De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 6
Dit zijn de voornaamste Hoofstukken der Godgeleerdheid in _Potu_ welke aan eenigen niet anders zal voorkomen, dan als een bloote natuurlijke Godsdienst, zoo als die ook mij zelv' in den beginne voorkwam. Maar de _Potuaners_ beweeren, dat hen alles door Goddelijke ingevingen geopenbaart, en daar benevens een boek, behelzende hun Geloof en Pligten, is ter handgestelt. Hunne Voorouderen, zeggen zij, hebben eertijds alleen den natuurlijken Godsdienst beleden; dog de ondervinding had hen geleerd, dat het licht der Natuur niet genoeg was, vermits door de onagtzaamheid en zorgeloosheid van sommigen de Wet der Natuur, geheel en al verwaarloost wierdt, en door de al te spitsvinnige wijsgeerte van anderen, vermits vrijheid van denken geen bepalinge kent, alles verergerde: en dat hen daarom de geschreven Wet van God gegeven was. Daar uit blijkt het ook, hoe grootelijks zij dwaalen, die halstarrig ontkennen, dat 'er eene Openbaringe van nooden is. Ik wil wel bekennen, dat verscheiden Leerstukken der _Potuaansche_ Godgeleerdheid, zoo dezelve al niet te prijzen zijn, egter niet geheel en al te verachten schijnen; dog egter kan ik aan die alle mijne toestemminge niet geven. Dit egter scheen mij niet alleen loffelijk, maar zelfs verwonderenswaardig voor te komen, te weten: dat de gene, die bij oorlogs-tijden als verwinnaars hunner vijanden t'huis komen, in plaats van vreugde en blijdschap, waar mede wij over onze overwinningen vieren, en _Te Deum_ zingen; ettelijke dagen in een bedrukt stilzwijgen doorbrengen, even als of zij zig schaamden van wegens het bloedvergieten in de overwinninge. Om deeze reden wordt 'er zelden in de Onderaardsche Geschiedenissen gewag gemaakt van Oorlogs-Zaaken; maar haare Jaarboeken behelzen alleen Burgerlijke Zaaken, Instellingen, Wetten en Geschriften.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
_Van de Staatkunde._
In het Vorstendom _Potu_ heeft de erflijke opvolging geheele duizend jaaren lang plaats gehad; en wordt 'er thans nog onderhouden. De Jaarboeken wijzen egter aan, dat de _Potuaners_ eens van dien regel van opvolging zijn afgeweken: want vermits de gezonde reden schijnt te leeren, dat zij die regeeren, boven andere begaaft moeten zijn met bekwaamheden, vonden eenige geraden, meer naar deugd dan naar geboorte te zien, en dat men den genen verkiezen moest, die de uitmuntendste der ingezetenen was. Hierom wierdt de oude opvolging afgeschaft, en het Vorstendom aan zekeren Wijsgeer, genaamd _Rabaku_, opgedragen. Dees bestierde in 't begin den Staat met zoo veel voorzigtigheid en rust, dat zijne regeering een voorbeeld scheen te wezen, om van anderen te worden nagevolgt. Dog dit was van korten duur: en die van _Potu_ bemerkten al te laat, dat de spreuk, die zegt, dat een Staat gelukkig is daar Wijsgeeren aan 't roer zitten, onwaaragtig was. Want nademaal de nieuwe Vorst, tot het toppunt van eer gesteegen, uit eenen laagen stand was, waren zijne deugden en bekwaamheden tot de regeering alleen niet genoeg, om het ontzag en de majesteit, die in den Staat de kragt en den klem aan de zaaken geven, te verwekken en staande te houden. De gene die onlangs met hem in gelijke waardigheid hadden gedaan, of boven hem uitgesteeken hadden, konden bezwaarlijk daar toe worden gebragt, dat zij huns gelijken of die beneden hen geweest was, konden verdragen, en die gehoorzaamheid aan den nieuwen Vorst bewijzen, welke onderdanen hunnen Souverain schuldig zijn: en daar kwam het bij toe, dat, zoo dikwils