De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot

Part 22

Chapter 223,628 wordsPublic domain

In deezen toestand van zaken besloot ik de handen te leggen aan den nog overig zijnde Vorst _Hikoba_. Dit voornemen openbaarde ik den Groot-Cancelier _Kalac_, op welken ik mij 't meest vertrouwde. Hij, mij alle hulp en gehoorzaamheid belooft hebbende, ging van stonden aan uit, om mijn besluit te volvoeren. Dog heimelijk dat voornemen verfoeijende, ontdekte hij den Prins de lagen; en zij begaven zig beide op het zeer sterk kasteel der Stad, alwaar zij de bezetting bijeen geroepen hebbende, den tegenwoordigen toestand van zaken ronduit aan dezelve vertoonden, en, vermits de traanen en zugten van den gevaarloopenden Vorst niet weinig gewigts aan zijne redenvoeringe toebragten, namen zij alle de wapenen op, beloovende voor 't behoud hunnes Vorsts hun leven te zullen wagen. De doorslepen Cancelier, gebruik willende maken van die gistende gemoederen, deedt hen alle in 's Vorsten eed overgaan, en liet terstond boden afgaan naar andere, welke hij wist op mij gebeten te zijn; hen aanzettende om de wapenen op te nemen tegen den Dwingelant, die den ouden Koninglijken Stam bij den wortel trachtte af te snijden. Vervolgens,

_Al wie op den Tyran te lijdig was gebeten;_ _Of voor zijn dwingelandij van bijstere vrees bezeten;_ _Loopt straks in 't harnas,_

en voegt zig bij de bezettelingen.

Terwijl ik des Canceliers wederkomst verwagtte,

_Komt daar in aller haast een Bode van de reis,_ _De Stad in, en vervult zelfs 't Keizerlijk Paleis_ _Met schrik en vrees. Men vraagt hem: Wat 's uw melden?_ _"Leef lang, ô groote Vorst! men ziet veel duizend helden_ _'t Nabuurig veld beslaan: zij eischen 's Keizers hoofd_ _Tot straf." Zoo sprak hij...._

Toen was het dat _Tomopoloko_ mij de raad gaf van mij bij tijds naar _Tanachi_ te begeven: _Kom aan_, zeide hij, _laat ons een Leger in mijn Vaderland op de been brengen, en deeze razernij, waar door nu alles in den brand staat, zal welhaast ophouden_. Dit hoorende, wierdt mijn onstandvastig gemoed verscheidenlijk geslingert, en beurtelings door vreeze en hoope, nu herwaards dan derwaards, gedreven. Eindelijk luisterde ik naar zijnen raad, en verliet _Quama_ zonder veel moeite terwijl de oorzaak der voortkruipende opschuddinge nog aan de meesten onbekend was. Gekomen zijnde op de grenzen van _Tanachi_, ontbood ik allen die de wapenen dragen konden. Hier door een Leger van veertigduizend koppen, meest _Tanachiten_, op de been gebragt hebbende, keerde ik te rug, hoopende met den toevloed der _Quamiten_ die getrouw gebleven waren, mijne troepen zeer te zullen versterken. Dog ik maakte verkeerde rekening: want in plaats van hulptroepen te krijgen, gelijk ik mij dwaaslijk inbeeldde, ontmoette ik eenen Afgezant met eenen brief uit 's Prinsen naam. Hierin verklaarde hij mij, als een bedrieger en Usurpateur, den oorlog, doende mij teffens weten, dat mijne Gemaalin met mijnen Zoon, dien ik bij haar had, in hegtenis waren gebragt. Naauwlijks was de Gezant vertrokken, of wij zagen 't Leger der _Quamiten_ met den wederhorigen Prins aan deszelfs hoofd. En vermits dat heir rijkelijk voorzien, was van geschut, durfde ik den slag niet wagen, eer ik nog meerder troepen had gekregen, waarom ik daar stil hield, en mijne legerplaats met wallen en verschanssingen versterkte. Dog toen ik vernam dat mijn volk heimelijk tot den vijand overging, en dat het vijandelijk Leger nog meer troupen tot versterkinge afwagtte; besloot ik, op het aanraden mijner Legerhoofden, zonder dat _Tomopoloko_ zig daar tegen stelde, den slag te wagen. 't Gevegt viel voor op die zelve vlakte, daar de _Tanachiten_ eenige jaaren te voren in dien beslissenden slag de nederlaag hadden gekregen. 't Vijandelijk geschut wierp terstond onze dagorde overhoop, en het smertte mij niet weinig door mijne eige uitvinding aangetast, en door de wapenen die ik zelf gesmeed had, overwonnen te worden. Mijn volk stondt egter eenen geruimen tijd het geweld der wederhoorigen uit, tot dat _Tomopoloko_, dapperlijk vegtende, van eenen kogel getroffen, dood nederviel. Toen namen wij den vlugt, en verstaken ons in de holen der bergen en bosschen. Ik zelf op eene rotze geklommen, daalde van daar nederwaards in de onderleggende valleije. Mij aldaar eenigen tijd stil houdende, beschreidde en bezugtte ik al te laat mijn ongeval, of liever mijne dwaasheid; en ik was in zoodanig eene verwarde gemoedsgestalte, dat ik mijne kroon of hoofddekzel, pronkende met zonnestraalen, en die mij hadt kunnen verraden, verzuimde af te nemen. Na dat ik nu bijna een half uur lang al bevende en bevreest in die valleije gebleven was, hoorde ik eenige stemmen van de gene die de rotze beklommen, en, met gemurmer, straffe over den gevlugtten wenschten te oeffenen, waarom ik hier van daan zoekende te vlugten, naar eenen schuilhoek omzag.

_Daar was een somber bos, met schaduwagtige eiken_ _En doornen digt bezet: geen licht kon daar bereiken_ _Den onbebouwden grond: de uitgang werdt omringt_ _Van struik en haag._

Terwijl ik daar naar toe liep,

_Bragt mij een enge weg op: zeer verholen paden_ _En deedt mij dwalen_

tot aan eene spelonke, voor welker ingang ik een weinig staan bleef, kunnende bijna door 't loopen mijnen adem niet haalen; dog straks daar na kroop ik, even als eene Slang, die met haar ligchaam opening in den grond maakt, daar binnen; en toen ik bespeurde dat de spelonk zeer diep en afloopende, dog egter niet steil was, nam ik vóór tot aan derzelver einde toe te gaan. Dog naauwlijks was, ik honderd schreeden wijd gevordert, of ik kwam aan eenen afgrond waarin ik, als van den bliksem geslagen, nedertuimelde, en door eene dikke duisternisse en altoosduurenden nagt heengerukt wierd, tot dat eindelijk

_Een soort van schemerlicht deez' ongebaande baan_ _Gantsch flaauw verlichten kwam, als een betrokken Maan._

Naar maate dat dit licht vermeerderde, verminderde ook de geweldige aandrang des vals, invoegen ik gantsch zagtkens, en als uit het water opkomende, onbezeert nederkwam tusschen eenige rotzen, welke ik met de uiterste verbaasdheid zag dezelve te zijn, van waar ik eenige jaaren geleden in de Onderaardsche gewesten was nedergestort. Aangaande nu dien allengskens vertragenden aandrang; ik bemerkte, mijne gedagten daar over eene wijle tijds hebbende laten gaan, dat dezelve veroorzaakt wierdt door den dampkring onzes Aardkloots, die door zijne zwaarte wat meer perssende is, dan die der Onderaardsche waereld: want in geval dat de onze zwaarder ware, zoude ik, ook in het opklimmen dat gene ontmoet hebben, wat mij in 't nederdalen bejegende, en ligtelijk door de lugt naar boven, tot aan 't gewest der Maan zijn gevoert geweest. Dog deeze stelling zal ik overlaten aan een rijper onderzoek der Natuurkundigen.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

_Wederkomst in 't Vaderland, en einde der Vijfde Monarchy._

Langen tijd lag ik buiten verstand tusschen de rotzen, aangezien zoo wel de val zelf, als die wonderlijke herschepping, waar door ik mij binnen zoo korten tijd uit eenen stichter der Vijfde Monarchy in eenen armen en bedelenden _Baccalaureus_ zag hervormt, eene groote bedwelmdheid in mijne harssenen veroorzaakte. En, om de waarheid te zeggen, dat geval was zoo verbazend en zoo poeëtisch, dat het de allerbestgeschikte harssenen ligtelijk konde beroeren. Ik begon dan mij zelven te ondervragen, of het wel waaragtig was 't geen ik zag; dan of mijn gezigt bedroogen wierdt door droomen. Na dat de eerste ontsteltenis een weinig over, en ik wat tot mij zelven was gekomen, volgde, op de verbaasdheid, smart en verontwaardiging:

_Ik hief mijn handen t'zaamgsvoegt op naar de Wolken_ _En sprak: Almagtig God, Gij Schepper aller Volken!_ _Wanneer heb ik zoo zwaar tog tegen u misdaan,_ _Dat gij besluiten moest, mij te doen ondergaan_ _Zoo' wreede straffen? Ach! van waar ben ik gekomen,_ _En waar ga ik naar toe?_

En in de daad, laat de Jaarboeken en de Geschiedenissen, zoo oude als hedendaagsche, opgeslagen worden, men zal 'er naauwlijks een voorbeeld van zulk een geval in vinden, ten zij mogelijk in _Nabuchadonozor_, die, van den grootsten Monarch der aarde, in een wild dier zig in de bosschen ophoudende, is hervormt geweest. Even alzoo heb ik voor een schouwspel des geluks verstrekt. Binnen weinige uuren wierden mij ontnomen twee groote Keizerrijken met bijna twintig Koningrijken, waar van mij niets anders dan alleen de schaduw en verbeelding waren overgebleven. Onlangs was ik een Monarch, nu konde ik naauwlijks op een Schoolmeesters-amptje in mijn Vaderland hoopen: ik wierd Afgezant der Zonne genaamt; dog thans dugtte ik uit armoede de Dienstknegt van deezen of genen Bisschop of Proost te zullen worden; onlangs wierd ik omringt van de glorie, de hoop, 't welvaren en de overwinningen; dog thans van de zorg, de ellende, 't hartzeer, de traanen en 't huilen. Eindelijk ik was 'er, even als het kruid dat binnen eenen dag sterft, voor eene korte wijle geweest: schielijk was ik opgekomen, haastig was ik te ondergegaan. Met een woord, de smert, de verontwaardiging, de kommer, de toorn, en de wanhoop veroorzaakten mij zoo veele gemoedsbewegingen, dat ik

_Nu eens besloot een zwaart mij zelv' in 't hart te drukken;_

dan wederom geen zwarigheid maakte om mij in de spelonke, waaruit, ik gevallen was, wederom van, boven neder te storten, om te onderstaan, of een tweede togt naar de Onderaardsche gewesten, beter voor mij zoude uitvallen.

_Driewerf maakte ik 't besluit om beide t' ondernemen_ _Dog driewerf stapte ik af van beide...._

Allermeest wierd ik van dat opzet afgebragt door de zorg voor mijne ziel, en door get beginzel des Christelijken Godsdiensts, welk iemant, die niet ter dood verwezen is, verbiedt zijn leven af te leggen eer de tijd daar is.

Ik trachtte dan, langs 't hobbelige en enge pad naar _Sandwijk_ loopenden van den bergaf te komen; dog vermits ik gantsch opgetogen was in diepe overdenkingen, struikelde ik telkens onderweg; want mijne gedagten speelden geduuriglijk op die Vijfde Monarchy. Deeze waarde mij met ijdele, en egter gestadig nieuwe, inbeeldingen, zoo onophoudelijk in zinnen, dat ze mij geheel en al buiten mij zelven bragt. En om de waarheid te zeggen, 't verlies in mijn gezag en vermogen was zoo groot, dat ik oordeelde het zelve in mijn Vaderland door geene winsten te kunnen vergoed worden. Ik stelde mij al eens voor, dat men mij gaf de Landvoogdij over de Provincie van Bergen, ja, dat meer is, over gantsch Noorwegen: maar welke eene vergoeding was dat? en welk een troost voor eenen die nog zoo onlangs Stigter en Monarch van zoo veele Rijken was geweest? Ik besloot egter, om, zoo mij eene Landvoogdij in 't Vaderland mogte worden opgedragen, dezelve niet geheel en al van de hand te wijzen. Na dat ik nu den weg half afgelegt had, kreeg ik eenige jongens in 't gezigt, welke ik, met wenken naar mij toelokkende, verzogt mij behulpzaam te willen zijn, met deeze woorden: _Jeru Pikel Zalim_, 't geen in _de Quamitische_ taal zeggen _wijst mij het voetpad_. Dog de jongens op het gezigt eenes mans, die met zulke vreemde kleederen gekleed was, en eenen hoed op had, met Zonne-straalen blinkende, bevreest zijnde geworden, liepen met 'er haast van de rotzen af, zoo, dat zij mij, die langzaam voortging, en wien langs de afgebroken rotzen de afgematte beenen nasleepten, vooruitliepen, en een geheel uur, eer te _Sandwijk_ kwamen, alwaar zij het geheele Dorp met schrik vervulden, zweerende dat zij, tusschen de rotzen, den dwalenden Jerusalemschen Schoenmaker hadden gezien, schitterende van de straalen der Zonne, en door gestadig zugten zijn hartzeer te kennen gevende. Toen de Dorpelingen vraagden, waar uit zij wisten, dat het de Jerusalemsche Schoenmaker was, antwoordden zij, dat ik zelf mijnen naam en vaderland genoemt had. Ik giste dat die dwaling ontstaan was uit het kwalijk verstaan der woorden _Jeru Pikei Zalim._ Hier door geraakte het geheele Dorp op de been, wijl niemant meer aan de zaak twijfelde; voornamenlijk nadien onlangs dat spreukje van dien wandelenden Schoenmaker weder op de been was gekomen, en hij gezegt wierdt nog onlangs te Hamburg gezien geweest te zijn.

Toen ik met het vallen van den avond te _Sandwijk_ kwam, zag ik alle de inwoonders van die geheele Landstreek bijeen vergadert; van alle kanten te zaamgeloopen zijnde, uit de aangeboren drift om wat nieuws te zien. Deeze den nieuwen gast zullende inhaalen, hadden lang staan wagten aan den voet des bergs; dog zoo dra zij mij hoorden spreken liepen zij alle als door eenen schielijken schrik getroffen, weg, behalven alleen een oud man, die, stouter zijnde dan de andere, staan bleef. Terstond; sprak ik hem aan, vragende of hij aan eenen verdwaalden wel herberging wilde geven. Hier op vraagde hij mij:

_Wie zijt gij? Van het volk? Van waar? Ei 'k bid u zeg_ _Waar henen legt de reis?..._

Toen

..... _Zugtte ik op dit vragen,_ _Uit 't binnenste van mijn hart, en zei:_ _Van 't eerste tot het laatste, mijn deerlijk ongelijk_ _En ramp; en hadt gij tijd te hoore de kronyk_ _Van mijne zwaarigheên, ô Man! om dit te weten,_ _Ik zag de Zon gedaalt en eer den dag gesleten,_

Eer ik aan 't einde was; dog wanneer gij mij huisvesting zult geven, zal ik u eene reeks van ongevallen verhaalen, die allen geloof schijnen te boven te gaan, en waar van in geene Geschiedenissen een voorbeeld te vinden is De Grijsaard, nieuwsgierig, nam mij bij de hand, en bragt mij in zijn huis, niet wel te vreden over de ontijdige vrees zijner Landlieden, die op ieder ongewoon gezigt, als op het verschijnen eener Staartsterre, beefden van schrik. Zoo haast ik binnen 's huis was gekomen, eischte ik een dronkje waters om mijnen dorst te lesschen. Terstond bragt hij mij eenen beker met bier, terwijl nog zijne Huisvrouw nog zijne Dienstmaagden van vrees durfden binnen komen. Zoo dra ik den beker geleegt en mijnen dorst wat gelescht had, begon ik aldus te spreeken: "Gij ziet hier eenen man die jammerlijk door het nood-lot gesolt is, en, die zoodanig de speelpop der Fortuin is geweest, dat nooit iemant iet diergelijks gesmaakt heeft. Het is wel eene waarheid dat dikwils het gelaat der grootste zaken in een punt, des tijds wordt omgekeert; dog wat mij bejegent is, gaat alle geloof te boven."

_Mijn ongeval, helaas! is weinig bekend:_ _Ook is 't wat ongemeens: de reis van mijn ellend'_ _Is geenszins van dat soort, waar meê 't Fortuin verbolgen,_ _Vermaak schept onverdiend den sterv'ling te vervolgen._

