De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 5
Na dit voorval bragt ik het overige van den nagt door, zonder een oog te konnen toedoen, tot dat de Zon opging. Toen ik opstond wierdt mij mijne acte gebragt, waar bij mij gegeven wierdt de bedieninge van Post looper. Van stonden aan kreeg ik oneindig werk, en was als een geduurig beweegrad, brengende Placcaaten en Brieven over, zoo naar de groote als kleine Steden. Op deeze mijne togten den aart deezes volks wat naauwkeuriger onderzogt hebbende, ontdekte ik in de meeste eene verwonderlijke heuschheid en eene zeldzaame wijsheid. Alleen de inwoonders van _Maholki_, die alle Doornboomen zijn, kwamen mij voor niet zeer geslepen of beschaafd te wezen: want iedere Provincie heeft haare bijzondere boomen of inwoonders, 't geen zeer klaar blijkt in de Boeren of Landlieden, die alle inboorlingen zijn: want in de groote Steden, vooral in de Stad daar zig de Vorst ophoudt, was een mengelmoes van allerhande boomen. Het gevoelen dat ik van 't verstand der inwoonders deezes Vorstendoms opgevat had, nam toe, naar mate dat ik gelegenheid kreeg om hunne bekwaamheden wat dieper in te zien. De wetten en inzettingen, welke ik het meeste veroordeelt had, begon ik hooglijk te prijzen om derzelver billijkheid en regtvaardigheid: zoo was de verachting in verwonderinge verkeert! 't Zoude mij niet moeilijk vallen, een geheele lijst op te geven van zaaken en gewoonten, die mij, wanneer ik ze terloops beschouwde, dwaas, maar als ik ze nader inzag, verstandig en voorzigtig voorkwamen. Uit een oneindig getal van voorbeelden zal ik alleenlijk dit bijbrengen, 't welk den aart deezes volks zeer duidelijk uitdrukt. Toen eens een Student in de Litterature stont naar het Rectorschap van zekere School, wierdt zijn verzoek ondersteunt met deeze aanprijzing, te weten: de Burgerij der Stad _Nahami_ getuigde, dat hij, geduurende den tijd van vier jaaren, met een dertele en ontrouwe vrouw gerust en stil hadt geleeft, en een gewillige hoorndrager was. Deeze Attestatie was bijna met deeze of diergelijke woorden opgesteld:
"Nademaal de zeer geleerde en eerwaardige Heer _Jocthan Hu_ van zijne Gebuuren verzogt heeft eene Attestatie, nopende zijn leven en gedrag, zoo verklaaren wij burgers, wonende in de wijk of in den oort der Stad _Posko_, dat dezelve geheele vier jaaren agter een mee zijne huisvrouwe, die eene ligtekooi is, zonder eenig huiskrakeel, in den egt geleeft heeft: dat hij zijne hoornen geduldig heeft gedragen en met zodanige gematigdheid die ziels-smerte geleden heeft, dat wij hem oordeelen te zullen wezen een waardig Rector der openstaande School, zoo anderszins zijne studien met zijn gedrag overeenkomstig zijn."
"Gegeven op den tienden dag der Palmboommaand, in het jaar drie duizend, na den grooten Zundvloed."
