De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 20
Deeze drie Volkeren, gaande gemaakt door den ongewoonen uitslag en gevaarlijken nasleep van den _Tanachitischen_ oorlog, hadden een verbond aangegaan, trachtende om de aanwassende magt der _Quamiten_, eer die nog meer toenam, met vereenigde kragten te beteugelen. Dog eer zij egter den oorlog verklaarden, zonden zij Gezanten naar _Quama_, om te eisschen dat de _Tanachiten_ in vrijheid zouden worden gestelt, of, zoo de Keizer zulks kwam te weigeren, hem op eene plegtige wijze den oorlog aan te kondigen. De Gezanten verrigtten hunnen last, en kregen op mijn aanraden dit antwoord: Dat de _Tanachiten_, verbrekers des verbonds en des vreedes, het hunne eigene dwaasheid en hovaardij te wijten hadden, dat zij in die rampen waren geraakt; dat de Keizer besloten hadt, den eigendom van 't geen hij door 't regt van oorlog verkregen hadt, met al zijne magt, tegen wie hem ook daar in mogt tegenstaan, standvastiglijk te verdedigen; en eindelijk dat hij de dreigementen der verbondene Volkeren weinig vreesde. Met dit antwoord kregen de Gezanten hun afscheid, en wij maakten ons gereed tot den aanstaanden oorlog. Eerlang had ik een leger van veertigduizend mannen, waar onder agttienduizend Ruiters en tweeduizend Busschieters waren, op de been. De Keizer zelf, schoon hij een afgeleeft Vorst was, wilde dezen togt bijwonen, en wierdt zodanig tot eer en glorie aangeprikkelt, dat hij nog door mij, nog door zijne gemaalinne en kinderen, daar wij egter de handen inéénsloegen om hem van dat halstarrig opzet af te brengen, van zijn voornemen konde worden omgezet. 't Geen mij in dien stand van zaken de meeste bekommering baarde, was, dat mij de trouw der _Tamachiten_ onzeker en verdagt voorkwam, en dat ik vreesde, dat zij, deeze nieuwe slavernij ongewoon, bij de eerste gelegenheid dat jok afschudden, en zig aan de zijde der vijanden mogten voegen. En ik was in mijne meeninge niet bedrogen; want niet zoo dra was die plegtige oorlogs-verklaring gedaan, of wij kregen, tijding dat twaalfduizend _Tanachiten_ de wapenen opgevat hebbende, in 't vijandlijke leger waren aangekomen. Hier uit bespeurde ik, dat wij vier magtige vijanden te gelijk op den hals stonden te krijgen.
Ons leger van al het nodige voorzien zijnde, kreeg in het begin van de maand _Kilian_ bevel, om den vijand te gemoet te trekken, en de vijandlijkheden te beginnen. Onderweg zijnde, wierdt ons door de Spions berigt, dat het leger der Bondgenooten bereids in het land der _Tanachiten_ was gerukt, en voor de sterkte _Sibol_, gelegen op de grensen der _Kispucianen,_ het beleg hadt geslagen. Die sterkte wierdt met zodanig een geweld aangegrepen, dat de Bevelhebber al bereids begon te denken om dezelve over te geven. Dog toen de vijanden van onze aannadering verwittigt wierden, braken zij het beleg op, en wendden 't naar ons toe. De slag viel voor in een vlak veld, niet wijd van de belegerde sterkte, waarom men dien ook den naam gaf van den _Sibolschen_ slag. De _Arctoniers_, die op den slinker vleugel stonden, op onze Ruiterij aanvallende, bragten daar eene groote slagting onder; en vermits de wederhoorige _Tanachiten_ dien aanval ondersteunden, hadden wij bijna de nederlaag gekregen. Dog wijl de Busschieters de onzen, die 't te kwaad kregen, in den rug stonden, en mee tweemaalen los te branden de vijandlijk gelederen over hoop wierpen, veranderde het gevegt terstond van gedaante, zoo dat de gene die even te voren als Overwinnaars, onze Ruiterij op de lendenen zaten, 't nu zelve te kwaad krijgende, weeken, en eindelijk genoodzaakt wierden het hazenpad te kiezen.
