De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 21
In dit gevegt sneuvelden drie-en-dertigduizend _Mezendoriërs_, en tweeduizend vielen levendig in onze handen. Die uit den strijd ontkwamen, begaven zig naar de Hoofdstad, eene zeer sterke plaats, en vervulden daar alles met schrik en vreeze. Dog wij onze overwinninge vervolgende, kwamen in drie optogten voor de Koninglijke stad, waar voor wij zoo met onze zee- als landtroepen het beleg sloegen. Terwijl wij in 't aannaderen waren, ontmoette ons eene nieuwe bezending, met voordeeliger voorwaarden van vrede. De Keizer verzogt, dat ik zijne Dogter, de schoonste aller Leeuwinnen, ten huwelijk zoude nemen, en boodt mij tot bruidschat aan, het halve Rijk. Die voorwaarde stondt mij niet aan, vooral voor zoo veel die dat huwelijk raakte: want het scheen mij nog veilig nog eerlijk te zijn, mij aan eene Leeuwin te verbinden, en de Keizerin, die bereids bezwangerd was, te verstooten. Hierom kregen de Gezanten hun afscheid zonder eenig antwoord. Terstond lieten wij 't grof geschut op de wallen der Stad speelen, die, schoon ze van steen opgemetzeld waren, egter op veele plaatsen aan stukken en ter neder wierden geschoten. En vermits de Stad met allerlei dieren vervult was, ging 'er een wonderbaarlijk gekrijt van brullen, huilen, loeijen, balken, blaeten en schuiffelen op. De Slangen, pakten zig weg in de spleeten der aarde:
_Zij kroopen in de diepste holen,_ _En bleven lang door vrees verscholen._
't Gevogelte, op zijne wieken in de lugt zwevende, begaf zig, de Stad eindelijk belegert zijnde, naar de rotsen en verheven plaatsen. De Boomen beefden van angst, en de straaten der Stad wierden bedekt met derzelver afvallende bladeren. Ons kwam ter ooren dat bijna twintig Staat-jufFers van 't Hof, die roozen en leliën waren, op den eerden kogel-vlugt van verbaasdheid schielijk verwelkten. Een groote toevloed van allerlei slag van Gedierte benaauwde boven mate, door zorge en kommer, zoo Burgers als Landlieden, in die naauwe huizen in een gepakt; en zoo wel arbeid als besmetting maakte de ziekten algemeen. De Olifanten hielden zig wel moediger;
_Dog eindelijk meê verbaast door 't bald'ren van 't geschut,_ _Verlaten zij de Stad, daar elk in zijne hutt'_ _Van angst bijna versmagt._
Waarom de Keizer van _Mezendoria_ wanhopende aan ontzet, den Raad vergadert hebbende, aldus begon:
_O Burgers! Sprak de Vorst, wij krijgen met de Goden:_ _Een onverwinlijk volk, zijn' vijand nooit ontvloden,_ _Dingt naar ons leven: 't is een volk dat, onvermoeit,_ _Alleen vermaak schept daar het oorlogs-onweer loeit:_ _Ja dat, men neem' 't eens zoo, al wierdt het overwonnen,_ _Ons staag bevegten zal, en nimmer rusten konnen._ _Des overweegt het stuk, en geeft mij goeden raad,_ _Zoo anders 's Lands behoud u regt ter harte gaat._
Hierop riepen zij alle uit eenen mond:
_In 't oorlog is geen heil gelegen:_ _Wij zijn al t'zaam tot vreê genegen._
Hierom gaf zig de Keizer met alle zijne onderhoorige gewesten over, zoo, dat ik mij op eenen dag een wijd uitgestrekt Keizerrijk met bijna tien Koningrijken en Vorstendommen onderworpen maakte. Want het voorbeeld des Keizers volgden alle onderhoorige Rijken, met de Oversten der Landschappen na, voegende zig als om strijd ouder onze bescherming.
