De ondergang der Eerste Wareld

Part 1

Chapter 1 3,792 words Public domain Markdown

Produced by Jeroen Hellingman

DE ONDERGANG DER EERSTE WARELD

DOOR

Mr. WILLEM BILDERDIJK

Met eenige aantekeningen en een ontwerp van den epos

DOOR

Mr. S. J. E. RAU

VOORREDE DES DICHTERS.

AAN DEN LEZER.

Gaarne zou ik het Algemeen, van dit eerste gedeelte van een zeer uitgebreid Dichtstuk 't geen men weinig hoop zal koesteren van ten einde gebracht te zien, verschoond hebben. Doch, daar het met veel warmte, en onder eene belangstelling, die my altijd dierbaar zal blijven, aangevangen en door ettelijke Boeken of Zangen heen doorgezet was, kon ik aan verscheiden Kunstvrienden geen mededeeling weigeren, die niet dan door den afdruk geschieden kon; en deze afdruk diende algemeen te zijn, wilde men uit het onverkrijgbare en zeldzame geene baatzuchtige uitzichten doen ontstaan, die de verspreiding langs heimelijke onregelmatige en onvolkomen wegen bevorderde; van welke my, ook reeds voorlang, inzonderheid ten aanzien van den Tweeden Zang dezer vijf, niet zeer aangename alhoewel (in zich-zelfs beschouwd) vleiende blijken waren voorgekomen. Hoe veel waarde of deelneming echter sommigen mijner bekenden aan dit werk hechten mochten, het is verre van daar, dat ik er een algemeenen opgang van wachten zou. Niet zoozeer om het onvolkomene van dit gedeelte (want waar is een Dichtstuk van eenigen der latere Poëeten, waarvan men niet slechts eenige Zangen leest, zonder de overige in het minst ter harte te nemen; en wat zijn het ooit anders dan goede of voor goed doorgaande brokken, die in een uitgebreid Dichtstuk, van de algemeene waardy, die er aan gehecht wordt beslissen?) maar om dat noch onze leeftijd, noch zelfs onze Natie, Dichterlijk genoeg is om in een Heldendicht, ja zelfs in den toon daarvan, smaak te vinden. Zekerlijk, noch de ingezogen Fransche denkwijze (zoo Tegendichterlijk als er eene by mogelijkheid zijn kan), noch de door opvoeding, onderwijs en omgang verkrachte en geschaafde zeden, noch het laauwe kinderspel van liefhebbery, waar men zich by de algemeene geld- en fortuinzucht mede ontspant, en alle behoefte van hooger wereld, zoo ze eenigzins opkoomt, verdooft en in slaap sust; noch zelfs de in zwang gaande Theoriën, die schier alles wat dichterlijk is, van de Dichtkunst uitsluiten, en haar inderdaad tot een laf en nietig spel der Inbeelding verlagen, die in onze dagen niet slechts alle namen en kleuren aanneemt, maar ook alle waarachtig gevoel uitroeit, overheerscht, of bedwelmt; niets van dat alles is bestaanbaar met zucht voor zoodanig een Dichtstuk als het meesterstuk aller voortbrengselen van den menschelijken geest zou zijn, indien men er in onze dagen het aanzijn aan geven kon. En hoe ook zou iemand zich dit aanmatigen, die nimmer iets zoo betreurde als door het Lot geplaatst te zijn in deze ongelukkigste aller tijden, het tijdstip van den pijnlijken en ontzetlijken arbeid en worsteling van geheel de Natuur, om uit een afgrijselijke nacht het geheel verduisterde morgenlicht van waarheid en wezendlijkheid te doen voortbreken, hemel en aarde te hereenigen, en het echt en miskende verband tusschen het eeuwige Geestenrijk en voorbygaande schijnwareld te herstellen? Zeker, zoo mijn zucht ter afschudding van alle stoffelijke en uit loutere wanbegrippen gesmede kluisters onbepaald en vurig is, zy is echter veel te onvolkomen, om my naar vollen eisch op te heffen, en om die waarachtige vlucht te doen aannemen, die den waren Dichter en zijn alles meêsleepend vermogen kenteekent. Den dichter, zeg ik: namelijk

"Hunc qualem nequeo monstrare et sentio tantum," [Zoo ik: hem wensche en eisch, maar enkel kan beseffen.]