Bij deeze aanprijzing was gevoegd eene verklaaring; van de _Karatti_ van het Kweekschool, aangaande deszelfs studien en geleerdheid, 't geen meer scheen ter zake te zullen doen: want wat aanbelangde de verdiensten van dien gehoornden Schoolvos boven die andere leeraars, daarvan kon ik niet wel begrip vormen. Maar van die klugtige Attestatie was dit de regte zin: Onder de deugden welke eenen leeraar 't meest aangenaam maken, is de gematigdheid: want, tenzij zulk een Jobs lijdzaamheid bezitte, zal hij met den gantschen opschik zijner geleerdheid weinig bekwaamheid hebben om 't Schoolmeesters ampt waar te nemen, 't geen zonder strengheid en oploopenheid moet worden bedient, op dat, door zijne ontijdige tugtigingen, de gemoederen der jeugd niet verbitterd worden. Nu gelijk 'er kwalijk een voorbeeld van grooter gematigdheid kan worden gegeven dan van die, waar mede de aanstaande Rector zoo een aanmerklijk huis-kruis verdragen hadt, zoo trokken ook des Verzoekers gebuuren niet lang in twijfel, dat zij op deeze drangreden moesten aandringen, om daar mede aan te toonen, wat men van eenen Schoolmeester, die boven andere met deeze deugd pronkte, te wagten hadt. Men zegt dat de Vorst over die ongewoone aanprijzing boven mate in lachen uitbarstte; dog wijl hij dezelve niet geheel en al ongerijmd bevondt, begiftigde hij den Verzoeker met het openstaande Rectorschap: en het is zeker dat dezelve dat ampt met zoo veel snedigheid heeft bedient, en de leerlingen door verdraagzaamheid en goedertierenheid zoo zeer aan zig heeft verbonden, dat zij hem eerder voor eenen Vader, dan voor eenen Schoolmeester hielden, en zoodanige liefde voor de letter-oeffeningen, onder zulk eenen zagtzinnigen en gematigden bestierder, kreegen, dat 'er tegenwoordig weinige Schoolen in 't geheele Vorstendom zijn, waar uit zulke vermaarde, geleerde, en wel opgevoedde boomen jaarlijks te voorschijn komen.
Vermits ik nu, geduurende den tijd van vier jaaren dat ik het ampt van Post looper bediende, gelegenheid had, zoo om den aart deezes lands, als om den inborst, zeden, staatkunde, Godsdienst, wetten en letteroeffeningen deezes volks na te speuren; hoop ik de Leezers niet onaangenaam te zullen wezen, als ik al het geen wijd en zijd in dit werk gevonden wordt, hier als in eenen bondel betrekke.
[1] Mengelmoes van gevoelens.
VIJFDE HOOFDSTUK.
_Van den aart des Landschaps Potu; en van den inborst der Natie._
De Landpaalen des Vorstendoms _Potu_ strekken zig niet wijd uit, en beslaan slegts een tamelijken landstreek van dien Aardbol. De gantsche Bol Nazar behelst in zijnen omtrek naauwlijks twee honderd Duitsche mijlen. Elk reiziger kan dien gemakkelijk zonder Leidsman omreizen: want overal wordt eenerlei taal gesproken, hoe zeer ook die van _Potu_ door wetten en gewoonten van de overige Vorstendommen en Staaten grootlijks verschillen. En even gelijk in onze Waereld de Europeers boven andere Natiën uitsteeken, zoo zijn ook die van _Potu_ in bekwaamheid en schranderheid verre boven de andere bewoonders deezes Aardbols te achten. De wegen worden doorgaans met steenen, die de mijlen te kennen geven, afgeteekent; en hebben of uitstekende handen of andere teekenen die naar elke Stad of wijk het pad aanwijzen. Het geheele Vorstendom door, vindt men veele schoone Steden en Gehugten. Voorzeker is dit verwonderlijk en merkwaardig, dat alle bewoonders dezes Aardbols eenerlei spraak hebben, schoon elke Natie in staat, zeden, wetten en gaven des geests zoodanig verschilt, dat dees Aardbol eene zeer klaare afbeeldinge verschaft van de verscheidenheden waarin zig de Natuur, verlustigt: en ten dien opzigte kan zij gezegt worden de reizigers niet zoo zeer aandoeninge te geven, als wel te verbaazen, en ze als bijna te brengen in eene verrukkinge van zinnen.