Na zulk eenen verbazenden uitslag, gaf ik bevel den gevangen Keizer, eene bezettinge van zeshonderd Busschieters in de Hoofdstad gelegt hebbende, over te brengen op onze Vloot. Hij wierdt op deze reis met alle vriendelijkheid bejegent, en, na dat wij in _Quama_ wedergekeert waren, begiftigt met eene geheele Provincie, waaruit hij zoo veele inkomsten trok, als genoegzaam toereiken konden tot onderhoud eenes gevangen Vorsts. Onze ankers geligt hebbende, voeren wij langs de kusten van _Mezendoria_, en eischten onderweg van de meeste volkeren, die onder het gebied des Keizers _Miklopolatu_ gedaan hadden, gijzelaars; invoegen dat ik, voorwendende alle steden te willen aantasten, in 't kort den _Mezendorischen_ naam te onderbragt. Die volkeren waren bijna alle dezelve waar van ik een schets hebbe opgegeven in mijne _Martiniaansche_ reize. Eindelijk de kusten van _Mezendoria_ verlaatende, namen wij onzen koers naar _Martinia,_ welks kusten wij ten laatsten, na eene gelukkige, dog langduurige reize, in 't gezigt kregen. Nooit kwam eenig Land mijn gezigt aangenamer voor; en wanneer ik mij te binnen bragt, dat ik thans als Keizer en Verwinnaar veeler volkeren, naar een Land ging, alwaar ik onder de slaven tot de galei was gedoemd geweest, sprong mijn hart als van vreugde op. In 't eerst had ik besloten mij zelven bekend te maken, om daar door de _Martinianen_ te grooter schrik aan te jagen; dog ik liet dat voornemen varen, vermits ik raadzamer oordeelde, de oude dwaling, aangaande mijne geboorte, die eens onder de overwonnen volkeren verspreid was, te koesteren, en mij aan te stellen als Afgezant der Zonne.
Ik hoopte wel, dat ik in 't kort, en met weinig moeite, de _Martinianen_, wier lafhartigheid mij bekend was, zoude t' onderbrengen. Want dat volk, altoos geneigt tot wellust, was niet alleen vol van gantsch bedorven zeden, maar zwemmende als in eenen overvloed van alle dingen, door de aanlokselen van allerlei vermaken, door eenen langduurigen voorspoed, zoo te water als te lande; en door eene milde toegevenheid van de Fortuin, dartel geworden. Dog de ondervinding deedt mij zien, dat die zaak vrij wat voeten in de aarde hadt, aangezien zij door den Koophandel, welken zij wijd en zijd in de Onderaardsche Waereld dreven, onmetelijke schatten hadden vergadert, waar door zij de hulpe van zeer strijdbaare Natiën altoos op hun wenken tot hunnen dienst gereed hadden. Voeg hierbij, dat in 't stuk der Zeevaart, de _Martinianen_ toentertijd voor geene der Onderaardsche Volkeren te wijken hadden, en dat onze scheepen, bij die der vijanden, log en lomp waren: want het is gemakkelijk te bevroeden van wat deugd de vaartuigen konden zijn, die van een _Baccalaureus_ in de Philosophie ter loops waren opgetimmert, en wat 'er de Hollanders, Engelschen en Deenen van zouden gezegt hebben, bijaldien zij daar over 't oordeel hadden moeten vellen. Dog dit gebrek wierdt overvloediglijk vergoed door 't geschut dat de onze voerden, en 't geen tot nog toe den _Martinianen_ onbekend was.
Eer ik egter iets vijandlijks ondernam, zond ik Afgezanten aan den Raad, bijna met dezelve vredes-voorwaarden, welke ik onlangs den Keizer van _Mezendoria_ had aangeboden. Maar toen wij antwoord waren verwagtende, zagen wij eene wél toegeruste Vloot, en hoedanig eene wij niet verwagt hadden, met volle zeilen op ons aankomen. Hierom onze Vloot, zoo veel de haast toeliet, in slagorde geschikt hebbende, gaven wij het teeken van den Zeeslag te beginnen. Daar wierdt wederzijds lang en met gelijken moed en dapperheid gevogten. De _Martinianen_ hadden, in plaats van geschut, werktuigen waar mede zij zeer zwaare steenen wierpen, en waar door zij onze scheepen niet weinig schade tocbragten. Wijders hadden zij branders met pik, lijm, zwavel en andere brandstoffe gevult, waar door ons grootste schip wierdt aangedoken, en tot aan 't water afbrandde. Des stondt de kans lang twijfelagtig, staande de onze lang in beraad of zij vegten of vlugten wilden. Dog door 't vreeslijk bliksemen van ons geschut, lieten de _Martinianen_ eindelijk den moed zakken, zoo, dat zij uit het gevegt scheidden, en de haven inliepen. Wij kregen egter niet een vijandlijk schip in onze magt, vermits dezelve, veel gezwinder zijnde dan de onze, binnen korten tijd uit ons gezigt geraakten. De slag geëindigt zijnde, ontscheepten wij onze landtroepen, en trokken met de uiterste snelheid naar de Hoofdstad _Martinia_. Op deezen togt kwamen onze Afgezanten weder bij ons, welke zeer trots van den Raad ontvangen, en met dit antwoord te rug waren gezonden:
_Vertrekt op taande voet; zegt uwen Koning aan:_ _Ik voer de Watervork: de Zeevoogdijen staan_ _Bij lotinge aan mij: hem zijn ze niet bevolen._ _Hij mag, vindt hij het goed, gebiên in uwe holen,_ _En bijst're storm-spelonk: die kent hem voor haar heer._
Want de _Martinianen_, zig de heerschappij der Zee toeschrijvende, hadden den eisch van eenen Berg-vorst met verontwaardiginge opgenomen. Zij bragten egter met zeer veel zorg en vlijt een Leger op de been: want behalven hunne gehuurde troepen, wierdt al wat _Martiniaan_ heette, en bekwaam was om de wapenen te dragen, opontboden.
Naauwlijks waren wij eenige stadiën voortgetrokken, wanneer wij een talrijk Leger, bestaande uit allerlei volkeren, regt op ons zagen aankomen. Die welgemoedheid der vijanden, zelfs na hun verlies ter Zee, baarde ons geene geringe bekommering. Dog die troepen waren niet anders dan hovelingen der lugt, die zoo haast verdwijnen als zij verschijnen, en die
_.....Bijna van vrees verzinken_ _Zoo dra men 't hol geschal der krijgstrompet hoort klinken._
Eerlang namen de _Martinianen_, na dat men hen de eerste maal met grof geschut begroet hadt, de vlugt. Wij, hen op de lendenen hangen blijvende, maakten eene groote slagtinge daar onder. Hoe veele 'er toen van de vijanden sneuvelden, blijkt uit het getal der _Paruiken,_ welke wij na den slag bij een bragten; want naar het getal, dat wij daar van opgemaakt hebben, maakten wij staat, dat 'er omtrent vijfduizend _Martinianen_ verslagen waren. Zij hadden derzelver fatzoenen na mijn vertrek verandert, want ik bevond meer dan twintigerlei verscheide fatzoenen van Paruiken, vermits zulk eene gantsch vernuftige Natie nooit uitgeput is in nieuwe verzinzelen uit te denken.
Na dien gelukkigen slag, of liever nederlaag, sloegen wij het beleg zonder eenigen tegenstand voor de Hoofdstad _Martinia_. Dog toen alles om dezelve aan te tasten vervaardigt, en het geschut gesteld was, kwamen die van den Raad zelve met alle ootmoedigheid in ons Leger, en gaven hunne Stad te gelijk met den gantschen Staat aan ons over. Waarop eerlang de vrede volgende, traden wij als in zegepraal binnen die heerlijke Stad. Toen wij onze intrede deeden, was 'er nog die opschudding, nog die bedeesdheid, die doorgaans in overwonnen steden gezien wordt; maar een droevig stilzwijgen en eene neêrslagtige droefheid hadt alle gemoederen zoodanig verslagen gemaakt, dat zij door vrees niet wetende wat zij laten, of wat zij zouden met zig nemen; en t'einde raad zijnde, de een den anderen om raad vraagde, nu eens op den dorpel staande om te vertrekken, dan eens het gantsche huis doorloopende, als of zij dat voor de laatste maal zien zouden. Dog door de overgifte wierdt de Stad voor plundering verschoond, waar door de droefheid in vreugde verkeerde. Toen ik de Gemeene Landskasse bezag, stondt ik verbaasd over den grooten schat, en deelde 'er een gedeelte van uit onder het krijgsvolk, bevelende 't overige in mijne Schatkist te brengen. Na dat 'er eene bezettinge in _Martinia_ gelegt was, wierden eenige Raadsheeren tot Gijzelaars op de Vloot gebragt. Onder dezelve was de Vice-president met zijne Huisvrouw, die mij met de misdaad, waar over ik verwezen was, betigt had. Ik nam egter geen wraak over dien smaad, agtende het onbetaamelijk te zijn voor een groot Monarch, wraak te nemen van het ongelijk, eenen lastdrager aangedaan.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK,
_Droevige Uitgang deezer Geschiedenis._
Zulke groote zaken verrigt, en onze Vloot met de Schepen der _Martinianen_ merklijk versterkt zijnde, zeilden wij naar 't Vaderland: alwaar aangekomen zijnde, zegepraalden wij met de uiterste pragt, zoodanig, dat nooit de Romeinen daar bij hebben kunnen reiken. En waarlijk, wij hadden zulke groote dingen uitgevoerd, dat, hoe groot de vreugdebedrijven en de pragt ook wezen mogten, dezelve egter niet overtollig konden schijnen. Want wat kon 'er doorlugtiger, wat meer naar heldendaden gelijkende genoemd worden, dan een volk, dat nog onlangs in zulke veragtinge was, en bloot stondt voor de aanvallen van elk een, tot Koning en Gebieder van de geheele Onderaardsche Waereld in zoo korten tijd, hervormd te hebben? Wat mensch kon mij, onder zoo veele schepselen van een ander geslagt levende, meer tot glorie strekken, dan aan het menschdom herstelt te hebben het gebied, dat de Natuur aan het zelve over alle andere schepselen gegeven heeft. De heerlijkheid deezer zegepraal, waarin ik door een iegelijk van allerlei staat en ouderdom, zoo door mij te komen tegenloopen, als door mij hunne genegenheid te bewijzen, ontvangen wierdt; kan in geen geheel boek, laat staan in dit klein bestek, worden uitgedrukt. Zedert dien tijd bragt ik eene andere tijdrekeninge in de Geschiedenissen, zulks 'er thans vijf Monarchyen kunnen worden opgetelt, te weten: de _Assyrische_, de _Persische_, de _Grieksche_, de _Romeinsche_ en de _Quamitische_ of Onderaardsche; en deze laatste schijnt alle voorgaande in grootheid te overtreffen. Hierom weigerde ik niet den tytel van _Koblu_> dat is de Groote, welke, zoo door de _Quamiten,_ door de overwonnen Volkeren, mij als om strijd wierdt opgedragen, aan te nemen. Ik beken dat _de Groote_ een verheven en trotsche naam is, maar als die oude Helden, Cyrus, Alexander, Pompejus, en Cæsar, die den lof, van KLIM geenszins kunnen evenaren, zig met mij zullen willen vergelijken, kan deeze tytel niet anders dan gering en laag voorkoomen. 't Is waar, Alexander heeft het Oosten te ondergebragt; dog met welke krijgsbenden? Met oude Soldaaten en die als in het vuur gehard waren, gelijk zekerlijk de Macedoniërs waren ten tijde van zijnen vader Philippus. Dog ik heb meer en vrij wat ontembaarer volkeren dan de Persen waren, in minder tijd, met een onbeschaafd en barbaarsch Volk, 't geen ik zelf beschaafd hadt, mijn gebied onderworpen gemaakt. De tytel, welken ik naderhand voerde, was dees: KLAAS DE GROOTE, AFGEZANT DER ZONNE, KEIZER VAN QUAMA EN MEZENDORIA, KONING VAN TANACHI, VAN ALECTORIE, VAN ARCTONIE, VAN DE MEZENDORISCHE EN MARTINIAANSCHE KONINGRIJKEN, GROOT-HERTOG VAN KISPUCIE, HEER VAN MARTINIA EN CANALISCA, ENZ. ENZ.