En inderdaad heb ik onder de tegenwoordige vierschaarspanners van den Hollandschen Pindus by gedeeltelijke voorlezingen van dit stuk, juist altijd geene toejuiching gevonden als by de mededeeling van nietigheden, die of den heerschenden smaak streelden, of die zachte aandoeningen verwekten waar men zich thands meê tevreden houdt en toegeeflijk genoeg is, om, zoo de verzen en wendingen slechts niet gants en in alles evenzeer ondichterlijk zijn, Poëzy in te stellen.

Doch ik heb veel te vroeg den aart van den roem en al wat men eer of onderscheiding noemt, leeren kennen, om dien ooit te zoeken; en mijn zucht was steeds, ook in 't vak der Letteren, waarvan inderdaad Poëzy 't groote middelpunt en beweegpunt is, nuttig te zijn. Ook is het wellicht niet zonder alle vrucht, door deze gemeenmaking eene schets of een soort van afschaduwing te geven van de wijze, waarop ik my het Heldendicht voorstelle. Hoe veel of hoe weinig het juist moge zijn, 't zal ten minste dichterlijke gevoelens en wijzen van bevatting kunnen opwekken en geboren Dichteren aanleiding bieden, om een beter en volkomener pad door de hoogere streken der wareld van gevoel in te slaan.

Daar dan nu dit stuk voor het Algemeen verschijnt, ben ik wel verplicht, als ter Inleiding voor mijn Lezers, eenig verslag te doen van het onderwerp en de wijze waarop ik het meende te moeten behandelen. De groote zwarigheid in het Heldendicht is tegenwoordig, het geen men, met een kunstwoord, van het Tooneel der Oudheid ontleend, de machine noemt, de inwerking namelijk van bovennatuurlijke wezens, die of 't ware, de springvederen zijn moeten wier ineenvattende werking het werkstuk des Dichters in beweging moeten zetten, in werking houden en ten doel leiden. De Oude Grieken en Romeinen hadden hunne uit Geest- en menschelijkheid saamgestelde persoonlijke of onpersoonlijke Goden (hun Noodlot tel ik onder de laatsten) te baat, wier bestaan, invloed, bestuur, en tusschenkomst in alle onze menschelijke handelingen, algemeen geloofd en aangenomen was, en (met welke verfijningen of verzieringen dan ook) in den grond der zaak door verlichter en onverlichter Wijzen en Dichters zoowel als door 't plomp en verstandeloos volk erkend werd. Dat men Homerus dit geloof betwist, en deze wezens by hem tot bloote Leenspreukige voorstellingen maken wil, is, (wie het dan ook tegenwoordig beweeren of voorstaan) eene ongerijmdheid waarmeê men zeer te onrechte zijn scherpzinnig doorzicht waant eer aan te doen, maar verdient geen weêrlegging. Onze Christelijke begrippen van God en Geesten, gelijk zy gewoonlijk voorgesteld worden, hoeveel zy ook aan de verhevenheid van voorstelling mogen toebrengen, leveren weinig op ter verlevendiging of vervulling van het geen wy in de zoo bruikbare Goden des Heidendoms verliezen, daar zy geene weêrstrevigheid toelaten dan tusschen de Goede en Kwade geesten, waarvan de eenen te eenvormig, de anderen te volstrekt hatelijk, en beide te zeer afwijkende en onbegrijpelijk voor ons menschen zijn, om ons wederkeerige en genoegzame deelneming in te boezemen, en om er al de party van te trekken die men noodig heeft; en inderdaad spreidt deze machine (indien met haar dus noemen zal) eenen nevel van slaperigheid over geheel een Dichtstuk, van welke noch Milton noch Klopstok zich heeft kunnen vrijhouden. Dat er niets kouder is dan de Allegorisehe wezens, waarvan vele nieuweren zich bediend hebben, is algemeen erkend. Drijdens Beschermgeesten der Koninkrijken en Volken zijn even zeer krachteloos om belang te verwekken, en schoon ik niet zou willen ontkennen dat men daar eenig voordeel uit trekken kan, zij deelen misschien in de ongelegenheden van die allen, Hoogvliet had zich eenen weg geopend door de afscheiding der Goddelijke eigenschappen in het Tweede Boek van zijnen Abraham; maar de laffe en koude aanmerking van den inderdaad dommen en alles behalven dichterlijken Van Engelen, die (ongelukkig genoeg!) een der orakels van zijn tijd was, heeft eenen afkeer van dit hulpmiddel ingeboezemd, schoon de aart onzes bestaans zelf het als aan de hand geeft, ja meêbrengt, en het in de Heilige Schriften zijn grond heeft, die ons Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid dikwijls menschelijker wijze in eene tegenworsteling voorstellen, waarvan het gevoel zich in onze ziel, als van twee onderscheiden hooger Beginselen, aanbiedt. Doch wel terecht heeft men opgemerkt, dat het met alle Fraaie kunsten, en met de Dichtkunst aan 't hoofd van die, uit was, zoo dra Theoristen geloof en invloed bekwamen!--Maar wat dan, wat bleef er overig, om dit dringend gebrek te vervullen?

