De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot

Part 8

Chapter 83,710 wordsPublic domain

In het stuk des Godsdiensts heb ik ondervonden, dat het verboden is over de grondstukken des Geloofs, en vooral over 't Wezen en de Eigenschappen Gods te zintwisten; dog nopende andere zaaken zijn oordeel op te geven, en bijzondere gevoelens in overweginge voor te stellen, staat elk een vrij. De _Potuanen_ zeggen, dat het nadeel dat uit zodanige twistredenen ontstaat, vergeleken kan worden bij de onweders die huizen en boomen om verre werpen; dog te gelijk de lugt zuiveren, bedervinge daar in voorkomen, en verhoeden, dat zij door al te lange stilte niet verrotte. De reden waarom zij zoo weinige Feestdagen hebben, is op dat het geslagt der boomen door ledigheid niet vadzig worde: want de _Potuanen_ stellen vast, dat de Godsdienst meer bestaat in noodzaakelijke werken te verrigten, dan in bidden en geloften te doen. Van de Poëzy wordt 'er niet veel werk gemaakt, schoon het Vorstendom niet geheel en al van Dichters ontbloot is. Dog de Onderaardsche Poëzy verschilt, van Onrijm alleen in hoogdravendheid der taal; waarom zij ook als iets kinderlijks belachten, 't geen ik hen verhaalde van de voeten en het rijm onzer Vaarsen.

Onder de Leeraars van _Potu_ zijn 'er, die Hoogleeraars van goeden smaak genoemt worden. Deezen is opgelegt te bezorgen dat de jeugd zig niet ophoude met wisjewasjes, of zaaken van weinig belang, op dat 'er geen ongezoute of straatgeschriften, die den goeden smaak bederven, voor den dag komen; en dat uit de Boeken, die gedrukt staan te worden, al 't geen tegen de gezonde reden aanloopt, uitgeligt worde. Om welke redenen alleen aldaar een gebod legt, dat de Boeken moeten onderzogt en nagezien worden; geheel anders dan in onze Waereld; alwaar zelfs van de allerbeste Onderzoekers de Boeken enkel en alleen opgehouden plegen te worden, om dat ze in de kraam der Regeering niet dienen, of om dat ze eenigzins afwijken van den aangenomen spraakstijl, of om dat 'er de menschelijke gebreken, al schertsende en naar waarheid, in worden doorgehaald: waar door het geschiedt, dat de Letter-oeffeningen gestuit, en de welopgestelde geschriften geen licht konnen geven. Maar vermits die van _Potu_ eenen vrijen koophandel met hunne nabuuren hebben, sluipen 'er dikwils prulschriften, of die naar den smaak van 't slegt volkje opgestelt zijn, binnen. Hierom zijn 'er Onderzoekers aangesteld, die zig dagelijks in de Boekwinkels laten vinden. Zij worden _Syla-Macatie_, dat is Boekerijveegers, genaamt: want gelijk 'er in onze Waereld een soort van volk is, die de schoorsteenen en vuurovens jaarlijks vegen, zoo zoeken ook deeze Onderzoekers, na dat zij de Boeken, die te koop geveilt worden, doorsnuffelt hebben, 'er naauwkeuriglijk de prullen uit, en werpen al 't geen zij vinden lorren en vodden te zijn, alleen dienende om den goeden smaak te bederven, in de riolen. Hierom zeide ik in mij zelv': ô! wat zou dat eene slagtinge maaken onder de Boeken, zoo die instellinge in onze Waereld plaats hadt!

Maar boven al is te prijzen het toevoorzigt der gene, die uit den inborst der jeugd afneemen, welken levensloop dezelve te verkiezen staa: want gelijk het gehoor der Musikanten de allerminste ongelijkluidendheid der snaaren gewaar wordt; zoo weten ook deeze Kenners en Opzienders der deugden en gebreken, dikwils uit het star-oogen, uit het strak-houden of zamentrekken der wenkbrauwen, uit de somberheid, uit het vrolijk gelaat, uit den lach, uit de spraak, uit de agterhoudinge, en uit diergelijke zaaken, ligtelijk te oordeelen, wat een iegelijk dienstig, of tegen deszelfs natuur strijdig is.