hen iets moeilijks of lastigs wierdt opgelegt, zij doorgaans murmureerden; niet denkende, wie de Vorst nu was, maar wie hij voor zijne verheffinge was geweest. Hier van daan was hij genoodzaakt, om, bij wege van verzoek, hen alles met zagtheid af te vorderen. Maar weinig vorderde hij met streelingen: want zij, zig weinig kreunende aan zijne wetten en bevelen, toonden op 't afkondigen van elk Placcaat hun ongenoegen. Waarom _Rabaku_, ziende dat 'er, om zijne onderdanen bij hunnen pligt te houden, andere middelen vereischt wierden, van goedertierenheid en rekkelijkheid tot strengheid oversloeg. Dog door dit andere uiterste barstten de vonken die onder den asch verborgen waren, tot eene lichte vlam uit; en de onderdanen stonden in 't openbaar tegen den Vorst op: ja zoo dra was de eene kwalijk gestilde beroerte niet over of de andere nam haaren aanvang: zoo, dat hij, eindelijk bespeurende dat de Staat niet konde behouden blijven, ten zij onder eenen Bedierder uit doorlugtigen bloede, en wiens geboorte het volk eenen indruk van eerbied pleeg te geven, zelf 't gebied neerleide; dragende de Vorstelijke waardigheid over aan den Prins, welke dezelve door zijne geboorte toekwam. En op deeze wijze kwam de rust weder, en te gelijk het oude heerschende Huis op den throon; en de stormen die op den Staat, zoo lang gewoed hadden, geraakten tot bedaren. Zedert dien tijd wierdt op halsstraffe verboden in het toekomende eenige veranderinge te maken in de maniere van opvolginge.
Dit Vorstendom is dan erflijk, en het is waarschijnlijk dat de oude wijze van opvolginge altoos onwrikbaar zal blijven staan; zodanig dat men nooit dan bij de alleruiterste noodzakelijkheid den eerstgeboorenen Vorst daar in zal voorbijgaan. Dit niet tegenstaande wordt 'er in de Jaarboeken van _Potu_ gewag gemaakt van eenen Wijsgeer, die, trachtende eene inbreuk te maken in die wet, eenen middelweg daar op uitdagt; aanradende het Koninglijke Stamhuis nooit voorbij te gaan; maar na gedane verkiezing, uit de Zoonen van den overledenen Vorst, het gebied op te dragen aan den genen, die in verdiensten voorlag, en door de onderdanen bekwaam geoordeelt wierdt om den last der regeeringe te konnen torsschen. Die Wijsgeer deeze Wet in bedenken hebbende gegeven, onderwierp zig naar gewoonte aan derzelver onderzoek, staande, terwijl de stemmen wierden opgenomen of zijn raad goed was, met den strop om den hals. De Raadsvergadering gescheiden, en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt de voorstelling deezer Wet als roekeloos en verderflijk voor den Staat verworpen: aangezien men oordeelde, dat dezelve een bron ader zoude zijn van veele opschuddingen, en eenen vrugtbaaren grond stondt te verstrekken voor het zaad van tweedragt onder het Koninglijke kroost: en dat het derhalven beter zoude wezen, dat de oude gewoonte plaats hielde; en veiliger, dat het regt tot het Vorstendom op den oudsten Prins overging, schoon de jongere Vorsten hem, in gaven des Verstands, kwamen te overtreffen. De Wet dan verworpen zijnde, wierdt de uitvinder met de koorde gestraft. Want aan niemant wordt in dit Vorstendom de halsstraf geoeffent, dan alleen aan de uitvinders van nieuwe Wetten: aangezien de _Potuaners_ vastelijk van gevoelen zijn, dat alle verandering en hervorming, hoe wel ook dezelve mengen wezen geschikt, gelegenheid verschaffen tot opschuddingen en beroerten, en den gantschen Staat in gevaar stellen; dog kwalijk geschikt en ontijdig zijnde, dien naar zijnen ondergang doen hellen, en eindelijk geheel en al ter neder storten.
