevoerd:
"'t Geen thands een mindre vuist, maar u het naast omsluit"
waarvoor hij in de plaats stelde:
--"maar Hanoch waard."
IIIe Zang, vs. 447, bl. 47, rl. 16 v. b.
En strikt een heilig snoer, ontvlochten van de altaren.--
Ik heb mede alreeds doen opmerken, hoe dat wereldgezag, door het volk aan Segol toegekend, en geheel uit den boezem des volks uit vrees voor onderlinge verdelging voortgekomen, met een snoer aan de altaren der valsche goden ontleend gewijd wordt; en hoe Segol op die volkskeuze het stelsel grondt, dat door die keuze het gezag van het volk op hem is overgegaan en thans door hem wordt uitgeoefend; maar hoe hij later (Z. V, vs. 373, volgg.) het oppergezag aan God alleen toekent, van wien alleen hij het ontvangen wil, om het op aarde te doen regeeren, en waarvoor hij eenmaal sterven zal, omdat hij zich tegen den volkswil verzet.
IIIe Zang, vs. 571, bl. 50, rl. 10 v. o.
Ja, 't was mijn afscheidskus, 'k verlaat u dierbre sponde
Dit voorgevoel door onzen dichter Zilfa in den mond gelegd, als waren hare kussen, die zij in haar droefheid aan het huwelijksbed gebracht had, een afscheid geweest, is aan de grieksche treurspeldichters ontleend, bij wie gehuwde vrouwen, op het uiterst van haar leven, een hartstochtelijk afscheid van het echtelijk bed nemen. Zoo Jocaste en Deïanira bij Sofocles, zoo Alcestis bij Euripides, die daarin door Virgilius, in de beschrijving der laatste oogenblikken van Dido, gevolgd zijn.
IIIe Zang, vs. 592, bl. 51, rl. 12 v. b.
O Segol! om dit vocht dat ge aan mijn oog ontspringen, Mijn boezem baden ziet.--
Ook hier zijn woorden van Dido (En. IV, 514): Per ego has lacrimas, dextramque tuam te, Per connubia nostra.--Maar Dido had wel wat andere reden tot klagen dan Zilfa, en daarom is haar gevoelsuitstorting hoogst aandoenlijk, en deze is het volstrekt niet. Ik moet hier de vraag stellen: hoe kon onze groote dichter die uitstorting van vrouwelijke zwakheid hier plaatsen, zoo dit karakter niet bestemd was tot een schakel in de reeks der gebeurtenissen van zijn gedicht.
IIIe Zang, vs. 600, bl. 51, rl. 17 v. o.
'k Zal sterven aan uw zij, en met u oorelogen.--
B. heeft dezelfde ontboezeming in den mond gelegd van Machteld van Velzen, in Floris V:
"'k Zal voor u in 't gevecht quarreel noch speerschot duchten, Ik draag u 't krijgsrondas, ik draag u 't wapen na, En hoede u met mijn borst."
IIIe Zang, vs. 654, bl. 53, rl. 2 v. b.
Het schrikgedierte alleen--gaat om.
Dat is, sluipt rond in stilte. Verg. IVe Z. vs. 361. Het woord heeft iets geheimzinnigs; vandaar dat het in sommige onzer gewestelijke streken gebruikt wordt van iemand, van wien het bijgeloof vermoedt dat zijn ziel geen rust heeft en 's nachts op aarde omwaart. Welke beteekenis in het Woordenboek der N.T., niet is opgegeven. Het woord "zweeft" slaat zoowel op de over den grond rondgaande roofdieren, als op het gevogelt dat in het volgende vers vermeld wordt; dat hier aannemelijk is om het onhoorbare der beweging, zoowel van tred als van vlucht van dit nachtgespuis.
IVe Zang, vs. 71, bl. 55, rl. 7 v. b.
De slachting noopt de vlucht.
De naamwoorden moeten hier eigenlijk met kapitale letters staan. Geheel in den stijl van het klassieke heldendicht stelt B. de toestanden en hartstochten die zich op het slagveld ontwikkelen als personen voor: zoo Homerus, II. IVe Boek, vs. 440, volgg. en Virgilius, En. IX, vs. 719.
IVe Zang, vs. 230, volgg. bl. 59, rl. 10 v. b.
Terwijl een kleene hoop--
Die voorstelling der in het water dartelende krijgslieden, die onder dat bedrijf door den vijand verrast worden, kan B. voor den geest gestaan hebben uit een voorval, dat plaats had gedurende de burgeroorlogen van Florence, en door het penseel van Michel-Angelo is vereeuwigd.
IVe Zang, vs. 262, bl. 60, rl. 4 v. b.
(De vorst) wint--de steilte van den boord.
D.i. bereikt. B. had deze keurige aanwending van het w. w. "winnen" bij Vondel opgemerkt, en vestigt er de aandacht op in zijne Aanmerkingen op Huydecopers Proeve, bl. 2.