De landerijen worden afgescheiden door wateren, zoo door groote als door kleine, waar door schepen varen, die met riemen als door tooverkonst worden voortgedreven: want dezelve worden niet als bij ons met handen voortgeroeit; maar door konst werktuigen, even als door zulke werktuigen die door zig zelv' bewegen, aangezet. Den aart en het maakzel deezer kunstwerktuigen kan ik niet bepaalen, omdat ik mij niet grondig verstaan op de Wiskonst: voeg hier bij, dat deeze boomen zoo vernuftelijk alles uitvinden, dat niemant, ten ware hij nog meer oogen hadt dan Argus zelf, en met een bijna Godlijk doorzigt begaafd was, ontdekken kan hoedanig het gemaakt en in een gezet is. Die Aardbol wordt even als de onze op driederlei wijzen bewogen, invoegen dat de tijden hier niet anders dan bij ons worden, onderscheiden in. Dag en Nagt, Zomer en Herfst, Winter en Lente, en dat de oorden, gelegen aan de Poolen of Aspunten, kouder zijn dan de andere. Maar aangaande het licht is 'er weinig onderscheid tusschen dag en nagt, om redenen boven gemeld. Ook kan in eenige opzigten de nagt aldaar gezegt worden aangenamer te zijn dan de dag; want men kan niets heerlijker bedenken dan het licht dat van de Zon komende op deeze Planeet afstuit, en op het halfrond of 't verdikte Firmament te rug gekaatst wordende, als tot een soort van eene overgroote nabij staande Maan, wijd en zijd te samen vergaderd wordt. De inwoonders bestaan uit boomen van verscheiden soort; te weten: uit Eiken, Linden, Populieren, Palm-boomen, Doornboomen, enz. waar uit zestien maanden haare naamen ontleenen, in welke het Onderaardsche Jaar omschreven wordt; want op elke zestiende maand, komt de Planeet _Nazar_ weer op haar eerste loopspunt; dog egter niet op eenen vasten dag, om derzelver ongelijke beweginge, vermits zij, even als onze Maan, door veelerlei afwijkingen de Verstanden der lugtbewoonders genoeg te doen geeft. De Jaarrekeningen zijn 'er zeer verscheiden, en nemen haar begin van de meest gedenkwaardigste zaaken: voornamentlijk van eene groote Staartsterre, die men gelooft over drie duizend jaaren eenen algemeenen Zundvloed te hebben veroorzaakt, waarin het gantsche geslagt der boomen, met al wat leven hadt en bezield was, versmoort is geworden, uitgezonden alleen eenige weinigen, die op de heuvelen en toppen der bergen den algemeenen Zundvloed zijn ontvloden; en waar uit de tegenwoordige inwoonders afkomstig zijn. De grond, die zeer vrugtbaar is in vrugten, kruiden en peulgewassen, brengt bijna dezelve vrugten voort, welke in Europa vallen; egter wast daar geen haver, ook is die daar niet noodig, wijl die Aardbol geen Paarden uitlevert. De Zeeën en staande waters verschaffen smakelijke Vis, en de gebouwen der Dorpen, die dan eens aan een grenzen, dan wederom door eenigen afstand van een gescheiden zijn, versieren de stranden en oevers door eene zeer aangename verscheidenheid. De drank die daar gedronken wordt, wordt geperst uit zekere kruiden, die, alle tijden van 't jaar door, groen zijn. Die deezen drank verkoopen worden gemeenlijk genaamt _Minhalpi,_ dat is kruiden-kookers, waar van 'er in elke Stad een bepaald getal is, en welken alleen het vergund is kruiden te moogen kooken. Die met dit voorregt begiftigt zijn, zijn genoodzaakt van alle andere bedieningen, neeringen en handteeringen af te zien. Maar wel inzonderheid legt 'er een gebod, dat niemant der gene die ampten of bedieningen hebben en wedden van den Staat trekken, deeze neeringe zal mogen doen, en zulks om dat ze uit hoofde van het gezag waarmede zij in den Staat bekleed zijn, alle koopers tot zig trekken, en, om andere voordeelen welke zij genieten, de waaren beter koop konnen geven: gelijk wij meenigmaalen in onze Waereld zien gebeuren, daar de gene die bedieningen hebben en jaarwedden trekken, door zoodanige middelen, binnen weinige jaren rijk worden van het zweet en bloed der andere handwerkslieden.