Maar om weer van mij zelv' te spreken. Ik sleet mijnen tijd gantsch niet genoeglijk met deeze wonderbaarlijke boomen, welke ik ten spot en veragtinge verstrekte, om dat men mij nagaf dat ik van een vlug verstand was: ook nam ik zeer kwalijk op de schampscheuten die mij deswegens wierden toegeworpen: want door de bank heetten zij mij _Skabba_, dat is te zeggen, den gaauwert of den schielijkaart. Maar 't meest van allen stak mij in den krop, dat zelfs mijne waschvrouw zoodanig vonnis over mij streek, die, schoon zij van het uittrekzel van 't janhagel, en een rampzalige Lindeboom, geen penning waardig, was, egter geen zwaarigheid maakte om mij, met dien haatelijken naam te noemen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

_Reize van_ KLIM _om de Planeet Nazar._

Na dat ik twee jaaren lang de moeijelijke bedieninge van Postlooper had waargenomen, en, belast met bevel-brieven, het geheele Landschap had doorgeloopen, kreeg ik eindelijk verdriet in mijn moeijelijk en te gelijk onwaardig ampt: waarom ik met smeekingen op smeekingen den doorlugtigen Vorst om mijn ontslag lastig viel, verzoekende teffens eene aanzienlijker bedieninge. Dog ik liep gestadig een blaauwen scheen, wijl de Vorst van gedagten was, dat mijne schouderen te zwak waren om een ampt van gewigt te torsschen. Ook haalde hij eenige wetten en gewoonten aan, regelregt strijdig met mijn verzoek, en welke tot hooge en gewigtige bedieningen alleen bekwame mannen vereischten: waarom hij zeide noodig te zijn, dat ik mijn eenmaal aanvaardde ampt bleef bedienen, tot dat ik door verdiensten mij den weg baande tot iets grooters; besluitende zijne redenen met deeze vermaning:

_Die naar wat groots wil staan, die dient vooral te weten._ _Dat hij zig zelf steeds heeft met eigen maat te meten._ _Men wil dat van de Goon het groote KEN U ZELF_ _Zij eertijds neergedaalt: ook pronkte Apoll's gewelf,_ _Weleer met deeze spreuk Gij dan wilt dit gedenken,_ _Betrachtend' uwen pligt......_

Dit dubbel blaauwtje deedt mij een stout en wanhoopig besluit nemen. Zedert dien tijd trachtte ik wat nieuws uit te vinden, waar door ik de voortreffelijkheid van mijn verstand mogt toonen, en teffens den smaad, mij opgelegt, wegnemen. Ik had mij bijna een geheel jaar lang uitgelegt in 't doorsnuffelen der wetten en gewoonten deezes Vorstendoms, zullende onderstaan, of ik niet bij geval eenige gebreken, die verbetering noodig hadden, zoude konnen ontdekken. Ik had mijn voornemen aan zekeren Braambosch, waar mede ik zeer gemeenzaam omging, en met welken ik van jok en ernst pleeg te praten, geopenbaart. Dees vondt mijne uitvindinge juist zoo vreemd niet; dog maakte veel zwarigheid of dezelve wel heilzaam voor den Staat zoude zijn. Het was, zeide hij, de pligt van een Verbeteraar, den aart en gesteldheid van het Land, dat hij trachtte te verbeteren, zig zelv' voor oogen te stellen: want een en dezelve zaak is van eenen gantsch verscheiden uitslag, volkeren, even gelijk een en het zelve geneesmiddel, waar door het eene lichaam herstelt wordt, gantsch schadelijk is aan 't andere. Voorts deedt hij mij zien, aan hoe groot een gevaar ik mij bloot gaf met deeze kans te wagen; dat de Raad stondt te vergaderen over mijn leven of dood, en dat het met mij gedaan was, zoo mijn aanraden van de Onderzoekers verworpen wierdt. Derhalven badt hij mij zeer, dat ik alles rijper wilde overwegen schoon hij mij van mijn voornemen niet geheel en al wilde afschrikken, nademaal het mogelijk was, dat ik, na rijp overleg, iets heilzaams, zoo voor mij zelv', als voorden Staat, kwam te ontdekken: volgende dan den raad van mijnen Vriend, rekte ik den tijd; en zedert mijn Postloopers-ampt met geduld waarnemende, doorliep ik, naar gewoonte, Landen en Steden. En op dat mij niet uit de geheugenis ginge, 't geen ik op reis had opgemerkt, gaf ik, alles in zoo goeden stijl, als 't in mijne magt was, aangetekent hebbende, den Vorst een Boek over dat niet klein was. Hoe zeer dit werk naar 's Vorsten smaak was, bleek terstont daar uit, dat hij mijnen arbeid in den Raad mee eene openbaare loftuitinge verhefte, en 't Boek naarstig hebbende doorgelezen, besloot, zig van mij te bedienen in 't ontdekken van de geheele Planeet _Nazar_. Ik had eene andere belooninge voor mijnen arbeid gewagt; waarom ik stillekens met den Digter zeide

_De deugd wordt wel geprezen;_ _Maar zelden loon bewezen._

Dog vermids ik gaarne van staat verandert had, en na mijne wederkomste, van 's Vorsten milddadigheid belooninge wagtte, was ik niet geheel en al onwillig om mijnen dienst toe te zeggen.

De Planeet _Nazar_, schoon ze in haaren omtrek naauwlijks twee honderd Duitsche mijlen beslaat, schijnt egter van eene groote uitgestrektheid te zijn, wegens der inwoonderen langzaamheid van gang. Hier van daan is het, dat de meeste Gewesten, vooral die wat afgelegener zijn, deeze Onderaardlingen nog onbekent zijn: want geen een _Potuaan_ is in staat om in den tijd van twee jaaren dien Bol te Voet om te reizen: daar ik het, wijl ik zeer wel ter been was, binnen den tijd van eene maand konde doen. Maar daar ik het meest benaauwt voor was, was, zoo als ik mij inbeeldde, de verscheidenheid van taal. Dog eenige gaven mij moed, betuigende dat alle de bewoonders der Planeet, hoe zeer ze kragtig verschilden in zeden, egter alle een en dezelve uitspraak hadden; en dat ook het geheele boomgeslagt opregt, vriendelijk, en goedertieren was, zulks ik, zonder eenig gevaar, de gantsche Planet zoude konnen omwandelen. Dit was een gewillig paard de sporen geven, en ik begaf mij op reis met het begin van de _Populier-Maand._

De dingen die staan te volgen, zijn zoo verbazende, dat ze veel eer naar de versiersels der Digters, of zuivere harsschenschimmen schijnen te gelijken: vooral wijl die verscheidenheid zoo in lichaam ais in geest, welke ik op mijne reize ondervonden hebbe, zelfs, niet onder de onderling allerafgelegenste Volkeren, en die onder eene andere lugtstreek leeven, te wagten is. Dog men moet weten, dat de meeste Volkeren deezes Aardbols door zeeën en zee-engtens van malkanderen zijn gescheiden; en dat deeze Planeet een soort van Archipel vertoont. Zelden vaart men deeze zee-engtens over, en de veerluiden, die aan de oevers op de wagt staan, worden alleenlijk op die posten geplaatst om der reizigers wille: want de inwoonders zetten bijna nooit hunne voeten buiten de grenzen hunner geboorteplaats, en zoo zij door den nood gedwongen zijn die zee engtens over te vaaren, keeren zij welhaast weder terugge, als hebbende van stonden aan eene tegenheid in een vreemd gewest. Hier van daan is het, dat zoo veele Natien als men 'er heeft, men ook zoo veele nieuwe Waerelden vindt. Dog de voornaamste reden deezer ongelijkheid spruit uit den verscheiden aart des gronds, 't welk te zien is uit de verscheide kleuren der landerijen en der akkers, en uit de doorslaande ongelijkheid der planten, vrugten, en peulvrugten; zoo dat het geen wonder is dat in die verscheidenheid van landerijen en vrugten, ook zoo veel verscheidenheid in den inborst der inwoonders, en zoo veele verscheidene natuuren in dezelve te vinden zijn. In onze waereld is 'er weinig onderscheid van zeden, studien, kleuren, lichaamsform, zelfs in de Volkeren die onderling 't verst-afgelegen zijn. Want mitsdien de aart des gronds bijna overal dezelve is, behalven alleen dat de eene aarde vrugtbaarder is dan de andere, en dat ook de natuur der vrugten, der kruiden en des waters dezelve is, konnen 'er niet zoo veele Schepzelen van zoo verscheiden geslagt voortgebragt worden, als 'er op dien Onderaardschen Bol geboren worden, alwaar ieder stuk lands zijne bijzondere hoedanigheid heeft. Den vreemdelingen wordt 'er wel vergunt te reizen en koopmanschap te bedrijven; dog geenzins daar te woonen: ook kan het hen om den verscheiden en tegenstrijdigen aart der landstreeken niet toegestaan worden. Daar door komt het, dat alle vreemdelingen die men op den weg ontmoet, of reizigers zijn of kooplieden. De landstreeken egter, die aan 't Vorstendom _Potu_ grenzen, zijn bijna alle van denzelven aart. Derzelver inwoonders hebben eertijds zeer zwaare oorlogen gevoert met die van _Potu;_ dog thans staan zij, of met dezelve in onderling verbond, of t' ondergebragt zijnde, houden zij zig stil onder derzelver zagte regeeringe. Dog wanneer men eene groote zee engte, die den geheelen Bol klieft, oversteekt; ziet men nieuwe Waerelden; nieuwe en den _Potuanen_ onbekende schepzelen. Dit alleen hebben zij gemeen met dat Vorstendom, dat alle de creaturen van dien geheelen Aardkloot, boomen zijn met verstand en reden begaafd, en ten naasten bij eene en dezelve uitspraak hebben, Daarom valt de reize niet moeijelijk, voornamentlijk, nademaal zij, om de veelheid der kooplieden of reizigers, die gewesten doortrekkende, gewoon zijn, allerlei creaturen van verscheiden geslagt, en die in 't geheel niet naar hen gelijken, te ontmoeten. Ik heb gemeent dit vooral niet te moeten vergeten: op dat niemand het volgende verhaal kome te verveelen, nog de verhaaler om zijne opgepronkte leugenen in regten worde betrokken.

Het zou te lang vallen, en 't is niet der moeite waart, alles, wat mij op deeze reize gebeurt is, in 't bijzonder, en volgens den draad der geschiedenisse, op te halen: mijn voornemen is alleenlijk te beschrijven de meest verwonderlijke Volkeren, in welker zeden en gewoonten ik niet weinige zaaken gevonden heb, die zoo ongewoon en verbaazende zijn, dat de Planeet _Nazar_ uit dien hoofde onder de wonderwerken der waereld gerekent mag worden. Ik heb opgemerkt dat het geheele boomgeslagt in beschaafdheid, in verstand, en in deftigheid, weinig verschilt van de _Potuanen;_ dog in gewoonten, geneigdheden en form van ligchaam zoo zeer verschillend is, dat elk gewest mij voorkwam als eene nieuwe waereld op zig zelven.

In de Provincie _Quamfo_, welke 't eerste Landschap is over de zee-engte, zijn de inwoonders aan geen ziekten of lichaamskwaal len onderhevig, maar leeven in eene genadige gezondheid tot dat ze oud en grijs zijn. Om die reden hield ik hen voor de gelukkigste aller schepzelen: dog uit den korten omgang dien ik met hen had, bespeurde ik, dat ik zeer in mijne meeninge bedrogen was geweest: aangezien gelijk ik onder de ingezetenen deezer Provincie niemant ooit droevig gezien heb, ik 'er ook niemant vergenoegt, laat staan blijde, vond: want gelijk wij geen aandoening hebben van eene heldere en getemperde lugt, ten zij wij bevorens storm en onweder hebben uitgestaan; zoo hebben ook deeze boomen geen bezef van hun geluk, om dat het altoosduurende en onafgebrooken is, niet wetende dat zij gezond zijn, om dat hen de ziekten onbekent zijn: invoegen zij hun leven doorbrengen in eene gestadige gezondheid, en te gelijk in eene geduurige laauwheid: want voorspoed zonder tegenspoed geraakt aan 't kwijnen door zatheid, en 't allergenoeglijkste leven is, daar het zoet met zuur getempert wordt. Ik kan betuigen in geene Natie onaangenaamer manieren, of kouder en onbeschaafder omgang ooit te hebben gevonden. Het is waar, de lieden zijn 'er opregt; dog egter zoo, dat ze nog, uwe toegenegenheid, nog uwen afkeer waardig zijn: gij hebt 'er voor niemants belediging te vreezen, nog iemants haat te wagten: kort om, gij zult hier niets vinden dat u mishaagt, nog iets dat u aanstaat. En nademaal die gestadige gezondheid des lichaams nooit het afbeeldzel van den dood onder 't oog brengt, of eenig medelijden met de ellendigen en bedrukten verwekt; zoo brengen zij ook gantsch laauw en zorgeloos, en zonder eenige hartelijkheid of ontferminge, hun geheele leven door: waarom 'er ook onder dat volk geen voetstap van Godvrugt, van teerhartigheid of meêdoogen te vinden is. Want gelijk de ziekten ons de sterflijkbeid herinneren, zoo spooren zij ons ook aan tot wel te leeven, en bevoelen ons op onze hoede te zijn, en reisvaardig te staan; en gelijk zij ons smerten aandoen, zoo leeren zij ons te gelijk ons te ontfermen over de gene die bezogt zijn. Hier door bespeurde ik ligtelijk, hoe zeer ons de ziekten en doodsgevaaren tot alle betragtinge van Godvrugt en onderlinge hulpe aanzetten: ja hoe onwaardiglijk wij ons vergrammen tegen den Schepper, wijl wij schijnen als geboren te zijn tot bezoekingen, die ons egter heilzaam en noodig zijn. Het staat egter te letten dat deeze Eiken, op andere plaatzen overgebragt zijnde, zoo wel als andere boomen, aan ziekten en zwakheden onderhevig zijn: waarom ik oordeele, dat dat groote gezondheids-voorregt, zoo 't anders daar voor gerekent mag worden, enkel en alleen aan de lugtstreek en 't voedzel moet worden toegeschreeven. De Provincie van _Lalac_, die ook den naam van _Mascatta_, dat is de gelukkige, genoemt wordt, schijnt met regt haaren naam te dragen; want alles komt daar van zelf voort.

_De bloemen die van zelf uit d'aarde geurig sproten._ _De klei teelde ongebonwt, gewillig, onverdroten,_ _Het weelig veld-gewas: het veld schonk, onvermoeit,_ _De zwang're kooren-aar: de melk en nektar vloeit_ _Als water: d'Eik in 't wild' scheen honingdauw te geven._

Maar dit uitsteekend voorregt maakt de inwoonders niet boven andere gelukkig. Want gelijk zij voor de kost niet behoeven te werken, worden ook de meeste van hen, vadzig zijnde door ledigheid en luiheid, geduurig met ziekten gekweld. Hier van daan sterven de meesten voor hunnen tijd, wijl zij door wormen en verrottinge bedorven zijn. De natuur deezer Landstreek verschafte mij geen geringe stoffe tot Wijsgeerige overdenkingen, en het bleek klaar uit den stand en gelegentheid deezes volks, dat handwerkslieden en de gene die dienstbaar zijn, in veele opzigten gelukkiger leeven, dan de gene die, nooit bekommert om hunnen leeftogt, hunne dagen in ledigheid en wellusten slijten.

_De honger pleeg altijd de beste saus te wezen;_ _En zelfs geringe spijs van d'eet-lust wordt geprezen:_ _Een hongerige maag is haast de kost bereid,_ _Die slegts aan d'overdaad verstrekt tot bitterheid:_ _Het Koninglijk geregt naauw brasser kon behagen,_ _Wiens zwakke voet ontzegt 't bedorven lijf te dragen._

Hier van daan zoo veele booze raadslagen, wanhoopige pogingen, en geweldigen dood. Want de overvloed waar in zij leeven, hen alle aandoeningen van smaak en geneugte benemende, verstrekt hen tot walging, en doet hen verdriet in hun leven krijgen; zulks dat Land, 't geen ik mij verbeeldde te zijn de woonstede der Gelukzaligen, mij niet anders voorkwam dan eene sombere verblijfplaats der dooden, waardiger beklaagt dan benijdt te worden.

_Dit kwam in mij den lust verwekken_ _Om haastig uit dit land te trekken._

Naast aan dit Landschap grenst het Gewest _Mardak_ geheeten, bewoond wordende van Cypressenboomen, hebbende alle dezelve lichaams gedaante, en alleenlijk onderling onderscheiden door den ongelijken form hunner oogen: want sommige hebben dezelve langwerpig, andere vierkant: deeze hebben die zeer klein, gene wederom zeer groot; zodanig, dat ze bijna hun geheele voorhooft beslaan. Eenige worden met twee, andere met drie, en andere wederom met vier oogen geboren. Daar zijn 'er ook die maar één oog hebben; en welke men voor afzetzels van Polyphemus zoude groeten, ten ware zij hun oog in 't agterhooft niet hadden. Hiervandaan is het, dat zij naar gelang der verscheidenheid hunner oogen in even zoo veele Stammen worden verdeelt.

_De Namen der Stammen zijn deeze navolgende._

1. _Nagiri_: dat is der gene die de oogen langwerpig hebben, en aan welke om die reden, alle voorwerpen langwerpig voorkomen.

2. _Naquiri_, welker oogen vierkantig zijn.

3. _Talampi_. Deeze hebben kleine oogen.

4. _Iaraku_, met twee oogen, van welke het een wat schuins staat.

5. _Mehanki_. Deeze hebben drie oogen.

6. _Tarrafuki_. Deeze hebben 'er vier.

7. _Harramba_. Welker oogen hun geheele voorhooft beslaan.

8. _Skadolki_. Deeze zijn 't die één oog in 't agterhooft hebben.

Van, alle deeze is de Stam der _Nagiri_, of der gene die langwerpige oogen hebben, en welken daarom alle voorwerpen ook langwerpig voorkomen, de talrijkste, en bij gevolg de magtigste. Uit deezen Stam alleen worden de Staats-regeerders, de Raadsheeren en de Priesters verkooren. Deeze alleen hebben alle bewind in handen, en laten niemant uit eenen anderen Stam toe Staats-ampten toe, ten zij hij betuige, dat zekere ronde schijf, de Zon toegewijd, en, op eene verheven plaats des Tempels gestelt, hem ook langwerpig voorkomt, en dat hij die belijdenisse met eede bevestige. Deze gewijdde schijf is het voornaamste voorwerp van den _Mardakaanschen_ Godsdienst. Hier van daan is 't, dat de eerlijkste onderdanen, die zig niet willen hesmetten met de misdaad van meineedigheid, van alle Staatsbedieningen geweert, en voor geduurige spotternijen en vervolgingen blootgestelt worden; en hoe zeer zij betuigen dat zij gelooven moeten 't geen zij met hunne oogen zien, worden zij egter aangeklaagt, en 't geen een gebrek in de natuur is, wordt hen als kwaadaartigheid of koppigheid aangetegen.

