De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 19
De Leerstukken van die van Europa zijn waarlijk heilig, en overeenstemmende met de gezonde reden. De Boeken waar in 't geen men gelooven en betrachten moet, vervat is, bevelen, dat men dezelve nooit uit de hand moet leggen, en den waaren zin derzelven door naspeuren ontdekken: voorts vermanen zij toegevenheid te gebruiken tegen de afdwalenden en zwakken; dog zoo iemant de zaak anders opvat, wordt het meerdergedeelte der burgers met gevangenhuis, geesselslagen, en zomtijds met de straffe des vuurs, om die zwakheid des oordeels, gestraft. Dit scheen mij toe net eveneens te zijn, als of men eenen scheelen of leep-oog met stokken ging afrossen, alleenlijk om dat de voorwerpen, welke mij rond voorkomen, hem vierkantig scheenen te zijn. Ik heb mij laten zeggen, dat om deeze reden, ettelijke duizenden menschen door bevel der Magistraat onthoofd of verbrand zijn geworden. In de meeste Steden en Wijken zult gij menschen vinden, die op verheven plaatsen staan, en de zonden die zij zelve dagelijks begaan, in anderen ten strengsten doorhalen, 't geen even het zelve is, als of ik eenen dronkaard hevig hoorde uitvaren tegen de dronkenschap.
Die daar met een' bult, krom of mank geboren wordt, staat naar den tytel van welgeschapen (_Welgeboren_): die van 't janhagel uitgebroeit is, neemt den tytel aan van eene adelijke geboorte (_Edelgeboren_), 't geen al zoo vreemd is, als of een Dwerg een Reus, en een Grijsaart een Jongeling wilde geheeten worden.
In de groote Steden is doorgaans de gewoonte doorgedrongen, dat de vrienden genoodigt worden op eenen drank van een zeker zwart sap, dat gemaakt wordt van gebrandde boonen. Dat sap wordt doorgaans Caffée (Koffy) genaamt. Naar de plaats daar men het zal gaan drinken, worden zij getrokken door twee sterke dieren, zittende in eene doos die op vier wielen gestelt is: want de Europeaanen rekenen dat het weinig fatzoen is, te voet te gaan.
Op den eersten dag van 't jaar krijgen zij eene ziekte, die aan ons Onderaardlingen onbekend is. De kenteekenen deezer ziekte zijn wonderlijke onstuimigheden en opschuddingen in de gemoederen: want niemant kan zig dien gantschen dag lang op eene en dezelve plaats houden. Als dan loopen zij als uitzinnige van 't eene huis in 't andere, zelve niet wetende waarom, of tot wat einde. Veele zijn veertien dagen agtereen met deeze ziekte bezeten. Eindelijk egter, door 't geduurig loopen afgemat zijnde, keeren zij weder naar huis, en worden zoo wederom gebragt tot voorige gezondheid.
Nademaal de ziekten des geests, waar mede de Europeaanen geplaagt worden, ontelbaar zijn, zoo zijn 'er ook oneindig veele geneesmiddelen tegen uitgevonden. Veelen bekruipt eene brandende begeerte om op zodanige wijze door de Stad te wandelen, dat hunne flinker zijde altijd gekeert staat naar de regterzijde van anderen. Hoe gij nader aan 't Noorden komt, hoe gij ook die ziekte zoo veel te geweldiger zult bespeuren, waar door het blijkt dat die kwaal haarem oorsprong heeft uit de kwalijk getemperde lugt. Die ziekte wordt verdreven door geteekende papieren, waar op eenige karakters worden gedrukt. Terwijl de zieken deeze papieren als toover-karakters dragen, worden zij allengskens gezond. Eene andere razernij is men gewoon uit te drijven door 't geluid van bellen of klokken. Op het geluid van deezen worden de onstuimige gemoederen bedaart, en hunne gistende driften ternedergezet. Dog dit geneesmiddel is van korten duur: want twee uuren naderhand komt het kwaad wederom en wordt erger.
In Italië, Frankrijk en Spanje is in den winter eene zekere ontembare razernij eenige weeken lang aan 't woeden. Deeze razernij wordt gestilt door het bestrooijen met assche op de voorhoofden der kranken. In 't Noordelijke gedeelte egter van Europa, heeft die assche geen kragt, invoegen die van 't Noorden Noorden alleen uit de natuur geneezen worden.