De koude en in alles nietige, maar zeer beschaafde Schrijver, of liever samenflanser, van den Belisarius trof juist het tijdstip aan, waarin hy zich by het aangrijpend verval van smaak en kunstbesef, aanzien kon geven, en vond het goed het Heldendicht van zijn ziel en beginsel te ontbloten, om dat hij de ziel en dat beginsel niet bevatten kon. Niet vreemd. Velen ontkennen aan zich-zelven hun ziel en wezen, op juist even den zelfden grond! Ongelukkiglijk had zijn wanbegrip invloed op de onvergelijkelijke Dichteresse van den Germanicus, (die zekerlijk in een minderen kring dan het Heldendicht geschitterd zou hebben en beter naar verdienste erkend zijn;) en de Germanicus moest een Heldendicht zonder machine worden. Met dit alles is het belangrijkst gedeelte van dit Dichtstuk dat gene, dat er de ontknooping van maakt: een Geestverschijning. Die naamlijk van een beschermgeest, die het echt Dichterlijk inzicht van haar gemaal (den nooit op prijs gestelden Van Winter, wiens Monzongo--alleen al de Treurspelen zijner Egâ tien--ja honderdmaal opweegt) tegen het door haar aangenomen beginsel dat zy by alle tegenspraak met vrouwelijke geestdrift voorstond, haar opdrong. De voortreffelijkheid intusschen van dit Meesterstuk in schoonheden van detail, en inzonderheid van een Versificatie, die niet genoeg gewaardeerd is geworden, zal aan den waarachtigen kenner altijd verwondering inboezemen, alhoewel iemand hier en daar in den toon-zelf eenige meerdere verheffing mocht wenschen.--Doch dit zelfde wanbegrip heeft zich verspreid, en genoegzaam weet men vrij algemeen niet meer, wat eigenlijk de machine en haar gebruik of aanwending in 't Heldendicht zij.

