De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 7
8. Het agtste leerstuk is van zeer groot nut; dog waar aan ik egter mijn zegel niet kon hangen, om het hatelijk voorbeeld, waar mede het zelve bekragtigt wordt. Geen Burger moet geheel en al onnut geoordeeld worden: want niemand is zoo bot of plomp, die niet, zoo 'er anderzins eene goede verkiezinge gedaan wordt, ergens toe nuttig is: ja zelfs in deeze of geene zaak zal uitmunten. Bij voorbeeld: de een heeft een schrander oordeel, de andere heeft veel vernuft: een derde munt uit in verstand, een vierde in ligchaams-kragten: dees is bekwaam om Rechter, gene om Beamptschrijver te zijn; die is scherpzinnig in iets uit te vinden, of iets te ontdekken, een ander wederom kloekmoedig om zaaken ter uitvoer te brengen: hierom zijn 'er weinige, die gezegt konnen worden nergens toe te deugen: want dat 'er zoo veele schepzelen zoo schijnen te zijn, is niet den Schepper te wijten, maar aan de gene, die niet genoeg naar behooren eens ieders kragten weten te onderkennen, en 'er daarom niet naar derzelver bekwaamheden van weten te oordeelen. Deeze stellinge bewijst hij met mijn voorbeeld, in deeze woorden: in onze dagen hebben wij gezien een Bovenaardsch schepzel, dat naar iedereens gevoelen, om deszelfs voorbarig vernuft, gehouden is geweest als onnuttelijk de aarde beslaande, daar 't egter, vermids het snel in 't gaan en rap ter been was, ons van groot nut is geweest. Niet zoo haast had ik dit Artikel gelezen, of ik zeide bij mij zelv': _de voorreden is van een eerlijk man; dog het besluit en 't einde is van een schobbejak._
9. In de konst van regeering make men zijn voormaamste werk, dat de Vorst den Erfprins van een bekwaam Leermeester voorzie, en daar toe verkieze den geleerdsten en deugdzaamsten, vermids van 't onderwijs van den aanstaanden Opvolger het heil van den Staat afhangt: want 't geen wij in onze tedere jeugd leeren, gaat als tot de natuur over. Hier van daan is het noodzakelijk dat de Leermeester van den Vorstelijken Jongeling, een liefhebber van zijn Vaderland zij, en den Prins liefde tot zijne onderdanen inboezeme: want daar op moeten alle lessen, die hij zijnen leerling geeft, doelen en uitloopen.
10. Zeer noodig is 't, dat de Vorst den aart en inborst zijner onderdanen wel en te regt doorgronde, zig daar naar schikke, en zoo hij hunne misdagen tracht te verbeteren, dat hij zulks liever doe door voorbeelden dan door wetten.
_Gebreken zullen ras tot ondeugd ons verwekken;_ _Doorlugte daaden haast een spoor ter deugd versrekken, Als we in ons Vaderland die steeds in zwang zien gaan:_ _'t Gedrag der grooten kleeft altijd de mind'ren aan._
11. Ledig-gangers en straat-slijpers zijn in den Staat niet te dulden: nademaal de gene die niets te doen hebben, 't Gemeenebest slegts tot een last zijn: want door naarstigheid en gestadige bezigheid neemt de Staat toe in magt, en de kwaade raadslagen en listige onderneemingen worden verstrooit, en verdwijnen. Hierom is het voor eenen Staat raadzamer, dat de onderdanen met onnutte zaaken, beuzelingen en spelen zig ophouden, dan dat zij zig aan de ledigheid, bronader van kwaade aanslagen, overgeven.
12. De pligt van den Vorst is, dat hij de eendragt bewaare onder zijne onderdanen; schoon hij niet kwalijk doet, wanneer hij eenigen naijver onder zijne Raaden voedt: aangezien op die wijze de waarheid menigmaalen ontdekt wordt: even gelijk een Rechter de waare gelegenheid des gedings ontwaar wordt uit het krakkeel der Advocaten.
13. Voorzigtiglijk handelt een Vorst, zoo hij in zaaken van belang het oordeel van alle zijne Raaden aanhoort: veiliger is het egter elk een zijner Raaden afzonderlijk te ondertasten, dan op een en den zelven tijd de gevoelens van den vollen Raad te overwegen: want in den vollen Raad, en daar een iegelijk zijn gevoelen opentlijk te kennen geeft, gebeurt het meestentijds, dat een welspreekend Raadsheer als door den droom zijner welspreekendheid de anderen medesleept, en aldus de Vorst, in plaats van veele, niet dan een eenig gevoelen komt te hooren.