IVe Zang, vs. 264, bl. 60, rl. 6 v. b.
Maar een steen, die 't hoofd hem dacht te kneuzen, enz.
Segol, als later blijken moest, wordt hier beschermd door een bovenaardsche macht: dit wordt uitdrukkelijk gezegd Z. V, vs. 269, bij een dergelijk geval.
IVe Zang, vs. 284, bl. 60, rl. 10 v. o.
De boogpijl vliegt hem (den vijand) na met moorden en ontzielen.
Dit schijnt eene tautologie; maar ik meen dat "moorden" hier kan opgevat worden als "doodelijk wonden".
IVe Zang, vs. 289, volgg. bl. 60, rl. 5 v. o.
--Een aantal lijken dekt Den grond, waarheen hij ziet, enz.
De indruk hier gemaakt door het vinden en aanschouwen van het noodlottig slagveld herinnert de schoone beschrijving van het wedervinden van Varus' legerkamp, in den Germanicus van mevr. Van Winter (Ve Boek) aan Tacitus ontleend:
"Hier rijst van allen kant voor de oogen des soldaats Een schrikkelijk tooneel", enz.
IVe Zang, vs. 371, bl. 63, rl. 7 v. b.
De rust is voor 't gemeen, dat niet dan d' arm kan roeren; Geen vorsten, die 't bevel van rijk of leger voeren.
Ook deze gedachte is aan Homerus (II. IIe B. vs. 24, 25) ontleend. Maar de weemoedige wijze, waarop zij hier door den Vorst zelven wordt uitgesproken en het geheele tooneel voeren de kleur der Ossianische poëzy.
IVe Zang, vs. 395, bl. 63, rl. 10 v. o.
Ik zag Mechujaël mijn grootvaâr in zijn grijsheid.
Segol, die hier spreekt, had reeds "vier eeuwen de legerknots met roem" gevoerd (vs. 481) en behoorde, als kleinzoon van Mechujaël tot het zesde geslacht van Adam onder de Kaïnieten (zie Gen. IV, vs. 17, volgg.) Hetgeen bevestigt, wat door ons opgeteekend is omtrent den tijd waarin de dichter zijn handeling plaatst.
IVe Zang, vs. 404, bl. 63, rl. 2 v. o.
--Van uit een hooger orden.
Ik meen dat B. hier "orden" genomen heeft als het grondwoord van het w. w. "ordenen"; zooals van "baak bake, baken" komt "bakenen".
IVe Zang, vs. 458, bl. 65, rl. 15 v. b.
En sticht het Godlijk rijk, vol waarheid, deugd, en plicht.
D. C. valt hier zijn grooten meester hard, omdat hij in het Godsrijk nog spreekt van "deugd" en vooral van "plicht". Valt tegen dit oordeel niet iets in te brengen? Blijft in dat Rijk niet het recht van God bestaan op de aanbidding zijner schepselen? en blijft het niet hun deugd, lost zij zich daarin niet op, hieraan met vreugde te voldoen en dus een "plicht" te vervullen, die aan het goddelijk recht beantwoordt? Maar in het Godsrijk is die plichtsvervulling volmaakt, omdat zij alleen uit liefde en uit niets anders voortvloeit, en daarom volstrekt vrij is.
IVe Zang, vs. 493, bl. 66, rl. 15 v. b.
En helder licht straalde uit zijn boezem op hem af.
B. had, meen ik, geschreven: "Een helder licht".
IVe Zang, vs. 521 bl. 67, rl. 5 v. b.
Verheug uw volken met uw aanblik weêr, en straal Ons gunstig toe.
Ook hier vindt men een herinnering van een der oden van Horatius (IV Boek 5e Ode), waar hij, in naam van 't Romeinsche volk, Augustus om een spoedige terugkomst bidt, (naar de vertaling van P. van Winter):
"Keer in den zetel van 't gebied, o Goedertieren vorst, keer naar belofte weder; Daal als een lentedag die al het land verblijdt: Het dankbaar volk bemint u teder, U, die hun dag, hun zonlicht zijt."
Ve Zang, vs. 35, bl. 72, rl. 4 v. b.
Het hoofd hangt moedloos op de schouder.
B. in de "Verklarende Geslachtlijst" verkiest voor het woord "schouder" het m. g. en naar de afleiding die hij er van geeft, en zijn stelsel daarop toepassende, kon men wel geen ander geslacht aan dit woord toekennen. Doch het schijnt dat, op deze plaats van zijn Epos, B. het woord "schouder" genomen heeft als een van die afgekorte meervouden als er in sommige spreekwijzen onzer taal aanwezig zijn, en waartoe betrekking heeft de belangrijke aanteekening van Huydecoper, in zijn Proeve van Taal- en Dichtkunde, op het VIe Boek der Herscheppingen vs. 799, op welke plaats van den grooten taalgeleerde B. doelt in zijn "Geslachtlijst" op het woord "schouder". Dat hier sprake kan zijn van het meervoud is denkbaar, wanneer men zich het verslappende hoofd voorstelt van d' een op d' anderen schouder zinkend en neêrhangend; hetgeen Virgilius heeft uitgedrukt met het woord "utroque," Aen. V, vs. 469.