De veelheid der inwoonders wordt door de heilzaame wet, die op de voortteelinge der kinderen gemaakt is, wonderlijk bevordert. Want naar het getal der kinderen worden de bedieningen of vrijheden vermeerdert of vermindert, en die vader is van zes kinderen, wordt zoo wel van de gewoonlijke als van de ongewoonlijke schattingen ontheven. Hier van daan is 't, dat de voortteeling en het getal der kinderen daar niet minder heilzaam wordt gerekent, dan dezelve in onze Waereld, alwaar op de hoofden der kinderen eene belastinge gesteld pleeg te worden, moeilijk valt en schadelijk is. In dat land bedient niemant ooit twee ampten te gelijk, vermits men aldaar vaststelt, dat de minste bezigheid een geheel man vereischt. Om deeze reden (het zij met oorlof van de bewoonders onzes Aardbols gezegt) worden de ampten daar getrouwer en beter bedient dan bij ons; en zoo heiliglijk wordt 'er die wet onderhouden, dat een Geneesheer aldaar zig niet inlaat in het onderzoek der geheele Geneeskunde; maar zig alleenlijk met alle naarstigheid uitlegt in het doorgronden van den aart van een eenige ziekte. Een Musicant oeffent zig niet dan maar op een eenig instrument; geheel anders dan in onze Waereld, alwaar door de verscheidenheid der bedieningen dieningen de inschikkelijkheid gekrenkt, de koppigheid vermeerdert, en het waarnemen der bedieningen versloft wordt; en waar door wij gemeenlijk nergens zijn, om dat wij overal zijn. En gelijk een Geneesheer, die terwijl hij de ziekten van het menschelijk lichaam tracht te geneezen, ook te gelijk het Gemeenebest wil helpen, beide mist; even zoo is 'er van eenen Musicant, zoo hij te gelijk voor Musicant en Raadsheer wil speelen, geen harmonie te verwagten. Wij verwonderen ons over de gene, die niet schroomen om verscheide ampten te gelijk te bedienen, die zig zelf in zaken van 't uiterste gewigt indringen, en meenen dat zij tot allerlei bedieningen bekwaam zijn; maar het is enkel roekeloosheid en zijne eigene kragten niet te kennen, daar wij ons dwaaslijk over verwonderen, aangezien dat, zoo zij de zwaarwigtigheid der zaaken wisten, en daarbij hunne eigene zwakheden kenden, zij het aangeboden bewind uit eige beweginge afstaan zouden, en zidderen op het zelve te hooren noemen. Niemant dan neemt hier iets aan, daar hij geen bekwaamheid toe heeft. Het heugt mij nog, dat ik over deeze lesse den vermaarden Wijsgeer _Rakhazi_ hebbe hooren redeneeren, en wel in deezer voegen: "Elk moet zijne eigene bekwaamheid kennen, en een streng regter over zig zelven, over zijne misslagen en goederen zijn, op dat niet misschien een tooneelspeeler meer verstands en voorzigtigheids schijne te hebben dan wij; die kiezen nooit de beste, maar wel de voor hen best passende klugtspelen uit. Zal een klugtspeeler op een tooneel dat gene zien, wat een wijs man in zijnen leevensloop niet zal zien?"
