De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot

Part 9

Chapter 93,588 wordsPublic domain

Het Prinsdom _Kimal_ wordt, om de rijkdommen die het bezit, voor 't magtigste van alle gehouden. Want behalven de Zilvermijnen, waar van 'er daar veele gevonden worden, wordt 'er eene groote menigte Gouds uit het zand der rivieren gehaalt: ook levert de nabuurige zee zeer veele Peerlen uit; dog dat in schatten alleen geen geluk gelegen is, heb ik, met dit volk wat naauwer te ondertasten, op de proef bevonden. Want zoo veele inwoonders als 'er zijn, zoo veele mijn gravers en duikelaars zijn 'er bijna, die op winst uit zijnde, tot eene geduurige slavernij, en tot den allerhardsten arbeid schijnen verwezen te zijn. De gene die van deezen arbeid bevrijd zijn, staan altoos op schildwagt om hunne schatten te bewaren; en het geheele landschap is zoodanig onveilig door roovers, dat niemant zig op reis durft begeven zonder eene lijfwagt.

_Geen dag zoo heilig meer, dat 't steelen wordt verschooven._ _Verraad, bedrog, geweld en gierigheid staan boven._ _Men leeft alleen op roof: de huiswaart is in last,_ _En aan zijn eigen haart niet veilig voor den gast._ _Geen schoonvaêr voor den zoon: getrouwe broederliefde_ _Is zeldzaam: want de haat den eigen broeder griefde._ _De man verhaast zijn vrouws, de vrouw haar egaês dood._ _De booze stiefmoêr mengt vergift in ekelbrood._ _De zoon t' ontijde staat den Vader naar het leven._ _Godvrugtigheid heeft uit. Astrea wordt verdreven._ _De leste van de Goon, die angstig en bedugt,_ _De waereld, rood van moord, ter naauwer nood ontvlugt._

Hier door is dat volk, dat van zijne nabuuren met nijdige oogen wordt aangezien, meer te beklagen, dan te benijden. Want vrees, agterdogt, wantrouwen en afgunst houden de gemoederen voor altoos gevangen, en de een ziet den anderen niet dan als eenen vijand en belager zijner goederen aan, zoo dat vrees, kommer, nagtbraken en een bleek wezen de vrugten en de oogst van dien geluk-staat zijn, waarop het Prinsdom _Kimal_ zijnen roem draagt. Dit was de reden, dat ik dat gewest niet zonder vrees en moeilijkheid doorreisde; want op alle wegen en grensscheidingen wierd ik genoodzaakt aan de weg-wagters te zeggen, de oorzaak van mijne reize, mijnen naam, vaderland en diergelijke; en ik zag mij bloot gestelt aan alle die kwellingen, welke de reizigers pleegen te ondervinden in zulke plaatsen, daar men uit agterdogt naauw onderzoek doet. In dat Land is een brandende berg, waar uit als met gestadige golven onderaardsche vuuren worden uitgeworpen.

Na dat ik dit Prinsdom, 't ergste dat ik in mijnen gantschen togt ontmoet heb, doorgetrokken was, zettede ik gestadig Oostwaards aan mijne reize voort. Ik ontmoette allerwegen wellevende en beschaafde Volkeren, dog ook teffens zeer zeldzaame. Maar daar ik 't meest van allen over verwondert was, waren de inwoonders van het kleine Koningrijk _Quamboia,_ welke de natuur met averegtsche zeden gevormt heeft, en wel zodanig, dat hoe iemant ouder wordt, hoe hij ook te gelijk darteler en wellustiger wordt, zulks de baldadigheid, geilheid en andere ondeugden, die elders in de bloeijendste jeugd doorgaans gevonden worden, aldaar met de jaaren toenemen. Derhalven wordt aldaar niemant eene staatsbediening toebetrouwt, dan die nog tot zijn veertigste jaar niet gekomen is: want niet zoo haast heeft hij dat bereikt, of men houdt hem voor eenen baldadigen jongen

_Die onder 's moeders hard bedwang_ _Geweest is, al zijn leven lang._

Ik zag 'er die grijs van ouderdom waren, overal langs de straat loopen rinkelrooijen, en hunnen tijd met kinderspel doorbrengen.