_Nu stondt mijn magtig Rijk gegrondvest, en het scheen_ _Mijn droeve ballingschap in enkel vreugd verdween_ _Maar ach! 't Geluk dat staat op losse en zwakke voeten:_ _Men kan nooit sterveling voor regt gelukkig groeten,_ _Ten zij wanneer men ziet zijn Uur-glas loopen uit,_ _En dat de bleeke dood zijn stervende oogen sluit._
Want na dat ik tot dat toppunt van geluk en grootheid, 't geen naauwlijks een mensch met wenschen kan bereiken, gestegen was; kwam mij al het zelve over, 't geen hun, die van een laage en veragtte geboorte zijn, te beurt valt. Want vergetende mijnen vorigen staat, begon ik trotsch te worden; en, in plaats van 's volks gunst en agtinge te bejagen, stelde ik mij wreed en woest aan, en wierd een verdrukker van groot en klein: mijne onderdanen, welke ik tot hier toe met beleefdheid en gedienstigheid aan mij verbonden had, begon ik nu als mijne slaaven te veragten, zulks niemant mij meer konde te spreken komen, ten zij 'er eene soort van aanbiddinge ware voorafgegaan; en die dan nog al gehoor kregen, wierden op eene stuursche wijze, en als met den nek aangezien. Dit deedt eerlang alle gemoederen van mij vervreemden, en de genegenheid, tot verkoelinge en afkeer overslaan. Hoedanig hart mijne onderdanen mij toen ter tijd toedroegen, vernam ik kort daar na uit het verzoek, of liever uit het bevel, dat ik den _Quamiten_ door een Koninglijk placcaat had laten aankondigen. De Keizerin, die ik bezwangert had gelaten, hadt, geduurende mijn afwezen, eenen Prins ter waereld gebragt. Zeer verlangende om dezen Prins verklaart te zien tot mijn Opvolger, deed ik de Staaten, zoo der _Quamiten_ als der overwonnen volkeren, vergaderen; nodigende dezelve om den jongen Vorst plegtiglijk te huldigen. Niemant durfde dit bevel wederstreeven, zulks de huldiging met de uiterste pragt voortging. Dog ik kon gemakkelijk bespeuren, dat hun gelaat met geveinsdheid gevernist, en al de vreugde, welke zij voorgaven te hebben, niet anders dan gemaakt was. Mijn argwaan wierdt versterkt door de Schimpschriften, die ter zelver tijd, zonder dat men de maker daar van wist, wierden verspreit, waarin het ongelijk, 't geen den Vorst _Temufo_ door deeze verkiezinge werdt aangedaan, op eene geestige wijze werdt aangetoont. Dit baarde zodanig, eene beweging en bekommering in mijn gemoed, dat ik niet konde rusten alvorens ik dien braaven Vorst om hals had geholpen, 't Scheen mij egter niet geraaden den Zoon eenes Keizers, waar aan ik zoo groote verpligtinge had, in 't openbaar van kant te helpen; waarom ik heimelijk eenigen bestelde, welke hem van verraad moesten beschuldigen. En nademaal Vorstelijke schelmstukken nooit aan helpers of handhavers gebrek hebben, ontbraken 'er geen die onder eede verklaarden, dat de Prins een kwaad voornemen hebbende, opschuddingen zogt te verwekken, en op mijn leven toelei. Hier op wierdt hij gevangen genomen en van de Regters, waar van ik de meeste had omgekogt, veroordeelt zijn hoofd te verliezen. Dat vonnis wierdt egter heimelijk in den kerker, om geene opschudding te verwekken, ten uitvoer gebragt.