De inwoonders deezes Vorstendoms zijn niet onderscheiden in Edelen en Gemeene. Voortijds hadt dat onderscheid van rang plaats; dog toen de Vorsten bespeurden dat daar door het zaad van tweedracht verspreid wierdt, namen zij voorzigtiglijk weg alle voorregt uit geboorte spruitende; zoo, dat de boomen thans geschat worden enkel en alleen naar mate dat zij deugd bezitten, en naar hunne bedieningen en bezigheden, waar van ik elders uitvoeriger zal spreeken. 't Eenige, dat de geboorte voorheeft, bestaat in de veelheid van takken; want naar mate dat de vrugt die geboren wordt, die min of meer heeft, wordt dezelve ook min of meer adelijk gerekent, aangezien de overvloed van takken den boomen bekwaamheid verschaft tot alle handwerken. Van den inborst en zeeden des volks heb ik boven, zoo hier en daar, al vrij wat gemeld, waarom ik, den Lezer wijzende naar 't geen boven gezegt is, dit Hoofdstuk zal besluiten, en overgaan tot de verhandeling van andere zaaken.
ZESDE HOOFDSTUK.
_Van den Godsdienst des volks van Potu._
Het samenstelzel des Godsdiensts van die van _Potu_, kan onder menige Hoofddeelen worden begrepen, en behelst eene korte Geloofs-belijdenisse, die een weinig breeder uitgestrekt is, dan onze Apostolische Geloofs-belijdenisse. 't Is hier verboden, op straffe van bannissement naar het Firmament, over de Heilige Boeken eenige aanmerkingen te maaken. En overzulks zoo iemant zig verstout te disputeeren over het Wezen en de Eigenschappen van God, over de hoedanigheden der Geesten en Zielen, wordt hij verwezen tot de aderlatinge, en in het publyke Stads-dolhuis gezet. Want zij houden het voor dwaasheid dingen te willen schrijven en bepaalen, waarop ons verstand niet minder schemert, dan de oogen van eenen nagtuil op het licht der Zonne. Alle stemmen zij over een in het dienen en eeren van een Opperwezen, door wiens Almagt alle dingen geschapen zijn, en door wiens Voorzienigheid dezelve worden onderhouden. Uitgenomen deeze dienst wordt niemant, om verschillende gevoelens, belangende de maniere en wijze des diensts, eenige moeilijkheid aangedaan: alleenlijk worden de gene die in 't openbaar den Godsdienst, bij de wetten vastgesteld, tegenspreeken, als verstoorders der gemeene rust gestraft. Uit deezen hoofde wierd ik in de oeffeninge mijnes Godsdiensts niet gedwongen, nog van iemant gestoord. Die van _Potu_ bidden weinig, maar zeer ijverig: invoegen dat zij, zoo lang hunne gebeden duuren, schijnen als in verrukkinge van zinnen te zijn. Waarom dezelve, toen ik hen verhaalde dat wij onder ons huiswerk gebeden deden; en zelfs onder ons handwerk heilige liederen zongen, ons dat tot eene misdaad rekenden, zeggende, dat een aardsch Prins het kwalijk zoude opneemen, zoo hem iemant iets willende verzoeken, naderde, en te gelijk in zijne tegenwoordigheid zijne kleederen af borstelde, of zijn hair kamde. Ook vonden zij geen meer smaak in onze heilige liederen: want zij hielden het daar voor, dat het belachenswaardig was met Musiektoonen smert en leedwezen uit te boezemen, vermits de toorn Gods door tranen en zugtingen, en niet door zangwijzen, fluiten of trompetten, gestilt wordt. Deeze en andere dingen hoorde ik niet zonder verontwaardiginge: inzonderheid vermits mijn Vader zaliger, eertijds Voorzanger van de kerk, verscheiden lofzangen, die nog heden ten dage gezongen worden, op noten hadt gestelt, en ik zelf besloten had te staan naar eene openstaande Voorzangers-plaats; maar ik trachtte mijne gramschap te bedwingen: want onze Onderaardlingen beweeren hunne gevoelens met zoo groote scherpzinnigheid, en leggen alles zoo waarschijnlijk uit, dat het gantsch niet gemakkelijk valt zelfs hunne allertastelijkste dwalingen te wederleggen. Daar zijn nog andere dwalingen in den Godsdienst, welke zij, met dezelve snedigheid en schijn van waarheid, staande houden: zoo, dat zij, wanneer ik aan eenige onder