't Gebied der _Potuaansche_ Vorsten hoe zeer ook het zelve door geene Wetten bepaald wordt, is veel eer eene Vaderlijke bestiering, dan Koninglijke regeering: want vermits zij naar verstand, niet naar wetten, Justitie oefenen; ziet men aldaar eene gestadige mengeling van heersching en vrijheid: twee zaaken die elders niet konnen te samen gevoegd worden.
Onder andere Wetten deezes Vorstendoms is deeze niet minder heilzaam, waardoor de Vorsten de gelijkheid, zoo veel 't Gemeenebest toelaat, onder hunne onderdanen trachten te houden. Daar van daan heeft men 'er geen hooger of laager rang in de bedieningen, wordende alleenlijk de mindere genoodzaakt de meerdere te gehoorzamen, en de jongere de gene die ouder zijn, allen eerbied te bewijzen. De Onderaardsche gedenkschriften melden wel dat dat onderscheid eenige eeuwen geleden, plaats hadt, en zelfs bij de Wetten was vastgesteld; dog het blijkt ook teffens, dat het zelve oorzaak gegeven heeft tot groote beroerten: nademaal het aan eenen ouderen broeder hard en bitter scheen, voor zijnen jongeren broeder te moeten opstaan, en den Ouderen onverdraaglijk voorkwam, beneden hunne kinderen geacht te worden: zoo, dat de eene boom des anderens bijzijn schuwde, en eindelijk alle bijeenkomsten en gezelschappen geheel en al ophielden. Dit was het kwaad niet alleen; maar dat onderscheid bragt ook in vervolg van tijd te weeg, dat aan de uitneemendste en uitstekendste boomen, die door de natuur met de allergrootste bekwaamheden en met de meeste takken waren begiftigd, in de gastmaalen en gezelschappen, de laagste plaatsen wierden aangewezen. Want ieder boom, die iets üitsteekends bezat, en door deugd en verstand aanzienlijk was, kon van zig zelven niet verkrijgen, dat hij den tytel en de hooger hand ging bejagen: daar in tegendeel de ongeagte boomen, die niets waardig waren, om, ware 't mogelijk, hunne natuurlijke gebreken en onbekwaamheid met eenige grootsche eertytelen eenigzins te bedekken, den Vorst met hunne Verzoeken zoo lang het hoofd braken, tot dat zij hem deezen of genen tytel hadden afgeperst. Dit bragt te weeg, dat de tytels eindelijk doorgingen voor ken- en merkteekenen der waardigste boomen. Derhalven verschaften de staatelijke gezelschappen en gastmaalen wonderlijke en belachelijke vertooningen aan de Vreemdelingen, wanneer zij zagen dat doornen en braambossen de hoogere gestoelten toegewezen, en in tegendeel de Palm-boomen, de Ceder en en aanzienlijke Eiken van tien of twaalf takken, agteraf geplaatst wierden: want geduurende deezen stand van zaaken, waren 'er weinig doornen zonder deeze of gene waardigheid. Aan de Vrouwen wierdt de tytel gegeven van Raadsvrouwen der huishouding, des bewinds, of des Hofs, en dit verwekte in die Sexe grooter opschuddingen, dan onder de Mannen. De ijdele Staatszugt van verscheiden boomen klom tot die hoogte, dat, schoon zij van de natuur slegts begunstigd waren met twee of drie takken, zij egter de tytels van tien of twaalf takken bejaagden, en die maar doornen of braambossen waren, Palm boomen wilden geheeten worden: 't geen al zoo belachelijk stondt, als of een leelijk wanschapen man, zig den tytel van welgemaakt (_welgebooren_) of een janhagel zig dien van doorlugtig (_edelgeboren_) toeschreef. Waarom ook, toen dat kwaad op zijn hoogst was geklommen, en het geheele Landschap als tot deszelfs eersten Bajert gebragt was, wijl iedereen naar ijdele schimmen en namen zonder eer stondt; een inwoonder der Stad _Keba_ de stoutheid hadt van eene Wet voor te stellen om die gewoonte af te schaffen. Dees wierdt met den strop om den hals, volgens 't aloud gebruik, naar de Vierschaar gesleept; dog de Raad vergadert en de stemmen opgenomen zijnde, wierdt hetzelve met eenparigheid van stemmen, en zonder tegenspreken van iemant, heilzaam voor den Staat geoordeeld: waarop zijn hoofd met bloemen bekranst, en hij zelf van al het volk met toejuichingen verzeld, als in zegepraal, door de Stad geleid wierdt. En toen men in vervolg van tijd bemerkte hoe groote nuttigheid de afschaffing deezer gewoonte hadt te weeg'gebragt, wierdt hij _Kadoki_ of Groot-Zegelbewaarder gemaakt.