_Ik zag 'er eenige die maakten poppenhuisjes:_ _Bespanden 't wagentje met tweepaar kleine muisjes:_ _En 't paar of onpaar 's spel was anderer tijdverdrijf,_ _Die niet te paard reên op een rietje onder 't lijf._

Ik zag ook dat dezelve menigmaalen van kinderen daar over berispt, ja zelfs met zweepen naar huis gedreven wierden. Ik zag eenen afgeleefden grijsaard openlijk op de markt eenen drijftol voortzweepen, of met eenen hoepel speelen; en die zelve persoon was voortijds een zeer deftig man, en President van den Grooten Raad geweest. Deeze verkeertheid hebbe ik zoo wel in de vrouwelijke als manlijke Sexe gevonden: en daar van daan komt het, dat een jongeling een oud besje trouwende, zelfs het lot van Acteon van allen man voorspelt wordt, 't geen regelregt strijdig is met het geen bij ons voorvalt, alwaar een grijsaart een piep jonge vrijster trouwende, bang is, dat hem hoorns opgezet zullen worden. Ik ontmoette eens twee stok-oude mannen die al kaal waren, t' zamen vegtende op de markt; mij verwonderende over hunne hevigheid, zoo ongewoon in dien ouderdom, en vragende naar de oorzaak van dat tweegevegt, wierdt mij geantwoord, dat 'er krakeel tusschen hen gerezen was over eene hoer, welke zij beide in een hoerhuis tot hunne devotie gehad hadden. Die mij dat verhaalden voegden 'er bij, dat men hen strengelijk met roeden de billen zoude geesselen, zoo haast hunne voogden en bestierders die baldadigheid zoude ter ooren zijn gekomen. Nog dien zelven avond kwam mij ter ooren dat eene oude Matroone zig verhangen hadt, om dat zij aan eenen jongen Beukeboom, waarop zij smoorlijk verlieft was, een blaauwtje geloopen hadt.

Deeze averegtsche levenswijze vereischt ook averegtsche Wetten: daarom wordt 'er in dat Kapittel der Wet, die van de voogdijen handelt, aan niemant de beheering zijner goederen toegedaan, ten zij hij beneden de veertig jaaren oud zij. Wijders worden geene handelingen, aangegaan bij de gene die boven de veertig jaaren zijn, voor wettig gehouden, ten zij dezelve door hunne kinderen of voogden bekragtigt zijn. In het Kapittel van de afhankelijkheid worden deeze woorden gevonden: _Dat Grijsaarts en oude Besjes gehoorzaam zijn aan het bevel hunner kinderen_. Hier door is het, dat de gene die in bedieningen zijn even voor hun veertigste jaar pleegen afgedankt te worden.

_Hen wordt van hoogerhand en magt en regt benomen._ _'t Bestier der Ouden moet aan jongelingen komen_ _Die hen de naaste zijn in maagschap...._

Ik dagt, dat het niet raadzaam voor mij was, langer in dat Land te verblijven, alwaar ik, zoo ik anders nog tien jaaren levens had, door 't bevel der Wet, zoude gedwongen zijn, weder kinds te worden.

In 't Landschap _Cocklecu_ wierdt eene gewoonte, die niet minder verkeert is, en bij de Europische Volkeren grootelijks afgekeurt wordt, onderhouden. Die averegtsche levenswijze spruit niet uit de Natuur, maar alleen uit de Wetten voort. Alle inwoonders deezes Lands, zoo mannen als vrouwen, zijn Jeneverboomen; dog de mannen alleen zijn verwezen tot huiswerk, en alle andere geringe bezigheden. In oorlogs-tijden worden zij wel tot den krijgsdienst opgeschreven; dog bereiken daar in zelden hooger trap, dan dien van slegt Soldaat; vermits 'er weinige zijn, die tot een Vaandel geraken: ook is het Vaandrigsampt de hoogste waardigheid in den krijgsdienst, daar een manboom naar staan kan. Daarentegen worden de vrouwen de zwaarwigtigste zaaken, zoo in het burgerlijke als in het geestelijke, mitsgaders in het geen den krijg betreft, aanbevolen. Ik lachte onlangs met die van _Potu_, dat zij in 't uitdeelen der bedieningen geen onderscheid van Kunne maken; dog dit Volk scheen mij met den kop gekwelt te zijn, en tegen de Natuur te handelen. Om de waarheid te zeggen, ik kon de toegevendheid der mannen in mijn hoofd niet krijgen, welke, daar zij in ligchaams-kragten verre voor leggen, zig egter zulk een onwaardig jok lieten opleggen, en zoo veele eeuwen lang dien smaat hebben moeten opkroppen; daar het zeer ligt zoude vallen dat jok af te schudden, zoo zij die vrouwelijke Tyranny slegts wilden of durfden ontzenuwen. Dog die verouderde gewoonte hadt zoo zeer hunne gemoederen verblindt, dat het niemant in de gedagten kwam, eene kans te wagen om dien smaat weg te nemen: ja dat zij zelfs van meeninge waren, dat het de Natuur zoo beschikt hadt, dat de wijven baas moesten wezen, en dat de mannen maar moesten weven, bijslapen, spinnen, het huis schrobben, en wat rug-op krijgen. De bewijsredenen, waar mede het vrouwvolk dit gebruik tracht goed te maken, zijn deeze: overmits de Natuur het manvolk met ligchaams-kragten begaaft, en hunne ledematen tot zwaaren arbeid bekwaam gemaakt heeft, is 't zeer waarschijnlijk, dat zij alleen het geslagt der mannen tot geringen en zwaaren arbeid geschikt heeft, 't Verbaasde de Vreemdelingen, wanneer zij in een huis komende, aldaar de vrouw van 't huis zagen, zittende in haar boek-vertrek met eenen schrijfpriem en een handboekje; dog den man door de keuken warende, en potten en pannen schuurende. En zeker, in wat huis ik ook kwam, om met den man te spreeken, ik wierd naar de keuken gewezen: alwaar