hen, waar mede ik gemeenzaam omging, menigmaalen gezegt had, dat 'er voor hen, als welke in de duisternisse wandelden, na den dood, geen zaligheid te wagten was; mij ten antwoord gaven; dat al wie strengelijk anderen verdoemt, zelf het meeste gevaar liep van verdoemt te worden: want dat een ander te veroordeelen doorgaans spruit uit hoogmoed, welke God, die niets meer dan de nederigheid gebiedt, haat, en in 't schepzel niet verdraagen kan: dat ook eens anders gevoelen te verdoemen, en die van ons in gevoelen verschillen, met geweld tot het onze te willen doen overgaan, even eens is, als of men zig zelven alle wijsheid alleen wilde toeëigenen: 't geen 't werk van dwaazen is, die zig inbeelden, alleen wijs te zijn. Voorts wanneer ik eens een gevoelen zullende verdedigen, mijnen tegenstreever tegemoet voerde, dat ik in mijn hart daarvan ten vollen overtuigd was; prees hij mijne drangreden en beval mij voort te gaan in 't licht mijner conscientie te volgen; belovende, dat hij altoos het zelve zoude doen; aangezien dat, bijaldien een iegelijk in de verschillen kwam op te volgen het voorschrift der conscientie, alle twist ter nedergelegt, en alle stoffe tot disputeeren zouden worden afgesneden. Onder andere dwalingen, die de inwoonders deezes Vorstendoms voorstonden, waren ook deeze volgende. Zij ontkenden wel niet dat de goede werken van God beloond en de kwaade gestraft zullen worden; dog zij oordeelden dat de gerichtsoeffening, bestaande in het toewijzen van belooning of straffe, eerst plaats zal hebben na dit leven. Ik bragt hierop verscheiden voorbeelden bij der gene die om hunne misdaaden en Godloosheden bereids in dit leven gestraft waren; dog zij bragten daar tegen in even zoo veele tegengestelde, namentlijk: van zeer ondeugende boomen, die te gelijk Godloos en zeer gelukkig waren geweest tot hunnen dood toe: zoo menigmaalen zeiden zij, als wij tegen de gene die van ons verschillen eene zaake verdedigen, vestigen wij onze redenen op het geen wij dagelijks zien gebeuren, en letten alleenlijk op zulke voorbeelden die ons van nuttigheid zijn, en onze stellingen gewigt bijzetten, overslaande of voorbij gaande alle die daar tegen strijden. Ik bragt een voorbeeld bij van mij zelv', doende zien, dat veele die mij geweld en ongelijk hadden aangedaan, een rampzalig einde hadden gehad; dog zij voerden mij daar op te gemoet, dat dat alles voortkwam uit eigeliefde, terwijl ik geloofde, dat ik in de oogen Gods meer en beter was dan andere, welke, schoonze ten onregte groot ongelijk hadden geleden, hunne vervolgers egter hadden zien oud en grijs worden in eenen geduurigen voorspoed tot hunnen dood toe. Wanneer ik wijders eens aanprees, dat men God dagelijks moest bidden, antwoordden zij; dat zij wel de noodzakelijkheid des gebeds niet ontkenden, maar dat zij wel verzekerd waren, dat de Godsvrugt en waare Godsdienst meest bestonden in de onderhoudinge der Wet Gods. Om dit te bewijzen, ontleenden zij dusdanig argument van eenen Vorst of Wetgever: Een Vorst, zeiden zij, gebiedt over tweederlei slag van onderdanen. Eenige zondigen dagelijks, en overtreden, 't zij uit zwakheid, 't zij uit kwaadaartigheid of halstarrigheid, zijne geboden: dog zij staan ook dagelijks in den voorhof van zijn Paleis met Verzoek- en Smeek-schriften; biddende om vergevinge van misdaaden, welke zij straks wederom staan te vernieuwen. De andere daarentegen komen zelden, en nooit dan verzogt zijnde, aan 't Hof; maar altijd t'huis blijvende, volgen zij de bevelen van den Vorst getrouwelijk en met allen ijver op, betoonende aan hem hunne gehoorzaamheid door eene gestadige onderhouding zijner wet. Wie kan 'er aan twijfelen, of hij zal de laatst gemelde al zijne liefde waardig agten, daar hij de eerste voor booze, afkeerige, en teffens lastige onderdanen zal aanzien, zoo ten opzigte hunner overtredingen als hunner geduurige verzoeken.
Deeze en andere zintwistingen verschaften mij dagelijksch werk; dog zonder vrugt: aangezien ik niemant konde overhaalen tot mijn gevoelen. Waarom ik alle andere verschillen van Godsdienst daar latende, zal voortgaan met hunne andere algemeene en merkwaardigste leerstukken te verklaaren; aan 't oordeel des Lezers overlatende, of dezelve goed of kwaad gekeurd moeten worden.
De _Potuanen_ gelooven in eenen God, die almagtig is, die alle dingen geschaapen heeft, en onderhoudt; en zij bewijzen deszelfs Almagt en Eeuwigheid uit de grootheid der geschaapen dingen, en uit derzelver overeenstemminge. En gelijk zij in de Sterre- en Natuur-kunde zeer ervaren zijn, hebben ze zulke treffelijke gevoelens van het Wezen en de Eigenschappen Gods, dat zij het voor dwaasheid rekenen, dingen te willen bepaalen, die ons begrip te boven gaan.--Het jaar wordt 'er onderscheiden door vijf Feest-dagen, waar van de eerste zeer Godsdienstiglijk geviert wordt in donkere plaatsen, alwaar het daglicht niet kan doorbreken; en zulks om daar mede te kennen te geven, dat de Godheid, welke zij aanbidden, onbegrijpelijk is. In die plaatsen blijven zij, als in den Geest opgetogen, onbeweeglijk van dat de Zon opkomt tot dat dezelve ondergaat. Dit Feest wordt genoemt de _dag des Onbegrijpelijken Gods_, en valt in op den eersten dag der _Eikemaand_. De overige vier Feesten worden geviert op de vier getijden des jaars, en zijn ingestelt ten einde God te danken voor zijne bewezene weldaden. Weinige zijn 'er in 't gantsche Vorstendom, die op deeze plegtige Feest-dagen niet verschijnen. Die 'er egter niet komen, en geene wettige redenen hunner afwezigheid geven, worden voor kwaade onderdanen gehouden, en leeven in gestadige veragtinge. De Formulieren der openbaare gebeden zijn zoodanig ingerigt, dat ze niet op de bidders zelve, maar alleenlijk op den Vorst en op de gemeene welvaart betrekkelijk zijn. Hier van daan is het, dat niemant in 't openbaar voor zig zelven bidt. Het oogmerk deezer instellinge is, om de _Potuaners_ in te prenten, dat de welvaart der bijzondere lieden, zoo naauw verknogt is met die van 't Gemeenebest, dat zij daar van niet kan worden afgescheiden. Niemand wordt tot den dienst van God nog door geweld nog door geldboete genoodzaakt: want overmits zij oordeelen, dat de Godsvrugt voornamentlijk bestaat in liefde, en dat de ervarenheid leert, dat de liefde eer door geweld verkoelt, dan ontsteken wordt; gelooven zij 't niet alleen onnut, maar ook schadelijk te zijn, de traage door dwang tot Godsvrugt aan te zetten. Deeze stellinge bewijzen zij met dit voorbeeld: Bij aldien een man, zeggen ze, eene wederzijdsche liefde van zijne egtgenoote begeerende, derzelver laauwheid of verkoelinge met stokken- en vuistslagen daar tracht uit te drijven; is het 'er zoo verre van daan, dat de liefde door die middelen zoude worden ontsteken, dat de verkoeling veel eer toeneemt, en eindelijk op haat en afkeer uitkomt.