Midlerwijl hadt ons Voetvolk veel te lijden van de _Kispucianen_; want die streden met zoo veel geluk en afgeregtheid met haare werpspiessen, dat binnen korten tijd zeshonderd _Quamiten_ of doodelijk gewond wierden, of aan hunne ontvangen wonden sneuvelden. Dog de Ruiterij te gelijk met eenige Busschieters toeschietende, dwong hen de hielen te ligten; maar egter zoo, dat zij met gesloten gelederen eer scheenen te wijken dan den vlugt te nemen, 't geen zij te danken hadden aan de ervarenheid en voorzigtigheid van hunnen Veld-oversten _Mansonius_, een man, die te dier tijd voor niemant der Onderaardsche Veldheeren, in 't stuk van krijgskunde, te wijken hadt. Nu tonden de _Alectorianen_ nog pal, en het viel bezwaariijk hen de zege te betwisten; want zoo meenigmalen als de onze met hunne Bussen op hen aanleiden, vlogen zij met hunne wieken in de lugt, en schoten van daar met zulk eene afgeregtheid hunne pijlen op de onze, dat 'er weinige, zonder te treffen, op den grond vielen. Deeze deeden altijd gewisse schooten, nademaal dezelve ligter en gemakkelijker van boven naar beneden, dan van beneden naar boven werden gedaan; daar de onze om 't opvliegen, en de gestadige beweginge der vijanden, dikwils te vergeefs vuur gaven. Midden in de hitte van 't gevegt, en terwijl zig de Keizer als een dapper Krijgsman kweet; in de spitze zijner benden stondt, en zig overal bevondt daar 't heet was, wierdt hij met eenen vergiftigden pijl aan den hals gekwetst, waarop hij van 't paard vallende, uit het gevegt gedragen, en in zijne tente wierdt gebragt, alwaar hij eerlang kwam te overlijden. In dien onzekeren toestand dagt mij geraden, allen die deezen beklaaglijken val gezien hadden, stilzwijgen op te leggen, op dat de moed der genen, die den vijand het hoofd boden, door den dood hunnes Keizers niet kwame te bezwijken. Ik beval hen dan goeds moeds te zijn, zeggende dat de Keizer wel door de schielijke wonde ais verdooft was geworden; dog dat de wonde niet diep was; dat men van dezelve het geronnen bloed afgewasscben en die bezigtigt hadt; dat alles wel stondt, en zij naar alle gedagten hem eerstdaags weder zien zouden. Dus terwijl de meeste niet wisten wat den Keizer was overgekomen, wierdt het gevegt vervolgt tot dat het duister werdt; dog toen de _Alectorianen_, afgemat zijnde door wonden en vermoeidheid, weder binnen hunne legerplaats waren getrokken, tref ik met den vijand eenen stilstand van wapenen; voor zoo veele dagen als wij noodig hadden om de dooden te begraven. Midlerwijl, nadien ik bemerkt had, dat ik iets nieuws moest uitdenken om de _Alectorianen_ te onder te brengen, deed ik de kogels der bussen tot hagel vergieten. Deeze uitvinding was van zulken gewenschten uitslag, dat de _Alectorianen_ in het volgende gevegt even als vliegen uit de lugt nederwaards stortten, en wel de helft van hun leger in de pan gehakt wierdt. Hier door leiden de overige de wapenen neder, en smeekten ootmoedig om vrede. De _Arectoniers_ en _Kispucianen_, dat voorbeeld volgende, gaven zig, met hunne wapenen, steden en sterkten, aan ons over. De zaken aldus gelukkig verrigt zijnde,
_Na dat de Groote Raad nu was bijeen gekomen,_ _En men, op mijn bevel, den Adel hadt vernomen_ _Te zijn vergadert, riep ik hen in het Paleis:_ _Zij komen op het Hof, voldoende aan mijnen eisch,_ _Met gantsche scharen; en naauw hieldt men op van spreeken,_ _Of ik begon aldus:_
