De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot

Part 4

Chapter 43,651 wordsPublic domain

Op reis zijnde zag ik, niet zonder verwonderinge, dat de inwoonders zoodanig oplettend omtrent hun werk zijn, dat niemant ophoudt met arbeiden op het zien der voorbijgangers, of zig verwaardigt zijn gezigt daar naar te slaan, alschoon daar omtrent iets ongewoons te zien mogt wezen. Dog de dag ten einde, en 't werk gedaan zijnde, geven zij zig over aan spelen en allerhande uitspanningen, met oogluikinge van de hooge Regeering, welke die uitspanningen aanmerkende als zoo veele steunzels voor lichaam en geest, oordeelt, dat de Schepzelen daar door niet minder dan door spijs en drank gevoed worden. Om deeze en andere redenen heb ik deeze reis met groot genoegen afgelegt. De gedaante der Landstreek is, geheel en al aangenaam, verbeeld in een ronden schouwburg, en wel in zoodanig eenen als de Natuur alleen kan te voorschijn brengen. Overal daar de Natuur wat schaars was geweest, was de konst der inwoonders toegeschoten, om 't gebrek te vervullen, en dezelve waren, door de belooningen van de Magistraat daarop gestelt, geslepen op het boeren-werk, en op de Landbouwerij; dog al wie aan zijn Land de hand niet hieldt, wierd van zijn burgerregt verstooten, en in eene boete verwezen. Wij trokken verscheide aanzienelijke Gehugten door, welke, vermits ze zoo kort op malkanderen komen, het gezigt van eene doorgaans bebouwde en aaneengevoegde Stad opgeven, en wijd en zijds een onafgebroken gezigt uitleveren. Maar wij wierden egter eenigermate gekweld van een soort van Bosch-aapen, die hier en daar op de wegen warende, mij, welken zij om de gelijkheid van gedaante geloofden van hun gedagt te zijn, niet weinig met gestadige aanvallen plaagden. Dit maakte dat ik mijnen toorn en verontwaardiging niet konde bedwingen, vooral toen ik bespeurde, dat deeze vertooning aan de boomen stoffe verschafte tot lachen: want men moet weten dat ik ten Hove gevoerd wierd, op bevel van den Vorst, met het zelve gewaad, waar mede ik op die Planeet was overgebragt, te weten: houdende mijnen haak in de regterhand, op dat hij daar uit zoude zien, hoedanig de opschik onzer waereld was, en in hoedanige toerustinge ik aldaar eerst was aangeland. En die haak kwam mij toen zeer wel te stade, als waar mede ik de Aapen, die met geheele troepen op mij afkwamen, van mij trachtte af te weeren, schoon te vergeefsch: want in de plaats der gevlugtte, kwamen steeds meer andere toeschieten, zoo dat ik ieder oogenblik eenen tred moest houden, als of ik op den vijand los ging.

VIERDE HOOFDSTUK.

_Van het Paleis des Vorsts van Potu._

Nu kwamen wij aan de koninglijke Stad _Potu_ Deeze is eene pragtige en aanzienlijke Stad. De gebouwen zijn aldaar breeder en grooter dan te _Keba_, en de straaten ruimer en gemakkelijker. De allereerste markt daar wij bij kwamen, was opgepropt met een groot getal van kooplieden, en rondom bezet met winkels van konstenaars en handwerkslieden. Op 't midden der markt zag ik met verwondering eenen misdadiger staan met een strop om den hals, omringt van een grooten kring der deftigste boomen, dat een soort van raadsvergadering uitleverde. Toen ik vraagde, wat 'er te doen was, en om welke misdaad hij verdient hadt opgehangen te worden, daar 'er in dat land geen misdaad met den dood gestraft werdt; kreeg ik ten antwoord, dat de misdadige was een uitvinder (project-maker) die aangeraden hadt, eene oude gewoonte af te schaffen; en dat de omstanders Regtsgeleerden en Raadsheeren waren, die de nieuwe uitvinding naar gewoonte zouden onderzoeken, invoegen dat, zoo dezelve wel in orde gebragt, en voor het Gemeenebest heilzaam bevonden wierdt, de misdadige niet alleen ontslagen, maar zelfs beloond stont te worden; dog bij aldien ze schadelijk voor den Staat, of de uitvinder, in 't afschaffen van die wet zijn eigen voordeel te hebben bedoelt, bevonden wierdt, hij alsdan den hals, als een verstoorder der gemeene rust, door den strop stont te worden gebroken. Zijnde dit de reden, waarom 'er weinige gevonden worden, die dat gevaar willen ondergaan, of 't afschaffen eener wet durven aanraaden, ten ware de zaak zoo billijk en baarblijkelijk was, dat men aan eenen goeden uitslag niet konde twijfelen. Zoo zeer zijn de Onderaardlingen van bevattinge, dat de oude wetten blijven, en de instellingen der voorouderen moeten onderhouden worden; want zij gelooven, dat de Staat geschud wordt, wanneer de wetten op iemants goeddunken verandert, of afgeschaft worden. Ten zeide ik in mij zelv': O! wat zoude 't hier slegt staan met de uitvinders bij ons, die, onder schijn van algemeen nut, dagelijks nieuwe wetten smeden, dienstig, niet voor het Gemeenebest, maar wel voor bijzondere eigenbaat!

Wij wierden eindelijk gebragt in een zeer groot huis, de gewoonlijke intrek der gene die uit alle de kweek-schoolen des gantschen Vorstendoms worden verzonden. Uit dat zelve huis worden ze gebragt om voor den Vorst gesteld te worden. Onze Leidsman of de _Katatti_ beval ons, dat wij ons gereed zouden houden, terwijl hij heen ging om den Vorst van onze aankomst te verwittigen. Zoo dra was hij niet uitgegaan, wanneer wij een zeer groot geroep als dat van eene zegepraal hoorden; en 't leedt niet lang, of het geschal der trompetten en 't geraas der trommels klonk allerwegen. Door dit gerugt genoopt, en voor de deur gegaan zijnde, zagen wij eenen boom aankomen, verzeld van eenen heerlijken stoet, en met een bloemkransje om het hoofd, en straks wierden wij gewaar, dat het die zelve burger was, dien wij op de markt hadden zien staan met den drop om den hals. De reden der zegepraal was 't goedkeuren der wet, welke hij, met gevaar zijns levens, hadt aangeraden. Dog wat redenen hij tot afschaffing der oude wet mag hebben bijgebragt, kon ik niet vernemen, en heb 'er nooit konnen agter komen, door de diepe stilzwijgendheid der inwoonderen, waar door het geschiedt dat de allergeringste zaak, het Gemeenebest belangende, of in den Raad verhandelt wordende, nooit het gemeen ter ooren komt; geheel anders dan bij ons pleeg te geschieden, alwaar de Raads besluiten en Resolutien van Staat daags daarna, op de gemeene wegen en in de gaarkeukens, verhandelt en bedilt worden. Na een uur vertoevens kwam de _Karatti_ wederom, en beval ons alle hem te volgen. Wij volgden onzen Leidsman op zijn bevel. Onder weg ontmoetten wij overal hoorntjes, die van allerlei raare en gedenkwaardige zaaken, gedrukte boekjes te koop veilden. In die rommelzoô van boekjes ontdekte ik een werkje welks tytel was: _Van het nieuw en ongewoon hemelsteeken, of vliegenden Draak, die in 't voorleden jaar zig vertoont heeft_. Ik zag mij zelv', zoodanig ik was, toen ik met mijnen haak en den slenter van het touw rondom de Planeet wierdt gewentelt, in koper gesneden. Op dat gezigt kon ik mij naauwlijks bedwingen van lachen, en zei stilletjes in mij zelv':

_O! welk een vreemd gezigt! een tronie zoo verwildert,_ _Is waardig door Apell' te worden uitgeschildert!_

Hebbende niet te min het boekje gekogt voor drie _Kilac_, makende omtrent twee schellingen van ons geld uit, bedwong ik mijn lachen: vervolgende stillekens mijnen weg naar 't Paleis, een gebouw dat aanzienlijker is om deszelfs konst en nettigheid, dan door deszelfs kostelijkheid.

_Geen voorhof pronkte alhier van koninglijke pragt,_ _Nog glinsterend' marmer, daar de schilderkunst in wragt_ _Verscheidenheid van kleur en verw'...?_

Ik zag 'er maar weinige hovelingen of deurwaarders, want de spaarzaamheid der Vorsten hadt allen overvloed afgesneden. Ook heeft men hier niet noodig zoo veele dienaars, als 'er wel aan de Hoven bij ons vereischt worden, want zoo veele takken als deeze boomen hadden, waren zoo veele handen: zoo dat de handwerken en huislijke bezigheden drie- of vier-maalen rasser alhier verrigt worden.

Het was juist op de maaltijd, toen wij 's Vorsten Paleis intraden; en vermits zijne Doorlugtigheid, alvorens dezelve aan tafel ging, met mij afzonderlijk wilde spreken, wierd ik alleen in de eetzaal binnen gelaten. Dees Vorst bezat eene wonderlijke goedertierenheid en te gelijk deftigheid. Zoo groot was zijne standvastigheid, dat de deftigheid van zijn gelaat en wezen door geene de minste gestoordheid kon verdonkert worden. Op 't gezigt van den Vorst viel ik terstond op mijne knieën. Dog bij die aanbidding stonden de omstanders als verdomt; en wanneer ik de reden van mijn vallen op de knieën den Vorst te kennen gegeven had, beval hij mij op te staan: zeggende dat zoodanig eene eerbewijzing niemand dan de Godheid toekwam: voegende vervolgens daarbij, dat men aldaar alleenlijk door gehoorzaamheid, arbeid en vlijt, 's Vorsten gunst konde gewinnen. Na dat ik opgestaan was, wierden mij verscheidene vragen gedaan. En wel voor eerst

_Door welken weg ik daar te lande was gekomen?_ _Om welke reden ik die reis had ondernomen?_ _In welken oord ik 't licht eerst zag: hoe 'k wierd geheeten?_ _Waarop ik antwoord gaf: zoo gij mijn' naam wilt weten._ _Die heeft niet veel om 't lijf, KLAAS KLIM word' ik genoemd,_ _En Berg' in Noorwege is (onnoodig hier geroemt)_ _Mijn Vaderland: 'k ben in een grooter Waerelddeel_ _Geboren, dan Gij Vorst, O! dat scheelt al te veel!_ _Mijn' reis aangaande, daar valt vrij wat van te zeggen:_ _Ik liet daar toe geen schip, dat bruist door zee, aanleggen:_ _Ook reisde ik niet te land, maar door het starrendak_ _Nam 'k herwaards mijnen koers, en kwam 'er met gemak._

Vervolgens ondervraagde hij mij over de dingen die mij op mijne reize bejegent waren, en te gelijk over de wetten en de zeeden onzer waereld.

Toen ging ik op eene zielroerende wijze ontvouwen de deugden der menschen, derzelver aart en inborst, de wijze van leven in de Steden, en andere zaken, waarop het menschdom meerendeels zijnen roem pleeg te dragen. Dog hij nam mijn verhaal geheel koeltjes op, en op verscheide zaken, welke mijns oordeels grootelijks in hem verwondering hadden moeten verwekken, begon hij te geeuwen. Toen zeide ik in mij zelv': _wat zijn ook de smaaken en verkiezingen der menschen verscheiden! daar wij de meeste aandoeninge van hebben, daar trekken deeze de neus van op_. Dog 't geen ik in den Vorst 't ergst van allen in de ooren hoorde klinken, was, 't geen ik hem verhaalde van de manier van procedeeren, van de welsprekendheid onzer Advocaten, en van de vaardigheid onzer Regters in 't vonnis uit te spreeken. Ik trachtte hem dat wat nader te ontvouwen; dog hij mij in de reden vallende, wendde het over een' anderen boeg, en begon eindelijk te vernemen naar onzen Godsdienst en de plegtigheden daar omtrent. Daar op leide ik hem kortelijk uit alle de Artikelen van 't Geloof, op welker meldinge hij eenigermate rimpels uit zijn voorhoofd trok: betuigende, dat hij gaerne elk van die zoude onderteekenen: zig alleenlijk verwonderende dat een Volk van zoo weinig oordeel, zulke gezonde gevoelers hadt van God en Godsdienst. Maar straks, toen hij hoorde, dat de Christenen in ontelbaare Secten verdeeld waren, en om die oneenigheid onderling het harnas aanschooten, zeide hij: "Bij ons zijn 'er ook verscheide gevoelens over de zaken die den Godsdienst betreffen; dog de een vervolgt daarom den anderen niet: aangezien alle vervolgingen over zaken, rakende alleen de leere of dwaalingen, en spruitende alleenlijk voort uit de verscheide bevattingen, niet dan uit hoogmoed voortkomen, vermits de een dwaaslijk meent dat hij meer doorzigt bezit dan de ander; welke hoogmoed aan God, die ons de verdraagzaamheid en nederigheid beveelt, niet welbehaaglijk kan wezen. Een iegelijk", zeide hij, "die ter goeder trouw en in opregtigheid des harten van een aangenomen gevoelen in 't stuk der leere is afwijkende, laten wij zijn oordeel vrij, zoo hij maar in de practijk, die eigenlijk den dienst Gods betreft, toestemt: en hierin volgen wij de voetstappen onzer voorzaten na, die 't voor eene onmenschlijkheid hielden, het verstand der stervelingen de boeijen aan te doen, en over de conscientien te heerschen. Deezen regel bevelen wij ook in 't burgerlijke zeer zorgvuldig te volgen: invoegen dat zoo de gevoelens der onderdaanen, rakende de form onzer lichaamen, de manier van leven, de huishouding, en wat diergelijken meer is, verscheiden zijn, en egter dezelve mij voor wettigen Vorst, welken zij gehoorzaamheid schuldig zijn, erkennen; ik ze alle mee malkanderen voor goede onderdaanen houde."

Hier op antwoordde ik: _Allerdoorlugtigste Vorst, dat wordt bij ons voor Syncretismus[1] uitgekreten en ten uitersten van onze Godgeleerden veroordeelt_. Meer liet hij mij niet toe te spreeken, maar ging gramstoorig weg: bevelende mij te blijven tot dat hij zijn middagmaal gehouden hadt.

Aan de tafel zat de Vorst met zijne doorlugtige Gemalin, als mede de Prins zijn Zoon met den Groot-cancelier of _Kadoki_. Die zelve _Kadoki_ was om zijne beleeftheid en bekende voorzigtigheid zeer onder de _Potuanen_ gezien. Geduurende twintig jaaren agter een, hadt hij nooit zijn gevoelen in den Raad gezegt, of 't was van alle anderen toegestemd geworden: ook hadt hij niets in den Staat vastgestelt, 't geen niet onwrikbaar was staande gebleven; en zijne woorden waren als zoo veele zetregels. Dog hij was te gelijk van zulk eene langzaame bevattinge, dat hij, om het allergeringste Placcaat op te stellen, den tijd van veertien dagen pleeg noodig te hebben: invoegen dat zoo hij op onzen Aardbol was overgebragt geweest, alwaar alle vertoef met den naam van luiheid en traagheid gedoopt wordt, hij daar zoude doorgaan voor een man van weinig bekwaamheid om zaken van gewigt waar te nemen. Maar om dat hij al 't gene hij bevattede in den grond verstont, en niets besloot, dan na een voorgaand en ernstig onderzoek, kon hij gezegt worden meer te hebben uitgevoert, dan tien zulke die de zaken ras en schielijk ten uitvoer brengen, en door de bank schrandere verstanden genoemt worden; wier verrigtingen menigmaal verbetert en verandert worden, ja niet zelden eene netter beschaavinge moeten ondergaan: zoo, dat bij 't uitgaan hunner bedieninge bevonden wordt, dat zij niets onbezogt gelaten, maar ook teffens niets voltooit hebben; dierhalven onder de zinspreuken aan dat Hof deeze zeer aanmerklijk is, te weten: dat de gene die met al te groote vlugheid hun ampt bedienen, vergeleken kunnen worden bij de ledige straatslijpers, welke nu eens voortgaande, dan weder te rug tredende, op denzelven weg blijven hangen, en schoon gestadig in beweging zijnde, egter niets vorderen.

Na dat het geheele Doorlugtige Huis was gaan aanzitten, tradt 'er eene dienstmaagd binnen die agt takken hadt, en met dezelve even zoo veele schotelen en assietten droeg; invoegen dat in eenen oogenblik de geheele tafel van geregten voorzien was. Aanstonts wierdt zij gevolgt van eenen anderen boom, dragende agt flessen, gevult met most van allerlei soorten van wijn, of andere vogten. Dees boom hadt negen takken, om welke redenen hij zeer bekwaam geoordeelt wierdt tot allerlei huiswerk. Dus wierdt alleen van twee bedienden zeer gevoeglijk verrigt al 't gunt aan de Aardsche Hoven kwalijk van eenen geheelen troep van dienaars wordt te wege gebragt. Met dezelve vaardigheid daar zij mede opgebragt waren, wierden de geregten ook wederom afgenomen. Het middagmaal was sober, doch teffens zinnelijk. Onder alle de opgedischte geregten hadt de Vorst slegts van een, 't geen 't meest naar zijnen mond was, gegeten; geheel anders dan onze Grooten, die 't daar voor houden, dat 'er niet wel opgeschaft is, tenzij de afgedragen geregten door grootere en betere worden vervangen. Over de maaltijd hadden ze verscheide discourssen over de deugden en ondeugden, als mede over zaken van Staat; zoo, dat het vermaak als met de letter oeffeningen gesaust wierdt. Ook maakten ze geduurig gewag van mij, welken zij geloofden om de vlugheid mijns begrips nooit goed timmerhout te zullen wezen.

_Na dat de honger door het eeten was verdreven,_ _Wierdt tot het wegdoen van de tafel last gegeven._

En toen was het, dat men mij belastte mijn _Testimonie_ voor den dag te haalen. De Vorst dat gelezen hebbende, sloeg zijne oogen op mijne voeten: zeggende, dat de _Karatti_ regt hadden geoordeelt, en dat het ook zoo moest geschieden. Door dat antwoord als door eenen donderslag opgewekt, eischte ik niet zonder overvloedige traanen te storten, herzieninge van 't gewijsde, vermits ik, mijne bekwaamheden en gaven des geests een weinig nader onderzogt zijnde, eenige verzagtinge in mijn vonnis verhoopte. De Vorst, gelijk hij een goedertieren en regtvaardig Heer was, over dit moeilijk en ongewoon verzoek niet gram wordende, lei den tegenwoordig zijnde _Karatti_ op, mijne zaake op nieuw en naauwkeuriger te onderzoeken. Geduurende die beproevinge hieldt hij zig wat aan eenen kant, om ook de overige _Testimonia_ te leezen. De Vorst weggegaan zijnde, stelden de _Karatti_ nieuwe vragen vóór om die te beantwoorden. Ik antwoordde daarop met mijne gewoonlijke schielijkheid: waar over hij, zig verwonderende, zeide: _Gij begrijpt de zaake wel zeer gaauw; maar gij treedt geenszins tot in het binnenste derzelve; want Uwe antwoorden geven klaarlijk te kennen, dat het geschilstuk veel eer vaardig bevat, dan wel en grondig begreepen is_. Na dat hij de proef genomen hadt, tradt hij in de eetzaal van den Vorst, en keerde straks wederom met een vonnis van deezen inhoud: Dat ik zeer kwalijk en onvoorzigtiglijk had gedaan, met het oordeel der _Karatti_ in twijfel te trekken, en dat ik deswegen waardig was te draagen de straffe, bij 't derde kleine Artikel van 't vierde grooter Artikel der wet, tegen de roekelooze Betigters vastgestelt; (door grootere en kleindere Artikels, anders gezegt _Skibal_ en _Kibal_ verstaan zij Boeken en Hoofdstukken) en dat ik vervolgens verdient had, dat mij op beide mijne takken of armen een ader geopent wierdt, volgens het oude gebruik; en in het openbaare rasphuis vastgezet te worden. De woorden der wet in het 3. Hoofdstuk van het IV. Boek van de valsche Betigting zijn deeze: _Spik. Anri. Flak. Skak. Mak. Tabu. Mihalatti. Silak_. Dog dat, schoon de zin klaar en duidelijk was, en dat de straffe, bij de wet vastgesteld, geen uitzondering konde lijden; egter zijne Doorlugtigheid besloten hadt, dat deeze zwaare overtreding, zoo uit hoofde dat de misslag was begaan uit eene al te groote vlugheid van geest, als uit onkunde der wet, mij te vergeven was, aangezien de misdaad, begaan door eenen vreemdeling en uitlande, zonder de wet geweld aan te doen, eenigzins konde worden kwijtgescholden. Einde dat hij, om daar mede te meer gunst en genegenheid 't mijwaarts te betoonen, mij hadt beschonken met eene plaatse onder de gewoonlijke Hof-postloopers, met welke gunst ik genoegen behoorde te nemen.

Dat vonnis uitgesproken zijnde, wierdt de _Kina_ of Secretaris ontboden, die mij met de overige onlangs aangekomen Candidaten zoude stellen op de lijst der gene die gevordert stonden te worden. Die Secretaris was een man schoon van gedaante, hebbende elf armen, waarom hij ook elf brieven te gelijk met hetzelve gemak, waarmede wij 'er eenen schrijven, konde ontwerpen; dog hij was van een middelmatig verstand, om welke reden hij ook niet hooger gevordert, maar in die bediening, welke hij bijna dertig jaren bekleed hadt, oud en grijs stont te worden. Dees was de man, met welken ik naderhand zeer gemeenzaam omging, en welken ik het meest had te ontzien, vermits hij de eerste ontwerpen der Placcaaten of Brieven opstelde, welke ik als Postlooper door de Provinciën stond om te brengen. Menigmaalen stond ik versteld, over de handigheid waarmede hij zijne bedieninge waarnam, vermits hij niet zelden elf voorschriften op eenen en denzelven tijd schreef, en op dezelve te gelijk ook zoo veele zegels drukte. Hier van daan is het, dat onder de voordeeligste zaaken in de familien gerekent worden, de kinderen die gebooren worden mee veele takken; en dat de kraamvrouwen, na dat zij gelukkig verlost zijn, aan haare buuren plegen bekend te maken, met hoe veele takken de kinderen ter waereld zijn gekomen. Men zeide aldaar dat de Vader van onzen Secretaris twaalf takken gehad hadt; en zijn geheele geslagt is boven alle andere vermaard door de meerderheid van takken. Na dat ik, onder de gewoonlijke Postloopers des Vorsts aangenomen was, ging ik naar bed. Dog hoe vermoeid ik ook wezen mogt, moest ik egter, niet konnende rusten, het meerendeel van den nagt, alle moeite doen tot slaapen: want geduuriglijk kwam mij in de gedagten die verachte bediening, waar toe ik verwezen was, en 't scheen mij gantsch onbetamelijk en schandelijk te zijn, dat een Proponent en Baccalaureus in de grooter Waereld, voor een slegt en veracht Postlooper zoude speelen in de onderaardsche. Met deeze droevige gedagten bragt ik een goed deel van den nagt zonder slaapen door; en in deezen drift las en herlas ik mijn Academisch _Testimonie_ geen ik had mede genomen, (want ik heb reeds boven gezegt, dat nagt en dag hier weinig verschillen.) Eindelijk afgemat zijnde door deeze muizennesten en kommer, bekroop mij een diepe slaap. Terwijl ik lag te rusten, waarden mij verscheide droomen in den geest. Mij dagt, dat ik in mijn Vaderland wedergekeert zijnde, aan mijne Landslieden al wat mij op de Onderaardsche reize ontmoet was, tot het allergeringste toe, verhaalde: straks daarop mij de lugt-schipvaart verbeeldende, dagt mij, dat ik met den wreeden Griffioen te doen had, die mij zoo veel spel maakte, dat, terwijl ik mij tegen hem verweerde, alle slaap van mijne oogen week. Maar wakker wordende, zag ik, niet zonder schrik, eenen Aap van eene ongemeene grootte, die door de deur mijner slaapkamer, welke door onagtzaamheid niet wel gesloten was, ingekomen, en in mijn slaapvertrek gesloopen was, voor mij staan. Dat onverwagt verschijnzel joeg mij zodanigen schrik op 't lijf, dat ik met een groot geroep, waar van de kamer weergalmde, om hulp schreeuwde. Eenige boomen, die op de kamers naast aan mijn vertrek sliepen, op dit geroep wakker geworden zijnde, traden binnen, schooten mij, die reeds met den Aap aan 't worstelen was, te hulp, en stootten dat leelijk gedierte buiten de deur. Het leedt niet lang, of het kwam mij ter ooren, dat deeze klugt aan den Vorst veel stoffe tot lachen hadt verschaft. Dog op dat dat zelve geval niet weer mogt voorkomen, beval hij terstont mij op de Onderaardsche wijze te kleeden en met takken toe te takelen.--De Europische kleederen, welke ik tot nog toe gedraagen had, en die mij waren ontnomen, waren in 't Kabinet of de Rariteit kamer van den Vorst, om de ongewoonheid der zaake, opgehangen, met dit opschrift: OPSCHIK VAN EEN BOVENAARDSCH SCHEPSEL. Toen dagt ik bij mij zelv': bijaldien de Bergsche snijder _Jan Andriesz_, die deeze kleederen 't fatsoen heeft gegeven, eens te weten kwam dat zijn handwerk onder de Onderaardsche rariteiten bewaart wierdt, zonder twijfel zoude hij van hoogmoed opzwellen, en na deezen naauwlijks voor de Burgermeesters of Kapiteins van de Stad willen zwigten.