14. Niet minder noodzakelijk zijn de straffen dan de belooningen: want door gene wordt het kwaad geduit, door deeze het goede aangekweekt. Hierom moet men een slegt kaerel, zoo hij iets heilzaams verrigt heeft, met belooningen aanwakkeren, op dat andere behoorlijk aangezet worden om hunne bedieningen wel waar te nemen.
15. In 't bevorderen tot eer ampten en staatsbedieningen wil hij dat men voornamentlijk lette, op de snedigheid: want schoon vroomheid en opregtigheid deugden zijn die zig zelven aanprijzen, zijn 't egter dezelve door welker schijn wij dikwils bedrogen worden: want elk een waant vroom te zijn, om dat hij weet dat door zulk voorgeven van deugd hem de weg gebaant wordt tot eer-ampten. Met dat zelve oogmerk waant elk een ook eerlijk en opregt te zijn. Voeg hier bij, dat men van eenes mans vroomheid en opregtigheid niet ligt een vonnis kan strijken, alvorens hij gevorderd is tot eene bedieninge, waarin hij, als op een openbaar tooneel, proeven zijner deugd staat te geven. Maar snedigheid kan men door een voorafgaand onderzoek, gemakkelijk ontdekken: want eenen domkop en weet niet, valt het zwaarder zijne domheid en onkunde te bedekken, dan eenen veinzer zijne ondeugendheid, of eenen guit zijne schelmerij. Wijders zijn bekwaamheid en eerlijkheid niet altijd tegenstrijdige deugden: ja zij worden beide ligtelijk in een en 't zelve mensch gevonden, even gelijk de domheid met de vroomheid niet altoos gepaard gaat. Maar indien een bekwaam man te gelijk vroom is, is hij in alle opzigten volmaakt. Een man die dom is, is of goed of kwaad: indien kwaad, zoo is het bekend, hoe veele wanschepzels de onkunde aankweekt, wanneer dezelve met boosaartigheid gepaart gaat; maar is hij goed, zoo kan hij om zijn domheid zijne deugden niet te pas brengen. En al is 't, dat hij zelf nog kan nog durft een schelmstuk ondernemen, zoo zal egter zijn slaaf of knegt, waar van hij zig bedient, dat ligtelijk bestaan: want eer heer van een landgoed, die een kwast is, heeft gemeenlijk een pagter die een looze vos is, en een domme Rechter heeft doorgaans eenen snedigen Beamptschrijver, die zonder vrees zijne schalkheid oeffent, nadien al zijn misbedrijf op zijns meesters rekening wordt gestelt. Daarom moet 'er voornamentlijk in 't uitdeelen der bedieningen op de snedigheid worden agt geslagen.
16. Niemant moet als eerzugtig ligtvaerdiglijk veroordeelt, nog om die reden alleen uit eer-ampten gehouden worden, om dat hij naar eene bedieninge staat, waar toe hij oordeelt bekwaamheid te hebben. Want zoo de Vorst zig in 't uitdeelen der ampten te zeer bindt aan dien regel, zal de eerzugtigste zelf het mom-aangezigt van nederigheid aandoen; verzekert zijnde, dat hij door dien weg te ligter zijn oogmerk zal bereiken; en de Vorst zal, tegen zijn voornemen, de allerijverigste bejagers van eer-ampten daar mede voorzien, om dat hij niet dan allerwege schijn-nederige beschouwt; dat is zulke, die, wanneer 'er een ampt openvalt, dat schijnen te vlieden, en zig te verstecken: ja die door hunne vrienden overal uitstrooijen, dat zij van alle waardigheden en staats-bedieningen eenen afkeer hebben. Hier brengt hij bij het voorbeeld van een zeker man, die bij 't open vallen van een aanzienlijk ampt, en 't geen hem de tanden niet weinig waterig hadt gemaakt, den Vorst met eenen brief deedt weten; Dat hem ter ooren gekoomen was, hoe zijne Doorlugtigheid besloten, hadt, met de waardigheid, waar naar andere zoo zeer haakten, hem te bekleeden; waarom hij die aanzienlijke bediening, waar toe hij bekende geen bekwaamheid te hebben, van de hand wees: ootmoedig verzoekende, dat een ander, die meer bekwaamheid hadt, daar mede werde begiftigt, vooral, wijl hij met zijnen staat vergenoegt zijnde, naar geen hooger zaaken stondt. Door welke betuiginge van nederigheid de Vorst zodanig bewogen wierdt, dat hij, tegen zijn voornemen, met die waardigheid begiftigde den genen die ze afsloeg. Dog 't leet niet lang, of hij ondervondt, dat hij door schijn van nederigheid om den tuin geleid was: naardien die nieuwe Amptenaar door hoogmoed en trotsheid alle andere verre te boven ging.