Wat my betreft: van mijnen vroegsten leeftijd altijd met de Eerste Wareld en hare bevolking zoo wel als met haar verband tot een hoogere, bezig, hing my steeds de bekende plaats uit het boek der Schepping (Gen. VI, 2, 4,) aan, waar de kinderen Gods gezegd worden zich met de dochteren der menschen vermengd, en uit haar de machtigen, de geweldhebbers der aarde, voortgebracht te hebben, die men Reuzen noemde. Al dra vond ik deze plaats 't zij by sommige Kerkvaderen 't zij by Rabbijnen verstaan van onsterfelijk kroost van onzen eersten Vader, door hem, vóór zijn jammerlijken afval, in Eden geteeld; en het denkbeeld dat dezen als Erfgenamen van den zaligen lusthof door de uitgebannene Aartsouders verbeurd, aan hun Nageslacht deel in die zaligheid wenschten, kwam mij eene even natuurlijke onderstelling voor, als een poging van deze Geweldigen zelven, zoo fier op hunne Vaderlijke afkomst als op hun meerderheid van krachten en moed, om het ook voor hun gesloten Paradijs te herwinnen. Met één woord, ik vond er de Heidensche Fabel der Hemelbestormeren in, en niets was natuurlijker, dan dat zich met de uitdelging van geheel een menschdom dat zich dezen verwaten aterlingen onderworpen had, de vernieling des vroegeren aardbodems en de losmaking van het Zalig Eden, daar eerst meê verbonden, onderling als tot een enkel tafereel voor mij vereenigde. Ik zag sedert de zelfde wijze van beschouwing elders of aangenomen, of met ten minste schijnbare gronden gestaafd of verdedigd; en zie daar 't onderwerp, dat my boven alle andere, niet slechts in innerlijk belang en gewicht der gebeurtenis zoo wel als door rechtstreeksche betrekking tot elk onzer, maar ook door een waarlijk Dichterlijken aart, kleur, en houding, scheen uit te teekenen! Ruim boven alle mate was my hier het Tooneel; vrij, de omkleeding zoowel als de stoffeering; en de rijkdom van toestel zoo onbekrompen als hy gewenscht kon worden! Verscheidenheid van wezens in overvloed, kwam hier by: Geestelijke van allen aart, menschen van gewone en tevens van buitengewone natuur en voorrechten; goede en kwade Engelen; en boven al, een geslacht van onvervallen Paradijsmenschen in Adams staat vóór den val, en nog in die verhevene stand en eigenschappen waar hij uit verviel; treffend uit den aart voor al wie zich aan hen verwant kan gevoelen! en deze allen door de naauwste betrekkingen aan elkander verbonden. Verscheidenheid, zeg ik, en menigvuldigheid van die allen, in éénheid van Schepping, van aan- en grondlage, vereenigd, en waarin de persoonlijkheid, karakters, belangen en uitzichten zich zoo verre verdeelden, als men aan gevoel en verbeelding slechts zou willen toegeven; doch allen in het groote punt samenvloeiende, dat het voorwerp des Heldendichts maakte!--Kon een zoodanig veld, een zoodanige stof, ophouden my voor oogen te blijven zweven, na dat zy zich eenmaal had aangeboden?

Geen wonder derhalve, wanneer 't, by eene algemeen bedoelde herlevendiging (of, wil men, herschepping) van den Nationalen Geest en Letteren, Kunsten, en Wetenschap, en den blijden morgenkreet van een nieuwen dag, my tot plicht werd, my midden in mijnen vervallen toestand, als door eene tooverkracht te verheffen om aan den toegang des Hollandschen Zangbergs, als ware 't, de nog ongevormde of platgetreden sporen te openen, en (meer dan les en aanwijzing) het voorbeeld van den moed te geven, vereischt om hem op te streven: geen wonder, zeg ik, wanneer ik, onafgeschrikt door den omvang des onoverzienbaren arbeids, (ook zelfs zoo ik niet dan ten deele aan 't my gegeven vertrouwen beandwoorden wilde;) my in de verschillende vakken der Dichtkunst verdeelen moest, op een wijs als bekend is, ook om een stouten greep in 't ontzachlijke vak des Heldendichts te doen, mij zoodanig onderwerp voorstelde, als waarvan de rijkheid onuitputtelijk, en 't belang voor mijn hart-zelf ongelijkbaar was, en dat mijn geheele gevoel kon vervullen, en, om het dus uit te drukken, van alle kanten op eens en gelijkelijk aandoen.