De meeste Europeaanen maken alle jaren drie- of viermalen een plegtig verbond met God, 't welk straks wederom staat te worden verbrooken, en 't geene zij de Communie noemen; dus zij dat alleen tot dat einde schijnen te maken, om te betoonen dat zij besloten hebben, drie- of viermalen 's jaars hun verbond te verbreeken.
Wanneer zij hunne misdaden belijden, en God om ontferming smeeken, pleeg dat doorgaans te geschieden door eene zekere besnoeijinge van woorden, en met musiektoonen: somtijds worden 'er fluiten, trompetten en trommelen bijgevoegd, naar mate dat de misdaden, waar van zij de straffe door maatgezang afbidden, groot zijn.
Bijna aan alle Natiën van Europa is het opgelegt, de leer, welke zeker heilig Boek behelst, te belijden dog het leezen van dat Boek, is in de Zuidergedeelten geheel en al verboden, zoo, dat de menschen gehouden worden zaken te gelooven, welke zij niet mogen; leeren nog inzien, zonder misdaad.
In die zelve gewesten is het verboden, God te eeren of te aanbidden, tenzij in eene onbekende taal, invoegen die gebeden alleen voor regtmatig en Gode aangenaam worden gehouden, die van de gene gedaan worden, die niet weten wat zij doen.
In de groote Steden worden bijna alle de gene die tot eerampten en waardigheden verheven worden, beroert, zulks zij, even als geraakte lieden, op rosbaren, op de wijze als bussen gemaakt, langs de straaten worden gedragen.
De meeste Europeaanen scheeren hun hoofdhair met een scheermes af, en dekken hunne kaalheid met vreemd hair, 't geen op hunne hoofden nooit gegroeit is.
Dc Geschilstukken, welke gemeenlijk in de Europische Schoolen verhandelt worden, zijn over zaken, welker natuur te onderzoeken, den menschen geen voordeel aanbrengt, nog welke het menschelijk verstand bevatten kan. Dog de geleerdste stoffen, waar over de Europeaanen schrijven, zijn over de schoeizels, schoenen, halssieraden, laarzen of tabbaarden van zekere oude en lang uitgestorven Natiën. Verder over de gewijde en ongewijde Wetenschappen laten de meeste zelfs niet eenmaal hun oordeel gaan, maar hangen hun zegel aan dat van andere. Want op hoedanig eene Wetenschap zij ook als door eenen storm mogen zijn gevallen, blijven zij daar aan als aan eene klip hangen; want aangaande dat zij zeggen, dat zij alles toevertrouwen aan den genen, welken zij oordeel en wijs te zijn geweest, zoude ik dat kunnen voor goed keuren, zoo de dommen en ongeleerden dat hadden kunnen doen; maar daar wordt een wijs man toe vereischt, om van een wijs man te kunnen oordeelen.
In de Zuidelijke gedeelten worden ronde koekjes of taartjes door de Steden en Dorpen omgedragen, welke de Priesters zeggen God te zijn; en, daar gij 't allermeest over verwondert moet staan, zelfs de Bakkers, die 't meel vertoonen waar van dezelve gemaakt zijn, zullen zweeren dat die koekjes de waereld geschapen hebben.
De Engelschen zijn bijzondere liefhebbers der vrijheid, en aan niemant dienstbaar, dan alleen aan hunne Vrouwen. Zij zelve verwerpen heden dien Godsdienst, welken zij gisteren beleden, en dien, welken de geheele Natie gisteren verwierp, omhelzen zij heden alle te zamen. Deeze veranderlijkheid schreef ik toe aan de gelegenheid des gewests, te weten, om dat de Engelsche Eilanders aan Zee zijn gelegen, en zeer veel van den aart van die veranderlijke en onstandvastige hoofdstoffe overgeërft hebben.
De Engelschen vragen den genen die hen ontmoet, zoo zorgvuldig naar zijnen welvaart en gezondheid, dat men zoude zeggen dat zij alle geneesheeren waren. Maar de Vraag: _How do you do?_ of, hoe vaart gij? is alleenlijk een bloot spreek woord, en een klank zonder eenigen zin.