17. Eenen armen Raadsheer of Ontvanger, die meer schuldig is, dan hij betaalen kan, het bewind over de Schatkist te vertrouwen, is even zoo veel, als aan eenen uitgehongerden hond de spijskamer te bevelen. Het zelve heeft plaats in eenen rijken vrek: want gene heeft niets; en deeze nooit genoeg.
18. Geen Legaten of Stichtingen te bekragtigen, welke alleen dienen om luijen boomen den kost te verschaffen, of derzelver onkunde te koesteren. Hier van daan worden in alle Kloosters deezes Vorstendom en teffens in alle Collegien, niet anders aangenomen dan naarstige en spaarzame boomen; te weten zulke die door eenig handwerk het Gemeenebest ondersteunen, of door Studiën en Letter-oeffeningen de Maatschappij, waarvan zij leden zijn versieren konnen. Uitgezonden alleen eenige weinige Kloosters, die onderhoud geven aan boomen die uitgedragen, of door ouderdom verdort zijn: want die zijn, om hunnes ouderdoms wille, van allen arbeid ontslagen.
19. Wanneer 't met de ondeugden zoo verre gekomen is, dat zij eene verbeteringe van den Staat vereisschen, moet men als kruipende daar toe overgaan. Want alle verouderde gebreken eensklaps te willen uitroeijen, is even zoo veel, als of men eenen zieken een braakmiddel, eene buikzuivering en eene aderlatinge, op een en den zelven tijd, voorschreef.
20. Die alles stoutelijk belooven, en veele zaaken te gelijk op zig nemen, zijn of gekken, die hunne eigene kragten niet kennen, en het gewigt der zaaken niet beseffen, of kwade en verbasterde burgers die zig zelven en niet het Gemeenebest ten dienst staan. Een voorzigtig man meet zijne kragten af eer hij den jast op zig neemt, en een regtaartig onderdaan, welken de welvaart des Vaderlands ter harte gaat, weet al te wel, dat geen paard al loopende beslagen moet worden.
AGTSTE HOOFDSTUK.
_Van de Hooge School._
In dit Vorstendom zijn drie Hooge Schoolen of Academiën, waar van de eerste is _Potu_, de tweede _Keba_, en de derde _Nahami._ De Wetenschappen die aldaar aangekweekt worden, zijn de Geschiedkunde, de Landbouw, de Wiskunde en de Rechtsgeleerdheid. Aangaande de Godgeleerdheid: dewijl dezelve zoo besnoeit en beknopt is, dat zij bijna in twee bladzijden vervat en opgestelt kan worden, en nademaal dezelve alleen deeze Leerstukken bevat, dat wij liefde en eerbied voor God hebben, die de Schepper en Bestierder van al het geschapene is, die in het toekomende leven de deugd beloonen en de ondeugd zal straffen; zoo is 'er geen Academische Studie, nog zij kan 'er ook niet wezen, vermits bij de wetten stiptelijk bevolen is, dat niemant over het Wezen of de Eigenschappen Gods zal hebben te disputeeren. Ook wordt de Geneeskunde hier onder de Academische Letter-oeffeningen niet gerekent: want overmits deeze boomen soberlijk leeven, zijn 'er de inwendige ziekten voor het meerder gedeelte onbekend. Van de Overnatuurkunde en van de hoogdravende Studiën zal ik niet spreeken, nademaal ik boven hebbe aangetoont, dat alle de gene die over de natuur des Goddelijken Wezens, over de hoedanigheid der Engelen, en over 't bestaan der Ziele disputeeren, na voorafgaande aderlatinge, in het publyke dol- of tugt-huis worden gezet.