Het was dan ook in het jaar 1809, wanneer ik mijne proeven van Tooneelpoëzy in het licht had gegeven, dat ik, alhoewel onder de drukke bezigheden, waartoe my 't vak der Hollandsche Taalkunde in 't nieuwlings opgericht Instituut van Letteren, Wetenschappen, en Kunsten (ook my helaas! opgeladen) verbond, my eenige maanden tijds, aan 't Dichtstuk, waar van hier de eerste Zangen in 't licht treden, overgaf. Hoe kort het mocht duren, eer de algemeene Overweldiger ons, met den weldadigen en kunstlievenden Lodewijk (wiens heuschheid en goedheid ten opzichte van my, zwakken en uitgeputten grijsaart, nooit wedergâ had, maar wiens weldaden voor my by de uitkomst in louter jammer verkeerd moesten worden,) met alle welvaart, hoop, en uitzicht, tevens geheel ons Volksbestaan ontnam, weet een ieder; en dat met dezen omkeer van alles, geen gevoel voor my overig bleef, met het voortzetten van zulk een Dichtarbeid bestaanbaar, behoeft geene melding.--Men ontfangt het derhalve, gelijk het toen bestond, en zonder eenige verandering, byvoeging, afdoening, of al wat men beschaving noemt, zoo, gelijk het mij uit de ziel is gevloeid. Men weet, hoe ik veelal over het zoogenaamde beschaven denke. 't Is de oefening, die den dichter volmaken moet, maar geen vormelooze, of anders, misvormde klomp zal in 't Dichterlijke door de beschaving, dat gene worden wat het behoorde te zijn; en het geen, zoodanig als het in de warmte des gevoels uitgestort werd, niet verdient aan het Algemeen aangeboden te worden, zal door geene bewerking beter Poëzy worden. 't Zijn slechts enkele plaatsen, waar eene uitdrukking verbetering toelaat; maar dan nog zal 't eene zeldzaamheid zijn, zoo die plaats zelve, by eene zelfs wezendlijke verbetering, niet (van een anderen kant beschouwd), waarlijk verliest. Die ook zijnen stijl, uitdrukking en versificatie niet volkomen meester is, maar in de gave en zuivere uitstorting van zijn gevoel, door de moeilijkheden van dit zekerlijk oneindig vak van studie te rug wordt gehouden, de zoodanige moet zich nimmer aanmatigen, de hand aan Melpomenes dolk of Calliopes Heldentrompet te slaan. Het is in deze vakken niet dat men zich vormt; men moet ze, om ze in te stappen, reeds meester zijn.

Deze uitdrukking klinkt misschien stout en vermetel, in 't oor van dien gene die my iets meer zou toeschrijven, dan het geen ik hiervoren verklaarde my aangematigd te hebben. Den MOED namelijk van te ondernemen, in hem, die zich-zelven niet ten voorbeeld en wegwijzer opwerpt, maar wien het zijnes ondanks en in wederwil zijner yverigste en aanhoudendste ontschuldigingen, wordt opgelegd. Den zoodanige is niet meer dan goede trouw, wil en vlijt af te vorderen; en hy geeft wat hy vermag, zonder aanmatiging of beschroomdheid. Die den doornbosch druiven afvergt, moet wel de braambezie voor lief nemen; en dezen treft dan ook het verwijt niet, dat zijn vrucht de verwachting te loor stelt.

Het geen hier van het Dichtstuk gegeven wordt, schoon het het ontwerp daar van duidelijk uitdrukt, en vertrouw ik, in levende werking stelt, zal echter aan niemand den gang van het plan verraden, even weinig als de menigte van Epizodes of byverdichtsels die het insluiten moest, en, wier naauwe aaneenschakeling eerst volmaakt in de geheele samenvloeiing mag blijken. Niet licht zal men zich uit dit voorgedeelte een denkbeeld maken van 't geen ik met Segol of zijne Zilfa voor heb; en misschien weinig beter, wat gewichtigen rol de ongelukkige Elpine of haar hooge minnaar te vervullen heeft. Voorbereiding ziet men zekerlijk gemaakt om Noach op te doen treden; maar hoe, blijft voorzeker den lezer een raadsel, zoowel als de algeheele verwikkeling, die van oogenblik tot oogenblik groeien moet, en hare ontknoping in eens bereikt als het oogenblik der verdelging daar is, waarvan het ontzettende met eene duidelijkheid van voorstelling gepaard moet gaan, die geheel de vorming der aarde tot grond heeft, in wier gantsche wording de lezer vooral moet ingelijfd worden. 't Spreekt van zelf, dat er gronden van God- en Geestenleer geopend moeten worden die niet gemeen zijn, maar vrij van alle weêrstrevigheid tegen de Heilige bladeren. Byzondere redenen heb ik gehad, om, ondanks de reeds verregaande weelde en de algemeenheid der kostbare metalen, de zeldzaamheid van het staal, het nog niet invoeren van het gebruik des paards, en dergelijke meer, te onderstellen; waarvan de reden zichzelve al mede in den loop van het Dichtstuk ontdekken zou. Men verge my hier niets van dat alles te verklaren of op te helderen. Tot verstand van dit gedeelte zou het onnoodig; tot verstand van het geheel altijd ongenoegzaam, en zelfs verwarrend zijn, zoo het niet in een geheel uitvoerig verslag van de overige vijftien of zestien boeken die het werk voltooien moesten, ontaardde, en dan zelf een geheel boekdeel vereischen zou. Men houde ook niet elke onderstelling, hier aangenomen, voor meer dan eene Poëetische verziering die door 't Dichtstuk gevorderd scheen, doch den Schrijver-zelven geheel vreemd is. Grootelijks zou men zich bedriegen, indien men uit sommige der hier voorgestelde begrippen tot mijne gevoelens besloot, anders dan voor zoo verr' die gevoelens buiten dien en van elders door mij erkend mogen zijn.

Men passe het gene ik hier zeg, zelfs op geheel de opvatting der bygebrachte Bijbelplaats toe, die mijne Fabel tot grond ligt. Want hoe zeer men haar met een aantal namen, die eerbied inboezemen, waaronder Cedrenus, Clemens van Alexandrië, Zosimus, Africanus, Syncellus, Justinus de martelaar, en zelfs Augustinus, zou mogen versterken; hoe veel aannemelijks zy in zich-zelve moge hebben, en hoe veel zy schijne op te helderen, zy is al te zeer onderhevig aan zwarigheden die van verre uitzichten zijn; en zeer ongeneigd ben ik, schijnbaarheden, die of meer of minderen grond voor zich hebben, als waarheden voor te staan. Doch waar Dichterlijke warmte het hart overmeestert, schept het zich in de ontstoken verbeelding een Wareld, en wie betwist het ons? Hy die dees wareld wil intreden, voor dien moet het toovertooneel, dat de Poëzy hem ontsluit, even zoo lang voor volstrekte waarheid verstrekken, als zy hem op haar vleugelen draagt, in haar wolken omvoert, en tot hooger licht door laat blikken, waarvan elke toeschemering, hoe onvolkomen ook, en zelfs hoe bedriegelijk, ons aan eenen hooger aanleg en hooger bestemming herinnert dan deze onze aardsche vervallen toestand met duidelijkheid toelaat te beseffen, en verder of anders dan in eene soort van hemelsche dronkenschap en bedwelming te genieten.