Ve Zang, vs. 80, bl. 73, rl. 14 v. b.
"Dit (het vaderland) moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt stand".
Ik meen dat men lezen moet: "houd' stand".
Ve Zang, vs. 125, bl. 74, rl. 15 v. o.
--"In der vossen holen De dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen".
Kan de mensch schuilen in een vossenhol? Ik meen dat B. schreef, of bedoelde te schrijven: "der losschen holen".
Ve Zang, vs. 162 volg., bl. 75, rl. 16 v. o.
--Reuzentelg, die opgeroeid in 't strijden, Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd.
Nu voor den derden keer, bij die overrompeling vermeld in den vorigen zang vs. 570, volgg. De twee vroegere vermeesteringen of althans verwoestingen van het dal van Hemath, waarin Beth-ur lag, vermeldt de dichter in zijn verhaal in den eersten zang, vs. 264, en 291; en het was bij een dezer invallen dat Elpine, als kind, in handen der Reuzen was gevallen (Z. II, vs. 290). De vraag, in welk der vijf historische tijdvakken, die in het zooeven gemeld verhaal des dichters onderscheiden kunnen worden, die roof op Elpine gepleegd, naar de bedoeling des dichters, voorviel, schijnt niet gemakkelijk ter beantwoording. Heeft de dichter deze gebeurtenis in zijne gedachte geplaatst op het einde van het 3e tijdvak, d. i. der eerste overheersching der Reuzen, toen hun rot, als hij zingt: (Z. I, vs. 278)
--"met moed en kunst bestreên, Week naar den hooger grond, als in zijn schansen, heen";
of wel in het begin van het 5e, toen, ofschoon het niet gezegd wordt, het in den aard der zaak ligt, dat de Reuzen, bij de tweede vermeestering vaan het oostelijk deel der Aarde en hunne vestiging tot aan de Nilho, waarbij van den roof van "vrouwen, kinders, vee" (vs. 285) gewaagd wordt, het aan de andere zijde van die rivier gelegen Beth-ur, het verblijf van Elpine's ouders, in een strooptocht hebben geplunderd? Neemt men dit laatste aan, dan is het een zeer natuurlijke bezorgdheid in Segol, die hem Beth-ur als eene onveilige verblijfplaats voor Zilfa doet beschouwen; en deze wordt ook door de uitkomst bevestigd; (IIIe Z. vs. 630 en IVe Z. vs. 573). Daarbij komt, dat na de eerste overheersching der Reuzen een tijdvak van vrede van 50 jaren verloopen is (I. 280) en ook tot de bevestiging van het tweede rijk der Reuzen eenige tijd als noodig is aan te nemen; en zoo schijnt men in de eerste veronderstelling het tijdstip van de geboorte van Elpine wel wat verre achteruit te schuiven. De levensperken echter van het menschelijk geslacht, zooals het toen volgens de bijbelsche oorkonde was, in aanmerking genomen, is een leeftijd, als dan aan Elpine wordt toegesehreven, nog jeugdig; ofschoon men het dan als eene voorzichtigheid in den dichter prijzen moet, dat hij het getal harer jaren niet gespeld en ons daardoor den zonderlingen indruk gespaard heeft, dien Hoogvliet, in Abraham, op ons maakt, wanneer hij Sara dus sprekende invoert:
"Zou dan dit schijnschoon nogh zoo groot een onheil baren, In mijnen ouderdom van vijf en zestigh jaren?"
Ik hel dus meer over tot het denkbeeld, om de kindsheid van Elpine in het meer verwijderd tijdperk te plaatsen, en meen dat de vermelding van "den hooger grond" (I. 278.) waar toen de Reuzen op terugtrokken, in verband staat met de redding van Elpine uit hunne handen, door haar pleegvader Methusalah; daar het als aannemelijk kan beschouwd worden, dat het aartsvaderlijk gezin van Noach, met Methusalah, zich reeds toen op die hooge en eenzame bergstreek ophield.
Ve Zang, vs. 171, bl. 75, rl. 7 v. o.
Ontzinden! is 't de pijl, of is 't de zwakke hand?
Niet de pijl--zegt de aanvoerder--is uw vijand, tegen wien gij te strijden hebt; maar de hand die haar afzendt, en deze is "zwak" en ontleent alleen haar macht aan den afstand; vernietig dien door een snellen aanval, en zij vermag niets meer.
Ve Zang, vs. 223, bl. 77, rl. 6, v. b.
"Den veewolf".
Een vreemdsoortig samengesteld woord, om een wolf aan te duiden, die voornamelijk voor het vee te duchten is.
Ve Zang, vs. 246, bl. 77, rl. 12 v. o.
(De Koning) knarstandt van de spijt, als duizend ijzren harren Op grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt, Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt.