De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 3
Terwijl dit voorviel, onderhieldt mij mijn huiswaard 's avonds zoo dra als ik, schoon laat, uit het kweekschool kwam, met verscheide praatjes en vraagen. Hij hoorde mij met een overgroot genoegen van al 't geene mij in deeze onderaardsche Reize ontmoet was, redenkavelen; dog niet weinig verwondert was hij over mijne beschrijving van onzen Aardkloot, en over den onmetelijken Lugt-hemel onderscheiden door oneindige Sterren, waar meede dezelve omringd was. Dit alles hoorde hij gretig en met oplettendheid aan; dog hij wierdt eenigzins beschaamd op 't hooren van dat gene 't welk ik hem verhaalde van de boomen onzes Aardkloots, welke onbezield en onbeweeglijk met hunne wortels vast in den grond staan; en eindelijk zag hij mij niet zonder verontwaardiging aan, wanneer ik hem betuigde, dat onze boomen uitgehouwen zijnde, dienden om de kachel te slooken en de pot te kooken. Dog na eene ernstige overweginge, bedaarde eindelijk zijne gramschap, en stekende vijf takken op naar den hemel (want zoo veele hadt hij 'er) verwonderde hij zig over de wijsheid van den Schepper, welkers redenen menigvuldig en verborgen zijn; luisterende voor het overige naarstig toe naar mijne verdere vertellingen. Zijne huisvrouw die tot nog toe van mijne tegenwoordigheid eenen afkeer hadt gehad, vermits zij gehoord hadt, dat de oorzaak, waarom ik voor de regtbank was gebragt geweest, waaragtig was, en dat ik door de gedaante van eenen boom, welke wij in onze waereld plegen te beklimmen, bedrogen was geweest; maakte, haare agterdogt afgelegt hebbende, met mij peis. Maar ik, om niet in 't begin van eene getroffen verzoeninge het versche litteeken wederom op te krabben, wilde niet, dan in 't bijwezen van haaren man en op zijn bevel, met haar aan het praaten komen.
DERDE HOOFDSTUK.
_Beschrijving van de Stad Keba._
Terwijl ik nog in mijne leerjaaren was, leidde mijn huiswaard mij nu en dan eens door de Stad, om mij te doen zien al 't geen daar in fraai en 't meest aanmerkelijk was. Wij wandelden zonder eenig beletzel, en 't geen mij 't wonderlijkste van allen voorkwam, zonder eenigen toeloop der inwoonders; geheel anders als bij ons geschiedt, alwaar de menschen als met geheele troepen komen toevliegen, om te bezien al 't geen ongewoon is, en hunne nieuwsgierige oogen te verlustigen; daar integendeel de bewoonders deezer Planeet zig weinig laten gelegen leggen aan nieuwe snufjes, en alleenlijk ernstige zaaken betrachten. Deeze Stad wordt _Keba_ geheeten en is de tweede in rang van het _Potuaansche_ Prinsdom. Deszelfs inwoonders zijn zoo deftig en schrander, dat men alle de burgers zoude groeten voor Raadsheeren. De ouderdom wordt aldaar boven maate in aanzien gehouden: want nergens bewijst men den bejaarden lieden zoo veel eers, en nergens wordt de grijsheid met meer agtinge bejegent: want men heeft 'er niet alleen ontzach voor hunne woorden, maar zelfs voor hunne wenken. Ik verwonderde mij dat een volk zoo zedig en deftig, zig met spiegelgevegten, comedien en schouwspelen konde ophouden, aangezien die dingen daar zoo weinig overeenkomst mede hebben; 't welk mijn huiswaard bemerkende, zeide: door dit geheele Vorstendom is juk en ernst beurtelings onze bezigheid.
_Saturnus zelf hoe stuursch en wreed hij is van aart,_ _Word door den zagten luim weer van Jupijn bedaart._
Onder andere loffelijke inzettingen deezes Vorstendoms was, dat de eerlijke vermaken, dienende om den geest te verlevendigen, en dien bekwaam te maken tot ernstige en moeijelijke bezigheden, wierden toegelaten; aangezien zij vastelijk gelooven, dat de kwade luim en de zwaarmoedige gesteltheden, de bronnen van zo veele beroerten, opschuddingen en verkeerde raadgevingen, daar door uit den weg geruimt worden. Hier door is 't, dat zij hunne gewigtigste bezigheden met spel en boert mengen; parende egter zodanig de staatigheid met de vriendelijkheid, dat deeze niet overslaat tot dartelheid, nog gene tot droefheid. Maar niet zonder verontwaardiging bemerkte ik, dat onder de schouw- en tooneelspelen ook wierden gerekent disputeerkonstoefeningen: aangezien 'er op zekere vastgestelde tijden in 't jaar weddenschappen geschiedden, en onder eene vastgestelde belooning voor den overwinnaar, twistredenaars, even als koppels van kampvegters, tegens elkaêr gesteld wierden, bijna op dezelve voorwaarden, als bij ons de kampgevegten der haanen of andere feller dieren geschieden. Dit is de oorzaak, dat gegoede lieden twistredenaars onderhouden, even als bij ons de jagthonden worden onderhouden, en dezelve onderrigten in de _Dialectica_ of konst van Zintwisten; ten einde zij bekwamer en grooter snappers mogen worden, tegen dat de tijd van 't jaar, tot kakelen bestemd, aannadert. Hier door hadt zeeker rijk burger, _Henochi_ geheeten, in den tijd van drie Jaaren groote rijkdommen, en wel tot 4000. _Ricatu_ toe, gewonnen uit den veroverden buit van een eenigen twistredenaar, welken hij ten dien einde onderhield; en het was al meer dan eens geschied, dat hem voor den zelven zeer groote sommen gelds waren aangeboden geworden van de gene die met diergelijke oefeningen gewoon waren winst te doen; dog hij wilde voor als nog dien schat, waar uit hij jaarlijks zoo veele inkomsten trok, niet verkoopen. Met eene verwonderlijke vaardigheid van tonge wist die kakelaar de redenen te ontzenuwen, te bekragtigen en te verdraaijen, zijnde een meester in verstrikkende kwinkslagen, en in de loopjes der _Dialectica_ of Redeneerkonst: daarenboven was hij zo afgeregt op de konsttreken van door _distingueeren, subsumeeren_, en _limiteeren_, alle zijne tegenpartijders uit te strijken, dat hij ze op zijn gemak den mond konde stoppen. Meer dan eenmaal ben ik bij schouwspelen van die natuur, niet zonder de uiterste smerte, tegenwoordig geweest: want ik hield het voor onbetamelijk en verfoeijelijk zoodanige heerlijke oefeningen, welke onze schoolen zulken luister bijzetten, tot tooneelspelen te maken: en wanneer ik mij te binnen bragt, dat ik driemaalen, met de grootste toejuichinge in 't openbaar gedisputeert, en daar door mijne _Promotie_ bekomen had; kon ik naauwelijks mij van traanen onthouden. Voor de rest mishaagde mij de manier van disputeeren niet minder, dan de daad zelve: want daar wierden zeekere aanhitzers gehuurd, welke zij daar _Cabalcos_ heeten, die, wanneer zij zien dat de drift der Redentwisters begint te verkoelen, dezelve met een soort van prikkelen in de zijden steeken, om ze weder vuurig te maken, en ze de afnemende kragten te doen hervatten. Andere dingen, en welke ik grootelijks in zulk een geslepen volk veroordeelde, laat ik daar, want ik schaame het mij dezelve te melden. Behalven deeze Redentwisters, welke de Onderaardlingen spottender wijze _Mashakos_, dat is gezegt Krakkeelers, noemen, waren 'er ook andere gevegten van viervoetige zoo wilde als tamme beesten, en van roofvogels, welke men voor een stuk gelds, dat daar toe slont, zien kon. Ik vraagde mijnen huiswaard, hoe 't mogelijk was, dat een volk van zoo veel oordeel zulke voortreffelijke oefeningen, waar door men een talent van welsprekendheid krijgt, de waarheid, ontdekt, en het verstand gescherpt wordt, naar de schouwspelen verwees. Hij gaf mij ten antwoord, dat zoodanige kampgevegten eertijds in de Barbaarsche Eeuwen zeer in agtinge waren geweest; dog dat, vermits zij eindelijk door de ondervindinge hadden geleert, dat de waarheid door redetwisten meer uitgedooft, de jeugd dartel gemaakt wierdt beroerten ontstonden en de allernuttigste studien als 't ware boeijen wierden aangeklonken, zij die oefeningen van de Academien tot de schouwspelen hadden overgebragt; en dat ook de uitkomst geleert hadt, dat de leerlingen door stilzwijgen, leezen, en overdenken, veel eerder tot het Meesterschap geraakten. Met welk antwoord, hoe zeer ook het zelve schijn van waarheid hadt, ik geen genoegen nam. In deeze Stad was eene Academie of Hoogeschool, alwaar de vrije konsten naar behooren en met zeer veel deftigheid geleerd wierden. Ik wierd van mijnen huiswaard in de gehoorzaal deezer school ingeleid op eenen plegtigen dag, en op welken een _Madic_ of Leeraar in de Philosophie verkooren wierdt. Dat geschiedde zonder eenige plegtigheid, behalven alleen dat de aanstaande Leeraar eene zeer geleerde en sierlijke redenvoeringe deedt over een geschilstuk in de Natuurkunde; waar na hij van de Bestierders der schoole op de naamrolle der gene, welken het vergunt wordt opentlijk te leeraren, wierdt aangetekent. Toen mijn huiswaard mij vraagde, hoe mij die plegtigheid hadt aangedaan, gaf ik hem ten antwoord, dat mij dezelve al te droog en te mager bij onze _Promotien_ was voorgekomen. Vervolgens deed ik hem verslag op wat wijze bij ons Meesters en Leeraars worden gemaakt, te weten: na voorgaande proefstukken te hebben gegeven van Disputatien. Hij hierop zijn hoofd met rimpels trekkende, vraagde mij naar den aart en nature van die Disputatien, en waar in dezelve van die der Onderaardlingen verschilden. Ik zeide hem, dat ze doorgaans waren over zeer geleerde en wetenswaardige zaaken: vooral aangaande de gewoonten, taalen, en kleedingen van twee oude Volkeren, die eertijds in Europa 't meest gebloeit hebben; betuigende hem, dat ik met drie geleerde Disputatien gehandelt had over derzelver wijze van schoeijen. Naauwlijks hadt hij dit gehoord, of hij barstte zodanig uit in lachen, dat 'er het gantsche huis van klonk. Zijn wijf, door dat geluid gaande gemaakt, kwam, schielijk toegeloopen, vraagende naar de oorzaak van dat gelach. Dog ik was hier door zoodanig gestoord, dat ik mij niet verwaardigde te antwoorden: want het scheen mij onbehoorlijk, dat zulke deftige en ernstige zaken, oorzaak tot lachen en spotten gaven. Dog zij eindelijk van haaren man vernomen hebbende wat van de zaak was, begon niet minder in lachen uit te barsten. Dit geval eerlang door de gantsche Stad verspreit zijnde, gaf aanleidinge tot geduurige spotternijen: zoodanig dat de vrouw van zekeren Raadsheer, die uit haar zelven goed lachs was, door dit verhaal zoo zeer wierd aangezet, dat zij door gestadig lachen bijna haaren reuzel scheurde. En vermits zij niet heel lang daar na, de koorts gekregen hebbende, kwam te overlijden, geloofde men, dat zij door dat onmatig lachen, waar in het al veel op de long was aangekomen, eene ziekte, die haar ook doodelijk was geweest, gekregen hadt. Het bleek egter niet klaar, waar aan zij gestorven was; en men verspreidde maar iets diergelijks onder den duim. Voor het overige was zij eene goedaartige vrouw, en de beste huismoeder van de waereld: want zij hadt zeven takken, dat voor die Sexe al iets zeldzaams is; waaromme ook allen boomen van fatzoen haar dood zeer ter harte ging. Zij wierdt bij nagt begraven buiten de muuren der Stad, in dezelve kleederen, welke zij aan hadt ten tijde haares overlijdens: want binnen de Stad te begraven is bij eene wet verboden, vermits zij vaststellen dat de lugt door de uitwaasseming der doode lichamen wordt aangesteken. Voorts legt 'er een verbod tegen het begraven der lijken met groot gevolg, of pragtige lijkstaatie; aangezien dezelve welhaast staan te worden tot voedsel voor de wormen. Alle welke dingen mij als zeer voorzigtige inzettingen voorkwamen. Egter worden 'er doorgaans Lijk en Lof redenen gedaan: dog welke enkel en alleen bestaan in vermaningen om wel te leeven; en door welke den toehoorderen de sterflijkheid wordt afgeschetst. Die het opzigt over de zeden hebben, zijn genoodzaakt zig daar bij te laten vinden, om agt te slaan of de Lijk-redenaars de geheugenisse der overledenen meer of min dan naar behooren prijzen. Daar van daan is het, dat de Redenaars der Onderaardlingen zoo spaarzaam zijn in 't geven van loftuigingen, vermits 'er eene straf gestelt is op het geven van grooter lof, dan iemant toekomt. Niet lang daarna wanneer ik bij eene diergelijke Lijkreden tegenwoordig geweest was, vraagde ik mijnen huiswaard naar den staat en waardigheid des overledenen, wiens uitvaart geviert was. Hij antwoordde, dat hij was geweest een boer, dien de dood overvallen hadt, zoo als hij onder weg was naar de Stad. Toen begon ik, die nog zoo onlangs door de Onderaardlingen was uitgelachen, op mijne beurt mede te schateren van lachen, kaatsende hen de pijlen, die zij op die van Europa hadden geschoten, thans rijkelijk weder toe. _Waarom dog worden,_ zeide ik, _de Ossen en Bullen, der boeren makkers en spitsbroeders, niet mede met eene Lijk-reden vereert: vermits zij met de Landlieden in gelijke bediening? zijnde, ook dezelve stoffe tot Lijkredenen redenen komen uit te leveren_? Dog mijn huiswaard geboodt mij mijn lachen in te houden, zeggende, dat de Akkerlieden daar te Lande uittermate geagt wierden, om de voortreffelijkheid huns beroeps, en dat generlei soort van levenswijze aldaar boven den Landbouw geschat wierdt; waar door het toekomt, dat een eerlijke boer, en die op zijne zaken wel agt sloeg, voor een verzorger en handhaver der Stad wierdt gehouden. Ten dien opzigte is 't ook aldaar eene gewoonte, dat de Landlieden, wanneer zij in de _Palmboom maand_, met een groot getal van wagens, geladen met koren, naar de Stad trokken, buiten de poort door de Magistraat wierden te gemoet gegaan, en met trompetten-geschal en 't geklank van musiekinstrumenten, zegepralender wijze, binnen de Stad ingehaald. Ik stond versteld op het gehoor daar van, mij te binnen brengende den staat onzer Landlieden, zugtende onder eene harde slavernij, en welker beroep wij meenen veragtelijk te zijn en verre beneden andere konsten, welke niet dan voor de wellust dienstig zijn, gelijk als die der koks, pasteibakkers, parfumeerders, dansmeesters, enz. Mijnen huiswaard gaf ik dat eenigen tijd daar na wel te kennen, dog onder belofte van stilzwijgen, vreezende dat de Onderaardlingen een al te slegt gevoelen mogten opvatten van de menschen. Hij, stilzwijgen belooft hebbende, bragt mij naar de gehoorzaal, alwaar de Lijk-reden stont te geschieden. Ik moet bekennen niets zakelijker, waaragtiger, en 't geen meer van allerlei vleijerij ontdaan was, ooit gehoord te hebben: en deeze uitvaartsviering scheen mij een model te wezen, naar 't welk alle diergelijke redenvoeringen behoorden geschikt te wezen. Eerst gaf de Redenaar op een ontwerp der deugden van den overledenen: daar na telde hij op deszelfs zwakheden en gebreken, met vermaninge aan de Toehoorders, dat zij zig daar van hadden te wagten. Zoo als wij uit de gehoorzaal traden, kwam ons een misdadige te gemoet, verzelt van drie wagters. Dees hadt onlangs de straf aan den arm (dus noemen ze de aderlating) bij vonnis van den Richter ondergaan, en wierdt thans naar het publyke dolhuis gebragt. Toen ik vraagde wat de reden was van zijn vonnis, wierdt mij geantwoort, dat hij in 't openbaar gedisputeert hadt over de eigenschappen en het wezen Gods; 't geen daar te lande verboden is, alwaar alle zulke neus-wijze zintwistingen voor zoo roekeloos en dwaas worden gehouden, dat zij in schepzelen van eenen bedaarden geest niet wel vallen konnen. Daarom is aldaar de gewoonte, deeze scherpzinnige Redeneerders, na dat men ze heeft adergelaten, als narren in 't publyke dolhuis te brengen, tot dat ze ophouden te kolderen. Toen zeide ik in mij zelv': "_Ach hoe zoude 't onze Godgeleerden hier vergaan!_ welke men alle dag hoort twisten over de hoedanigheden en eigenschappen der Godheid, over de natuur der Geesten, en over meer andere diergelijke verborgenheden. Wat lot was onze Overnatuurkundigen hier beschooren, die, trots zijnde op hunne hoogdravende geleertheid, meenen dat zij wijzer zijn dan 't gemeen, ja gelooven dat zij 't naast aan de Goden komen. Zekerlijk in plaats van Lauwer kransen of Doctorale Mutsen, waar mede zij in ons Land worden opgepronkt, zouden zij zig den weg baanen naar 't dolhuis, of zij zouden schrap staan, om in 't gasthuis te geraken."
Dit en andere zaken, die mij scheenen tegen de gezonde reden aan te loopen, merkte ik naauwkeurig op, geduurende den tijd van mijn leerlingschap. Eindelijk kwam de tijd, door 's Vorsten bevel bepaald, waarop ik, uit het school naar 't Hof, met een _Testimonie_, moest vertrekken. Ik lei mij niet anders toe dan op heerlijke loftuigingen en goedkeuringe, steunende eensdeels op mijne eigene bekwaamheden, vermits ik de Onderaardsche taale binnen zulken korten tijd, buiten verwagtinge, geleert had, anderdeels op de gunst mijnes huiswaards, en der Opzigteren alom beroemde regtvaardigheid. Eindelijk kreeg ik mijn _Testimonie_, 't welk ik van blijdschap al beevende opende, begeerig zijnde mijnen lof daar in te leezen, en daar uit af te neemen hoedanig mijn nootlot stont te wezen. Dog 't leezen daar van, maakte mij gram en wanhopig. De Brieven van voorschrijving waren van den volgenden inhoud.
"Niet willende in gebreke blijven om uwer. Doorlugtigheids bevel op te volgen, zenden wij uwe Doorlugtigheid hier nevens toe het schepsel dat onlangs tot ons uit een andere waereld is overgebragt, en zig zelven een mensch noemt; na dat wij het zelve, met alle zorgen naarstigheid, in ons School hebben doen onderwijzen. Deszelfs aart en inborst naauwkeurig nagespeurt, en deszelfs zeden onderzogt hebbende, hebben wij hetzelve van een redelijk goed begrip en van een zeer vaardige bevattinge gevonden; dog van zulk een verkeerd oordeel, dat, vermits deszelfs verstand al te vlug is, het naauwlijks onder de redelijke schepzelen gerekent, laat staan tot eenige bediening van gewigt, behoort toegelaten te worden. Vermits het egter door de gezwindheid zijner voeten ons alle te boven gaat, zal het zeer bekwaam wezen om de bedieninge van Postlooper van 't Hof met lof te komen bekleeden.--Gegeven in 't Kweekschool te _Keba_, in de _Doorn-maand_."
Uwer Doorlugtigheids gehoorzaamste dienaars _Nehek, Jochtan, Rapafi, Chilac._
Hier over liep ik al huilende naar mijnen huiswaard, hem op 't nederigste biddende, dat het hem behagen mogte, zijn gezag aan te wenden om een gunstiger _Testimonie_ van de _Karatti_ te verkrijgen, en dat hij aan dezelve wilde vertoonen mijn Academisch _Testimonie,_ waarin ik voor een verstandig man, en daar niets op te zeggen viel, vermeld stond. Dog hij voerde mij te gemoet, dat dat _Testimonie_ in onze waereld zijn waardij kon hebben, alwaar men mogelijk meer zag op de schaduwe dan op het lichaam, meer op de bast dan op het pit; dog dat het hier, alwaar men de zaken in haar binnenste beschouwde, van geen waardij altoos was: voorts vermaande hij mij mijn noodlot met gedult te draagen, vooral, wijl het _Testimonie_ nog vernietigd nog verandert konde worden: aangezien 'er hier geen zwaarder misdaad was, dan de loftuigingen van onverdiende bekwaamheden. Willende egter eene pleister op de wonde leggen,
_Zeid' hij, om mijne smert een luttel te verzagten,_ _En 't meerendeel mijns druks mij, weinig te doen agten;_ _O Zoon! hoe dus beleest? een' edelaarte ziel_ _Staat pal in tegenspoet, ofschoon de hemel viel._ _Ei! 'k bid u, stoor u, niet aan 't geen u doet verbaazen,_ _En daar uw' dwaaze drift u slaaflijk op doet aazen:_ _Wat magt wat immermeer geborgen voor de Nijt?_ _Zeg wat haar felle klaauw niet wreed aan flarden rijt?_ _Men zoud' een' gantsche lijst, was 't nood, u konnen geven_ _Van Amptenaars van Staat, die jammerlijk om 't leven_ _Gebragt zijn: en 't gaat vast, me naar te hoogen staat_ _Staag reikhalst, en door 't goud zijn hart vermeest'ren laat,_ _Die wordt als hemelwaards en uit 't gezigt verheven,_ _Om door te laager val rampzaliglijk te sneeven._
Hier voegde hij bij, dat niets diergelijks, in eenen' laagen of middelmatigen staat te vreezen stont. Wat nu aanbelangde het _Testimonie_ der _Karatti_ dat deet zien, dat zij zeer doorzigtige en tegelijk zeer regtvaardige Richters zijn, die nog door geschenken omgekogt, nog door dreigementen afgeschrikt konnen worden, om een hair breet van de billijkheid af te gaan, waarom 'er ook in die zaak geen plaats tot kwaad vermoeden overig wierdt gelaten. Eindelijk beleedt hij gantsch openhartig, dat hem al van over lang gebleeken was, dat ik niet veel verstands had, en dat hij terstont uit mijne sterke memorie en snedigheid van begrip hadt konnen afnemen, dat ik wel hout, maar geen goed timmerhout was, en derhalven, om het weinig oordeels dat ik bezat, niet bekwaam was tot een gewigtig ampt: zeggende, dat hij uit de verhaalen en beschrijving van de Europische Natie geleerd hadt, dat ik,
_Gebooren in het Land der Narren,_ _Den invloed had der kwaade Starren._
Betuigende voorts met overvloed van woorden zijne genegenheid 't mijwaarts; mij radende, dat ik zonder uitstel mij vaardig zoude maken tot de reize. Ik volgde den raad der zes schranderen mans, vooral wijl de nood zulks vereischte, en het mij als eene roekelooze zaake voorkwam, om mij tegens 't bevel van den Vorst te verzetten.
Ik begaf mij dan op weg in 't gezelschap van eenige boomjes, die te gelijk met mij uit het Kweekschool gezonden, ten zelven einde naar de Koninglijke Stad wierden gevoert. Onze Leidsman was een bejaard man uit het getal der _Karatti_ of Bestierders, welke, door ouderdom verzwakt geworden, en niet wel ter been zijnde, op eenen Stier reedt: want op eenen wagen te rijden is daar de manier niet, en dat voorregt hebben alleen de stokoude Grijsaarts, of de gene die ziek zijn, hoe zeer ook bij ons de bewoonders dezer Planeet, om hunnen traagen en moeijelijken gang, daar in meer te verontschuldigen zouden zijn. Het staat mij nog zeer wel voor, dat, wanneer ik hen eens eene beschrijving onzer rijtuigen had opgegeven, namentlijk onzer paarden, onzer viergespannen en koetsen, waarin wij, als gepakt zijnde, door de Stad worden gevoert, de Onderaardlingen op 't hooren van mijn verhaal grimlachten, en vooral toen zij hoorden dat zelfs gebuuren de een den anderen mee plegen te bezoeken, dan in eene koets of karosse zittende, en voortgetrokken wordende door twee sterke viervoetige Dieren. Vermits deeze met reden begaafde boomen zeer traag van gang zijn, waren wij genoodzaakt drie dagen op deeze reize onder weg te zijn, schoon _Keba_ van de hoofdstad naauwlijks vier uuren aflegt: want zoo ik alleen geweest was, had ik op eenen dag die reize afgelegt. Het gaf mij een zonderling vermaak dat ik vrij wat beter ter been was dan de Onderaardlingen; dog 't smertte mij al met een, dat ik om die uitnemendheid mijns lichaams tot een slegte en veragte bedieninge verbannen zoude zijn. _Ik wenschte wel_, zeide ik, _dat ik dat zelve gebrek aan mijne voeten had, 't geen de Onderaardlingen hebben: nadien ik alleen daar door zoude bevrijd zijn van de slaafagtige en geringe bedieninge, daar men mij nu toe geschikt heeft_; 't welk onze Leidsman hoorende, mij toebeet: _ten ware de Natuur met deeze uitnemendheid des lichaams eenigermate hadt willen goedmaken 't gebrek in uwe ziele, wij alle zouden u daar voor houden, dat gij onnuttelijk de aarde vervulde: want om de vlugheid uwes verstands ziet gij alleen de schil der noot en niet het pit en kern: en vermits gij slegts twee takken hebt, zijt gij in allerlei slag van handwerk verre beneden de Onderaardlingen_. Wanneer ik dit alles hoorde, dankte ik God over de gezwindheid mijner voeten, ziende dat ik, zonder die bekwaamheid, naauwlijks onder de redelijke Schepzelen zoude mogen gestelt worden.