Hier op gaf mijn Huiswaard ten antwoord, dat zulks het noodlot was der genen die lang zwerven. En aan hoe veete wisselvalligheden en toevallen staat eene reize van zestienhonderd jaaren niet bloot! Ik begreep niet waar hij heen wilde, waarom ik hem vraagde wat hij door die zestienhonderd jaaren verstondt. _Mag men_, zeide hij, _aan de Geschiedenissen geloof slaan, is het thans zestienhonderd jaaren geleden, dat Jeruzalem verwoest is: en ik twijfel niet, zeer eerwaarde man, of gij waart te dier tijd al bereids op uwe dagen: want, bij aldien 't geen van u gezegt wordt, waaragtig is moet gij omtrent geboren zijn onder de regeringe van den Keizer Tiberius._ Door deeze woorden wierd ik als verdomt, meenende dat het den ouden bloed in den bol schortte, zeggende daar op, dat het een _Oedipus_ moest wezen, die dien knoop konde losmaken. Nog bragt hij een schilderij te voorschijn, waarop het afbeeldsel des Tempels van Jeruzalem uitgedrukt stondt, vragende mij al met eene, of het afbeeldsel veel verscheelde van het oorsprongelijke? Hier op kon ik, hoe bedroeft ik ook was, mij niet langer van lachen onthouden, vraagende teffens naar de oorzaak van zulke verwarde redenen. Zijn antwoord was: "Of ik het wel of mis hebbe, weet ik niet, 't volk dezer plaats zegt, dat gij de, zoo zeer in de Geschiedenissen berugte, jeruzalemsche Schoenmaker zijt, die zedert de tijd van Christus door de geheele waereld dwaalt; dog hoe ik u nader bezie, hoe ik meer in mijne gedagten brenge, zekeren, ouden vriend, die, nu twaalf jaren geleden, op den top deezes bergs is om hals geraakt." Op deeze woorden vielen de schillen van mijne oogen af, en ik kende mijnen ouden vriend, _Abelinus_ in wiens huis ik te _Bergen_ zo gemeenzaarm had omgegaan. Terstond viel ik hem om den hals, en, hem drukkende in beide mijne armen, "heb ik u vóór, mijn waarde _Abelinus_! zeide ik: ik durf nauwelijks mijne oogen of handen berouwen. Hier ziet gij uwen _Klim_ van den dood verrezen: ik ben dezelve man, die voor twaalf jaaren in dat hol nedertuimelde." Hij, verzet zijnde door dit onverwagt verschijnsel,

_Stondt even eens als die van 't hemelsch vuur getroffen_ _Verbijsterd en bedwelmd, schijnt daadlijk neer te ploffen_ _Al suizebollende; en die, schoon dat hij leeft,_ _Nogtans in twijfel trekt of hij wel leven heeft._

Ik zie, zeide hij, het wezen van mijnen _Klim_, en ik hoor zijne welbekende stem: want

_Dus was zijn handgreep, dus de opslag zijner oogen,_ _Niet anders zijn gelaat; of schijn heeft mij bedrogen._

Dog schoon ik nooit iemant zag die meer naar _Klim_ geleek, kan nog moet ik egter mijne oogen niet gelooven; want thans staan de dooden niet op. Ik moet derhalven kragtiger getuigen en bewijsredenen hebben om aan uwe woorden geloof te kunnen geven.

Om dan zijne ongeloovigbeid weg te nemen, herhaalde ik hem in 't lange en breede al 't geen ooit of ooit tusschen ons beiden was voorgevallen. Die gehoort hebbende, verdwenen eindelijk alle de nevelen die zijn verstand verduisterden, en hij viel mij al schreiende om den hals, luidkeels uitroepende: "Nu zie ik den man zelv', wiens schim ik meende te zien; dog verhaal mij, bid ik u, waar gij u zoo lang hebt opgehouden, en waar gij dien wonderbaarlijken en barbaarschen opschik hebt vandaan gehaalt." Toen ging ik hem alles, 't geen mij op mijnen val gevolgd was, verhaalen, en hij luisterde zeer aandagtig naar mijne redenen, tot dat ik begon op te haalen van de Planeet _Nazar_, en van de boomen die spreken konden en met reden begaaft waren; wanneer hij het niet langer dulden kunnende, uitriep: "wat voor zotternijen de droomen ook kunnen verzinnen, de gekheid te zamenknoopen, of de dronkenschap raaskallen, dat alles ziet men in u bij malkanderen: ik zou eer met ons slegt volkje kunnen gelooven dat gij in de handen der bijtebauwen zijt gevallen geweest, want zulke janhagelsche vertellingtjes zijn nog waarschijnlijker dan uwe Onderaardsche Reis." Ik verzogt hem, allervriendlijkst, dat hij mij tog met lijdzaamheid wilde hooren, totdat ik mijne redenen, die ik begonnen had zoude hebben geëindigt; en hij mij belooft hebbende te zullen zwijgen, ging ik voort met het verhaal der dingen die mij in het onderaardsche bejegent waren, der verscheiden wisselvalligheden die ik had ondergaan, en eindelijk dat ik de Stigter was geweest van de allergrootste Monarchy die ooit op aarde geweest was. Dit alles diende nergens anders toe dan om zijn gevoelen, dat hij opgevat had van mijne verkeering met de Satyrs, en Bosch-goden, te versterken, en hij geloofde, dat ik, beguichelingen bij den neus omgeleid, geloofd had dat de Katten Gansen-eijeren leggen. En om te zekeren te weten hoe verre mijne betoovering of vergiftiging gaan zoude, of tot wat hoogte mijne gekheid gestegen was; begon hij mij van den staat der gelukzaligen en der verdoemden; van de Elyzeesche velden en van meer diergelijke zaken te ondervragen. Ik, ziende waar die praatjes op uitkwamen, gaf hem ten antwoord: "ik neem u uwe ongeloovigheid niet kwalijk af, aangezien mijn verhaal aan elkeen verdigt, en als geschoeit op den leest der Poëeten kan voorkomen: want het gene mij bejegent is, is zoo wonderbaarlijk, dat het het menschelijk geloof te boven gaat. Dog ik verklaar u heiliglijk; dat ik 'er niets toe doe, of bijhange; maar dat ik u alles zuiver en eenvoudig, zoo als 't gebeurt is, verhaalt hebbe." Dog hij, in zijne ongeloovigheid voortgaande, verzogt mij, dat ik eenige dagen zoude uitrusten, hopende dat midlerwijl die dampen uit mijne harssenen zouden uitwasemen.