In dat zelve Eiland wordt de geest en de kragt des vernufts, met zoo veel zorg geslepen en gepolijst, dat ze dien eindelijk in 't geheel kwijt raken.
Naar het Noorden toe hebt gij eene Republyk, te zamen gestelt uit zeven Provinciën. Die Provinciën worden de Vereenigde genoemt, schoon 'er niet 't allerminste teeken van Vereeniging of Eendragt in te vinden is. 't Gemeene volk geeft aldaar breed op van hun vermogen, en dat bij hen de hoogste magt in de Republijk berust; daar in tegendeel nergens het gemeene volk zoo zeer van 't behandelen van Staatszaken wordt geweert, en de klem der Regeering enkel en alleen onder eenige Familien berustende is.
De inwoonders deezer Provinciën vergaderen, met den uitersten vlijten ijver, rijkdommen, waar van zij egter geen gebruik, maken invoegen zij met volle beursen en ledige buiken loopen; want het schijnt als of zij alleenlijk van den rook leeven, welken zij door pijpen of buizen van pijp-aarde inzuigen.
Men moet van deeze Natie zeggen, dat zij de netste is van alle volkeren: want zij wasschen alles zorgvuldiglijk, uitgenomen alleen hunne handen.
In de Steden en Dorpen van Europa zijn Nagtwakers, welke, terwijl zij met hunnen zang, of liever met hun gebalk, de slapenden rust toewenschen, dezelve ter aller uure wakker maken.
Elk gewest heeft zijne eigene wetten: het heeft ook zijne gewoonten, meerendeels regelregt strijdende met de wetten. Dus moet, bij voorbeeld, de vrouw den man, volgens de wetten, onderdanig zijn; dog, volgend de gewoonte, heerscht zij over den man.
Zeer veel worden ze onder de Europeaanen geagt, die rijkelijk leeven en eene goede keuken houden: alleen die het aardrijk bebouwen, en die gulzigaards de spijze verzorgen, worden niet veel geagt.
Hoe veele en hoe groote kwaade neigingen die van Europa onderhevig zijn, blijkt uit de galgen, raden, en galge-velden die overal gezien worden. Elke Stad heeft haaren Scherpregter; behalven egter in Engeland, alwaar ik geloof dat men geen Scherpregters heeft, vermits de inwoonders zig zelven ophangen.
Ik zou bijna denken dat die van Europa Menschen-eeters zijn; aangezien zij eene groote menigte kloeke en sterke menschen in besloten plaatsen, Kloosters geheeten, zetten, om geen andere redenen als om die daar vet en glad te mesten: want zoo lang als zij in die groene Hooven bewaard worden, zijn zij ontslagen van allen arbeid, en zorgen niet anders dan voor hun keelgat.
De Europeaanen zijn gewoon 's morgens water te drinken, om de hitte hunner maag te verkoelen; dog naauwlijks is hun lijf door dien koeldrank verfrischt, of zij drinken sterken drank om wederom verhitste worden.
De Godsdienst van Europa wordt in twee Secten verdeelt: eene der Protestanten, en de andere der Roomschgezinden: de eerste bidden maar eenen, de laatste zoo veele Goden en Godinnen aan, als 'er Steden en Dorpen zijn. Alle deeze Goden en Godinnen zijn schepzels van den Roomschen Opper-priester; en hij zelf wordt geschapen door Priesters die Kardinalen genoemt worden. Hier uit kan men afnemen hoe groot een regt de Kardinalen hebben, aangezien zij de Scheppers zijn van den Schepper der Goden.
De oude Italiaanen hebben de gantsche Waereld te ondergebragt, en waren zelve onderdanen van hunne wijven; dog de hedendaagsche Italiaanen zijn de Tyrannen van hunne wijven, en veragte slaaven van bijna alle Natien.
De Dieren in Europa worden onderscheiden in Zee- en Land-dieren. Men vindt 'er ook die 't beide zijn, als de Kikvorschen, de Dolfijns en de Hollanders; want die bewoonen ook de moerassen.
_Land of Water 't is om 't even:_ _Holland kan op beide leeven._
Die van Europa gebruiken het zelfde voedzel dat wij hebben. Dog de Spanjaards leeven van den wind.
De Koophandel bloeit doorgaans door geheel Europa, en daar zijn zeer veele dingen te koop, die hier niet verkogt worden. Dus verkoopen de Romeinen den hemel; de Zwitzers zigzelven.
In ***, worden Kroon, Scepter en Koninglijke waardigheid, in 't openbaar aan den meest-biedenden verkogt.
In Spanje kent men een fatzoenlijk man aan zijne luiheid, en daar is niets dat den Adel zoo zeer verheft als 't slapen.
Vroome en waare Geloovigen worden genoemt de gene die niet weten wat zij gelooven, en die 't geen zij hooren niet der moeite waardig agten te onderzoeken. Daar zijn 'er ook die door enkele ledigheid, slofheid en onagtzaamheid, in 't getal der Heiligen worden gestelt; dog eeuwig verdoemden worden gerekent de gene, die, bekommert over hunne zaligheid zijnde, om dieswille dat zij alles naauwkeurig onderzoeken, van zeker heerschend gevoelen verschillen.
Wijders gelooven de Europeaanen doorgaans, dat de toekomende geluk-staat of eeuwige verdoemenis niet voortvloeit uit de werken of oeffeninge van deugd en Godsvrucht, maar alleen uit de geboorte-plaats: want alle bekenden zij, dat bijaldien zij op eene andere plaats en van andere Ouders geboren waren, zij ook van eenen anderen Godsdienst zouden zij. Hierom schijnt her mij toe, dat zij iemant verdoemen, niet zoo zeer om den Godsdienst zelf, als wel om de plaats en 't lot van iemants geboorte. Dog hoe dat gevoelen overeen te brengen brengen is met de Goddelijke goedheid en regtvaardigheid kan ik niet zien.
Onder de letter-oeffenaars worden meest geagt de gene, die de natuurlijke orde der woorden zoo verdraaijen, dat zij al 't geen uit zig zelven klaar en onderscheiden is, verdonkeren en bezwagtelen. Deeze worden Poëeten geheeten, en die verplaatzinge der woorden, Poëzy. Dog de bekwaamheid eenes Poëets bestaat niet alleen in die omkeeringe des stijls; maar daar wordt wel inzonderheid vereischt, dat hij een doortrokken leugenaar zij. Hierom wordt den ouden Poëet Homerus bijna Goddelijke eere bewezen, nademaal hij 't kunstje in beide zoo wel verstondt. Dees wordt in 't omkeeren der spreekwijzen, en in de waarheid geweld aan te doen, van veelen nagevolgt; maar niemane heeft hem kunnen bereiken.
De Europeaansche letter-oeffenaars koopen zeer gretig Boeken; dog niet zoo zeer om de stoffe, als wel om 't formaat en de netheid; waarom ook de Boekverkoopers, bespeurende dat de geletterde koopers vermaak scheppen in poppegoed, en in 't geen meer het oog dan den geest voldoet, de Boeken in andere formaten, andere drukken, letters en figuuren versmeden, en honderdvoud duurder verkoopen; want de vrije konsten worden verkogt, en onder de fijnste Kooplieden worden gerekent de Philosophen en de makers van Boeken. De Gekken schrijven de meeste Boeken, als of zij bedugt waren, dat het gerugt hunner gekheid anders niet tot de nakomelingen komen mogte.
De Academien in Europa zijn de winkels of kraamen van geleerdheid en eer-ampten, alwaar de Eere-trappen, Promotien, Waardigheden, Tytels van geleerdheid in allerlei Wetenschappen, en alle andere geleerde Waaren, die niet zonder zweet, en door lange jaaren zig dag en nagt met allen vlijt te oeffenen, in onze Onderaardsche waereld, verkregen worden; voor cen redelijk of matig prijsje te koop staan. Leeraars worden ze genoemt die tot den hoogsten top van geleerdheid gestegen zijn, of die, gelijk de Europeaanen zeggen, op den top van eenen zekeren Parnassus berg, bij negen Maagden bewoont, geboren zijn. Na deeze volgen de Meesters, die door een weinigje minder kosten de tytels van geleerdheid verkrijgen, en daarom wat minder geleerd zijn. Hier uit ziet men hoe groot eene genegenheid de Bovenaardsche Schoolen het menschdom toedragen, wanneer zij het zelve den weg tot geleerdheid zoo effen en zoo gemakkelijk maken. Wijders vallen de Noordelijke Schoolen in dit stuk wat moeilijker; aangezien dezelve die hooge waardigheden niet toestaan, dan na voorgaand onderzoek.