Wat aangaat de jongste Prins, nademaal dezelve nog in zijne kindsche jaaren was, stelde ik den tijd, die bepaalt was om hem om te brengen, uit. Dus was hij die zig niet kon verlaten op het regt, eenigen tijd in veiligheid om zijne jonge jaaren. Dog toen ik nu mijne handen met dien moord bezoedelt had, begon ik zoo streng en toomeloos te regeeren, en ging mijne wreedheid eindelijk zoo verre, dat ik 'er verscheide, zoo _Quamiten_ als andere welker trouw mij verdagt was, om hals deed brengen. Daar ging geen dag voorbij dat 'er geen bloed gestort wierdt, 't geen den opstand, welken de Grooten lang in den zin hadden gehad, verhaastte, zoo als straks zal gezegt worden.
Ik beken dat die rampen, welke ik naderhand heb moeten ondergaan, mij niet onverdiend zijn overgekomen. Zeker het zou eerlijker en voor een Christen-Vorst betamelijker zijn geweest, die onbeschaafde en barbaarsche Natie tot de kennisse des waaren Gods te hebben gebragt, dan, den eenen oorlog uit den anderen smedende, mijne handen te bezoedelen met het bloed van die onnoozele volkeren. En het zoude mij gemakkelijk gevallen hebben de geheele Natie te bekeeren: want alles wat ik voorstelde, wierdt greetig aangenomen, en mijne lessen waren als zoo veele Godspraken. Dog God en mij zelven vergeten hebbende, dagt ik nergens anders op, dan op eene ijdele en nietige glorie, en op de vermeerdering mijner grootheid.
_Niets zweefde mij voor 't oog, dan wapens, moord en bloed;_ _'t geen den fellen krijg of oorlogsvlammen voedt._
Daarenboven, mij van de allerergste raadgevingen bedienende, schepte ik meer genoegen in alle reden van aanstoot te vermeerderen, dan die uit den weg te ruimen, even als of de misdag, die door onregtvaardigbeid begaan was, door strengheid konde worden verbetert. Op de vermaningen mijner vrienden was ik gewoon tot antwoord te geven:
_Mijn nieuw gegrondvest Rijk, en d'akeligheid der zaken_ _Mij, tegen wil en dank, een' strengen Keizer maken._
Bij 't eene ongeluk kwamen nog oneindig veele andere, en ik geraakte in zodanig een verval van zaken, dat de Stervelingen uit mijn voorbeeld kunnen leeren, hoe groot de verandering in de waereldsche zaken; en van hoe korten duur eene wreede en geweldige regeering is.
Met de strengheid mijns gebieds vermeerderde ook de koelheid mijner onderdanen, zoo wel die der _Quamiten_ als die der overwonnen volkeren; en toen zij bespeurden dat de ondeugden, waaraan ik was overgegeven, niet overeenkwamen met eenen Goddelijken oorsprong, oneigen aan een hemelsch mens, en niet passende waren aan eenen Afgezant der Zonne; begonnen zij alles, en wel voornamenlijk de oorzaak mijner aankomste aldaar, en den staat waarin ik mij bevond, toen ik eerst op die kusten gekomen was, naauwkeuriger te onderzoeken. Zij zagen dat die verbazende dingen, welke ik had uitgevoert, veel meer aan de domheid der _Quamiten_, dan aan mijne bekwaamheid moesten worden toegeschreven: vooral wanneer zij bespeurden, dat ik, de dikste wolken van onwetendheid nu overgedreven zijnde, in veele en verscheide zaken had misgetast. De _Kispucianen_, een volk dat doorzigtig en van een schrander oordeel was, waren de snedigste bedillers mijner verrigtingen. Deeze hadden opgemerkt dat onder de placcaaten, die ik had laten afkondigen, 'er verscheide zoo kwaalijk voegende en onbeschaaft waren, dat zij klaarlijk te kennen gaven eene diepe onkunde in Staatstaken: ook was die aanmerking niet ongegrond; want vermits de bestierders van mijne zeden en leven, nooit hadden kunnen droomen, dat ik eene Kroon dragen en den Scepter zoude zwaaijen, had ik een onderwijs gekregen, meer passende aan eenen Proponent of toekomenden Diaken, dan aan eenen Vorst die stondt te heerschen; en mijne Letter-oeffeningen, die niet verder dan tot een samenstel van Godgeleerdheid, en alleenlijk tot eene zekere bepaalde hoogte in de Overnatuurkunde konden reiken, pasten zeer weinig bij mijnen tegenwoordigen Haat, waarin het op het wel regeeren van twee Keizer- en bijna twintig Koningrijken aankwam.