De Academische Oeffeningen bestaan hier in: De jonge Studenten zijn gehouden in 't begin haarer Letter oeffeningen over te geeven eene ontleeding van die moeijelijke en fraaije geschilstukken. De zwarigheden die zij daar in staan op te lossen, worden hen op gezette tijden voorgestelt, zekere belooning gestelt zijnde voor den genen, die 't allergeleerdst en 't allerfraaist het raadzel weet op te lossen. Door deeze middelen wordt een iegelijk inderdaad aangespoort tot vordering, en speuren de Opzigters der Letter-oeffeningen na, hoe verre eens iegelijks bekwaamheid gaat, en in welke Wetenschap hij wat groots belooft. Niemant legt zig meer dan op eene Wetenschap uit: want zig in die alle te willen oeffenen, wordt bij hen voor 't werk van een zwak en onbestendig vernuft gehouden: en om deeze redenen is het, dat de Studiën aldaar, vermits dezelve zoo eng bepaalt zijn, binnen korten tijd tot rijpheid worden gebragt. De Leermeesters zelfs zijn gehouden jaarlijks proeven hunner geleerdheid te geven. Aan eenen Leeraar in de Zedekundige-Wijsgeerte wordt bevolen, het een of 't ander moeijelijk geschilstuk te verklaren: die in de Geschiedkunde, eene Historie of een gedeelte daar van op te stellen: den Huisman en Wiskundigen wordt opgelegt duistere zaaken na te speuren, en hunne wetenschappen door nieuwe uitvindingen licht bij te zetten. De proefstukken der Rechtsgeleerden bestaan in welgepaste en verstandig opgestelde redenvoeringen: want deeze alleen zijn genoodzaakt in de _Rhetorica_ of Redeneerkunde zig te oeffenen; aangezien zij het alleen zijn, welken deeze oeffeningen in 't vervolg te passe komen, en tot het ampt van Advocaat, 't geen in kragten klem van welspreekendheid beslaat, bekwaam maken. Hierom was het, dat toen ik hen zeide, dat alle Academische Proefstukken bij ons in 't doen van eene redenvoeringe geschiedden, zij dat gebruik geheel en al verwierpen, zeggende; dat zoo alle handwerkslieden eene proef moesten geven met schoenen te maken, de meeste proefstukken onvoltooit en onbeschaaft voor den dag komen, en de schoenmakers alleen den prijs zouden wegdragen. Ik maakte maar alleen gewag van de redenvoeringen, niet durvende reppen van zintwistingen, vermits dezelve aldaar onder de Schouwspelen worden gerekent. De openbaare Leeraars onderwijzen aldaar op geen strenge of heerschagtige wijze, in zaaken die noodig zijn vermaant of geweten te worden, even gelijk het de manier is onder onze Wijsgeeren; maar geestige en aangename gelijkenissen uitgedagt hebbende, geeven zij als door een soort van betovering eenen indruk van de zaaken, die zij nuttiglijk hebben opgemerkt.
Het is verwonderlijk met welk eene deftigheid en luister de Academische Handelingen verrigt worden, en de Promotien hier geschieden: want men draagt 'er de aller uiterste zorg, dat 'er niets in de Academische Handelingen gevonden worde, 't geen oorzaak tot lachen geeven, of tot een soort van Schouwspel verstrekken kan: immers zij houden het daar voor, dat alle Academische Plegtigheden, van de Tooneelspelen te onderscheiden zijn in deftigheid en aanzienlijkheid, ten einde de Wetenschappen, door op eene onbetamelijke wijze behandeld te worden, niet in veragtinge komen. Hierom durfde ik geen gewag maken van de Plegtigheden, waar mede in onze Waereld de Promotien geschiedden, nademaal 'er uit 't geen mij te _Keba_ was overkomen, toen ik onze Doctoraale Promotien beschreef, reden genoeg was, om 'er voor altoos van te zwijgen.
Behalven deeze Academiën hebben alle andere Steden haare hooge Kweek-schoolen, en mindere Schoolen, alwaar op de neigingen der vernuften naauwkeurig gelet wordt, om al vroeg te konnen zien, waar naar een iegelijk het hoofd staat te hangen, of in wat soort van Letter-oeffeningen hij de grootste hoop zal geven. Terwijl ik mijne leerjaaren in het Kweek-school te _Keba_ doorbragt, had ik tot mijne makkers vier jongelingen, zoonen van den Opperpriester, welke alle in de Krijgskunde; vier andere van een Raadsheers geslagt, die in handwerken en ambagten; en twee jonge Dogters die in den Scheepvaart onderwezen wierden: want hier wordt enkel en alleen op der leerlingen geneigdheid, zonder onderscheid van staat of kunne, agt geslagen. De Bestierders der Kweek-schoolen, de vernuften grondig ondertast hebbende, geven een iegelijk een getuigenisse naar waarheid, gelijk wij boven vermeld hebben. Die getuigenissen worden gehouden voor zeer opregtelijk, en zonder aanzien van persoon verleent te zijn, schoon 't mij anders voorkwam: aangezien ik het getuigenisse dat mij van het Kweek-school te _Keba_ afgegeven was, voor gek, onbetamelijk en onbillijk hield.
Niemant staat het hier vrij Boeken te schrijven, voor dat hij dertig jaaren oud, en van de Bestierders der Letter oeffeningen bekwaam daar toe geoordeelt is. Hierom komen 'er weinige, maar geleerde en zeer wel doorwrogte, schriften in 't licht: waarom ik ook, hebbende beneden mijne jaaren van onderscheid vijf of zes verhandelingen geschreven, dat aan niemant durfde zeggen, uit vreeze van uitgelachen te zullen worden.
Dit zij genoeg gezegt van den Inborst, Godsdienst, Staatkunde en Letter-oeffeningen deezes Volks. Daar is nog overig van eenige merkwaardige zaaken, en die deeze Natie eigen zijn, iets te melden.
Wanneer de eene boom den anderen tot een tweegevegt uitdaagt, wordt aan den uitdager voor altoos het gebruik der wapenen ontzegt, daarenboven wordt hem bevolen om als een kind onder voogdij te staan, vermids hij zijne driften geen meester is: geheel anders dan bij ons, alwaar zoodanige uitdagingen bekent, en voor teekenen van eenen heldenmoed gehouden worden, voornamentlijk in onze Noorsche Landen, in welke deeze kwaade gewoonten geboren zijn; nademaal de uitdagingen onder de Grieken, Romeinen, en andere oude Volkeren ten eenemaal onbekent zijn geweest.
In de _Potuaansche_ Rechtsgeleerdheid heb ik dit zeldzaame stuk aangeteekent. De namen der gene die in een onderling rechtsgeding zijn, blijven voorde Rechters verborgen, en het geding zelf wordt niet beslist in de plaats alwaar het zijnen oorsprong heeft gekregen; maar wordt naar de afgelegenste Provinciën ter beslissinge verzonden. De reden deezer vreemde gewoonte is deeze: de ondervinding leert, dat veele Rechters zig door vereeringen laten omkoopen, of dat zij door eenzijdigheid vervoert worden. Derhalven meenen zij dat tegen zoodanige bekoringen 't allerbest voorzien wordt, wanneer de namen dergene die in geding zijn, verzwegen worden, en als de Aanlegger en Verweerder te gelijk met de zaaken, haave of erve waar over geschil is, onbekent blijven. Alleen worden de bewijsstukken voor en tegen aan scheidsmannen, naar 's Vorsten goeddunken, met eenige verkortingen en letters verzonden: bij voorbeeld: _of A. die in 't bezit is, de zaak, door hem in bezit genomen, behoort weder te geven aan B. die dezelve eischt, en hem daar over in rechten vervolgt_. Het ware te wenschen dat die manier bij ons was ingevoert, nademaal wij menigmalen ondervonden hebben wat partijschap of andere aanlokzelen op het gemoed der Rechters konnen te weeg brengen.
Het recht wordt onbedwongen en zonder aanzien van Persoon geoeffent. De Vorst alleen is ongehouden voor de Rechtbank te verschijnen. Maar zoo haast is hij niet dood, of de publyke aanklagers, anders gezegt 's Lands-Advocaten, zenden den Overledenen eene dagvaarding t'huis. Als dan worden in den vollen Raad de verrigtingen des afgestorven Vorsts onderzogt, en eindelijk een vonnis gevelt, 't welk naar gelang van des Overledens, verdiensten uit zekere bekortingen onderscheiden wordt. Die bekortingen zijn ten naasten bij de volgende. _Loffelijk, niet onloffelijk; wel; niet kwalijk; duldelijk; tamelijk._ Welke afgebroken woorden op de markt aan het volk door den openbaaren uitroeper worden voorgeleezen; en dat gedaan zijnde op des Overledens graf-tombe uitgehouwen. Van deze gewoonte geven de _Potuaners_ deeze reden: dat namentlijk de Vorst, zoo lang hij in leven is, niet voor 't recht kan gedaagd worden, zonder opschuddingen en beroerten, aangezien men hem, zoo lang hij leeft, schuldig is eene blinde gehoorzaamheid, en eene geduurige eerbied, waar door een Staat staande gehouden wordt; dog dat dat verband, waar mede de Onderdanen aan hunne Souverainen verbonden zijn, ophoudt, zoo dra de Vorst komt aflijvig te worden, en dat ze om die reden als eenigermaten hun eigen meester geworden zijnde, ook zig zelven konnen bestieren. Door deeze heilzaame, schoon