De Geleerden worden van de Ongeleerden in zeden en dragt, dog vooral door den Godsdienst, onderscheiden; nademaal deeze alleen een eenigen God, dog gene verscheiden Goden en Godinnen eeren. De voornaamste Godheden der Geleerden zijn, Apollo, Minerva, de Negen Zanggodinnen, en andere mindere Godheden, welke de Schrijvers, en inzonderheid de Poëeten, wanneer zij beginnen razend te worden, gewoon zijn aan te roepen. De geleerden zelve worden in verscheidene Classen, naar de verscheidenheid hunner studien, verdeelt; want of zij zijn Philosophen, of Poëeten, of Taalgeleerden, of Natuurkundigen, of Overnatuurkundigen, en wat dies meer is.
Een Philosooph is een gelettert Koopman, die voor eenen zeekeren prijs de lessen van zelfs-verloochening, van matigheid en van armoede te koop veilt, en zoo langen tijd met mond en penne uitvaart tegen de rijkdommen, tot dat hijzelf rijk is. De vader der Philosophen is een zekere Seneca, die op zulk eene wijze, koninglijke schatten heeft weten te verkrijgen.
Een Poëet is iemant die geprezen wordt om zijne grollen en leugens. Hierom is razernij de lof, welken men den Poëeten van 't hoogste bordje gewoon is toe te schrijven. Want alle de gene die zig slegts eenvoudig en klaar uitdrukken, worden geoordeelt niet waardig te zijn, dat hun 't hoofd gelauriert worde.
De Taalgeleerden maken op zigzelven eene soort van krijgsvolk uit, dat de gemeene rust verstoort. Zij verschillen van alle andere oorlogslieden hier in, dat ze in plaats van eenen krijgsrok, eenen tabbaart dragen, en in plaats van zwaarden, de penne gebruiken. Deeze strijden al zoo hardnekkig voor letters en lettergrepen, als andere voor hunne vrijheid, goed en bloed. Ik geloof dat zij van de Mogenheden tot geen ander einde en oogmerk onderhouden worden, dan om in tijd van vrede het menschdom door al te groote gerustheid niet te doen vadzig worden. Zomtijds egter, wanneer die oorlog op zijn allerboogste is, stelt de Raad zijn gezag tusschen beiden, zoo als ik gehoort heb dat nog onlangs te Parijs geschied is, alwaar het verschil onder de Leeraaren over de letters Q en K zeer hoog gerezen zijnde, het zeer voortreffelijke Parlement het gebruik van beide die letters heeft toegestaan.
Een Natuurkundige is, die de ingewanden der aarde, de natuur der tweevoetige, der viervoetige, mitsgaders die der kruipende en bloedelooze dieren onderzoekt, en die alles kent behalven zig zelven.
Een Overnatuurkundige is, aan wien alleen bekent is 't geen voor anderen verborgen is, en die het bestaan der geesten, der zielen, en wezens, en geen wezens, kent, beschrijft en bepaalt; dog die door een al te scherp gezigt niet verder ziet dan zijn neus lang is.
Dus is 't gestelt met den staat der geleerdheid in Europa. Ik zou hier meer van kunnen zeggen; dog het zal genoeg zijn 't voornaamste te hebben aangeroert, waar uit de leezer gemakkelijk zal kunnen oordeelen of de Europeaanen gelijk of ongelijk hebben in te gelooven dat zij alleen wijs zijn.
Dit moet men egter den Leeraaren en Meesters in Europa nageven, dat zij in 't onderwijzen der Jeugd veel snediger zijn dan onze Onderaardsche, want men vindt 'er Meesters in konsten en taalen, die niet alleen anderen onderwijzen in 't geene zij zelve geleert hebben; maar die zelfs anderen onderwijzen in 't geen, waar van zij niet de minste kennisse hebben. 't Is al eene zwaare zaak om andere naar den eisch lessen te geven in 't geene waar in wij zelve onderwezen zijn; maar nog zwaarder is het, anderen te leeren 't geen wij zelve niet weten.
