De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot
Part 18
't Is bijna niet uit te drukken, met welk eene opgetogenheid de _Quamiten,_ ons, in dien toestel reizende, stonden aan te kijken. Sommige van hen wierden zodanig door schrik bevangen, dat zij de Hoofdstad dagten te ruimen. De Keizer zelf hieldt zig bevreest binnen zijne tente, en durfde 'er niet uitkomen, eer een der afgezanten van 't Paard stijgende, hem dat geheim geopenbaart hadt. Een weinig daarna wierd ik op eene plegtige wijze, en met een groot gevolg, in de tente des Keizers geleid. Daar zag ik _Casba_ onder een behangsel van tapijten, midden onder zijne hovelingen zitten. Toen ik, binnen de tent tredende, met zeer eerbiedige woorden des Keizers weldadigheid verhefte, stondt die Vorst op, en vraagde mij hoe 't de Monarch der Zonne, Stichter en eerste Stamvader des _Quamitischen_ Huis, al maakte. Vermits ik genoodzaakt was de verouderde dwalinge der _Quamiten_ te koesteren, gaf ik ten antwoord: dat ik van den Alleenheerscher der Zonne naar de Aarde was afgezonden, om de ruwe en onbeschaafde zeden der _Quamiten_ door heilzame lessen te polijsten, en hen zodanig in de wetenschappen te onderrigten, dat zij niet alleen de wreedheid der nabuurige Volkeren zouden kunnen wederstaan; maar zelfs de palen hunnes gebieds uitbreiden; en dat mijn last behelsde dat ik daar altoos moest blijven. Deeze aanspraak beviel den Keizer boven maten; terstond gaf hij bevel mij eene tente op te slaan, en dezelve digt bij de zijne te stellen: ook wierden mij vijftien dienaars tot mijnen dienst toegeschikt, en de Vorst zelf stelde zig nergens in aan als mijn Heer; maar zogt mijnen dienst als een vriend.
DERTIENDE HOOFDSTUK,
_Oorsprong der Vijfde Monarchy._
Zedert dien tijd leidde ik mij geheel en al toe, om dit gewest eene andere gedaante te geven, en de jeugd in den krijgshandel te oeffenen.
_Een plein, wijd-uitgestrekt en voor de poort der stad_ _Gelegen, was de plaats die ik verkooren had_ _Ten school der jonglingschap: hier leert men hen de Paarden_ _Berijden naar de komt: te handelen de zwaarden:_ _Hier ziet men hoe een held den oorlogswagen ment:_ _Dáár, hoe een jonge knaap in 't renperk wordt gewent_ _Te dingen naar den prijs; den stalen boog te spannen_ _En, in zijn' frissche jeugd, zelfs d'afgeregtste mannen_ _Voorbij te streven in behendigheid en kragt._ _Men ziet 'er menig een die, naar vermogen tracht_ _De taaije werpspeer, met zijn' sterkgespierde armen,_ _Te drillen......_
Ik maakte een begin met hen de Paarden te leeren temmen, en tot het gebruik des oorlogs bekwaam maken; hoopende alleen door ruiterij de nabuuren in toom te zullen houden. Door mijne onvermoeide zorg en vlijt, wierden 'er eerlang zes duizend mannen te paard, den Keizer voorgestelt. En vermits de _Tanachiten_ ter zelver tijd eenen nieuwen inval dreigden te doen, om redenen dat de betaling der schattingen wat lang agter bleef, waar, van zij de voldoeningen te vergeefsch vorderden; trok ik op 's Keizers verzoek', met die nieuwe ruiterij, ondersteunt door een leger voetknechten, den vijand tegen. 't Voetvolk had ik met pieken en werpschigten gewapent, waar mede zij van verre met de _Tanachiten_ konden schermutselen: want tot nog toe hadden de _Quamiten_ niet anders gebruikt dan korte zwaarden of dolken: waarom zij bijna altijd met de vijanden, die sterker waren in ligchaams-kragten, handgemeen wordende, met ongelijken kans gestreden hadden.