_De een het zilver wascht, en d'andere schuurt den pot:_ _Een derde reinigt zelfs het honde- en varkenskot;_ _Terwijl 't heerschzugtig wijf al bulderende den vroomen_ _Hals met een' bullepees, vast dreigt op 't lijf te komen._

Van deeze averegtsche levenswijze zag ik zeer gevaarlijke gewrogten. Want gelijk men in andere Landen baldadige en geile snollen vindt, die voor een stuivertje haar lichaam ten besten geven, en haare kuischheid te koop dragen, zoo verhuuren zig ook hier de jongelingen, en 't manvolk voor een nagtje, en huuren ten dien einde bordeelen, welke, door opschriften en hoeragtige uithangborden boven de deuren, bekent zijn. Die zelve, wanneer zij al te openbaar en onbeschaamdelijk hunnen hoerenhandel drijven worden vastgezet, en, even als oude hoeren in 't openbaar met roeden gegeesselt. Daarentegen vrouwen van aanzien en jonge dogters zien het manvolk op straat onder de oogen, knikken die toe, wenken hen, schuiffelen die na, schelden hen, roepen ze, vallen ze lastig, schrijven lofgedigtjes boven hunne deuren; en belijdende openlijk haare Venusjankerijen, zijn 'er als op zoo veele overwinningen moedig op, even gelijk bij ons de dertele jongelingen al pochende pleegen op te tellen hoe veele vrijsters en vrouwen zij al onder de knie gehad hebben. Wijders wordt het nog vrouwen nog dogters voor oneer gerekent, dat zij den jongelingen eenige verliefde gedigtjes of kleine presentjes aanbieden; dog deeze veinzen koel en zedig te zijn, daar het integendeel den jongelingen fraai staat, wanneer dezelve, op de driftige aanzoekingen der jonge dogters, terstont gereed zijn. Niet weinig beweging was 'er ter zelver tijd over eens Raadsheers zoon, die door een jonge dogter onteert was. Men sprak van dat meisje om dat stuk overal zeer kwalijk; en ik hoorde dat de vrienden des jongelings onder zig mompelden, dat men de jonge dogter zonder uitstel in rechten stondt te vervolgen, en dat zij in de naaste zittinge zoude gevonnist worden hem te moeten trouwen en zijne eere op te leggen: vooral, wijl geene wettige getuigen ontbraken, dat de jongeling, welken de vrijster tot ongeoorloofden minnehandel vervoert hadt, bevorens was geweest van een onbesproken levensgedrag. Terwijl ik met deeze Jenever-boomen omging, dorst ik deeze averegtsche levenswijze niet openlijk tegenspreken. Maar toen ik uit de voornaamste Stad vertrok, zeide ik tegen eenige, dat men aldaar tegen de Natuur te werk ging, vermids het volgens het algemeen regt, en naar het gevoelen van alle Volkeren, vastging, dat de mannelijke Sexe geschapen was tot hooge en gewigtige bezigheden. Waar op zij mij te gemoet voerden, dat ik de gewoonte en de inzettingen met de Natuur vermengde, nademaal de zwakheden, die men in de vrouwelijke Sexe gewaar wordt, alleen voortvloeijen uit de opvoedinge, 't geen wel 't meest bleek uit de gesteltheid en wijze van dat Gemeenebest, alwaar men in 't vrouwvolk zoodanige deugden en gemoedsgaven zag uitblinken, welke de mannen elders zig zelven alleen toeëigenen. Want de _Cocklekuaansche_ vrouwen zijn zedig, deftig, verstandig, standvastig, en stilzwijgende; daar het manvolk in tegendeel ligt vaardig, schielijk en snapagtig is; waarom ook, wanneer 'er iets vreemds verhaalt wordt, men aldaar het spreekwoord gebruikt, _dat het mans grollen zijn_; en wanneer 'er iets schielijk en onbedagtelijk uitgevoert is, zeggen de inwoonders, _dat men der mannelijke zwakheid iet moet toegeven_. Dog met deeze bewijsredenen nam ik geen genoegen; maar oordeelde dat deeze averegtsche wijze van leven, wanhebbelijk, en geheel en al strijdig was tegen de Natuur. De verontwaardiging, welke mij de trotschheid van 't vrouwvolk in 't hart als ingedrukt hadt, was oorzaak van het ongelukkig voornoemen, 't welk ik nam een weinig tijds na mijne wederkomste: een voornemen, 't geen mij zoo veele moeilijkheden veroorzaakt heeft, zoo als ik te zijner plaatse zal melden.

Onder de pragtigste gebouwen deezer Stad was het Koninglijke Vrouwen getimmer, voorzien met driehonderd zoo mannen als jongelingen, van de allerschoonste gedaante en geest, welke alle gehouden wierden op kosten der Koningin, en tot haaren wellust dienden. Hoorende dat de gestalte mijns lichaams van eenige zeer geprezen wierdt, en vreezende door de Oploopers in dat Vrouwen-getimmer te zullen gebragt worden, verhaastte ik mijn vertrek, en

_.... De vrees scheen, onder 't rekken,_ _Aan mijne voeten nog voor vleugels te verstrekken._

Aan dit Vorstendom grenst het Landschap der _Philosophen_, aldus genoemt van deszelfs inwoonders die in de wijsgeerte en andere spitsvinnige wetenschappen als geheel en al verzopen liggen. Ik brandde van ongeduld om dat land te zien, wijl ik mij het zelve verbeeldde als het middelpunt aller wetenschappen en de waare verblijfplaats der Zang-godinnen. Hier dagt ik niet te vinden akkers en weilanden, maar wel aaneengeschakelde tuinen,

_Versiert en flonkerende met allerleie bloemen,_ _Zoo schoon dat Flora zelv' daar op zou mogen roemen._

En geheel met dit denkbeeld ingenomen, stapte ik wakker aan, tellende op mijne vingers de uuren en oogenblikken. De paden waar langs ik ging, waren steenagtig en moeilijk door gragten en kuilen, zoo dat ik nu eens langs steilten, dan wederom door moerassen, en overzulks tot mijn middel toe nat, vermits 'er geen bruggen waren, gekwetst en bemoddert voortsukkelde. Dog tegen deeze moeilijkheden was ik wel gehard, wetende dat men langs ruuwe en ongebaande wegen naar het gestarnte klimt. Na dat ik dan een gantsch uur lang met deeze moeilijkheden geworstelt had, kwam mij een boer tegemoet, welken ik beleeft aansprekende vraagde, hoe verre ik nog van _Mascattia_, of 't Landschap der Philosophen was. Zijn antwoord was: _dat ik liever vraagen zoude, hoe veel wegs ik nog hadde af te leggen, aangezien ik bereids midden in dat gewest was_. Verbaast zijnde door dit antwoord: _hoe komt het_, hernam ik, _dat een Land, alleen door Philosophen bewoont, eer de gedaante van afschuuwelijke kreupelbosschen, dan van een welbebouwd gewest heeft_? Daar op antwoordde hij, dat de gedaante van dat land binnen korten tijd beter zoude wezen, zoo haast de inwoonders den tijd zouden hebben, om zig met diergelijke kleinigheden op te houden; maar dat zij thans alle alleenlijk bezig waren met boven-maansche zaaken, en wel inzonderheid om eenen weg naar de Zonne uit te vinden: en dat men derhalven behoorde door de vingeren te zien dat zij het land voor eenigen tijd onbebouwd lieten: want dat het niet gemakkelijk viel te gelijk te blaazen en te slorpen. Aanstonds begreep ik waar de redenen van dien doorslepen boer op doelden; en, mijnen weg vervolgende kwam ik eindelijk aan de Hoofstad _Cuskam._ In de poorten der Stad zag ik dat 'er, in plaats van eene wagt, gansen, hoenderen, vogelnesten en spinnewebben waren. Door de straaten der Stad waarden allerwegen Philosophen en Varkens, waar van de eerstgemelde alleen door hunne ligchaams-gedaante onderscheiden waren van de Varkens, zijnde anderszins door morsigheid en ontijigheid aan dezelve gantsch gelijk. Alle de Philosophen droegen het zelve soort van mantels; dog van wat kleur die waren, viel mij onmogelijk te onderkennen, wijl dezelve met stof en slijk bedekt waren. Eenen derzelven, welken ik, gantsch opgetogen in zijne gedagten, regt toe op mij zag aankomen, sprak