zeer zeldzaame, Wet, wordt 's Vorsten veiligheid gehandhaaft, de hoogheid des oppergezags niet benadeelt, en egter teffens betracht het welvaren van den Staat: want die characters, hoe zeer ook op den Overledenen toegepast, zijn egter prikkels tot de deugd voor de levenden, en het blijkt uit de Geschiedenissen van _Potu_ dat 'er in den tijd van geheele vierhonderd jaaren agter een, slegts twee Vorsten zijn geweest, welke alleenlijk het laatste character, te weten dat van _tamelijk_, hebben weggedragen. Bijna alle de andere hebben dat van _loffelijk_, of _niet onloffelijk_ verdient, gelijk de opschriften hunner tomben aantoonen, die nog gaaf en ongeschonden, en van den alverslindenden tijd bewaard zijn. Het character van _tamelijk_, dat in de _Potuaansche_ taal door _Rip-sac-si_ wordt uitgedrukt, verwekt zoodanige droefheid in de Vorstelijke Familie, dat de Opvolger van den overledenen Prins, en te gelijk zijn gantsche Huis, zes volle maanden daar over in den rouw gekleed gaan. En het is 'er zoo verre van daan, dat de opvolgende Vorsten op de Rechters, over derzelver onaangename vonnissen, eenigzins vertoornt zouden zijn, dat dezelve hen veel eer tot prikkels zijn, om loffelijk te regeeren; en om door deugd, voorzigtigheid, gerechtigheid en bescheidenheid, de vlekke, waar mede de Vorstelijke Familie besmet is, uit te wisschen.
De reden, waarom een van die twee Princen een met dat character getekent geweest is, was deeze: dat, hoe zeer ook die van _Potu_ ervaren zijn in 't stuk der krijgskunde, zij egter niemand den oorlog aandoen; maar zig dapper verweeren, wanneer zij aangetast worden: waar door het ook geschied is, dat zij tusschen andere die in den oorlog zaten, scheidsmannen geworden zijn, en dat verscheide volkeren deezes Aardbols zig aan het regtmatig en vreedzaame gebied dezer Natie onderworpen hebben. Dog de Vorst _Mekleta,_ de palen zijns gebieds willende uitbreiden, deedt zijne nabuuren den oorlog aan, en bragt ze eerlang te onder. Maar zoo veel die van _Potu_ door den aanwasch van die overwonnen volkeren in magt toenamen, even zoo veel verlooren zij ook, wijl de genegenheid hunner nabuuren tot schrik en afgunst oversloeg: en die overgroote agtinge van regtmatigheid en billijkheid, waar door de Staat van _Potu_ was magtig geworden en staande gebleven, zedert aan 't waggelen was geraakt: om welke redenen ook de _Potuaners_, om wederom de toegenegenheid van andere volkeren tot zig te trekken, de geheugenisse van den overleden Vorst met deeze vlekke gebrandmerkt hebben. Waar in nu de misslag van den anderen Vorst, mede met zodanig character beteekent, bestondt, is mij niet gebleken.
De openbaare Leeraars zijn de gene die bereids den derden ouderdom hebben bereikt. Om dit wat nader te verklaaren, moet men weeten, dat het leeven der boomen verdeeld wordt in drie soorten van ouderdom. De eerste is der gene die in landszaaken onderwezen worden. In den tweeden ouderdom stellen zij die zaaken te werk welke zij geleerd hebben; en in den derden, op eene eerlijke wijze van 's Lands dienst ontslagen zijnde, onderwijzen zij wederom andere. Hierom heeft niemant het recht om in 't openbaar te leeren, ten zij hij in landszaaken bejaard geworden is: wijl niemant geoordeeld worde leerstukken te konnen opgeven die op hunne beenen staan, ten zij alleen de gene die, door ondervinding, eene bondige kennisse daar van gekregen heeft.
Wanneer iemant, wegens een ergerlijk levensgedrag geschandvlekt zijnde, eenen treffelijken en voor den Staat heilzamen raad heeft opgegeven, wordt deszelfs naam verzwegen, op dat een goede raad niet bevlekt worde door den schandelijken raadgever; en men beveelt dien te stellen op den naam van eenen man van eere: aldus blijft de goede raad in stand, alleen met veranderinge van den schandelijken raadgever.