Ziende mij nu tot Opperhoofd des Legers aangesteld, en merkende dat de _Tanachiten_ ver van de grensen onzes Rijks te velde waren getrokken, voerde ik mijn volk op hen aan. De _Tanachiten_ zoo onverwagt een leger op hen ziende aankomen, hielden zig in 't eerst zeer stil; dog de onze toetredende, hadt men niet zo haast den strijd aangebonden, of zij gebruikten hunne pieken en werpschigten, en maakten, op die wijze vegtende, eene zeer groote slagtinge onder de Vijanden. Deeze verloren egter den moed niet; maar stortten met een groot geweld op ons Voetvolk. Dog toen ze door onze nieuwe Ruiterij van ter zijde, wierden aangetast, wierden hunne gelederen gescheurd, en zij zodanig op den vlugt geslagen, dat door dien aanval de geheele slag wierdt gewonnen. Toen wierdt een zeer groot getal der vijanden op de slagtbank gebragt, en de Veldheer van het _Tanachitisch_ Leger wierdt te gelijk met twintigduizend adelijke Tijgers levendig door de onze gevangen genomen, om naar _Quama_ in zeegepraal te worden gevoert. 't Is bijna niet uit te drukken, hoedanig eene vreugde deeze zeer heerlijke overwinning door het gantsche Rijk verwekte, want in de voorgaande oorlogen hadden de _Quamiten_ doorgaans het onderspit gedolven, en geenen vrede dan op zeer nadeelige voorwaarden kunnen verkrijgen. Aanstonds gaf de Keizer bevel de gevangenen, als naar gewoonte, tot het ondergaan der halsstraffe weg te leiden; dog ik die gewoonte verfoeijende, ried aan dat men ze in de gevangenisse zoude bewaren, oordeelende dat de _Tanachiten_ waar mede men thans nog vrede nog oorlog hadt, zig wel zouden stil houden, tot dat zij zagen wat 'er van de gevangenen zoude worden: voorts oordeelde ik, dat een bestand mij noodig was, om andere zaken, welke ik bedagt had, ter uitvoer te brengen. Ik had gemerkt dat 'er hier te lande overvloed van salpeter was, en ik had 'er al, bereids eene groote meenigte van vergadert, waar uit ik dagt buskruit te maken; dog ik had mijn voornemen aan niemant dan alleen aan den Keizer te kennen gegeven, vermits ik zijn gezag nodig had om smitzen, waar in de bussen en diergelijke werktuigen zouden gesmeet worden, te doen opregten; hoopende dat door die werktuigen eerlang, alle de vijanden onzes Rijks zouden te onder gebragt worden. Na dat ik eenige honderden bussen met de noodige koogels daar toe had doen vervaardigen, deed ik eene openbaare proef van mijne uitvindinge, waarover zij zig alle grootelijks verwonderden. Een bepaalt getal van Krijgsvolk tot dit soort van krijgsdienst van stonden aan uitgekoren zijnde, wierdt dagelijks in den wapenhandel met de bussen onderwezen. Deeze proef gedaan en de Busschieters wel geoeffent zijnde, wierd ik van den Keizer tot _Jachal_, dat is Opper-veld-heer, des Legers aangestelt, aan wien alle de Opperhoofden van 't Voet- en Paarden-volk moesten gehoorzamen. Terwijl dit alles voorviel, had ik met den Veld-oversten der _Tanachiten, Tomopoloko_, wiens opregte inborst mij met hem als met eenen vriend deedt omgaan, verscheide samenspraken: willende de gelegenheid, inborst en zeden van die natie behoorlijk ondertasten. Ik bevond hem, niet zonder verwonderinge, eenen verstandigen, geschikten, en in de studien wel bedreven man: ik vernam ook dat in 't land der _Tanachiten_ de konsten en wetenschappen niet maar ter loops wierden geleert: voorts gaf hij mij te kennen, dat 'er oostwaards aan, een zeker strijdbaar volk gevonden wierdt, om welks wille de _Tanachiten_ genoodzaakt waren gestadig op hunne hoede te zijn: de inwoonders van dat Land waren wel van eene lage statuur en in ligchaams-kragten verre beneden de _Tanachiten_; dog zij waren snediger van oordeel, en gaauwer ter hand in 't werpen van schigten; en om die redenen hadden zij menigmalen de _Tanachiten_ gedwongen, vrede te verzoeken. Eerlang vernam ik dat die natie uit Katten bestond, en dat dezelve onder alle de inwoonders des Firmaments, in staatkunde en oordeel vermaard was. Zeker ik hoorde niet zonder hartzeer, dat het verstand, de studiën en wellevendheid in alle de schepzelen dezer Onderaardsche waereld wierden gevonden, en dat alleen de menschen, te weten de _Quamiten_, barbaarsch en woest waren. Dog ik hoopte dat die schandvlek weldra zoude worden uitgewist, en dat de _Quamiten_ dat gebied, 't geen de Natuur de menschen over alle schepzelen gegeven heeft, weder zouden krijgen.