"Ik twijfele geenszins, zeer doorlugtige, edele en dappere Mannen, of eenigen van u lieden zal ter oore zijn gekomen met hoe veel zorg en vlijt ik onzen altoos onverwinnelijken Keizer deezen togt hebbe afgeraden; Dog zijne aangeboren dapperheid en onverschrokken moed, wilden niet toelaten dat hij t'huis bleef, terwijl wij den vijand onder de oogen gingen zien. Ik kan betuigen, dat dit het eenigste verzoek is geweest 't geen mij van zijne Keizerlijke Majesteit is geweigert geworden. Ach! hadt die onverwinnelijke Vorst, in mij veele andere zaken toe te staan, wat moeilijker en alleenlijk hierin wat gemakkelijker gevallen; zoo zouden wij in dit ongeval, veroorzaakt door zijnen onverwagten dood, niet zijn geraakt; maar onze wederkomst in de Keizerlijke Stad zoude waarlijk zegepralend, en onze blijdschap over zoo veele treffelijk uitgevoerde zaken, volkomen, en door geene smert gestoort zijn geweest. Ik kan nog, mag dat smertelijk geval niet langer verbergen, waar door ons een zoo zwaare slag is toegebragt. Weet dan, dat de Keizer dapperlijk vegtende, door eenen pijl in den strijd gewond, en kort daar aan overleden is. Hoe veel droefheid en hoe veele angstige zorgen zal dat verlies niet naar zig sleepen! Uit mijne eigen droefheid kan ik genoegzaam afnemen, hoedanig gij lieden te moede zijt. Dog laat egter den moed niet zakken; wijl het geen sterven kan genoemt worden waar door de sterflijkheid van zoo groot eenen held meer dan zijn leven geëindigt is. Gij kunt niet zeggen dat uw Keizer geheel en al voor u lieden gestorven is, die u twee volwassen Prinsen heeft nagelaten, hunnen overleden Vader in allen deele gelijkvormig, en niet minder erfgenamen van 's Vaders deugden dan van zijne Rijken. Gij zult dan niet zoo zeer van Keizer, als van des Keizers naam veranderen. En nademaal de oudste Prins _Timufo_, door 't regt van geboorte, zijns Vaders throon moet beklimmen, behoude ik het gebied des Legers onder zijn gezag. Hij is 't aan wien wij den eed zullen doen, en wien wij alle trouwe en gehoorzaamheid zullen bewijzen."
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
_Onderaardsch Monarch._
Na dat ik mijne redenvoering geëindigt had, riepen zij alle overluid: _Wij willen Pikilfu tot Keizer, hebben_! Ik, dit met verbaasdheid hoorende, barstte uit in traanen, biddende hen alle ernstlijk, dat zij gedagtig wilder zijn de trouwe, die zij 't Keizerlijke Huis schuldig waren, en niet vergeten de weldaden waar mede de overleden Vorst hen alle in 't gemeen, en ieder van hen in 't bijzonder, aan zig verbonden hadt, waar van het vergeten, hun in hunnen goeden naam eene vlek stondt aan te wrijven, die nooit uitgewischt zoude worden. Hier voegde ik bij, dat zoo hen door mij eenige dienst konde geschieden, zij dat van mij, als van een particulier persoon, te wagten hadden. Dog dat zeggen hielp weinig:
_Mijn weigeren is vergeefs, en dient slegts om te stijven_ _'t Besluit der Oversten: zij meenden mijn' bedrijven_ _Verdienden ruim de Kroon. 't Gemeene krijgsvolk hoort_ _Zoo dra niet hunnen wil, of 't geeft al meê zijn woort._
Doordien nu de gemeene Soldaten het zelfde riepen groeide 't geschreeuw der Hoofden aan, zoo, dat de geheele Legerplaats door deeze dikwils herhaalde woorden weergalmde. Ik begaf mij dan hier van daan, mijn hoofd bedekt hebbende, naar des Veldheers tent, beveelende mijne bedienden, dat zij 'er niemant zouden laten binnen treeden, aangezien ik hoopte dat het krijgsvolk tot bedaaren zoude komen, wanneer de eerde hitte een weinig zoude verkoeld zijn. Dog de Legerhoofden, te gelijk met de gemeene Soldaten, met geweld in mijne tente dringende, hingen mij, hoe zeer ik ook daartegen worstelde, de Keizerlijke Sieraadiën om, en riepen mij, onder 't geschal van trompetten, en 't geluid van trommels, uit, voor Keizer