Zedert dien tijd is de Wet van degelijkheid onder de Burgerij voor altoos te bewaren, heiliglijk onderhouden geweest. Egter heeft door 't afschaffen dier gewoonte niet alle naijver opgehouden, maar heeft elk een getragt enkel en alleen door deugd en verdiensten den anderen te overtreffen; en het is klaar uit de Onderaardsche geschiedenissen, dat 'er zedert dien tijd maar één uitvinder van nieuwigheden is geweest, die de Wet van de Orde der Waardigheden tweemaal bedektelijk heeft trachten te doen intrekken; dog welke ook over zijne eerste poging met de ader latinge gestraft, en, toen hij beschuldigd wierdt in zijn voorneemen te volharden, eindelijk naar het Firmament in ballingschap wierdt verzonden. Dit is de reden dat 'er tegenwoordig in dat Vorstendom geen Orde van Waardigheden of Tytels altoos meer is; alleenlijk verklaart de hooge Regeering, door een soort van onderscheid te maken, eenige beroepen voortreffelijker te zijn dan andere; door welke verklaring egter aan niemant wordt toegestaan het regt om zig de eerste plaats toe te eigenen in de bijeenkomsten. Dit onderscheid wordt gevonden in de Placcaaten of Bevel-brieven des Vorsts, welke gemeenlijk besloten worden met deeze woorden: WY GEBIEDEN ENDE BEVELEN ONZEN LANDLIEDEN, UITVINDERS VAN HANDWERKEN, KOOPLIEDEN, AMBAGTSLIEDEN, WYSGEEREN, KONSTENAARS, HOFBEDIENDEN ENZ. Ik ben 'er agter gekomen, dat 'er, onder de Staatsschriften van den Vorst, zekere naamrolle van Waardigheden bewaard wordt van den volgenden inhoud.
ORDE DER WAARDIGHEDEN.
1. Die door hunne middelen den Staat in benaauwde tijden zijn te hulp gekomen.
2. Staatsdienaars, die om niet en zonder jaarwedde dienen.
3. Boeren en Land-lieden met agt takken en daar boven.
4. Land lieden met zeven takken en daarbeneden.
5. Stichters van Handwerken en Ambagten.
6. Werkmeesters, die noodige werken maken.
7. Wijsgeeren, en die met de Doctorale muts begiftigd zijn, zoo Mannen als Vrouwen.
8. Konstenaars.
9. Kooplieden.
10. Bedienden van 't Hof, die eene jaarwedde trekken van 500. Rupati.
11. Dezelve, welken jaarlijks eene wedde van 1000. Rupati wordt betaald.
Deeze naamlijst van Eer, als waarop in onze Waereld niemant zijne toestemming zoude geven, kwam mij zeer belachelijk voor. Ik maakte wel eenige gissingen over de redenen van die omgekeerde orde, waarop dezelve mogt gegrond zijn, en met welke bewijzen de Onderaardlingen die mogten staande houden; dog ik moet bekennen dat ze mij tot nog toe voorkomt als eene wonderspreuke, welke ik niet kan begrijpen.