Het Formulier van eedzweering, 't welk een iegelijk die tot bedieningen of eerampten staat toegelaten te worden, onderteekenen moet, is bijna van den volgenden inhoud:

_Kaki Manasca Quihompu Miriac Jacku Mesinbrii Caphani Crukkia Manaskar Quebriac Krusundora._

Dat is: ik zweere dat de gewijdde Zonschijf mij langwerpig voorkomt, belovende in dat gevoelen tot mijnen laatsten levenssnik te zullen volharden.

Deezen eed afgelegt hebbende, worden zij verkieslijk verklaard tot bedieningen, en onder den Stam der _Nagiri_ aangenomen.

Daags na mijne aankomste, terwijl ik, niets te verzuimen hebbende, over de markt ging wandelen, zag ik eenen ouden man wegbrengen om gegeesselt te worden, verzelt zijnde van eenen grooten troep Cypressenboomen die hem de huid vol scholden. Vragende wat 'er te doen was wierdt mij geantwoort; dat hij een ketter was, en in 't openbaar geleert hadt, dat de Zon-schijf hem vierkant voorkwam; welk verderflijk gevoelen hij, niettegenstaande veelvuldige aanmaningen, halstarrig was blijven aankleven.

Om deeze reden, eene kans willende wagen, of ik ook regtzinnige oogen had, en binnen den Tempel der Zonne getreden zijnde, alwaar mij de gewijdde schijf ook vierkant scheen te zijn; gaf ik mijnen Huiswaard, die onlangs tot het fabryk-meesterschap der Stad verheven was, zulks openhartiglijk te kennen. Hij, mijn zeggen met een diep gezugt aanhoorende, betuigde mij dat dezelve hem ook vierkant voorkwam; dog dat hij zulks aan niemant hadt durven ontdekken, ten einde hem de regeerende Stam geen spel mogte maken, en hem zijne bedieninge afnemen.

Al beevende dan, en ter sluip, ging ik de Stad uit, vreezende dat ik misschien de misdaad mijner oogen met den rug zoude moeten boeten, of, met den haatelijken tytel van Ketter gebrandmerkt, op een schadelijke wijze daar uit gezet worden. Waarlijk, nooit kwamen mij eenige wetten zoo schrikkelijk voor, of eenige inzettingen meer barbaarsch en onredelijk; wijl ik zag, dat men enkel en alleen door veinzerij en meineedigheid zig eenen weg tot eerampten baande. Waarom ik ook, in 't Vorstendom _Potu_ wedergekeert zijnde, zoo menigmaal ik gelegenheid had, mijne gal uitbraakte op die barbaarsche Republyk. Dog toen ik op zekeren tijd mijnen moed daar aan koelende, aan eenen Jeneverboom, waar mede ik zeer gemeenzaam omging, mijne gramschap des wegen openbaarde, begon dezelve aldus, te spreken: "Voorzeker zullen aan ons de inzettingen der _Nagiri_ dwaas en onbillijk voorkomen; dog laat het u niet vreemd schijnen, dat 'er om die verscheidenheid van oogen zulk eene groote strengheid geoefent wordt; nadien 't mij te binnen schiet u te hebben hooren zeggen, dat 'er in de meeste Staaten van Europa heerschende Familien gevonden worden, die uit hoofde van het gebrek des gezigts of des verstands, de andere te vuur en te zwaard vervolgen; en dat gij zoodanig bedwang, als Godvrugtig, en heilzaam voor den Staat, hooglijk kwam te roemen." Aanstonds begreep ik waar die doortrapte man met dat zeggen heen wilde; waarom ik beschaamt zijnde, van daar ging en zedert dien tijd altoos de verdraagzaamheid voorstaande, strijke ik een veel zagter vonnis over de gene die niet regtzinnig zijn.