Hoeveel of hoe weinig ik dat gene aanneme, dat tot grond van die onderstelling kan strekken, doet derhalve ter zaak niet; doch, in den tijd, dat men veelal alle Geestendom, en alles wat niet stoffelijk is, en wel, in dien groven zin stoffelijk, waarin dit ons verval ons het stoffelijke gewaar doet worden, onbelemmerd ontkent, een gemengelde wareld te ontsluiten, waarin velerlei soorten en klassen van wezens niet alleen, maar ook onvervallen en aan 't Geestendom, zelfs door den aart van hun lichaam, verwantschapte en gelijkende Paradijsmenschen door één zweven, moet zoo vreemd schijnen, dat er (om het niet voor of laffe of boze spotterny te doen houden) naauwelijks verzekering genoeg schijnt gegeven te kunnen worden van de oudheid van een gevoelen, dat zoo hersenschimmig moet voorkomen. En het zal hoogwaarschijnlijk velen niet ongevallig zijn, dat men hen ten dien aanzien tot het oud maar niet algemeen bekend geschrift, 't zoogenoemde boek van ENOCH, verwijze. Ieder weet, dat de Apostel Judas, in zijnen brief bij de algemeene Christen Kerk voor echt gehouden, en onder de Schriften des Nieuwen Verbonds geplaatst, eene voorzegging van Enoch, den zevende van Adam, heeft aangehaald, welke blijkbaar ten zijnen tijde erkend werd, en schoon het niet noodig is, uit deze plaats meer dan eene mondelinge overlevering van die profecy op te maken; dat echter Enoch geschreven hebbe, wordt niet slechts door Augustinus op grond van die aanhaling des Apostels aangenomen, maar wie zal het in twijfel trekken, die den aart van het letterschrift, en daaruit, de hooge oudheid daarvan, die van den oorsprong-zelven des menschelijken geslachts afgestamd schijnt, recht bevat en in aanmerking neemt? Hoe het zij; dat men reeds in de vroege Eeuwen des Christendoms een geschrift had, 't geen op Enochs naam doorging, is zeker, en, schoon dit buiten alle mogelijkheid van twijfel (als zoo vele andere,) een verdicht stuk was, en hem bedriegelijk werd toegeschreven, dit bewijst ten minste dat men toen ter tijd onderstelde dat Enoch geschreven had. Zoodanig een stuk is ook inderdaad tot ons gekomen en aan den Geleerden niet vreemd, dat onder den naam van den rechtvaardigen en met God wandelenden Enoch, van de Engelen (daar Wachters of Wachtëngelen, Egrigoroi) en hare vermenging met der menschen dochteren handelt; en zulks met eene uitvoerigheid en op eene wijze, die duidelijk genoeg den tijd van het ontstaan van dit geschrift, als niet vroeger dan de Babylonische gevangenis, aantoont. Uit dit stuk, dat wy in 't Grieksch hebben, zal ik, ter voldoening aan eene hier niet ongepaste nieuwsgierigheid, het volgende uittreksel bybrengen.

"En het geschiedde, als de kinderen der menschen vermenigvuldigd waren geworden, en hun schoone en aanlokkelijke dochters geboren waren, dat de Wachtëngelen haar begeerden; en zij verleideden elkander, zeggende: Kiezen wy ons vrouwen uit de dochteren van de menschen der aarde. En Semeïxas, hun hoofd, zei tot hen: Ik vrees dat gy dit mooglijk niet doen zult, en ik (dus) alleen aan dat overgroote kwaad schuldig zal zijn. Maar zy antwoordden hem alle: Alle zullen wij zweeren en ons met een eed verbinden, van dat voornemen niet af te gaan tot wij het ten uitvoer gebracht zullen hebben. Toen zwoeren zij allen en verbonden zich met eede.

"Het waren er twintig, die in de dagen van Jared of Jered (den vader van Enoch) zich op den top des bergs Hermoniim, dien zy daar Hermon naar noemden, dus met onderlinge vervloeking verbonden." (Van welke twintig de namen dan worden uitgedrukt.)