ik aldus aan: _Ik bid u, Meester, zeg mij tog hoe deeze Stad genoemd wordt._ Maar hij bleef onbeweeglijk staan als een paal; en niet eens zijn gezigt verdraaijende, als of hem de ziel uit het lichaam verhuist was, stondt hij lang zonder zig te verroeren, dog eindelijk zijne oogen naar den hemel slaande, antwoordde hij mij: _wij zijn niet verre van den middag._ Zulk een gekkelijk antwoord, te kennen gevende eene wonderlijke verstrooijing van gedagten, deedt mij zien, dat het beter is matelijk te studeeren, dan door al te groote geleerdheid te kolderen. Daarop stapte ik naar binnen de Stad, willende zien of 'er behalven de Pnilosophen, ook menschen of redelijke schepzelen te vinden waren. De markt der Stad, die zeer groot was, pronkte met standbeelden en pilaaren onderscheiden door tytels en opschriften. Ik wendde mij derwaards, om te zien of ik eenige puntdigten daar onder leezen konde. Dog terwijl ik al mijn verstand daar aan te kosten lag, voelde ik dat mijn rug warm en vogtig wierdt. Waarom ik, agterwaards ziende, om den oorsprong van dien warmen vloed te ontdekken, gewaar wierd dat een Philosooph mij 't geheele agterlijf bepiste; want hij, in gedagten opgetogen zijnde, nam mij voor een standbeeld, waartegen hij gewoon was zijne blaas te ontlasten. Ik, dien smaad niet konnende verdragen, vooral wijl die Philosooph daar over luidkeels begon te lachen, gaf hem eene lustige muilpeer; waarop hij, zwellende van gramschap, mij in de lokken vloog, en mij al schreeuwende de geheele markt over sleepte. Dog toen ik zag dat hij niet tot bedaren te brengen was, stelde ik mij in postuur, en betaalde hem met gelijke munt, invoegen wij malkanderen niets schuldig bleeven. Eindelijk, en na een scherp gevegt, geraakten beide de kampvegters onder den voet. Op dat gezigt schoten onnoemlijk veel Philosophen toe, en als verwoed aanvallende, sleepten zij mij, met vuisten en stokken deerlijk van lid tot lid afgerost en bijna zieltogend' zijnde, bij 't hair over de geheele markt. Eindelijk moede, maar niet verzadigt, van slaan zijnde, bragten zij mij naar een groot huis, en toen ik mij met de voeten tegen de deur tegenhield, halstarrig weigerende daar binnen te treden, trokken zij mij hals over kop als een schreeuwend varken daar binnen, leggende mij midden op den vloer op mijnen rugge. Alles lag in dat huis overhoop en 't onderste boven, en 't was 'er niet anders gesteld, dan wanneer het bij ons naar St. Michiel of Paasschen gaat, wanneer alle meubelen en huisraad, staande om naar een ander huis overgevoert te worden, hol over bol onder een geworpen worden. Toen was 't, dat ik onze wijsaarts ootmoedig begon te bidden, dat zij tog hunnen toorn wilden matigen, en zig laaten bewegen tot barmhartigheid, hen vertoonende, hoe onbetaamelijk het was voor wijsgeeren en menschen die verstand wilden hebben, als wilde dieren te worden, en de hartstogten, waarop zij 't zoo pleegen geladen te hebben, den al te ruimen teugel te vieren. Dog ik klopte vooreen doov'mans deur: want de Philosooph die mij den rug zoo bepist hadt, begon wederom het gevegt, en sloeg en beukte mij zoo ellendig, als of hij een aambeeld hadt voorgehad, zodanig dat hij niet scheen te kunnen bevredigt worden dan door mijnen dood. Toen ondervond ik dat 'er geen verwoeder dier is, dan een vergramde Philosooph, en dat de gene die 't allermeest van deugd schreeuwen, dezelve 't minst betrachten.