van _Quama_, Koning van _Tanachi, Arctonië, Alectorië_, en Grootvorst der _Kispucianen_. Waarop ik, ziende dat het tog niet anders wezen mogt, mij niet langer tegen 't geluk stelde, maar den droom volgde. En ik moet bekennen, dat het niet geheel en al tegen mijnen zin was, dat ik tot dat toppunt van eer verheven wierd; want een Keizerrijk, met drie Koningrijken, en een Grootvorstendom, zijn zaken die elkeen zouden doen watertanden. Ik zond dan wel van stonden aan Afgezanten naar den Prins, om hem van al het voorgevallene kennis te geven, en hem aan te zetten, dat hij 't geen hem bij geboorte toekwam, manmoedig wilde verdedigen, en deeze nieuwe gedane verkiezing, als tegen de wetten zijnde, nietig verklaaren; dog: ik had egter bij mij zelven een vast besluit gemaakt, om het Gebied, dat mij van zelf in de hand gevallen was, niet ligtelijk over te geven, invoegen die bezending veel eer geschied was ten einde den Prins de pols te voelen. Deeze, gelijk hij een jongeling van eenen zeer voortreffelijken aart was, en die een zeer schrander oordeel bezat, wist genoeg hoe veele schuilhoeken en agterdeuren de gemoederen der menschen hebben; en deeze gemaakte zedigheid wel bevroedende, maakte hij zeer voorzigtiglijk van den nood eene deugd, en, volgende het voorbeeld van het Leger, deedt mij ook in de Keizerlijke hoofdstad voor Keizer uitroepen. Eerlang wierd ik, omstuwt van de Hoofdes des Legers, onder toejuichingen des Volks, in zegepraal geleid, en de kroon naar plegtige gewoonte op mijn hoofd gezet. Dus, van eenen ellendigen schipbreukeling in eenen Monarch hervormt, nam ik, om de _Quamiten_, welke ik zag dat het oude Vorstelijke Huis alle liefde en agtinge toedroegen, aan mij te verbinden, en mijn gezag, zoo wel door raadgevingen van Staat, als bijzondere overwegingen, vast te stellen, ten huwelijk, de Dogter des overleden Keizers. Zij wierdt _Ralac_ geheeten, en was
_Een' frissche jonge Maagd, in 't prilste van haar jaaren,_ _En daar me een' zieke Bruid wel meê hadt kunnen spaaren._
Zoo veele en zulke gewigtige zaken verrigt hebbende, bedagt ik nieuwe uitvindingen, waar door ik dit Rijk tot den oppersten, en voor de geheele Onderaardsche Waereld gedugten, top van grootheid konde brengen. Ik stelde terstond al mijn verstand in 't werk, hoe ik de onlangs overwonnen Volkeren bij hunne trouwe en pligt zoude houden; ten welken einde ik doorgaans in alle vaste plaatsen, sterke bezettingen lei; stellende mij goedertieren aan tegen de overwonnenen, en eenigen van hen tot groote eerampten, zelfs in de hoofdstad, bevorderende. Maar vooral begunstigde ik de gevangen Veldheeren _Tomopoloko_ en _Monsonius_ zoodanig, dat deze gunst onder eenige der _Quamiten_ afgunst baarde, schoon zij hunne verontwaardiging voor eenen tijd bedekt hielden; want de vonken bleeven lang onder de assche verborgen, tot dat zij eindelijk, zoo als straks gezegt zal worden, in eene volle vlam uitbarstten. Wat aangaat de binnenlandsche zaken; ik trachtte de letter-oeffeningen, en de zaken, rakende 't krijgswezen, tot de hoogste volmaaktheid te brengen. En nadien dit gewest zeer veele groote besschen heeft, houts genoeg verschaffende om eene vloot aan te leggen, en oorlogschepen naar de wijze van Europa te bouwen; stelde ik daar zoodanig mijn verstand aan te werk, dat, schoon ik door de veelheid der bezigheden zeer verstrooid was, ik egter mij nergens anders mede scheen op te houden. In dien toestel bediende ik mij voornamenlijk van de _Kispucianen_, nademaal dezelve in Zeezaken zeer bedreven waren, en ik stelde den Veldheer _Mansonius_ aan tot Opper-admiraal.
Terstond viel men aan 't boomen vellen aan 't smeden van allerlei timmermans gereedschap, en ik bevorderde het werk met zoodanige vlijt, dat 'er binnen den zestigsten dag, na dat men het werkhout in gereedheid hadt gebragt, eene Vloot van twintig Schepen zeilreê lag. Dit alles naar wensen verrigt zijnde, zag ik mij zelven niet anders aan, dan voor eenen tweeden, Onderaardschen, Alexander, die alhier dezelve bewegingen maakte, welke deze eertijds op onze waereld gemaakt hadt. De dwaaze heerschlust kruipt tot in 't oneindige voort, en vindt geen plaats daar ze gestuit wordt. Eenige jaren te vooren, was een Diakens-, Schrijvers-, of Clerks-plaats, een klein bedieningtje zeeker, het hoogste van in mijn verlangen, en ik stond naar niets grooters; maar nu scheenen vier of vijf Koningrijken mij te naauw te zijn: zoo, dat ik, ten aanzien der heb-lust, die met rijkdom en vermogen, steets vermeerdert wierdt, nooit armer of behoeftiger geweest ben.
Wanneer ik door de _Kispuciaansche_ Zeelieden van de gelegenheid en aart, zoo der Zeeën als der omleggende Landen, onderrigt was, en van hen vernomen had, dat men met eene voorspoedige reis, in den tijd van agt dagen konde komen op de kusten van het Rijk _Mezendoria_, van waar men door bekende, en onlangs door mij doorgeroeide, Zeeën, gemakkelijk konde oversteken naar _Martinia_, beval ik de reize te verhaasten. En _Martinia_ was het voornaamste oogwit waarop ik doelde: zoo wel de onmetelijke schatten en rijkdommen van die Natie, als het aankweeken en voortzetten der Zeevaard, waarin de _Martinianen_ zeer bedreven zijn, waren zoo veele prikkelen in mijn gemoed, vermits ik zoo groote zaken voornemende, lieden nodig had die zig des verstonden. Daar was nog een andere prikkel, namenlijk de wraaklust, welke mij aanporde om die Natie te onder te brengen. Van de twee Keizerlijke Prinsen nam ik den oudsten mede op deeze reize, voorgevende, dat Zijne Hoogheid, geduurende dezelve, een ruim veld zoude vinden om zijne dapperheid en bekwaamheden te oefenen. Dog mijn waar oogmerk was, om aan hem eenen Gijzelaar en Waarborg van de trouw der _Quamiten_ te hebben. De jongste Prins bleef wel t'huis; dog de regeering des Rijks was, bij mijn afwezen, overgelaten aan de Keizerin, die al bereids bezwangert was. De geheele Oorlogsvloot bestondt uit twintig, zoo groote als kleine, schepen, alle gebouwt naar de _Martiniaansche_ wijze, en naar den raad, en onder 't opzigt van den _Kispuciaanschen_ Veldheer _Mansonius_, welken ik het gantsche bewind over de Zeezaken had toevertrouwt, en die ook alle de teekeningen met eigen hand gemaakt hadt; want de _Martinianen_ waren onder de Onderaardlingen, 't geen eertijds die van _Tyrus_ en _Sidon_ waren, of 't geen de Engelschen en Hollanders bij onze tijden zijn; zig 't gebied der Zee toeschrijvende. Dog toen wij in _Martinia_ kwamen, bespeurde ik welhaast, hoe zeer wij in 't oorsprongelijke hadden misgetast.
Wij gingen onder zeil in dat jaargetij, wanneer de Planeet _Nazar_ half vol was, of 't eerste quartier uitmaakte. Na dat wij drie dagen op Zee gekruist hadden, ontdekten wij een groot eiland, welks inwoonders, vermits zij oneenig en in partijschappen verdeeld waren, ligt het jok was op te leggen: en wijl zij geene wapenen hadden, nog het gebruik daarvan kenden, alleen streeden met schelden, en lasteren. Daar in bestondt bij hen alle draf en alle oorlogsgeweld. De overtreders der wetten worden 'er in hegtenisse gezet, waar uit zij, na dat de misdaad onderzogt is, naar de Geregtsplaats worden gebragt, en aldaar voor scheldwoorden en beschimpingen ten toon gestelt. Om die bedieningen waar te nemen, zijn eenige personen aangestelt, die _Sabuti_ of Beschimpers en Lasteraars, geheeten worden, en dezelve zijn even als onze Scherpregters en Dief-leiders. Wat aangaat hunne ligchaams-gedaante; zij verschillen alleenlijk hier in van de menschen, dat de Vrouwen baarden hebben, en 't manvolk zonder baard is. Daarenboven gaan zij agterwaards uit, en niet als alle andere menschen, voor uit. Na dat wij hier eene landing hadden gedaan, kwamen ons omtrent driehonderd _Canalisken_ (dus worden de inwoonders genoemt,) te gemoet. Deeze ons vijandelijk besprongen hebbende, gebruikten hun gewoon geweer, bestaande in 't uitbraken van scheldwoorden en smadelijke bejegeningen. Met zodanige scherpe uitdrukkingen, (zoo als wij van zekeren _Alectoniër_, die de _Canaliskische_ taal magtig was, verstonden,) waren de scheldredenen, welke zij ons naar 't hoofd wierpen, opgestelt, dat zij genoeg te kennen gaven, dat zij in dit soort van vegten, dappere helden waren, en voor de Taalgeleerden in onze waereld niet te wijken hadden. Dog ik al te wel wetende dat
_Gramschap zonder bloedvergieten,_ _Niet dan Wijven kan verdrieten,_
beval op die ongewapende Natie geenen aanval te doen, maar alleenlijk, om 'er schrik onder te maken, een stuk geschut los te branden; 't geen niet zoo haast geschied was, of zij vielen op hunne knieën, en baden om vergiffenisse. Terstond kwamen 'er eenige van de voornaamsten des eilands in alle ootmoedigheid zig zelven met hunne onderdanen aan ons overgeven, zeggende, dat het hen tot geene schande konde strekken, overwonnen te worden van den, genen, welken, het niet behoorlijk was te overwinnen, nog dat het betamelijk was, dat hij, welken de fortuin boven alle andere verheven hadt, aan iemant wierde onderdanig gemaakt. Aldus dit eiland door welks verovering mijne magt wel toegenomen, dog egter mijne glorie, om de lafhartigheid der inwoonders, niet vermeerdert was, onder tribuit gezet hebbende, ligtten wij de ankers, en kwamen, na eene gelukkige reize van ettelijke dagen, op de kusten van _Mezendoria_. Toen deed ik krijgsraad van de Scheepshoofden beleggen, om te onderstaan wat best gedaan ware; en of het raadzamer zoude zijn, terstond de vijandelijkheden te beginnen, dan door eene bezendinge den Keizer de pols te voelen, of hij genegen was, om, mits zig overgevende, vreede te houden, dan of hij den oorlog verkoos. De meeste waren van gevoelen dat het betamelijker en veiliger was, dat eenige Gezanten werden derwaards gezonden; waarom ik die bezending aan vijf persoonen oplei, te weten: aan eenen _Quamiter_, eenen _Arctoniër_, eenen _Alectoniër_, eenen _Tanachiter_, en eenen _Kispuciaan_. Deezen, binnen de Hoofdstad gekomen, wierdt uit den naam des Keizers door den Stadvoogd afgevraagt:
_Wat zoekt gij? Wat mag 't zijn, dat uwe vlugge kielen_ _Door 't schuimend pekelnat in onze havens vielen?_
Hier op gaven zij ten antwoord:
_.......Geene baren,_ _Nog stormen dwongen ons aan uwe kust te varen,_ _Nog 't heeft aan kennis van gestarnte of strand gefeilt:_ _Wij komen herwaar'd, niet uit onze streek verzeilt;_ _Maar wel met vrijen wil, en voorbedagten raade._
En terstond gaven zij aan den Keizer eenen Brief over, van den volgenden inhoud:
"KLAAS KLIM, Afgezant der Zonne, Keizer van _Quama_, Koning van _Tanachi_, van _Aretonië_, van _Alectorië_, Groot-Hertog der _Kispuciaanen_, en Heer van _Canaliska_, groet _Miklopolatu_, Keizer van _Mezendoria_. Het zij u bekend, dat door een onwederroepelijk besluit der Goden, vastgestelt is, dat alle Rijken en Heerschappijen aan het _Quamitische_ Gebied onderworpen zullen worden; en nademaal het besluit der Goden onveranderlijk is, zoo moet volgen, dat ook uw Keizerrijk het zelve noodlot ondergaa.--Wij verzoeken u dan, dat, gij u zelven goedwillig overgeeft, en wij vermanen u, dat gij Uwe Rijken niet bloot stelt aan de gevallen des oorlogs, door u roekelooslijk aan te kanten tegen onze overwinnende wapenen: u zelven bij tijds overgevende, zult gij veel onschuldig bloed bespaaren, en uwe eigen zaken in beteren staat stellen. Gegeven op onze Vloot, den derden der maand _Rimat_."
Na dat eenige dagen verloopen, waren, kwamen de Gezanten te rug met een trotsch en hoogmoedig antwoord. Hierom, alle hoop van vreede aan eenen kant zettende, deeden wij de landing. Onze troepen aan land gebragt, en in slagorde gestelt zijnde, zonden wij verspieders uit, om te zien wat toestel de vijand maakte. Eerlang kwamen zij te rug, tijding brengende, dat het vijandelijk Leger, bestaande uit zestigduizend Leeuwen, Tijgers, Olifanten, Beeren en Grijpvogels, kwam aanrukken. Hierom sloegen wij ons op eene voordeelige plaats ter neer, besluitende den vijand af te wagten. Alles nu gereed, en het teeken van aan te vallen gegeven zijnde, wierden van de vijandelijke zijde, vier Vossen als Afgezanten gezonden om met ons over vrede te handelen. Dog na dat dezelve eenige uuren met onze Bevelhebbers gesproken hadden, scheidden zij onverrigter zake. Eerlang bleek het, dat zij veel eer verspieders dan Gezanten waren geweest, en nergens anders toe afgezonden waren, dan om den staat van ons Leger op te nemen. Zij gaven wel vóór, eerlang met breeder last te zullen wederkomen; dog toen wij kort daarna het geheele vijandelijke Leger in aller haast op ons zagen aannaderen, bespeurden wij dat 'er van den vrede niets te wagten was, waarom wij ons tot den aantogt gereed maakten, en als op een drafje naar den vijand liepen. Daar wierdt lang en fel gevogten, met even groote hardnekkigheid van beide zijden. Want schoon onze Busschieters al met den eerden aanval eene groote slagting maakten bleven egter de Olifanten standvastig met gesloten gelederen; om de hardheid hunner huid geen kogels ontziende. Dog toen men 'er grof geschut begon onder te branden, en de Olifanten daar van het doodlijk gewrogt bespeurden, droopen zij, met grooten schrik bevangen zijnde, doorgaans af, en schroomden niet om,
_Door schandlijk 't hasenpad te kiezen,_ _En eer en zege te verliezen._