Onder andere aanmerkelijke zaaken nam ik ook de volgende in agt, te weten: dat, hoe iemant meer bedieningen heeft, hoe hij zig zediger en onderdaniger aanstelt. Zoo zag ik meermalen dat _Bospolak_, een schatrijk man onder de _Potuaners_, met zoo groote nederigheid, de hem ontmoetende Burgerij bejegende, dat hij alle zijne takken ter aarde boog, en met het neigen zijns hoofds den allergemeensten boom zijn dankbaar hart betuigde. Toen ik daarvan de redenen vraagde, wierdt mij geantwoord; dat zulks zoo behoorde, aangezien niemant met zoo veele bedieningen was begiftigd, en hij uit dien hoofde de grootste schuldenaar van 't Gemeenebest was geworden. Tot die plegtigheid wordt egter niemant 'door de Wet' gedwongen; maar vermits die van _Potu_ alles met een gezond oordeel overwegen, oeffenen zij die deugd uit zig zelv', meenende dat zij tot eene beleeftheid, die voorkomt uit een dankbaar hart, verpligt zijn: voorwaar geheel anders dan bij ons, alwaar de gene die met de hoogste eerampten en met de meeste inkomsten als opgehoopt zijn, de mindere over schouder aanzien en met de uiterste trotsheid veragten. Maar de meest aanzienlijkste Burgers, en welke elk een in eere en agtinge moet houden, zijn de Vaders van een talrijk kroost. Deeze zijn de Onderaardsche Helden, en haare gedagtenis blijft bij de nakomelingen in zegening. Ook zijn zij de eenige aan welke de naam van de Grooten wordt opgedragen: geheel anders dan bij ons, alwaar met den naam van Grooten begroet worden de Verhoorders en uitroeijers van het menschelijk geslacht. Hier uit valt ligtelijk op te maken wat de Onderaardlingen zouden oordeelen van Alexander den Grooten, of van Julius Cæsar, welke beide ettelijke, duizenden van menschen om hals hebben gebragt, en zonder lijfs-erven gestorven zijn. Het staat mij voor, binnen _Keba_ gezien te hebben het Grafschrift van eenen Landman, hebbende dit opschrift: HIER LEGT JOCHTAN DE GROOTE, VADER VAN DERTIG KINDEREN, DE HELD ZIJNER EEUWE. Dit dient egter geweten, namentlijk: dat om dien roem te verkrijgen, het niet genoeg is slegts de kinderen geteelt te hebben; maar dat 'er ook vereischt wordt, dat zij behoorlijk worden opgevoed.
In het afkondigen der Wetten en Placcaaten gaat alles langzaam toe, wijl de Wetten gemeenlijk hier gemaakt worden bijna op dezelve wijze als bij de oude Romeinen. De voorstelling om eene nieuwe Wet te maken, wordt in alle karspels der Stad aangeplakt. Als dan staat het der Burgerije vrij die te toetsen, en haare aanmerkingen aan de vergadering der Rechtsgeleerden, tot dien einde in de Stad van _Potu_ aangesteld, over te geven. Daar wordt alles, wat nopende de afkondiginge, tegenstellinge eener andere, afschaffinge, goedkeuringe, verbeteringe, bepalinge, of uitbreidinge der Wet bijgebragt is, naauwkeurig overwogen. En wanneer nu alles naar behooren door de Rechtsgeleerden overlegt is, wordt de Wet die afgekondigt staat te worden, ter goedkeuringe en onderteekening van den Vorst gebragt. Deeze langzaamheid kan aan sommigen wel belachelijk voorkomen; dog daar uit ontstaat der Wetten eeuwige geduurzaamheid; en ik heb mij laten zeggen, dat geen van de Wetten deezes Vorstendoms, geduurende den tijd van vijfhonderd jaren, eenige de minste verandering is onderhevig geweest.