Na de laatste nederlaag hadden de _Tamachiten_ zig lang stil gehouden; doch toen zij door Verspieders hadden vernomen, den aart en hoedanigheid der nieuwe ruiterij, namenlijk dat die Centauren, die onlangs zo groote vreeze verwekt hadden, niet anders waren dan getemde en geoeffende Paarden; schepten zij weder moed, en bragten nieuwe troepen op de been, welke de Koning der _Tanachiten_ in in persoon tegen de _Quamiten_ te velde bragt. De geheele heirkragt bestondt in twintigduizend Tijgers, alle oud en geoeffent volk, behalven twee Regimenten die onlangs gehuurt waren. Dog dat schielijk opgeraapte, volk waren meer naam- dan hulp-troepen. Deeze dan, opgeblazen door de hoop van te zullen overwinnen, wendden hunne wapenen tegen 't Rijk van _quama_. Twaalfduizend onzer Voetknegten, waar onder zeshonderd Busschieters, benevens vierduizend Ruiters, trokken hen te gemoet. En vermits ik niet twijfelde aan eenen goeden uitslag des gevegts, bad ik den ouden Vorst dat hij 't oppergebied over zijn volk wilde voeren, op dat hij van de glorie der overwinninge niet zoude berooft worden. Door dien schijn van zedigheid wierdt mijne achting in geenen deele gekrenkt; nademaal het geheele Leger mij aanzag voor hunnen waaren Veldheer. Daarop vond ik goed de Busschieters niet terstond te laten aanvallen, willende eerst eens onderstaan of de zege enkel en alleen door de Ruiterij zonder hen niet te bevegten ware. Dog die raad stondt mij duur; want _de Tanachiten_ vielen met zulk eene woede op ons Voetvolk, dat zij het dwongen den vlugt te neemen: En, terwijl de Ruiterij dien aanval dapperlijk uitstondt, bleef de zege lang twijfelagtig, invoegen nooit verwoeder gevogten wierdt.
_Nu stondt de uitkomst van den slag_ _Een wijl tijds ongewis: men zag_ _Niet wie zou winnen of verliezen;_ _En de Overwinning van om hoog,_ _Met weifelende pennen vloog,_ _Niet wetende wat zijd' te kiezen._
Toen ik mijne Busschieters uitrukte en aan den vijand bragt, hielden zig de _Tanachiten,_ op 't eerste vuurgeven verbaast zijnde, zeer stil; want zij konden niet begrijpen, waar dat gedonder en gebliksem van daan kwam; dog toen ze 'er de doodelijke' gewrogten van bespeurden, stierven zij bijna van schrik. Door deeze eerste begroeting lagen 'er tweehonderd Tijgers met den neus in 't zand, waar onder twee Leger-papen, welke, terwijl zij de Soldaten eenen moed in 't lijf spraken, door de koogels der bussen getroffen zijnde, sneuvelden. Hun dood wierdt door 't gantsche Leger zeer euvel opgenomen, vermits dezelve onder de beste en welspreekendste Predikers gerekent wierden. Zoo dra ik den schrik der vijanden bemerkt had, beval ik nog eens vuur te geven. Op de tweede begroeting volgde nog grooter slagtinge: eene groote menigte verloor, te gelijk met den Koning, 't leven; derhalven al hun heil in de vlugt stellende, keerden ons de vijanden den rug toe. De onze zaten hen op de hielen, en deeden 'er zoo veele over den kling springen, dat men, gemerkt de groote meenigte der verslagenen, die op het veld uitgestrekt lagen, bijna niet voort konde komen. Wanneer de onze, de strijd geëindigt zijnde, het getal der dooden opnamen, wierden 'er dertienduizend dooden bevonden, die in den strijd, of onder 't vlugten gesneuveld waren. Dus de vijand verslagen en verstrooid, en het overwinnend Leger op den _Tanachitischen_ bodem getrokken zijnde, wierdt na eenige dagen het beleg geslagen voor de Hoofdstad. Dog zoodanig waren toen alle harten met schrik bevangen, dat, schoon de Stad door derzelver gelegenheid, vesten en versterkingen wel voorzien en sterk was, en 'er geen mondbehoeften ontbraken, egter de Magistraat, op eene deemoedige wijze, den Overwinnaars der Stads-sleutels kwam aanbieden. De Stad was niet minder door haare grootte, dan door de nette welgeschiktheid der straaten, en den luister der gebouwen aanzienlijk. En zeker, het was verwonderlijk, dat de _Quamiten,_ aan alie zijden omringt van zulke beschaafde Volkeren, zoo lang in die onwetenheid hadden kunnen blijven leggen. Dog ik geloof dat het met hen geweest is, even gelijk met eenige andere Volkeren, die, met uitheemsche zaken zig niet bekommerende, alleen prijzen 't geen ze bij hun zelven zien, en daarom afgesneden van allen handel met andere natiën, altoos op denzelven droessem blijven berusten, 't geen uit de voorbeelden van eenige Volkeren in Europa gemakkelijk zoude kunnen worden aangetoont. Van deeze zwaare nederlaag hebben de _Tanachiten_ een nieuw tijdsbestek begonnen, en vermits dees beslissende slag, volgens hunne tijdrekening, voorviel op den derden dag der maand _Torul_, wierdt dees dag bij hen met eene zwarte koole geteekent. Op dien zelven tijd van 't jaar, te weten in de maand _Torul_, is de Planeet _Nazar_ welker loop om de Onderaardsche Zon de tijden regelt, en de jaargetijden onderscheidt, op haaren grootsten afstand van dit gewest des Firmaments. Ook draait het geheele Firmament om de Zonne; dog vermits de beweging der Planeet snelder is, schijnt _Nazar_ toe- of af- te nemen, naar dat zij nader aan 't een of 't ander halfrond komt. En uit de afneming of aanwas deezer Planeet, en teffens uit de Zon-eclipsen, worden de waarnemingen der Sterrenkijkers geboren. Eens heb ik tijdverdrijfshalven, de Almanachen der _Tanachiten_ doorloopen, welke mij niet onaangenaam geschikt, en zeer wel tezamen gestelt oorkwamen.
Op het overgaan van de Koninklijke Stad, volgde de overgifte van het geheele Rijk, zoo dat de versmading, welke de _Quamiten_ tot nog toe hadden moeten uitstaan, tot glorie oversloeg, en het _Quamitische_ Keizerrijk door den aanwas van dit overwonnen Volk, ten naastenbij tweemaal zoo magtig wierdt. Derhalven, vermits zij alle dat geluk aan mijne voorzigtigheid en wakkerheid toeschreven, ging de agting, welke zij mij dus lang hadden tocgedraagen, bijna tot Goddelijke eerbewijzing over. De _Tanachitische_ natie t' ondergebragt, en de bezettingen, waar door dat manhaftig volk bij zijnen pligt mogte worden gehouden, hier en daar in de Steden gelegt zijnde, vattede ik mijn begonnen werk weder bij de hand; trachtende de woestheid, waarin de _Quamiten_ tot nog toe versmoort hadden gelegen, bij den wortel af te snijden. Egter was het gevaarlijk dezelve terstond te zetten aan de vrije konsten; want 't geen ik zelf in Europa geleert had, te weten de Latijnsche taal, en eenig zamenraapzel van de Grieksche, bespeurde ik hier van geen nut altoos te zullen zijn. Hierom wierd ik genoodzaakt, uit 's vijands land, te weten uit dat der _Tanachiten_, twaalf geleerden te laten komen. Deeze, tot eerste Hoogleeraars zijnde aangestelt, kregen bevel, eene Universiteit, naar het voorbeeld der Hooge Schoolen in hun land, op te rigten. Voorts beval ik, de Koninglijke _Tanachitische_ Boekerij naar _Quama_ over te brengen. Ik had egter als bij mij zelven voorgenomen, om, zoo, dra als de _Quamiten_ in de Letter-oeffeningen zoo verre zouden zijn gevordert, dat zij op hunne eigene wieken konden drijven, deeze vreemdelingen weder te rug te zenden.
Ik was zeer begeerig om de Koninglijke _Tanachitische_ Bibliotheek te zien, vermits ik van den gevangen Veldheer _Tomopoloko_ verstaan had, dat 'er onder de Boeken, die mee de hand geschreven waren, een werk was, dat gemaakt was door eenen Schrijver, die in onze Waereld was geweest, en daar van verscheide gewesten, voornamenlijk die van Europa, beschreven hadt, en dat de _Tanachiten_ dat boek waren magtig geworden, terwijl zij in een afgelegen gewest den oorlog voerden, dat egter de naam van den Schrijver verboden was, en dat men tot nog toe niet wist, uit wat land hij was, of op welke wijze hij in de Bovenaardsche gewesten was overgeweest. Het Boek doorsnuffelt hebbende, bevond ik waaragtig te zijn, 't geen mij _Tomopoloko_ van dat werk gezegt hadt; hierom ontdekte ik hem openhartig mijn geslagt en vaderland, betuigende het zelve ook in den beginne mijner aankomste aan _Quamiten_ te hebben gedaan; dog dat die domme menschen aan mijn verhaal geen geloof hadden willen slaant, en dat ze mij liever gelooft hadden, een Afgezant der Zonne te wezen; en in die dwalinge nog hardnekkig bleven volharden. Hier voegde ik bij, vermits ik 't niet reedelijk achtte dien ijdelen tytel langer houden, dat ik eindelijk besloten had, den waren staat mijner geboorte hen te ontdekken, door welke ronde bekentenis ik geloofde, dat mijne agting geenszins stondt te verminderen: vooral wijl ik geloofde, dat het door het leezen van dat Boek alleen, stondt openbaar te worden, hoe verre die van Europa in verstand en bekwaamheid alle andere menschen overtreffen. Dog dat voornemen mishaagde dien voorzichtigen man, en hij openbaarde mij zijn gevoelen daaromtrent, met deze woorden: "Het is ten hoogsten nodig, doorlugtig Held, zeide hij, dat gij eerst dat Boek inziet, 't welk gelezen hebbende, zult gij misschien van dat voornemen worden afgetrekken; want, of de Schrijver is een leugenaar, of de Bovenaardlingen zijn menschen, die zotte en ijdele gewoonten hebben; volgende wetten en inzettingen op, die veel eer belachens--, dan achtenswaardig zijn; dog 't werk gelezen hebbende, doe dan dat u behaagt: alleen vermane ik u, dat gij niet roekeloos den tytel verwerpt, die den _Quamiten_ zoo groote agting voor u heeft ingedrukt: want om de menschen bij hunnen pligt te houden, is er niets bekwamer, dan dat opgevat gevoelen, 't geen 't gemeen volk heeft van iemants aart en hooge geboorte."
_Aan Tytel, Schijn en Wapen,_ _Wil zig 't gemeen vergapen._
Dien raad opvolgende, besloot ik, dat Boek te doorlezen en _Tomopolow_ daarin voor tolk te gebruiken. De Tytel van 't werk is: REISBESCHRVING VAN TANIAN, (dien men gelooft een versierde naam te zijn.) OVER DEN AARDKLOOT, of REISBESCHRIJVING VAN GEWESTEN EN LANDEN, MAAR VOORNAMENLIJK EUROPA. Dog vermits dat Boek, lang stil gelegen hebbende, 'er haveloos uitzag, en door langheid van tijd zeer verminkt was, wierdt 'er dat, te weten langs welken weg hij tot ons opgeklommen en wederom tot de Onderaardlingen nedergedaalt zij, niet in gevonden.
De inhoud van dat werk bestaat hier in:
STUKKEN DER REISBESCHRYVING VAN TANIAN, OVER DE AARDE, VOLGENS DE OVERZETTINGE VAN DEN TANACHITISCHEN VELD-OVERSTEN, DEN DOORLUGTIGSTEN, DAPPERSTEN, EN EDELMOEDIGSTEN HEERE TOMOPOLOKO.
* Dit landschap, (te weten Duitschland) wordt genoemt het Roomsch Keizerrijk; dog dit is alleen een bloote Tytel, vermits de Roomsche Monarchy al zedert eenige eeuwen vernietigt is. De taal der Duitschers kan men niet ligtelijk verstaan; door de verkeerde orde van stijl; want het geen in andere talen pleeg vooraf te gaan, komt hier agter aan: zoo, dat men niets verstaan kan, bevorens men gekomen zij aan 't eind eener bladzijde. Het Regerings-wezen is 'er zeer vreemd. De Duitschers gelooven dat zij eenen Koning hebben, en egter hebben zij 'er geenen: men zegt dat Duitschland een eenig Rijk is, en egter is het in verscheidene Vorstendommen gescheurt, welke alle hun eigen meester zijn: zoo, dat 't een het andere menigmalen met goed regt den oorlog aandoet. Het Rijk wordt altoos toenemend genoemt, schoon het dikwils zeer vermindert wordt: heilig wordt het genoemt, zonder iets dat heilig is te bezitten, onoverwinlijk, schoon het dikwils open legt voor de invallen zijner nabuuren. Niet minder verbazende zijn de regten en vrijdommen deezer natie, nademaal hen veele zaken van regtswegen toekomen; dog die hen verboden worden in 't werk te stellen. Over den staat van het Duitsche Rijk zijn oneindig veele geschriften uitgegeven, maar in zulk eene verwarde zaak zijn de Schrijvers tot nog toe niet veel: gevordert; want ****.