Na dat ik geheele agt dagen ten zijnen huize verbleven had, viel mijn Huiswaard, meenende dat ik nu tijds genoeg gehad had om van mijne gekheid weder te komen, wederom op de Onderaardsche Reize. Toen hoopte hij, dat de Vijfde Monarchy met de twintig onderhoorige Koningrijken en Vorstendommen zoo geheel en al in rook zouden zijn verdwenen, dat 'er niet het allerminste afbeeldzel van eenige Stad of Dorpje meer zoude zijn overgebleven. Dog toen hij vernam, dat ik al 't zelfde van 't begin, tot het einde, en in die zelve orde, herhaalde, en dat ik hem bij 't slot mijns verhaals, zijn hardnekkig ongeloof verweet, en hem daarenboven nog eenige stukken te voorschijn bragt, welke hij mij moest toestaan; te weten: dat ik over twaalf jaren in dien afgrond was neêrgetuimelt, en dat ik in een vreemd en onbekend gewaad weder in mijn Vaderland was gekomen; begon hij te twijfelen, niet wetende wat hij daar op zoude antwoorden. Terwijl hij in die opgetogenheid was en reeds begon te aarselen, drong ik aam, hem vertoonende, dat zijne stelling van wanschepsels en bijtebauwen, die de spelonken der bergen bewoonden, vrij wat ongerijmder was dan deeze Onderaardsche Reis, aangezien die enkele droomen waren, en onder de spreukjes der oude besjes te rekenen; dog dat verscheiden Wijsgeeren van naam, vastgestelt hadden, dat de waereld hol, en 'er nog een andere Aardbol in den onzen besloten was; en dat ik de waarheid, deezes gevoelens met 'er daad ondervonden hebbende, aan mijne eigene oogen geloof moest geven.

Door deeze bewijzen eindelijk overwonnen zijnde, zeide hij: "uwe standvastigheid in 't bevestigen der zaken, uit welke te verdigten gij geen nut altoos kunt trekken, heeft eindelijk mijn ongeloof vermeestert." Aldus dan van de waarheid overtuigt, deedt hij mij dat alles wat breeder uitleggen. Wonderlijk behaagde hem 't geen ik van de Planeet _Nazar_ verhaalde, en vooral van 't Vorstendom _Potu_, welks wetten en inzettingen hij zeide 't rigtsnoer te wezen, waar naar alle Staaten dienden geschikt te worden. Zeer wel hadt hij opgemerkt dat de beschrijving van een wel-geregelt Prinsdom niet kon voortkomen uit de harssenen van eenen Quidam; want dat die lessen meer godlijk dan menschlijk schenen waarom hij, ten einde 't geen hij van mij gehoort hadt, hem niet weder uit de gedagten ginge, alles, zoo als ik 't hem voorzei, in geschrifte bragt.

Na dat ik bespeurt had, dat hij nu geheel en al van de waarheid overtuigt was, vraagde ik hem, bekommert met mij zelven, wat mij in dien toestand van zaken voorts te doen stondt, of welk noodlot hij mij in mijn Vaderland, na zoo veele zaken in de Onderaardsche waereld te hebben uitgevoert, toelei? Daar op zeide hij: "ik rade u dat gij aan niemant, wie hij ook zij, uwe gevallen openbaart; want

_"Gij werd een spreukje op de straat,_ _En kwam bij elk een op de praat"._