De naamlijst der boomen, die voor de voortreffelijkste worden gehouden, is onder 's Vorsten bewaringe, te gelijk met het getuigenisse, zoo hunner geleerdheid, 't welk hen door de Onderzoekers of _Karatti_ wordt gegeven, als hunnes gedrags, bij hen van de gebuuren hunner wijk verworven. Hier door heeft de Staat geen gebrek aan bekwame Mannen, om de openstaande bedieningen te vervullen. Boven al is dit aanmerkelijk, dat niemant vergunt wordt het regt om in eenigen oord of wijk der Stad te mogen woonen, ten zij hij voorzien zij van eene verklaringe van den oord of wijk daar hij te voren gewoont heeft, en dat hij borg stelle voor zijn goed gedrag in 't toekomende.
Op eene Wet, eenmaal afgekondigt en met het publyk gezag bekragtigt, is het op halsstraffe verboden eenige aanmerkingen te maken: invoegen de vrijheid aldaar meer bepaald is in Staats dan in Kerkelijke zaaken. Van die inzettinge geven zij deeze reden, namentlijk: dat, zoo iemant komt te dwalen in zaaken aangaande Godsdienst of Geloof, hij enkel en alleen afdwaalt voor zig zelv'; dog dat, zoo iemant in twijfel trekt de Wetten, gestaaft door 't publyk gezag, of die door zijne uitleggingen in eenen anderen zin tracht te verdraaijen, hij den Burgerstaat komt te beroeren.
Van den staat des Hofs en deszelfs huishoudinge, heb ik boven al eenig gewag gemaakt, en aangetoont dat de _Kadoki_ of Groot-Cancelier de eerste plaats bekleedt onder de Hofbedienden. Op hem volgt de _Smirian_ of Groot-Thesaurier. Dat ampt wierdt toen ter tijd bekleed door eene Weduwe met zeven takken _Rabagna_ geheeten; om haare opregtheid en ongemeene geeststalenten, tot een ampt van zoo veel gewigts bevordert. Zij had langen tijd die bedieninge bekleed, en zelfs al eenige jaaren voor haars mans dood, die, schoon zelf in de zaaken, rakende het bestier der geldmiddelen, zeer ervaren; egter gehouden was zig te schikken naar den raad en goeddunken zijner egtgenoote, zoo, dat hij niets op zijn eigen gezag kon beschikken, en eer haar Stedehouder dan haar Man genoemt moge worden. Hij schreef wel brieven op zijnen eigenen naam, en deede wel, eigener gezag, Placcaaten aanplakken, zoo dikwils zij in de kraam lag, of, door ziekte belet, geen zaaken kon waarnemen; dog niets wierdt voor vast en van waarde geoordeelt, voor dat het met zijns huisvrouws zegel of onderteekeninge bekragtigt was. _Rabagna_ hadt twee broeders; waar van de een Hof-keldermeester, en de andere Hof-slagter was, dog die uit hoofde, van hun gering verstand, hoe zeer ook hunne zuster in zulk eenen verhevenen post gestelt was, naar geen hooger ampt durfden staan. Met zoo veel regtmatigheid worden hier de ampten uitgedeeld!
Die zelve _Rabagna_, schoon zij zulke netelagtige zaaken bij de hand hadt, zoogde egter zelve haaren zoon, die naar zijns Vaders dood gebooren was. Toen ik oordeelde dat zelve haar kind te zoogen, een al te lastig, en voor zulk eene aanzienlijke Vrouw onwaardig, werk was, gaven mij de Onderaardlingen ten antwoord: "Gelooft gij dan dat de Natuur aan de Vrouwen de tepels der borsten, als geestige vlekjes tot versieringe haarer boesems, en niet om daar mede haare kinderen te voeden, gegeven heeft? In het inenten der zeden komt het meerendeels aan op den inborst der Voedster en op de natuur van de melk: zij, die haare vrugt te zoogen, anderen toevertrouwen, snijden den band en vereeniging beide van liefde en inborst af. Daarom voeden alle Vrouwen van aanzien in dit Vorstendom, haare kinderen op met haar eige melk."