_Want dit uitzinnig dier, ô, schrik! van geen bedaaren_ _Meer wist; maar woedde al voort: 't bloed kookt' hem in zijn' aêren._

Ten lange laatsten kwamen 'er vier Philosophen binnen treden, welker mantels te kennen gaven dat zij van eene bijzondere gezinte waren. Deeze de dreigementen der woedende menigte met hand en mond ter nederzettende, scheenen met mijnen staat medelijden te hebben; en na dat zij met de andere ter zijde afgesproken hadden, bragten zij mij over in een ander huis. Ik was blijde dat ik verlost was uit de klaauwen van die struikroovers, en eerlijke lieden ontmoet had; en lag hen op hun verzoek de oorzaak deezer opschuddingen in 't breede uit. Zij, grimlachende op 't hooren van zulk een klugtig voorval, zeiden, dat de Philosophen gewoon waren, als zij op de markt wandelden, tegen die standbeelden te pissen, en dat het waarschijnlijk was, dat mijn bespringer, staroogende op zijne Philosophische bespiegelingen, mij voor zulk een standbeeld genomen hadt. Voorts zeiden zij dat hij een zeer vermaard Sterrekijker was, en dat de overige, die mijne schouders zoo toegedekt hadden, Leeraars in de zedelijke Wijsgeerte waren. Nu dagt ik in eene behouden haven en alle gevaar ontkomen te zijn, luisterende met groot vermaak naar die en andere hunner, vertellingen. Dog het al te naauwkeurig beschouwen mijner gestalte, gaf mij eenigzins kwaad vermoeden. Wijders waren de dikwils herhaalde ondervragingen, die zij mij deden, naar mijnen staat, naar de oorzaak mijner reize, en naar mijn vaderland, mitsgaders de stille rugspraak, mij zoo veele voortekenen van een aanstaande ongeluk. Dog ik stierf bijna van schrik, wanneer ik in een soort van eene Snijkamer wierd geflooten, alwaar ik eenen overgrooten hoop doodsbeenderen en lijken opgestapelt zag, die dat gantsche vertrek vervulden met eenen afschuwelijken stank. Ik dagt in 't eerst niet anders dan dat het eene spelonke van moordenaars was; maar de Anatomische instrumenten, die tegen de muuren hingen, verminderden allengskens dien schrik, vermits het daar uit bleek, dat mijn huiswaard een Geneesheer of Chirurgijn was. Na dat ik in dit rasphuis een half uur lang alleen gezeten had, en zonder mij te durven verroeren, tradt 'er eene aanzienelijke vrouw binnen met het middagmaal, 't geen zij voor mij bereid hadt. Zij scheen zeer vriendelijk te wezen; dog met bedaardheid mij aanziende, zugtte zij zomtijds zeer zwaar; en toen ik naar de oorzaak haarer droefheid vraagde, antwoordde zij, dat mijn aanstaande lot haar dit zugten afperste. _Gij zijt_, sprak zij, _in een fatsoenlijk huis gekomen; want mijn man, die Heer van dit Eiland is, is alhier tot openbaar Stads Natuurkundige[1] en Leeraar in de Geneeskunde aangestelt, en de andere die gij gezien hebt, zijn zijne amptgenoten. Dog deeze, verwondert over de ongewoone gestalte uwes lichaams, hebben besloten, het onderstel van het zelve, en daar benevens uwe ingewanden, naauwkeurig te onderzoeken en, uw lichaam ontledigende, te zien, of zij daar in iets nieuws, tot opheldering der Ontleedkunde, konnen ontdekken_. Deeze woorden deeden mijn hart en ziel trillen, waarom ik eenen vervaarlijken schreeuw gevende, uitriep: wel! Mevrouw, hoe kan men hen braave lieden noemen, die een onnozel en eerlijk man niet schromen den buik op te snijden? Waarop zij wederom zeide:

_Hadt g'uwen vinger eerst hier in den grond gesteken,_ _Wel honderd mijlen verr' waart gij van hier geweken._