** De Hoofdstad deezes Rijks, (te weten van Frankrijk,) welke zeer groot is, en Parijs genoemt wordt, kan eenigermaten gezegt worden, de Hoofd-stad van Europa te zijn; want zij oeffent een soort van geregtsdwang over de overige Volkeren van Europa, bij voorbeeld, zij heeft het regt om dezelve regelen voor te schrijven, waar na zij hebben te leeven: zulks 'er geen soort van dragt zoo belachelijk of ongemakkelijk is, of alle andere Volkeren, zoo zulks slegts den Parijsianen aanstaat, zijn gehouden zig daar naar te schikken. Op wat wijze egter, of wanneer, die van Parijs dat regt verkregen hebben, is mij onbekent: zoo veel weet ik egter, namenlijk dat zig dat regt niet uitstrekt tot andere zaken; want andere natiën van Europa voeren dikwils oorlog met de Franschen, en perssen hen dikwils harde vredes-voorwaarden af; dog die slavernij omtrent de wijze van kleederen en leeven, is altoosduurend, zoodanig dat al wat Parijs in die dingen versiert, het overige van Europa gehouden is heiliglijk na te komen. In vlugheid van begrip, in het trachten naar nieuwigheden, en in vrugtbaarheid van vernuft, verschillen die van Parijs niets van de _Martinianen._
*** Hebbende Bononie laten leggen, vertrokken trokken wij naar Rome. Deeze Stad staat onder de gehoorzaamheid eenes Priesters, die, schoon zijn gebied zeer nauw bepaalt is, egter gerekent wordt de magtigste te zijn van alle Koningen en Vorsten van Europa; want daar andere Vorsten slegts heerschen over de ligchamen en goederen hunner onderdanen, kan dees zelfs de zielen verderven. De Europeaanen geloven doorgaans dat hij de sleutelen des Hemels in bewaring heeft. Ik was wel begeerig om zo groot een heiligdom te mogen zien; dog ik deed vergeefsche moeite; want wat gedaante dezelve hebben, of in wat kist zij bewaart worden, weet ik voor als nog niet: het regt dat hij zich aanmatigt en tevens oeffent, niet alleen over zijne eigene Onderdanen, maar zelfsch over 't gansche menschdom, bestaat voornamenlijk hierin; dat hij de gene die God veroordeelt, vrijspreekt, en die God vrijspreekt, kan veroordelen: waarlijk een vreemd gezag, en 't geen onze Onderaardlingen zouden zweeren in geen Stervelinge te kunnen plaats hebben. Dog het valt ligt de Europeaanen, zoo als men wil, bij de neus om te leiden, en hen de allerongerijmdste verzinzelen op te dringen, schoon zij meenen dat zij alleen wijs zijn en, door die gedagten opgeblazen, alle andere menschen, wier zeden bij hen barbaarsch zijn, met den nek aanzien. Zeker, ik wil de gewoonten en inzettingen onzer Onderaardlingen niet voorspreken; en ik zal alleen eenige manieren en zeden der Europeaanen aanhalen, waar uit het zal blijken, hoe veel ongelijks zij hebben in de inzettingen van andere Volkeren te berispen.
Doorgaans is het in Europa de manier, Paruiken te dragen, en de kleederen met de vrugten der aarde, tot blom gestooten, die door de Natuur tot voedzel voor den mensen was geschikt, te bestrooijen. Deeze blom, wordt gemeenlijk stof (_Poeijer_) genoemt, welke zij met grooten arbeid, en moeite alle avonden door de buil jagen om weder van voren af aan een versch gedeelte daar van te kunnen strooijen. Eene andere gewoonte; die mij niet minder belachelijk toescheen, is, de volgende: zij bedienen zig van een dekzel of hoed, waar mede zij hunne hoofden bedekken tegen de koude; dog die, hoofddekzels dragen zij gemeenlijk, zelfs in den winter, onder, den arm, 't geen mij al zoo bespottelijk voorkomt, als of ik iemant zijn rok of broek door de Stad zag dragen, terwijl zijn ligchaam, daar hij ze voor gemaakt hadt, bleef blootgestelt voor de ongemakken der lugt.