De Erfprins van _Potu_ was een jongeling van zes jaaren, waar in men bereids eenen braven inborst, en beginselen van groote bekwaamheden bespeurde, hebbende al zestien takken, 't geen zeldzaam is in zulk een teedere jeugd: wijl niemant met meer dan vijf of zes takken gebooren wordt, de overige wassen uit met de jaaren. Zijn Leermeester, de wijsste boom in 't gantsche Vorstendom, onderwees zijnen leerling in den Godsdienst, in de Geschiedenissen, in de Wiskunst, en in de zedelijke Wijsgeerte. Ik heb dat zoo vermaarde samenstelzel of kort begrip der Staatkunde gezien, 't geen hij tot gebruik des Vorsts hadt opgestelt: het voert den naam van _Mabalda Libab Helil,_ 't welk in de Onderaardsche taal zeggen wil: _Sleutel des Gemeenebests_. Hetzelve behelst alleszins gewigtige en heilzaame Leerstukken, waar van ik 'er eenige nog heb onthouden, die de volgende zijn.
1. Niet ligtelijk geloof te staan aan beschuldigingen of loftuitingen; maar zijn oordeel op te schorten, tot dat men rijper kennisse van zaaken verkregen heeft.
2. Zoo iemant over eene misdaad aangeklaagd en daar van overtuigt is; moet onderzogt worden, of de schuldige voormaals iets goeds gedaan heeft; op dat aldus een overslag zijner goede en kwaade verrigtingen gemaakt, en, dezelve tegen elkanderen opgewogen zijnde, het vonnis eindelijk gevelt worde.
3. Op de Raaden die geen Ja-broêrs, maar gestadig Tegenspreekers zijn, kan zig de Souverain, als op de omzigtigde onderdanen, 't allerbest verlaaten: aangezien niemant zig in de waagschaal zal willen dellen om de waarheid te spreeken, ten zij hem de weiland van 't Vaderland meer dan zijn eigen welvaren ter harte gaa.
4. Dat 'er in den Raad geen andere worden gebragt, dan welgehuisde en gehoofde Lieden: aangezien derzelver welwezen met dat des Gemeenebests verknogt is: daar in tegendeel de gene die geen vaste goederen bezitten het Land niet voor hun Vaderland; maar, even als de reizigers, voor hunne herberg en optrek houden.
5. Men kan wel den dienst van eenen Man, die niet eerlijk is, voor eenen tijd gebruiken, zoo hij anderzins tot zekere zaaken bekwaamheid heeft; dog dien rijk te maaken of te begunstigen, is gantsch ongeraaden; nademaal een oneerlijk of gehaat man onder 's Vorsten gunstelingen aangenoomen zijnde, onder deszelfs bescherminge zig komen op te doen kwade ingezetenen, die zig indringen in Staatsbedieningen.
6. Die dikwils ten Hove komen, en zig gestadig in 's Vorsten Paleis laten zien, zijn grootelijks verdagt te houden; want de gene die al te dikwils, en zonder aldaar geroepen te zijn, den drempel van 't Hof betreden, zijn zulke, die of bereids een schelmstuk begaan hebben, of die 't zoeken te doen.
7. Die met de allerbrandendste begeerte naar eer-ampten staan, moeten niet dan met het geringste ampt begiftigd worden: want gelijk niemand eenen duit eischt, dan die arm is en gebrek lijdt; zoo staat ook niemand vieriglijk naar eerampten, ten zij de geen die zig door deugd en verdiensten geen agtinge heeft weeten te verkrijgen.