Daar is 'er onder de geleerde Europeaanen die zig in de Godgeleerdheid en in de Philosophie met even groote drift oeffenen. Deeze, voor zoo veel zij Philosophen zijn, twijfelen aan alles; dog, voor zoo verre zij Godgeleerden zijn, durven zij niets ontkenen.
De Europeaanen hebben dezelve zugt tot de letter-oeffeningen als onze Onderaardlingen; dog zij worden vrij wat eerder geleerd, en zulks om een zonderling en bijna tooveragtig verzinsel, waar door 't geschiedt, dat zij honderden Boeken op éénen dag kunnen doorlezen.
De Bovenaardlingen zijn zeer Godsdienstig, en volharden in geloften en gebeden. Dog den tijd hunner gebeden regelen zij niet naar hun zielsverlangen; maar naar 't geluid der klokken, en naar de uur- en zonnewijzers, zoo, dat hunne Godvrugtigheid geheel en al werktuiglijk is, als die veel meer door uiterlijke teekenen, op zekere uuren, door gewoonte, en op gezette tijden, dan op de innerlijke bewegingen des harten, gebooren wordt.
Hoe zij volhardende zijn in den gebede, blijkt hier uit, dat veele van hen, terwijl zij hout hakken, de vaten wasschen, en andere handwerken doen, geestelijke liederen zingen.
Toen ik in Italië was gekomen, zag ik mij zelven aan voor Heer van dat gantsche Gewest, want al wie mij tegenkwam, noemde zig mijn slaaf (_Schiavo_); maar toen ik van die slaafsche gehoorzaamheid, welke zij voorgaven, eene proeve wilde nemen, beval ik des waards Huisvrouwe op zekeren nagt bij mij te brengen; dog hij, daar over in toorn ontsteeken, beval mij mijne spillen te pakken, en toen ik daar mede sammelde, stootte hij mij buiten de deur.
In de Noordsche Gewesten zijn de inwoonders zeer begeerig naar tytels van zaken die zij niet in haare magt hebben. Voorts....
Tot hier toe had ik naarstig toegeluistert, maar thans moeilijk wordende, viel ik den Leezer in, zeggende, dat het fabelen waren, en herssenschimmen van eenen Schrijver die met de zwarte gal gekwelt was geweest. Dog toen de eerste furie wat over was, begon ik een veel zagtzinniger oordeel over die reisbeschrijvinge te vellen, nademaal ik zag dat de Schrijver, schoon hij in veele zaken wat leugenagtig en partijdig viel, egter niet geheel en al mis was, maar in veele zaken den spijker op 't hoofd hadt geslagen. Voor 't overige volgde ik den raad van _Tomopoloko_, en hield de _Quamiten_ zorgvuldig in den waan van mijne doorlugtige geboorte; vermits ik oordeelde dat het meer in mijn kraam diende, door te gaan voor een buitengewoon Afgezant, der Zonne, dan voor een inboorling van Europa.
Na dat onze Nabuuren zig langen tijd hadden stil gehouden, en ik in 't genot van eenen gewenschten vreede de zaken van Staat naar mijnen zin geschikt had; kregen wij eindelijk de tijdinge dat drie magtige Volkeren hunne wapenen vereenigt hadden tegen de _Quamiten._ Die Volkeren waren de _Arctoniers_, de _Kispucianen_, en de _Alectorianen_. De _Arctonische_ Natie zijn beeren, begaaft met reden en spraak, en worden voor eene wreede en strijdbaare Natie gehouden. De _Kispucianen_ zijn Katten van eene ongewoone grootte, die, om hunne doortraptheid en schrander oordeel, onder de Onderaardlingen zeer geagt zijn. Hierom hielden zij, niet zoo zeer door hunne ligchaams-kragten, als wel door hunne afgeregtheid in 't stuk des oorlogs, magtige vijanden in den teugel: En de _Alectorianen_, vermits zij niet alleen te land, maar zelfs in de lugt, den oorlog voerden, gaven hunnen vijanden genoeg te doen. Deze waren Haanen, gewapent met bogen en werpschigten, in vergift gedoopt, welke zij met eene wonderlijke handigheid uitschietende, daar door doodelijke wonden toebragten.