Wijders hadden de _Martinianen_ opgemerkt, dat de oorlogsschepen welke ik gebouwt had, zoo ruw en lomp waren, dat zij in eenen slag tegen welgeschikte vlooten, van geen gebruik altoos waren; en men dierhalven die overwinningen ter Zee alleen aan de uitvinding van 't geschut hadt toe te schrijven. Deeze en andere scherpe aanmerkingen waereldkundig makende, bragten zij zig ook te binnen de maniere op welke ik aan die kusten gekomen was; namentlijk dat ik op een luik van pen vergaan schip, met gescheurde kleederen, bijna dood van honger en dorst, van de gene die aan 't strand woonden, gevonden was, welke toestand gantsch niet overeenkwam met eenen, Afgezant der Zonne. Voeg hier bij, dat diezelve _Martinianen,_ zeer bedreven zijnde in de Sterrekunde, en eenige beginselen van die wetenschap onder de _Quamiten_ verspreid hebbende, daarin aangetoont hadden, dat de Zon een onbezield ligchaam was, van den Almachtigen Schepper in 's Hemels middelpunt geplaatst, om licht op de Waereld te geven, en door haare warmte de Schepselen te koesteren; en dat vermits haar aart in vuur bestondt, zij geen verblijfplaats konde zijn voor eenige aardsche Wezens.
Door deeze en andere nadeelige gerugten reed ik, dagelijks over de tong. Dog 't bleef slegts bij gemompel, vermits niemant, uit vreeze, mijner magt, uit de borst spreeken, of zijne gedagten in 't openbaar durfde uiten. Hier door wist ik in langen tijd niet, dat de kwaadwilligheid mijner onderdanen zoo hoog gestegen was, dat zij mijne geboorte betwistten, tot dat eindelijk zeker Boekje, in de _Canalistische taal_ opgestelt, onder den tytel van DE GELUKKIGE SCHIPBREUK, mij de schillen van de oogen afligtte. Ik heb bereids boven gemeld dat de _Canalisken_ zeer afgeregt waren in iemant schimpredenen naar 't hoofd te werpen, aangezien hunne felste oorlogen enkel en alleen met scheldwoorden gevoert werden. Dit Boekje behelsde alle die beschuldigingen, waar van ik boven eene schets hebbe gegeven, en was opgestelt met scherpe en stekende bewoordingen naar den aart der _Canalisken,_ welke in dat soort van schrijven groote meesters zijn.
Dog zoo weinig konde ik toen mij zelven bedwingen, en zoo groot was mijn vertrouwen op mijne magt, dat ik door geene vermaningen bewogen, of tot bedaarder gedrag konde worden gebragt; want de allerheilzaamste raadgevingen dienden veel eer om mijne gestrengheid aan te wakkeren, dan om die te sluiten; waarom ik eenige, welke meest bij mij verdagt waren, bij den kop hebbende laten vatten, dezelve door uitgedagte folteringen dagt te noodzaken, den maker van dat Boekje te melden. Dog zij stonden alle die tormenten met eene verwonderlijke standvastigheid uit, zulks 'er door die wreedheid niets anders wierdt uitgeregt, dan dat mijn haat tot razernij oversloeg. Zoo veel sterker was 't noodlot dan de raadgevingen, en ik liep gewillig in mijn verderf.